Binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.
HR, 15-02-2013, nr. 12/04964
ECLI:NL:HR:2013:BY7632, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-02-2013
- Zaaknummer
12/04964
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BY7632
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BY7632, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 15‑02‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY7632
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2012:BY1175, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
ECLI:NL:PHR:2013:BY7632, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑12‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY7632
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑10‑2012
- Wetingang
- Vindplaatsen
JOR 2013/288 met annotatie van mr. drs. K.P. Hoogenboezem
Uitspraak 15‑02‑2013
Inhoudsindicatie
Afwijzing van door bewindvoerder ingediend verzoek tot tussentijdse beëindiging schuldsanering, art. 350 lid 3 onder c Fw, ontslag bewindvoerder en benoeming nieuwe bewindvoerder. Geen recht om hoger beroep in te stellen na verlies hoedanigheid van bewindvoerder; in art. 351 lid 1 Fw genoemde partijen.
15 februari 2013
Eerste Kamer
12/04964
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
[Verweerster],
kantoorhoudende te [plaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 08/192R van de rechtbank Roermond van 15 augustus 2012;
b. de beschikking in de zaak HV 200.112.091/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 oktober 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Ten aanzien van [verzoeker] is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. [Verweerster], die de bewindvoerder was, heeft de rechtbank verzocht om tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. [Verweerster] heeft aan dat verzoek ten grondslag gelegd dat [verzoeker] na afloop van een zitting van de rechtbank dusdanig agressief gedrag jegens haar als bewindvoerder heeft geëtaleerd dat hij daarmee de uitvoering van de schuldsaneringsregeling belemmert dan wel frustreert in de zin van art. 350 lid 3 sub c Fw.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Daarbij heeft zij tevens, op verzoek van de advocaat van [verzoeker], [verweerster] als bewindvoerder ontslagen met benoeming van een andere bewindvoerder.
3.2 Het hoger beroep van [verweerster] heeft zich gekeerd tegen de afwijzing van haar verzoek om tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, vastgesteld dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voorvloeiende verplichtingen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd.
3.3 Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat [verweerster] ontvankelijk is in haar hoger beroep nu zij weliswaar geen bewindvoerder meer is, maar wel valt aan te merken als belanghebbende nu (i) de bedreiging die zij aan haar verzoek ten grondslag legt, haar is aangedaan in haar hoedanigheid van bewindvoerder, (ii) zij het verzoek in eerste aanleg heeft gedaan, terwijl zij nog bewindvoerder was, en (iii) zij door een en ander ook in hoger beroep nog nauw betrokken is bij het onderwerp van de procedure, namelijk of het toenmalige gedrag noopt tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringregeling. Het middel voert aan dat art. 351 Fw het recht van hoger beroep niet toekent aan belanghebbenden en het hof [verweerster] daarom niet-ontvankelijk in haar beroep had moeten verklaren.
3.4 Het middel is gegrond. Art. 351 lid 1 Fw kent het recht op hoger beroep tegen het in art. 350 Fw bedoelde vonnis uitsluitend toe aan de schuldenaar, in geval van beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, en aan hem "die het verzoek tot beëindiging heeft gedaan", ingeval die beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling geweigerd is. Aan belanghebbenden is het recht van hoger beroep niet toegekend. [Verweerster] valt, nu zij het inleidend verzoek in haar hoedanigheid van bewindvoerder heeft gedaan en zij ten tijde van het instellen van het hoger beroep die hoedanigheid niet meer had, niet aan te merken als degene "die het verzoek tot beëindiging heeft gedaan" in de zin van art. 351 lid 1 Fw. Het recht van hoger beroep kwam in dit geval uitsluitend toe aan de door de rechtbank benoemde opvolgend bewindvoerder (vgl. met betrekking tot de faillissementscurator HR 29 juni 2012, LJN BU5630, NJ 2012/424). Deze had [verweerster] kunnen machtigen om het hoger beroep voor hem in te stellen, eventueel op eigen naam (vgl. onder meer HR 26 november 2004, LJN AP9665, NJ 2005/41), maar niet blijkt dat een dergelijke machtiging aan het door [verweerster] ingestelde hoger beroep ten grondslag ligt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 oktober 2012;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 15 februari 2013.
Conclusie 14‑12‑2012
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
12/04964
Mr. L. Timmerman
Parket: 14 december 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
tegen
[Verweerster]
verweerster in cassatie
(hierna: de bewindvoerder)
1.
Bij vonnis van 20 december 2011 is ten aanzien van [verzoeker] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank Roermond het verzoek van de bewindvoerder d.d. 15 juni 2012 tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Bij hetzelfde vonnis is, op verzoek van de advocaat van [verzoeker], de bewindvoerder per datum vonnis ontslagen als bewindvoerder van [verzoeker] met benoeming van [betrokkene 1] als nieuwe bewindvoerder. Aan het verzoek tot tussentijdse beëindiging had de bewindvoerder ten grondslag gelegd dat [verzoeker] na afloop van de zitting op de rechtbank d.d. 14 juni 2012 dusdanig agressief gedrag jegens haar als bewindvoerder heeft geëtaleerd dat hij daarmee de uitvoering van de schuldsaneringsregeling belemmert dan wel frustreert in de zin van art. 350 lid 3 sub c Fw. De rechtbank heeft met betrekking tot de agressieve opstelling van [verzoeker] jegens de bewindvoerder geoordeeld dat na afloop van de zitting d.d. 14 juni 2012 op grond van het rapport Psychodiagnostisch onderzoek in het kader van Arbeid d.d. 11 februari 2012 blijkt dat [verzoeker] lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een borderline persoonlijkheidsstoornis, zodat het gedrag van [verzoeker] ten opzichte van de bewindvoerder in het gebouw van de rechtbank hem niet te verwijten valt. Nu een netwerk rond [verzoeker] is opgebouwd en [verzoeker] inmiddels een activerings/reïntegratietraject voor uitkeringsgerechtigden via de gemeente is gestart, acht de rechtbank een goede borging voor de uitvoering van de schuldsaneringsregeling aanwezig. Alles overziende, komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van duidelijke aanwijzingen dat het [verzoeker] aan van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsanering ontbreekt.
2.1
De bewindvoerder gaat van dit vonnis in hoger beroep. Bij arrest van 16 oktober 2012 merkt het hof 's-Hertogenbosch de bewindvoerder als belanghebbende aan en ontvangt haar als zodanig in het beroep. Het hof overweegt daartoe in rov. 3.6-3.6.2:
"3.6
Nu deze kwestie de bevoegdheid van de rechter in de onderhavige zaak in de kern raakt (vgl. artikel 351 lid 1 jo. 350 lid 1 Fw waarin onder meer de kring van personen wordt aangeduid die in verband met een afgewezen verzoek tot tussentijdse beëindiging het recht van hoger beroep hebben), dient het hof ambtshalve te beoordelen of, in het licht van het haar bij dit vonnis gegeven ontslag, de bewindvoerder appel kan instellen tegen het vonnis van 15 augustus 2012 waarbij haar verzoek d.d. 15 juni 2012 tot tussentijdse beëindiging van [verzoeker]s schuldsaneringsregeling is afgewezen. Vast staat in elk geval dat het appelschrift geen grieven bevat die zich richten tegen de beslissing van de rechtbank de bewindvoerder per datum vonnis, 15 augustus 2012, te ontslaan. Tegen een ontslag als bewindvoerder kán, daargelaten de in elk geval in het algemeen bestaande mogelijkheid om zich te beroepen op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod (vaste rechtspraak sinds HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242) ook geen beroep (..) worden ingesteld (vgl. artikel 321 Fw dat de artikelen 85 en 86 Fw op de schuldsaneringsregeling van overeenkomstige toepassing verklaart).
3.6.1
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 10 november 2006, NJ 2007, 45) moet het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt, worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre zij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in een procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in die procedure te verschijnen (vgl. recentelijk nog HR 25 mei 2012, NJ 2012, 339, r.o. 3.3.3.)
3.6.2
Het hof is van oordeel dat, indachtig voornoemde vaste rechtspraak, de bewindvoerder aangemerkt kan worden als een belanghebbende. Het hof overweegt in dat verband dat na afloop van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 juni 2012 de bewindvoerder door [verzoeker] in het gebouw van de rechtbank onder meer met fysiek geweld is bedreigd, mede doordat [verzoeker] haar aldaar dreigde van een hoge trap naar beneden te gooien. Als gevolg van deze, door [verzoeker] overigens ook niet ontkende, bedreiging in verband waarmee de bewindvoerder op 25 juni 2012 aangifte heeft gedaan bij de politie, heeft de bewindvoerder de rechtbank op 15 juni 2012 opnieuw, maar nu met als argument dat [verzoeker] dusdanig agressief gedrag richting haar als bewindvoerder heeft geëtaleerd dat hij daarmee de uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft belemmerd dan wel gefrustreerd, verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] ex artikel 350 lid 3, aanhef en sub c, Fw tussentijds te beëindigen.
Door [verzoeker]s bedreiging op 14 juni 2012 jegens de bewindvoerder is zij op en door dat moment zodanig in haar belang als bewindvoerder getroffen, dat zij naar het oordeel van het hof in het door haar ingestelde hoger beroep kan worden ontvangen. De omstandigheid dat het bij de rechtbank gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging met deze bedreiging als feitelijke grondslag destijds ook door haarzelf is gedaan (vgl. artikel 350 lid 1 Fw), maakt bovendien dat zij ook nu nog nauw betrokken is bij het onderwerp van de onderhavige procedure in hoger beroep, dat is de vraag of het toenmalige gedrag van [verzoeker] noopt tot tussentijdse beëindiging van diens schuldsaneringsregeling ex artikel 350 lid 3, aanhef en sub c, Fw. Ook dit maakt dat de bewindvoerder naar het oordeel van het hof in het door haar ingestelde hoger beroep kan worden ontvangen.
Reeds vanwege het feit dat in het kader van het thans voorliggende tussentijdse beëindigingsverzoek de rechter-commissaris kennelijk alleen akkoord is gegaan met een beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] wegens "dusdanig agressief gedrag van saniet jegens de (toenmalige) bewindvoerder dat hij daarmee de uitvoering van de schuldsaneringsregeling belemmert dan wel frustreert", zal het hof dit verzoek enkel toetsen aan artikel 350 lid 3, aanhef en sub c, Fw en derhalve enkel acht slaan op de in verband met de toepassing van deze bepaling door de bewindvoerder geformuleerde grieven."
2.2
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het hof verwijst de zaak vervolgens terug naar de rechtbank voor verdere afwikkeling en eventuele nadere vaststelling van het salaris van de bewindvoerder.
3.
Bij een op 24 oktober 2012 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift komt [verzoeker] van dit arrest - tijdig1. - in cassatie. [Verzoeker] klaagt kort gezegd, in de eerste plaats dat art. 351 lid 1 Fw niet de mogelijkheid biedt aan "belanghebbenden" om beroep in te stellen tegen een uitspraak op grond van art. 350 Fw; in de tweede plaats dat de bewindvoerder niet is aan te merken als "belanghebbende"; en in de derde plaats dat de bewindvoerder geen belang heeft bij het appel.
4.
Onderdeel 1.3 klaagt terecht dat het hof ten onrechte de bewindvoerder in hoger beroep heeft ontvangen op de grond dat zij belanghebbende is. Art. 351 lid 1 Fw verschaft "belanghebbenden" niet de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden tegen een krachtens art. 350 Fw gewezen vonnis. Dat betekent dat de onderdelen 2.1 en 2.2, waarin wordt bestreden dat de bewindvoerder als belanghebbende gekwalificeerd kan worden, geen bespreking behoeven.
5.
Art. 351 lid 1 Fw verschaft aan twee categorieën rechtssubjecten de toegang tot hoger beroep van uitspraken waarin de schuldsaneringsregeling ingevolge art. 350 Fw al dan niet tussentijds wordt beëindigd, te weten:
- 1)
schuldenaren ingeval van beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- 2)
degenen die het verzoek tot beëindiging hebben gedaan, indien die beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling geweigerd is.
6.
De vraag rijst vervolgens in het voorliggende geval of de bewindvoerder na het verlies van haar hoedanigheid als bewindvoerder in deze nog aan te merken is als degene "die het verzoek tot die beëindiging heeft gedaan" in de zin van art. 351 lid 1 Fw.
7.
Recent verklaarde de Hoge Raad een faillissementscurator niet-ontvankelijk, nadat hij in de betreffende kwestie de hoedanigheid van faillissementscurator had verloren ten gevolge van de opheffing van het faillissement. De Hoge Raad overwoog dat de bevoegdheid tot het instellen van een rechtsmiddel naar vaste rechtspraak in beginsel slechts toekomt "aan degene die in de vorige instantie als procespartij is opgetreden. Is in de vorige instantie een partij uitsluitend opgetreden in een bepaalde hoedanigheid, zoals die van faillissementscurator, dan is zij slechts in die hoedanigheid bevoegd een rechtsmiddel aan te wenden tegen de uitspraak van de rechter in die instantie en verliest zij die bevoegdheid met het verlies van die hoedanigheid."2. De Hoge Raad overwoog dat de faillissementscurator "door het verlies van de hoedanigheid van curator in het faillissement van Yukos Oil hangende het hoger beroep, de bevoegdheid heeft verloren in die hoedanigheid beroep in cassatie in te stellen. Voor zover [hij] beoogt in cassatie op te treden als "voormalig curator" of, zoals in de schriftelijke toelichting wordt betoogd, in privé, staan deze hoedanigheden aan zijn ontvankelijkheid in het cassatieberoep in de weg aangezien [hij] in vorige instantie niet in die hoedanigheden heeft geprocedeerd."3.
8.
De bewindvoerder heeft het verzoek tot tussentijdse beëindiging ingediend - en kon het alleen indienen - in de hoedanigheid van bewindvoerder. Uit de tekst van art. 351 lid 1 Fw en het hiervoor aangehaalde arrest volgt - voor zover daarover al twijfel zou kunnen bestaan - dat de bewindvoerder na het verlies van haar hoedanigheid als zodanig niet ontvangen had mogen worden in haar beroep.4.
9.
Het middel slaagt. Alleen de nieuwe, door de rechtbank aangewezen bewindvoerder had - zo zij daar reden toe had gezien - hoger beroep kunnen instellen tegen de uitspraak van de rechtbank. Volledigheidshalve merk ik op dat het slagen van het middel niet betekent dat de bedreiging van de bewindvoerder door [verzoeker] niet (meer) in ogenschouw kan worden genomen bij de vraag of de schuldsaneringsregeling moet worden voortgezet bij een eventueel volgend verzoek tot tussentijdse beëindiging en/of bij de beoordeling aan het einde van de rit van de vraag of [verzoeker] de schone lei kan worden verleend.
Conclusie
10.
Ik concludeer tot vernietiging.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑12‑2012
HR 29 juni 2012, LJN BY5630, NJ 2012, 424, rov. 4.1.1.
Rov. 4.1.3.
Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009/60 en GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 332 Rv, aant. 12.
Beroepschrift 24‑10‑2012
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
VERZOEKSCHRIFT TOT CASSATIE EX ARTIKEL 351 FW
Geeft eerbiedig te kennen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], te dezer zake woonplaats kiezende te (2517 KL) 's‑Gravenhage aan de Eisenhowerlaan 102 ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden Mr A.H.M. van den Steenhoven, die als advocaat voor hem dit verzoekschrift tot cassatie ondertekent en indient;
Het Gerechtshof te's‑Hertogenbosh, Sector civiel recht, heeft bij arrest d.d. 16 oktober 2012 in de zaak met rekestnummer HV 200.112.091/01 (insolventienummer Rechtbank 08/192R), verzoek van [verweerster], in feitelijke aanleg laatstelijk woonplaats gekozen hebbende ten kantore van haar advocaat mr B.A.P. Sijben, kantoorhoudende te Budel, gemeente Cranendonck aan de Wolfswinkel 4 (postbus 2139, 6020 AC Budel). Een afschrift van de bestreden uitspraak wordt als bijlage 1 aan dit verzoekschrift gehecht.
Verzoeker kan zich niet in de uitspraak a quo vinden komt daartegen middels dit verzoekschrift tijdig in cassatie.
Inleidende opmerkingen
Op 20 december 2011 is de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoeker tot cassatie, verder te noemen: ‘[verzoeker]’, uitgesproken met benoeming van mr M.M. van Hommerig tot Rechter-Commissaris en met aanstelling van [verweerster] tot bewindvoerder1..
[verzoeker] kampt met een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Ook zou hij paranoïde en schizotypische kenmerken vertonen.2. [verzoeker] gebruikt daarnaast sinds enkele decennia cannabis; naar eigen zeggen om zijn agressieve impulsen onder controle te houden.3.
Het cannabisgebruik is voor de toenmalige bewindvoerder ([verweerster]) reden geweest om op 11 april 2011 een verzoek in te dienen tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei, omdat dit gebruik ten tijde van het uitspreken van de schuldsaneringsregeling niet bekend was. Het verzoek is ter mondelinge behandeling op 14 juni 2011 behandeld door de rechtbank Roermond. Uitkomst van de zitting was dat de toenmalige bewindvoerder haar verzoek introk en dat de rechtbank [verzoeker] een tweede kans bood.4. Na afloop van de mondelinge behandeling zou [verzoeker] [verweerster] hebben bedreigd, hetgeen voor [verweerster] aanleiding is geweest om opnieuw te verzoeken te schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. [verzoeker] heeft daartegen verweer gevoerd ondermeer stellende dat zijn gedragingen na afloop van de mondelinge behandeling niet aan hem toe te rekenen zijn in het licht van de psychische stoornissen waar hij aan lijdt en dat het cannabisgebruik ertoe diende om hem rustiger te houden. [verzoeker] heeft van zijn zijde een zelfstandig verzoek gedaan tot ontslag van [verweerster] als bewindvoerder met benoeming van een andere bewindvoerder.
Bij vonnis van de rechtbank Roermond van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling afgewezen en [verweerster] met ingang van die datum ontslagen als bewindvoerder en in haar plaats mevrouw [betrokkene 1] te [a-plaats] als bewindvoerder benoemd.
[verweerster] heeft zich in dat vonnis niet kunnen vinden en is daarvan tijdig in appèl gekomen. [verweerster] heeft in het hoger beroep slechts gegriefd tegen de afwijzing van het verzoek tot tussentijdse beëindiging. [verweerster] heeft derhalve niet gegriefd tegen haar ontslag als bewindvoerder, zodat dat vast staat dat zij die hoedanigheid nar het instellen van het hoger beroep is verloren. Zijdens [verzoeker] is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof aangevoerd dat [verweerster] geen belang meer heeft bij haar appèl, nu zij geen bewindvoerder meer is.5.
Bij arrest van het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 16 oktober 2012 is [verweerster] als belanghebbende aangemerkt en als zodanig ontvangen in haar appèl. Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vervolgens vernietigd en vastgesteld dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en de schuldsaneringsregeling dientengevolge tussentijds beëindigd. [verzoeker] kan zich in dat arrest niet vinden en komt daartegen door middel van dit verzoekschrift tijding in cassatie. [verzoeker] voert het navolgende cassatiemiddel aan.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, doordat het gerechtshof 's‑Hertogenbosch heeft overwogen en beslist op de daarvoor gegeven gronden als in het arrest waartegen het beroep zich richt is geschied, ten onrechte om de navolgende, ook in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen, redenen.
1.1.
In r.o. 3.6 heeft het hof vastgesteld dat het appelschrift van [verweerster] geen grieven bevat die zich richten tegen de beslissing van de rechtbank om haar per 15 augustus 2012 te ontslaan. Daarnaast geldt dat tegen een dergelijk ontslag — daargelaten de in het algemeen bestaande mogelijkheid om zich te beroepen op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod — ook geen beroep kan worden ingesteld.
1.2.
In 3.6.1 en 3.6.2 overweegt het hof vervolgens als volgt:
‘3.6.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 10 november 2006, NJ 2007, 45) moet het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt, worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre zij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in een procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in die procedure te verschijnen (vgl. recentelijk nog H R 25 mei 2012, NJ 2012, 339, r.o. 3.3.3).
3.6.2.
Het hof is van oordeel dat, indachtig voornoemde vaste rechtspraak, de bewindvoerder aangemerkt kan worden als een belanghebbende.
Het hof overweegt in dat verband dat na afloop van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 juni 2012 de bewindvoerder door [verzoeker] in het gebouw van de rechtbank onder meer met fysiek geweld is bedreigd, mede doordat [verzoeker] haar aldaar dreigde van een hoge trap naar beneden te gooien. Als gevolg van deze, door [verzoeker] overigens ook niet ontkende, bedreiging in verband waarmee de bewindvoerder op 25 juni 2012 aangifte heeft gedaan bij de politie, heeft de bewindvoerder de rechtbank op 15 juni 2012 opnieuw, maar nu met als argument dat [verzoeker] dusdanig agressief gedrag richting haar als bewindvoerder heeft geëtaleerd dat hij daarmee de uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft belemmerd dan wel gefrustreerd, verzocht de toepassing van de schulsaneringsregeling van [verzoeker] ex artikel 350 lid 3, aanhef en sub c, Fw tussentijds te beëindigen.
Door [verzoeker]s bedreiging op 14 juni 2012 jegens de bewindvoerder is zij op en door dat moment zodanig in haar belang als bewindvoerder getroffen, dat zij naar het oordeel van het hof in het door haar ingestelde hoger beroep kan worden ontvangen. De omstandigheid dat het bij de rechtbank gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging met deze bedreiging als feitelijke grondslag destijds ook door haarzelf is gedaan (vgl. artikel 350 lid 1 Fw), maakt bovendien dat zij ook nu nog nauw betrokken is bij het onderwerp van de onderhavige procedure in hoger beroep, dat is de vraag of het toenmalige gedrag van [verzoeker] noopt tot tussentijdse beëindiging van diens schuldsaneringsregeling ex artikel 350 lid 3, aanhef en suv c, Fw. Ook dit maakt dat de bewindvoerder naar het oordeel van het hof in het door haar ingestelde hoger beroep kan worden ontvangen.
Reeds vanwege het feit dat in het kader van het thans voorliggende tussentijdse beëindigingsverzoek de rechter-commissaris kennelijk alleen akkoord is gegaan met een beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] wegens ‘dusdanig agressief gedrag van saniet jegens de (toenmalige) bewindvoerder dat hij daarmee de uitvoering van de schuldsaneringsregeling belemmert dan wel frustreert’, zal het hof dit verzoek enkel toetsen aan artikel 350 lid 3, aanhef en sub c, Fw en derhalve enkel acht slaan op de in verband met de toepassing van deze bepaling door de bewindvoerder geformuleerde grieven.’
1.3
Het hof heeft [verweerster] in de onderhavige procedure aangemerkt als belanghebbende en haar als zodaing ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Door aldus te overwegen en beslissen gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting althans is zijn beslissing onbegrijpelijk. Art. 351 Fw bepaalt uitdrukkelijk wie van een beschikking ex art. 350 Fw in appèl kunnen komen. Indien de schuldsanering tussentijds wordt beëindigd door de rechtbank, kan de schuldenaar in appèl komen. Wordt het verzoek afgewezen, dan kan degene die het verzoek tot tussentijdse beëindiging deed in hoger beroep komen. Art. 351 Fw laat derhalve geen ruimte voor belanghebbenden, zoals door het hof in r.o. 3.6.1. en 3.6.2. bedoeld, om in hoger beroep te worden ontvangen. Volledigheidshalve wordt overigens opgemerkt dat [verweerster] wel degene is geweest die in eerste aanleg het verzoek tot tussentijdse beëindiging heeft gedaan, maar het is niet op die grond dat het hof haar ontvankelijk heeft verklaard.
2.1.
Indien en voor zover [verweerster] in haar hoedanigheid van belanghebbende reeds in het appèl zou kunnen worden ontvangen heeft te gelden dat het hof in het arrest a quo is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting omtrent het begrip ‘belanghebbende’ in deze kwestie. Zoals het hof terecht heeft opgemerkt moet volgens vaste jurisprudentie het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt, worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol kunnen spelen of en in hoeverre iemand door de uitkomst van de betreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre zij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in een procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in die procedure te verschijnen.6.
2.2.
Ervan uitgaande dat de bepalingen betreffende de verzoekschriftprocedure in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in dezen van toepassing zouden zijn, zodat het de rechter vrijstaat belanghebbenden op te roepen en te doen horen op de mondelinge behandeling, wil het mij voorkomen dat in het licht van de toepasselijke wetsartikelen (artt. 350 en 351 Fw) tot die belanghebbenden niet kan worden gerekend een gewezen bewindvoerder die na de indiening van het verzoekschrift tot tussentijdse beëindiging of na een tegen een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek ingesteld appèl zijn hoedanigheid van bewindvoerder heeft verloren doordat hij als zodanig ontslagen is door de rechtbank. Uit de artt. 350 en 351 Fw valt af te leiden dat als belanghebbenden kunnen gelden de schuldenaar zelf, de bewindvoerder of één of meer schuldeisers (met andere woorden de beroepsgerechtigden). Er bestaat geen grond om aan te nemen dat ook een ontslagen bewindvoerder belang zou hebben bij een appèl tegen een afgewezen verzoek om tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Dat zou niet stroken met de aard van de betreffende procedure en evenmin volgt dit uit de betreffende wetsbepalingen. Nu [verweerster] geen bewindvoerder meer was, kon het hof haar niet ontvankelijk achten. Het hof heeft dit miskend.
3.1.
Daarenboven heeft het hof miskend dat [verweerster] door het verlies van haar hoedanigheid van bewindvoerder ieder belang heeft verloren bij het door haar ingestelde appèl zodat zij ook uit dien hoofde niet als belanghebbende aangemerkt kan worden. Daartoe is van belang dat, zoals het hof ook heeft overwogen in r.o. 3.6.2., het gedrag van [verzoeker] jegens [verweerster] een belemmering vormt van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en dat op die grond de regeling tussentijds zou moeten worden beëindigd.7. Het is ook enkel op grond van het door [verzoeker] tentoongespreide agressieve gedrag jegens [verweerster] en het feit dat hij na het incident op 14 juni 2012 niet meer begeleiding heeft gezocht, dat het hof heeft geoordeeld dat er aanleiding is om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.8. Daarbij wijst het hof er in r.o. 3.12 uitdrukkelijk op dat in het licht van een effectieve uitvoering van een schuldsaneringsregeling de mogelijkheid moet bestaan dat saniet en bewindvoerder zowel mondeling als schriftelijk normaal met elkaar kunnen communiceren en eventueel ook persoonlijk, lijfelijk, contact met elkaar kunnen hebben (zoals bijvoorbeeld huisbezoeken).
3.2.
In het licht van die overwegingen van het hof valt niet goed in te zien welk belang [verweerster] nog zou hebben bij tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Zij heeft haar hoedanigheid van bewindvoerder van [verzoeker] immers verloren en heeft derhalve ook geen bemoeienis meer met [verzoeker]. Het gevaar van belemmering of frustratie van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling door [verweerster] in haar hoendanigheid van bewindvoerder is dan ook niet meer aan de orde. Door [verzoeker] is hierop ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het gerechtshof gewezen.9. Gelet op het voorgaande is 's‑Hofs beslissing dat [verweerster] in haar belang is getroffen dat zij in het hoger beroep kan worden ontvangen.
3.3.
Volledigheidshalve wijst [verzoeker] er overigens op dat het hof in r.o. 3.6.2. overweegt:
‘Door [verzoeker]s bedreiging op 14 juni 2012 jegens de bewindvoerder is zij op en door dat moment zodanig in haar belang als bewindvoerder getroffen, dat zij naar het oordeel van het hof in het door haar ingestelde beroep kan worden ontvangen.’
Het hof onderkent derhalve kennelijk dat het gaat om een belang van [verweerster] in haar hoedanigheid van bewindvoerder. Vaststaat evenwel dat zij die hoedanigheid hangende het appèl heeft verloren (door niet te ageren tegen haar ontslag als bewindvoerder), zodat er geen sprake meer is van een belang van [verweerster] als bewindvoerder. Zij is immers geen bewindvoerder meer. 's‑Hofs beslissing dat [verweerster] door het enkele feit dat zij zelf het verzoek heeft gedaan tot tussentijdse beëindiging naar aanleiding van de bedreiging, kan 's‑Hofs beslissing dat [verweerster] op dit moment nog als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt of enig belang bij de procedure zou hebben, ook niet dragen. [verweerster] zal immers geen enkel baat kunnen hebben en evenmin kunnen worden geschaad door de uitkomst van de procedure in hoger beroep. Ook in zoverre heeft zij ieder belang bij voortzetting van het hoger beroep verloren.
In het licht van het voorgaande had het hof [verweerster] niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar beroep, althans het beroep moeten verwerpen.
Weshalve:
verzoeker tot cassatie Uw Raad eerbiedig verzoekt het arrest a quo te vernietigen met zodanige verdere beslissing als Uw Raad zal vermenen te behoren.
's‑Gravenhage, 24 oktober 2012
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑10‑2012
Productie 1 bij het verzoekschrift in hoger beroep van de zijde van de bewindvoerder; de aantekeningen van de griffier van de betreffende zitting zijn als productie 2 bij dit verzoekschrift overgelegd r.
Rapport Psychodiagnostisch Onderzoek in het kader van arbeid, blz. 5, productie 3 bij het verzoekschrift in appèl.
Rapport Psychodiagnostisch Onderzoek in het kader van arbeid, p. 1 en 5.
Vonnis van de rechtbank Roermond van 15 augustus 2012. r.o. 2.1.
Proces-verbaal d.d. 8 oktober 2012, p.2
Het hof heeft daarbij verwezen naar de uitspraken van uw Raad van 10 november 2006, NJ 2007, 45 en 25 mei 2012, NJ 2012, 339, r.o. 3.3.3.
Zie ook de stellingen in het beroepschrift d.d. 21 augustus 2012, pos. 40 en 41.
R.o. 3.11 van het arrest a quo.
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 16 oktober 2012, p.2