HR, 09-07-2024, nr. 22/04915
ECLI:NL:HR:2024:998
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-07-2024
- Zaaknummer
22/04915
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:998, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑07‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3909
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:477
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0175
Uitspraak 09‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal met (bedreiging met) geweld in supermarkt, art. 312.1 en 312.2.2 Sr en medeplegen eenvoudig witwassen, art. 420bis.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg t.a.v. medeplegen diefstal met geweld. 1. Bewijsklachten medeplegen diefstal met geweld. 2. Kwalificatieklacht witwassen van uit eigen misdrijf afkomstig geldbedrag. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Selectie en waardering van bewijsmateriaal is voorbehouden aan feitenrechter. In cassatie kan niet worden onderzocht of vastgestelde f&o juist zijn. Hieruit getrokken conclusies kunnen slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. In ’s hofs vaststellingen o.b.v. historische telefoongegevens ligt voldoende gemotiveerde verwerping van geschetst scenario dat verdachte thuis was, besloten. Dat hof tot andere interpretatie van telefoongegevens komt, met name m.b.t. vraag waar mast (die na overval wordt aangestraald) is gelegen, is onderdeel van vrije bewijswaardering van feitenrechter. ’s Hofs conclusie dat verdachte zich kort na overval in nabijheid van medeverdachte bevond, is gelet op inhoud bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk. V.zv. wordt geklaagd dat b.m. ontoelaatbare gissing betreft, geldt dat geen sprake van gissing is. V.zv. wordt geklaagd dat hof was gehouden ttz. ter sprake te brengen dat locatie, waarop van personeel supermarkt afgenomen telefoons zijn aangetroffen, ligt op route van supermarkt naar locatie zendmast, geldt dat sprake is van feit van algemene bekendheid dat o.g.v. art. 339.2 Sv geen bewijs behoeft en dus ook niet op zitting ter sprake hoeft te worden gebracht. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Middel berust op verkeerde lezing van ’s hofs arrest. Hof heeft verdachte niet veroordeeld voor witwassen a.b.i. art. 420bis lid 1 Sr maar voor eenvoudig witwassen a.b.i. art. 420bis.1 Sr. Hiervoor is niet vereist dat (in geval verdachte middelen verwerft of voorhanden heeft die uit eigen misdrijf afkomstig zijn) door verdachte handelingen zijn verricht daadwerkelijk gericht op verbergen en verhullen van criminele herkomst. Volgt verwerping. Samenhang met 22/04809.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04915
Datum 9 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2022, nummer 23-002129-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2 en 3.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof het onder 3 bewezenverklaarde feit ten onrechte heeft gekwalificeerd als witwassen.
3.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en elf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2024.