NJB 2022/878:Vervolgingsbeslissing, art. 167 lid 1 Sv: de beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. In casu zou een onherroepelijke veroordeling ter zake van het tenlastegelegde feit tot gevolg hebben dat het rijbewijs van de verdachte van rechtswege zijn geldigheid verliest op grond van art. 123b WVW 1994. Het hof heeft geoordeeld dat mede gelet op dit gevolg sprake is ‘van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur’. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd in het licht van de hierbij geldende zware motiveringseisen. De omstandigheid dat – zoals in deze zaak – een verdachte al op grond van bestuursrechtelijke maatregelen, die strekken tot bevordering van de verkeersveiligheid, een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft ondergaan en vervolgens een zogenoemde EMA-cursus heeft gevolgd als voorwaarde voor het terugkrijgen van het ingevorderde rijbewijs, brengt niet met zich dat de beslissing om de verdachte te vervolgen wegens het herhaald rijden onder invloed apert onevenredig is. Daarbij telt in een geval als het onderhavige dat niets eraan in de weg staat dat de strafrechter, wanneer hij daartoe aanleiding ziet, het gevolg dat door de regeling van art. 123b WVW 1994 wordt verbonden aan de veroordeling indien deze onherroepelijk wordt, als relevante omstandigheid bij de strafoplegging betrekt.