Vgl. HR 25 januari 2011, nr. 09/02997 en HR 22 maart 2016, nr. 13/01623, beide niet gepubliceerd.
HR, 16-01-2018, nr. 17/02590
ECLI:NL:HR:2018:43, Conclusie: Contrair, Conclusie: Contrair
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-01-2018
- Zaaknummer
17/02590
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:43, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 16‑01‑2018; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1452, Contrair
ECLI:NL:PHR:2017:1452, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑11‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:43, Contrair
- Vindplaatsen
NbSr 2018/116
Uitspraak 16‑01‑2018
Inhoudsindicatie
Stempelvonnis, art. 395a.1 Sv. Klacht over ontbrekend p-v tz. Ktr waarin vonnis is aangetekend zoals voorgeschreven in art. 395.2 Sv. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437.2 Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. art. 4.8.2 Procesreglement HR). I.c. is niet gebleken dat de raadsman m.b.t. het stuk een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. Volgt niet-ontvankelijkverklaring ex art. 80a RO. CAG (anders): Verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ttz. en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:951 (conversiebeslissing).
Partij(en)
16 januari 2018
Strafkamer
nr. S 17/02590
NA/SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, sector Kanton, van 28 april 2015, nummer 96/009207-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, sector Kanton, opdat de zaak op de inleidende dagvaarding opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken weliswaar bevindt een door de Kantonrechter in de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewaarmerkte aantekening als bedoeld in art. 395a, eerste lid, Sv (een zogenoemd stempelvonnis) inhoudende dat de verdachte ter zake van "Overtreding van het bepaalde bij artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Cranendonck 2010 (2e wijziging)" schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel, maar niet het proces-verbaal van terechtzitting van de Kantonrechter waarin het vonnis is aangetekend zoals is voorgeschreven in art. 395, tweede lid, Sv.
2.2.
Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. art. 4.8.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden). In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsman met betrekking tot het in het middel genoemde stuk een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.
2.3.
Gelet hierop zal de Hoge Raad - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2018.
Conclusie 21‑11‑2017
Inhoudsindicatie
Stempelvonnis, art. 395a.1 Sv. Klacht over ontbrekend p-v tz. Ktr waarin vonnis is aangetekend zoals voorgeschreven in art. 395.2 Sv. Een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, moet binnen de in art. 437.2 Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer (vgl. art. 4.8.2 Procesreglement HR). I.c. is niet gebleken dat de raadsman m.b.t. het stuk een dergelijk verzoek heeft ingediend, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. Volgt niet-ontvankelijkverklaring ex art. 80a RO. CAG (anders): Verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ttz. en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt. Vervolg op ECLI:NL:HR:2017:951 (conversiebeslissing).
Nr. 17/02590 Zitting: 21 november 2017 (bij vervroeging) | Mr. A.J. Machielse Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Op 28 april 2015 heeft de kantonrechter in de rechtbank Oost Brabant verdachte schuldig verklaard aan: Overtreding van het bepaalde bij artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Cranendonck 2010 (2e wijziging), maar bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
2. Verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 16 oktober 2015 verdachte in dat hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Verdachte heeft tegen die beslissing op 30 oktober 2015 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 23 mei 2017 het bestreden arrest vernietigd, verstaan dat verdachte tegen het vonnis van de kantonrechter beroep in cassatie heeft ingesteld en de stukken van het geding in handen gesteld van de griffier van de Hoge Raad. Vervolgens is aan verdachte opnieuw de aanzegging van de Procureur-Generaal op de voet van artikel 435 Sv betekend.
3. Mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, heeft een cassatieschriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat de kantonrechter in strijd met artikel 395 lid 2 Sv heeft verzuimd het vonnis in het proces-verbaal van de terechtzitting aan te tekenen hoewel verdachte binnen 14 dagen na het wijzen van dat vonnis hoger beroep heeft ingesteld. Volgens de steller van het middel is de sanctie op het niet nakomen van deze verplichting dat het vonnis nietig moet worden verklaard. De aantekening mondeling vonnis zal dus niet in stand kunnen blijven en de zaak zal moeten worden teruggewezen naar de kantonrechter voor een nieuwe behandeling.
3.2. Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken behoort een "aantekening mondeling vonnis" van de uitspraak op tegenspraak van de kantonrechter van dinsdag 28 april 2015. Verdachte heeft binnen drie maanden na deze uitspraak een rechtsmiddel ingesteld. De kantonrechter heeft verdachte aan een overtreding schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel, zodat hoger beroep tegen dat vonnis ingevolge artikel 404 Sv niet openstond. Aldus is er geen sprake van een vonnis als bedoeld in het eerste lid van artikel 410a Sv.
3.3. Tot de aan de Hoge Raad ingezonden stukken behoort niet een proces-verbaal van de terechtzitting van de kantonrechter met daarin de aantekening van het vonnis zoals vereist door het tweede lid van artikel 395 Sv, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dat proces-verbaal niet is opgemaakt. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.1.
Het middel slaagt.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, sector Kanton opdat de zaak op de inleidende dagvaarding opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑11‑2017