Procestaal: Engels.
HvJ EU, 28-03-2017, nr. C-72/15
ECLI:EU:C:2017:236
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
28-03-2017
- Magistraten
K. Lenaerts, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič, J.L. da Cruz Vilaça, A. Rosas, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. Toader, M. Safjan, E. Jarašiūnas, C.G. Fernlund, C. Vajda, S. Rodin, F. Biltgen
- Zaaknummer
C-72/15
- Conclusie
M. Wathelet
- Roepnaam
Rosneft
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2017:236, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 28‑03‑2017
ECLI:EU:C:2016:381, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 31‑05‑2016
Uitspraak 28‑03‑2017
K. Lenaerts, A. Tizzano, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič, J.L. da Cruz Vilaça, A. Rosas, J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. Toader, M. Safjan, E. Jarašiūnas, C.G. Fernlund, C. Vajda, S. Rodin, F. Biltgen
Partij(en)
In zaak C-72/15,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Divisional Court) [hooggerechtshof (Engeland en Wales), afdeling van de Queen's Bench (meervoudige kamer), Verenigd Koninkrijk] bij beslissing van 9 februari 2015, ingekomen bij het Hof op 18 februari 2015, in de procedure
The Queen, op verzoek van:
PJSC Rosneft Oil Company, voorheen Rosneft Oil Company OJSC,
tegen
Her Majesty's Treasury,
Secretary of State for Business, Innovation and Skills,
The Financial Conduct Authority,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Tizzano, vicepresident, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič en J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresidenten, A. Rosas (rapporteur), J.-C. Bonichot, A. Arabadjiev, C. Toader, M. Safjan, E. Jarašiūnas, C. G. Fernlund, C. Vajda, S. Rodin en F. Biltgen, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 23 februari 2016,
gelet op de opmerkingen van:
- —
PJSC Rosneft Oil Company, voorheen Rosneft Oil Company OJSC, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Beazley, QC, P. Saini, QC, alsmede S. Tulip en P. Farmer, barristers, vervolgens door L. Van Den Hende, advocaat, alsmede M. Schonberg en K. Krissinel, solicitors,
- —
The Financial Conduct Authority, vertegenwoordigd door J. McClelland, barrister, S. Tolaney, QC, en A. Chapman, solicitor,
- —
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door V. Kaye als gemachtigde, bijgestaan door G. Facenna, barrister,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Hedvábná, J. Vláčil, M. Smolek en E. Ruffer als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en A. Lippstreu als gemachtigden,
- —
de Estse regering, vertegenwoordigd door K. Kraavi-Käerdi als gemachtigde,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door F. Fize, B. Fodda, G. de Bergues en D. Colas als gemachtigden,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door A. Miłkowska en B. Majczyna als gemachtigden,
- —
de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. de Elera-San Miguel Hurtado en S. Boelaert als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Scharf, L. Havas en D. Gauci als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 mei 2016,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de geldigheid van enkele bepalingen van besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 13), zoals gewijzigd bij besluit 2014/872/GBVB van de Raad van 4 december 2014 (PB 2014, L 349, blz. 58) (hierna: ‘besluit 2014/512’), en de geldigheid en uitlegging van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 1, met rectificaties in PB 2014, L 246, blz. 59 en PB 2014, L 263, blz. 35), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1290/2014 van de Raad van 4 december 2014 (PB 2014, L 349, blz. 20) (hierna: ‘verordening nr. 833/2014’) (hierna gezamenlijk: ‘litigieuze handelingen’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen enerzijds PJSC Rosneft Oil Company, voorheen Rosneft Oil Company OJSC (hierna: ‘Rosneft’), een in Rusland in het handelsregister ingeschreven onderneming, en anderzijds Her Majesty's Treasury (Britse belastingdienst), The Secretary of State for Business, Innovation and Skills (ministerie van economische zaken, innovatie en vaardigheden), en The Financial Conduct Authority (Britse autoriteit voor het toezicht op de financiële sector; hierna: ‘FCA’), over door de Europese Unie vastgestelde beperkende maatregelen tegen bepaalde Russische ondernemingen, waaronder Rosneft.
Toepasselijke bepalingen
VEU en VWEU
3
Artikel 19 VEU, opgenomen in titel III, ‘Bepalingen betreffende de instellingen’, bepaalt:
- ‘1.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie omvat het Hof van Justitie, het Gerecht en gespecialiseerde rechtbanken. Het verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen.
De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.
[…]
- 3.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie doet uitspraak overeenkomstig de Verdragen:
[…]
- b)
op verzoek van de nationale rechterlijke instanties bij wijze van prejudiciële beslissing over de uitlegging van het recht van de Unie en over de geldigheid van de door de instellingen vastgestelde handelingen;
[…]’
4
Titel V van het VEU draagt het opschrift ‘Algemene bepalingen inzake het extern optreden van de Unie en specifieke bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid’. In hoofdstuk 2 van deze titel, met het opschrift ‘Specifieke bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid’, bevindt zich artikel 24, waarvan lid 1, tweede alinea, als volgt luidt:
‘Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is aan specifieke regels en procedures onderworpen. Het wordt bepaald en uitgevoerd door de Europese Raad en door de Raad, die besluiten met eenparigheid van stemmen, tenzij in de Verdragen anders wordt bepaald. Wetgevingshandelingen kunnen niet worden vastgesteld. Aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitvoering gegeven door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en door de lidstaten, overeenkomstig de Verdragen. De specifieke rol van het Europees Parlement en van de Commissie op dit gebied wordt bepaald in de Verdragen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd ten aanzien van deze bepalingen, met uitzondering van zijn bevoegdheid toezicht te houden op de naleving van artikel 40 van dit Verdrag en de wettigheid van bepaalde besluiten na te gaan, als bepaald in artikel 275, tweede alinea, [VWEU].’
5
Artikel 29 VEU, in dat hoofdstuk, bepaalt:
‘De Raad stelt besluiten vast waarin de aanpak van de Unie wordt bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de standpunten van de Unie overeenstemt.’
6
In artikel 40 VEU, in datzelfde hoofdstuk, heet het:
‘De uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid heeft geen gevolgen voor de toepassing van de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen waarin de Verdragen voorzien voor de uitoefening van de in de artikelen 3 tot en met 6 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde bevoegdheden van de Europese Unie.
Evenmin heeft de uitvoering van de in deze artikelen bedoelde beleidsonderdelen gevolgen voor de toepassing van de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen waarin de Verdragen voorzien voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie op grond van dit hoofdstuk.’
7
Het vijfde deel van het VWEU ziet op het externe optreden van de Unie. In titel IV van dit deel, met het opschrift ‘Beperkende maatregelen’, bepaalt artikel 215:
- ‘1.
Wanneer een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het [VEU] vastgesteld besluit voorziet in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen, stelt de Raad, op gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de nodige maatregelen vast. De Raad stelt het Europees Parlement daarvan in kennis.
- 2.
Wanneer een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het [VEU] vastgesteld besluit daarin voorziet, kan de Raad volgens de in lid 1 bedoelde procedure jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten beperkende maatregelen vaststellen.
[…]’
8
Het zesde deel van het VWEU bevat institutionele en financiële bepalingen. In titel I van dit deel, ‘Bepalingen inzake de instellingen’, bevindt zich afdeling 5 inzake het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin artikel 267 is opgenomen. Dit artikel luidt:
‘Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen
- a)
over de uitlegging van de Verdragen,
- b)
over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie.
Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.
[…]’
9
Artikel 275 VWEU, in dezelfde afdeling, bepaalt:
‘Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd ten aanzien van de bepalingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid noch ten aanzien van de op grond daarvan vastgestelde besluiten.
Het Hof is evenwel bevoegd om toezicht te houden op de naleving van artikel 40 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en uitspraak te doen inzake beroepen die onder de in artikel 263, vierde alinea, van dit Verdrag bepaalde voorwaarden worden ingesteld betreffende het toezicht op de wettigheid van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vastgesteld.’
De partnerschapsovereenkomst EU-Rusland
10
De overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Russische Federatie anderzijds, ondertekend te Korfoe op 24 juni 1994 en namens de Europese Gemeenschappen goedgekeurd bij besluit 97/800/EG, EGKS, Euratom van de Raad en de Commissie van 30 oktober 1997 (PB 1997, L 327, blz. 1; hierna: ‘partnerschapsovereenkomst EU-Rusland’) bevat een titel XI, ‘Institutionele, algemene en slotbepalingen’, waarvan artikel 99 bepaalt:
‘Niets in deze overeenkomst belet een partij maatregelen te nemen:
- 1)
die zij nodig acht voor de bescherming van haar vitale veiligheidsbelangen:
[…]
- d)
in geval van ernstige binnenlandse beroeringen die de openbare orde in gevaar brengen, in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden of om verplichtingen na te komen die zij voor de instandhouding van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan;
[…]’
De litigieuze handelingen
Besluit 2014/512
11
Besluit 2014/512 is vastgesteld op grond van artikel 29 VEU.
12
De overwegingen 1 tot en met 8 van besluit 2014/512 bevatten een opsomming van de omstandigheden die zijn voorafgegaan aan de vaststelling van de daarbij vastgestelde beperkende maatregelen.
13
In artikel 1, leden 2 en 3, van dit besluit heet het:
- ‘2.
De directe of indirecte aankoop of verkoop van, het direct of indirect verlenen van investeringsdiensten of bijstand bij de uitgifte van, of enige andere handeling met betrekking tot obligaties, aandelen of soortgelijke financiële instrumenten met een looptijd van meer dan 30 dagen die na 12 september 2014 uitgegeven zijn door:
[…]
- b)
in Rusland gevestigde entiteiten die door de staat worden gecontroleerd of die voor meer dan 50 % staatseigendom zijn, met een geraamd totaalvermogen in 2013 van meer dan 1 biljoen Russische roebel en met geraamde inkomsten die voor ten minste 50 % voortkomen uit de verkoop of het vervoer van ruwe aardolie of aardolieproducten met ingang van 12 september 2014, als vermeld in bijlage III [te weten Rosneft, Transneft en Gazprom Neft];
- c)
elke rechtspersoon, elke entiteit of elk lichaam gevestigd buiten de Unie en voor meer dan 50 % eigendom van een entiteit als bedoeld in [punt] […] b); of
- d)
elke rechtspersoon, elke entiteit of elk lichaam handelend namens of op aanwijzing van een entiteit als bedoeld in punt c) of van een in bijlage […] III vermelde entiteit [te weten Rosneft, Transneft en Gazprom Neft].
zijn verboden.
- 3.
Het is verboden om na 12 september 2014 direct of indirect enige regeling te treffen met betrekking tot nieuwe leningen of kredieten met een looptijd van meer dan 30 dagen aan enige rechtspersoon, entiteit of lichaam als bedoeld in lid […] 2, of om aan een dergelijke regeling deel te nemen, behalve voor leningen of kredieten met een specifiek en schriftelijk vastgelegde doelstelling om te voorzien in financiering voor toegestane directe of indirecte invoer of uitvoer van goederen en niet-financiële diensten tussen de Unie en Rusland en enige andere derde staat, of voor leningen met een specifiek en schriftelijk vastgelegde doelstelling om te zorgen voor noodfinanciering om te beantwoorden aan solvabiliteits- en liquiditeitscriteria voor in de Unie gevestigde rechtspersonen, waarvan de eigendomsrechten voor meer dan 50 % eigendom zijn van een entiteit als bedoeld in bijlage I [te weten de belangrijkste kredietinstellingen of instellingen voor financieringsontwikkeling die gevestigd zijn in Rusland en die voor meer dan 50 % staatseigendom zijn of die voor meer dan 50 % door de staat worden gecontroleerd met ingang van 1 augustus 2014: Sberbank, VTB Bank, Gazprombank, Vnesheconombank en Rosselkhozbank].’
14
Artikel 4 van besluit 2014/512 bepaalt:
- ‘1.
De directe of indirecte verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van bepaalde apparatuur die kan worden gebruikt voor de onderstaande categorieën exploratie- en productieprojecten in Rusland, ook in zijn exclusieve economische zone en continentaal plat, door onderdanen van de lidstaten, of vanaf het grondgebied van de lidstaten, of met gebruikmaking van vaartuigen of luchtvaartuigen onder de rechtsbevoegdheid van de lidstaten, is onderworpen aan een voorafgaande vergunning verleend door de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat:
- a)
exploratie en productie van olie in water van meer dan 150 meter diep;
- b)
de exploratie en productie van aardolie in het offshoregebied ten noorden van de noordpoolcirkel;
- c)
projecten waarmee potentieel, door middel van hydrofracturering, aardolie gewonnen kan worden uit stoffen die zich bevinden in schalieformaties; het is niet van toepassing op exploratie en productie door schalieformaties heen met het oog op het vinden van of winnen van aardolie uit zich niet in schalie bevindende reservoirs.
De Unie neemt de nodige maatregelen om te bepalen welke voorwerpen onder dit lid moeten vallen.
- 2.
De verstrekking van:
- a)
technische bijstand of andere diensten die verband houden met de onder lid 1 genoemde apparatuur;
- b)
financiering of financiële steun voor de verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van de in lid 1 genoemde apparatuur of voor de verstrekking van daarmee verband houdende technische bijstand of opleiding;
is eveneens onderworpen aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat.
- 3.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verlenen geen vergunning voor de verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van apparatuur of de verstrekking van diensten, als bedoeld in de leden 1 en 2, indien zij vaststellen dat de betreffende verkoop, levering, overbrenging of uitvoer of de betreffende verstrekking van de diensten bestemd is voor één van de in lid 1 bedoelde exploratie- en productiecategorieën.
- 4.
Lid 3 laat de uitvoering van vóór 1 augustus 2014 gesloten contracten of aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering daarvan, onverlet.
- 5.
Een vergunning kan verleend worden als de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de goederen of het verstrekken van diensten, als bedoeld in de leden 1 en 2, noodzakelijk is voor de dringende preventie of beperking van de gevolgen van een gebeurtenis die ernstige en aanzienlijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van de mens of het milieu zou kunnen hebben. In naar behoren gerechtvaardigde spoedgevallen kan de verkoop, levering, overdracht of uitvoer of het verstrekken van diensten, als bedoeld in de leden 1 en 2, plaatsvinden zonder voorafgaande vergunning, op voorwaarde dat de uitvoerder de bevoegde overheid daarvan kennis geeft ten laatste vijf werkdagen nadat de verkoop, levering, overdracht of uitvoer of het verstrekken van diensten heeft plaatsgevonden, en daarbij nadere inlichtingen verstrekt over de rechtvaardiging van de verkoop, levering, overdracht of uitvoer of het verstrekken van diensten zonder voorafgaande vergunning.’
15
Artikel 4a van dit besluit bepaalt:
- ‘1.
De directe of indirecte levering van geassocieerde diensten die noodzakelijk zijn voor de onderstaande categorieën exploratie- en productieprojecten in Rusland, ook in zijn exclusieve economische zone en continentaal plat, door onderdanen van de lidstaten, of vanaf het grondgebied van de lidstaten, of met gebruikmaking van vaartuigen of luchtvaartuigen onder de rechtsbevoegdheid van de lidstaten, is verboden:
- a)
exploratie en productie van olie in water van meer dan 150 meter diep;
- b)
de exploratie en productie van aardolie in het offshoregebied ten noorden van de noordpoolcirkel;
- c)
projecten waarmee potentieel, door middel van hydrofracturering, aardolie gewonnen kan worden uit stoffen die zich bevinden in schalieformaties; het is niet van toepassing op exploratie en productie door schalieformaties heen met het oog op het vinden van of winnen van aardolie uit zich niet in schalie bevindende reservoirs.
- 2.
De verbodsbepaling van lid 1 laat de uitvoering van vóór 12 september 2014 gesloten contracten of kaderovereenkomsten of van aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering daarvan, onverlet.
- 3.
De verbodsbepaling van lid 1 is niet van toepassing wanneer de betrokken diensten noodzakelijk zijn voor de dringende preventie of beperking van een gebeurtenis die ernstige en aanzienlijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van de mens of het milieu zou kunnen hebben.’
16
Artikel 7 van genoemd besluit luidt:
- ‘1.
Vorderingen in verband met contracten of andere transacties aan de uitvoering waarvan, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan door de maatregelen die uit hoofde van onderhavig besluit zijn ingesteld, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schuldvergelijking of een garantievordering, met name een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, met name een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm hiervan, worden niet toegewezen indien deze vorderingen worden ingesteld door:
- a)
entiteiten als bedoeld […] onder c) en d) van artikel 1, lid 2, of welke zijn vermeld in bijlage […] III [te weten Rosneft, Transneft en Gazprom Neft] […];
- b)
elke andere Russische persoon, Russische entiteit of Russisch lichaam; of
- c)
een persoon, entiteit of lichaam, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de in punt a) of punt b), van dit lid bedoelde personen, entiteiten of lichamen.
- 2.
In elke procedure waartoe een vordering aanleiding geeft, moet het bewijs dat de vordering niet op grond van lid 1 hoort te worden afgewezen, door de eiser worden geleverd.
- 3.
Dit artikel geldt onverminderd het recht van de personen, entiteiten en lichamen die in lid 1 worden genoemd, op toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen in overeenstemming met dit besluit.’
Verordening nr. 833/2014
17
Overweging 2 van verordening nr. 833/2014 luidt:
‘[…] Het is […] passend aanvullende beperkende maatregelen toe te passen teneinde Rusland een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en teneinde een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. […]’
18
Artikel 1, onder f), i), van deze verordening definieert ‘effecten’ als aandelen in vennootschappen en andere met aandelen in vennootschappen, partnerships of andere entiteiten gelijk te stellen waardepapieren, alsmede aandelencertificaten.
19
Artikel 3 van deze verordening bepaalt:
- ‘1.
Een voorafgaande vergunning is vereist voor het direct of indirect verkopen, leveren of overdragen aan en uitvoeren van de goederen die zijn opgenomen in bijlage II, al dan niet van oorsprong uit de Unie, ten behoeve van een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau, of een andere staat, indien die goederen bestemd zijn voor gebruik in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau.
- 2.
De op grond van dit artikel voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer vereiste vergunning wordt overeenkomstig de gedetailleerde bepalingen van artikel 11 van verordening (EG) nr. 428/2009 [van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (herschikking) (PB 2009, L 134, blz. 1)] afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de exporteur is gevestigd. De vergunning is in de gehele Unie geldig.
- 3.
Bijlage II bevat een lijst van een aantal goederen die kunnen worden gebruikt voor de volgende categorieën exploratie- en productieprojecten in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau:
- a)
exploratie en productie van olie in water van meer dan 150 meter diep;
- b)
exploratie en productie van olie in het offshoregebied ten noorden van de noordpoolcirkel, of
- c)
projecten waarmee potentieel, door middel van hydrofracturering, aardolie gewonnen kan worden uit stoffen die zich bevinden in schalieformaties; het is niet van toepassing op exploratie en productie door schalieformaties heen met het oog op het vinden van of winnen van aardolie uit zich niet in schalie bevindende reservoirs.
- 4.
De exporteurs verstrekken de bevoegde autoriteiten alle gegevens die vereist zijn voor de aanvraag van een uitvoervergunning.
- 5.
De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de goederen die zijn opgenomen in bijlage II, indien zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de goederen bestemd is voor een van de categorieën exploratie- en productieprojecten bedoeld in lid 3.
De bevoegde autoriteiten kunnen echter wel een vergunning verlenen als de verkoop, levering, overdracht of uitvoer betrekking heeft op de uitvoering van een verplichting die voortvloeit uit een contract dat vóór 1 augustus 2014 is gesloten of aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering van een dergelijk contract.
De bevoegde autoriteiten kunnen eveneens een vergunning verlenen als de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de goederen noodzakelijk is voor de dringende preventie of beperking van de gevolgen van een gebeurtenis die ernstige en aanzienlijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van de mens of het milieu zou kunnen hebben. In naar behoren gerechtvaardigde spoedgevallen kan de verkoop, levering, overdracht of uitvoer plaatsvinden zonder voorafgaande vergunning op voorwaarde dat de uitvoerder de bevoegde overheid daarvan kennis geeft ten laatste vijf werkdagen nadat de verkoop, levering, overdracht of uitvoer heeft plaatsgevonden, en daarbij nadere inlichtingen verstrekt over de rechtvaardiging van de verkoop, levering, overdracht of uitvoer zonder voorafgaande vergunning.
- 6.
De bevoegde autoriteiten kunnen, onder de in lid 5 genoemde voorwaarden, een verleende uitvoervergunning nietig verklaren, opschorten, wijzigen of intrekken.
- 7.
Indien een bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 5 of lid 6 een vergunning weigert, nietig verklaart, opschort, substantieel beperkt of intrekt, stelt de betrokken lidstaat de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis en deelt zij de relevante informatie met hen, met inachtneming van de bepalingen inzake de vertrouwelijkheid van dergelijke informatie als bedoeld in verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad [van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (PB 1997, L 82, blz. 1)].
- 8.
Alvorens een lidstaat een vergunning verleent overeenkomstig lid 5 voor een transactie die wezenlijk identiek is aan een transactie waarvoor de door een andere lidstaat of lidstaten afgegeven weigering als bedoeld in lid 6 en lid 7 nog steeds geldig is, pleegt deze lidstaat eerst overleg met de lidstaat of lidstaten die de weigering heeft of hebben afgegeven. Indien de betrokken lidstaat na dit overleg besluit een vergunning te verlenen, stelt hij de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis en verstrekt hij daarbij alle relevante informatie om het besluit toe te lichten.’
20
Artikel 3a van deze verordening luidt:
- ‘1.
Er geldt een verbod op de directe of indirecte verstrekking van hiermee verband houdende diensten die noodzakelijk zijn voor de volgende categorieën exploratie- en productieprojecten in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau:
- a)
exploratie en productie van olie in water van meer dan 150 meter diep;
- b)
exploratie en productie van olie in het offshoregebied ten noorden van de noordpoolcirkel, of
- c)
projecten waarmee potentieel, door middel van hydrofracturering, aardolie gewonnen kan worden uit stoffen die zich bevinden in schalieformaties; het is niet van toepassing op exploratie en productie door schalieformaties heen met het oog op het vinden van of winnen van aardolie uit zich niet in schalie bevindende reservoirs.
Voor de toepassing van dit lid wordt onder hiermee verband houdende diensten verstaan:
- i)
boringen,
- ii)
tests,
- iii)
metingen en afwerking van boorgaten,
- iv)
levering van gespecialiseerde drijvende installaties.
- 2.
De verbodsbepalingen van lid 1 gelden onverminderd de uitvoering van een verplichting die voortvloeit uit contracten of kaderovereenkomsten die vóór 12 september 2014 zijn gesloten of aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering van een dergelijk contract.
- 3.
De verbodsbepaling van lid 1 geldt niet wanneer de betrokken diensten noodzakelijk zijn voor de dringende preventie of beperking van de gevolgen van een gebeurtenis die ernstige en aanzienlijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van de mens of het milieu zou kunnen hebben.
De dienstverlener geeft de bevoegde overheid binnen een termijn van vijf werkdagen kennis van alle activiteiten die krachtens deze paragraaf worden ondernomen, en verstrekt daarbij nadere inlichtingen over de rechtvaardiging van de verkoop, levering, overdracht of uitvoer.’
21
Artikel 4 van verordening nr. 833/2014 luidt:
‘[…]
- 3.
De bevoegde autoriteit in kwestie moet een vergunning verlenen voor de verstrekking van:
- a)
technische bijstand of tussenhandeldiensten in verband met in bijlage II genoemde goederen en in verband met het leveren, vervaardigen, onderhouden en gebruiken van deze goederen, direct of indirect, aan of ten behoeve van natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau of, als dergelijke bijstand betrekking heeft op goederen bestemd voor gebruik in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau, aan personen, entiteiten of lichamen in een andere staat;
- b)
financiering of financiële bijstand in verband met in bijlage II genoemde goederen, met inbegrip van subsidies, leningen en exportkredietverzekering, voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van deze goederen, of voor de verstrekking van daarmee verband houdende technische bijstand, direct of indirect, aan natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau of, als dergelijke bijstand betrekking heeft op goederen bestemd voor gebruik in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau, aan personen, entiteiten of lichamen in een andere staat.
In naar behoren gerechtvaardigde spoedgevallen als bedoeld in artikel 3, lid 5, kan het in dit lid bedoelde verstrekken van diensten plaatsvinden zonder voorafgaande vergunning op voorwaarde dat de verstrekker de bevoegde overheid daarvan kennis geeft ten laatste vijf werkdagen nadat de dienst is verstrekt.
- 4.
Wanneer vergunningen vereist zijn krachtens lid 3 van dit artikel, is artikel 3, en met name de leden 2 en 5 daarvan, van overeenkomstige toepassing.’
22
Artikel 5 van deze verordening bepaalt:
‘[…]
- 2.
Er geldt een verbod op de directe of indirecte aankoop of verkoop van en de verlening van investeringsdiensten of bijstand voor en andere vormen van handel in overdraagbare effecten en geldmarktinstrumenten met een looptijd van meer dan 30 dagen, die zijn uitgegeven na 12 september 2014 door:
[…]
- b)
in Rusland gevestigde rechtspersonen, entiteiten of lichamen die door de staat worden gecontroleerd of die voor meer dan 50 % staatseigendom zijn, met een geraamd totaalvermogen van meer dan 1 biljoen Russische roebel en met geraamde inkomsten die voor ten minste 50 % voortkomen uit de verkoop of het vervoer van ruwe aardolie of aardolieproducten, als vermeld in bijlage VI [te weten Rosneft, Transneft en Gazprom Neft];
- c)
rechtspersonen, entiteiten of lichamen die buiten de Unie zijn gevestigd en waarvan de eigendomsrechten voor meer dan 50 % direct of indirect in handen zijn van een in punt a) of punt b) van dit lid genoemde entiteit, of
- d)
rechtspersonen, entiteiten of lichamen die handelen namens of op aanwijzing van een entiteit als bedoeld in de punt a), punt b) of punt c) van dit lid.
- 3.
Het is verboden om na 12 september 2014 direct of indirect een regeling te treffen voor nieuwe leningen of kredieten met een looptijd van meer dan 30 dagen ten behoeve van rechtspersonen, entiteiten of lichamen als bedoeld in lid 1 of 2, of om aan een dergelijke regeling deel te nemen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
- a)
leningen of kredieten die als specifiek en welomschreven doel hebben financiering te verlenen voor niet aan beperkingen onderworpen in- of uitvoer van goederen en niet-financiële diensten tussen de Unie en een derde staat, met inbegrip van de uitgaven voor goederen en diensten van een derde staat die nodig zijn voor de uitvoering van de uit- of invoercontracten, of
- b)
leningen die als specifiek en welomschreven doel hebben noodfinanciering te bieden om te beantwoorden aan de solvabiliteits- en liquiditeitscriteria voor in de Unie gevestigde rechtspersonen wier eigendomsrechten voor meer dan 50 % eigendom zijn van een in bijlage III bedoelde entiteit [te weten Sberbank, VTB Bank, Gazprombank, Vnesheconombank (VEB) en Rosselkhozbank].
[…]’
23
Artikel 8, lid 1, van deze verordening bepaalt:
‘De lidstaten stellen de regels vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de regels worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.’
24
Artikel 11 van verordening nr. 833/2014 luidt:
- ‘1.
Vorderingen in verband met contracten of andere transacties aan de uitvoering waarvan, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan door de maatregelen die uit hoofde van onderhavige verordening zijn ingesteld, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schuldvergelijking of een garantievordering, met name een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, met name een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm hiervan, worden niet toegewezen indien deze vorderingen worden ingesteld door:
- a)
entiteiten als bedoeld […] onder c) en d) van artikel 5, lid 2, of welke zijn vermeld in [bijlage] […] VI [te weten Rosneft, Transneft en Gazprom Neft];
- b)
elke andere Russische persoon, Russische entiteit of Russisch lichaam;
- c)
een persoon, entiteit of lichaam, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de in punt a) of punt b) van dit lid bedoelde personen, entiteiten of lichamen.
- 2.
In elke procedure waartoe een vordering aanleiding geeft, moet het bewijs dat de vordering niet op grond van lid 1 hoort te worden afgewezen, door de eiser worden geleverd.
- 3.
Dit artikel geldt onverminderd het recht van de personen, entiteiten en lichamen die in lid 1 worden genoemd, op toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen in overeenstemming met deze verordening.’
25
Bijlage II bij verordening nr. 833/2014 bevat een opsomming van de goederen waarvan de verkoop, levering, overdracht of uitvoer naar Rusland overeenkomstig artikel 3 van die verordening is onderworpen aan een voorafgaande vergunning
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
26
Na op 6 maart 2014 de ‘niet-uitgelokte schending van de Oekraïense soevereiniteit en territoriale integriteit door de Russische Federatie’ te hebben veroordeeld, hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Unie besloten tot opschorting van de bilaterale gesprekken die met de Russische Federatie werden gevoerd over visumaangelegenheden en over de nieuwe integrale overeenkomst die de partnerschapsovereenkomst EU-Rusland moest vervangen. Verder hebben zij verklaard dat eventuele verdere stappen van de Russische Federatie om de situatie in Oekraïne te destabiliseren, voor een breed spectrum van economische gebieden bijkomende en verreikende gevolgen zouden hebben voor de betrekkingen tussen de Europese Unie en haar lidstaten enerzijds en de Russische Federatie anderzijds.
27
Vervolgens heeft de Raad in de loop van 2014 in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) een reeks beperkende maatregelen vastgesteld in reactie op de acties van de Russische Federatie die als destabiliserend voor de situatie in Oekraïne werden aangemerkt. Gezien de ernst van de situatie in dat land, waarvan sprake was ondanks het feit dat in maart 2014 was besloten tot reisverboden en een bevriezing van tegoeden van bepaalde natuurlijke en rechtspersonen, heeft de Raad op 31 juli 2014 besluit 2014/512 vastgesteld, dat vervolgens in september en december van dat jaar is gewijzigd om gerichte beperkende maatregelen in te voeren op het gebied van de toegang tot kapitaalmarkten, defensie, goederen voor tweeërlei gebruik en gevoelige technologieën, onder meer in de energiesector.
28
Omdat de Raad van opvatting was dat die maatregelen binnen de werkingssfeer van het VWEU vielen en voor de uitvoering daarvan derhalve regelgeving op het niveau van de Unie noodzakelijk was, heeft hij verordening nr. 833/2014 vastgesteld, die uitvoeringsbepalingen bevat om zowel op het niveau van de Unie als in de lidstaten gevolg te geven aan de voorschriften van besluit 2014/512. Deze verordening is op dezelfde dag vastgesteld als dat besluit en is telkens aan dat besluit aangepast om aan te sluiten bij de nadien daarin aangebrachte wijzigingen.
29
Het aangegeven doel van deze beperkende maatregelen is om de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. Hiertoe is bij besluit 2014/512 in het bijzonder besloten tot een verbod op de uitvoer van bepaalde voor de aardoliesector in Rusland bestemde producten en gevoelige technologieën alsmede tot beperkingen op de toegang tot de Europese kapitaalmarkt voor bepaalde marktdeelnemers in deze sector.
30
Rosneft is een in Rusland ingeschreven vennootschap die zich in het bijzonder toelegt op de aardolie- en gassectoren. Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie wordt 69,5 % van de aandelen in deze vennootschap gehouden door Rosneftegaz OJSC, een entiteit die in handen is van de Russische Staat. Een minderheid van de aandelen in Rosneft, namelijk 19,75 %, wordt gehouden door BP Russian Investments Ltd., een dochteronderneming van de Britse aardoliemaatschappij BP plc. De resterende 10,75 % van het maatschappelijk kapitaal is beursgenoteerd. Volgens de verwijzingsbeslissing omvatten de activiteiten van Rosneft en de vennootschapen van haar concern de exploratie en productie van koolwaterstoffen, upstream offshore projecten, de raffinage van koolwaterstoffen en de verhandeling van ruwe olie, gas en producten in Rusland en het buitenland. Haar exploratieactiviteiten omvatten onder meer operaties in water van meer dan 150 meter diep, in het Arctisch gebied en in schalieformaties.
31
Sinds 8 september 2014 wordt Rosneft in de bijlagen bij besluit 2014/512 en, bijgevolg, verordening nr. 833/2014 vermeld als entiteit waarop een deel van de bij die handelingen ingestelde beperkingen betrekking heeft.
32
Rosneft heeft zowel bij de Unierechter als bij de nationale rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk beroep ingesteld tegen de beperkende maatregelen. Op 9 oktober 2014 heeft zij bij het Gerecht van de Europese Unie een — nog aanhangig — beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen. Vervolgens heeft deze vennootschap op 20 november 2014 bij de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Divisional Court) [hooggerechtshof (Engeland en Wales), afdeling van de Queen's Bench (meervoudige kamer), Verenigd Koninkrijk] een verzoek tot rechterlijke toetsing ingediend. In het kader van die laatste procedure betoogt Rosneft dat zowel de door de Raad genomen beperkende maatregelen als de nationale maatregelen tot uitvoering daarvan ongeldig zijn.
33
Volgens de verwijzende rechter ziet het bij hem ingediende verzoek tot rechterlijke toetsing primair op de nationale maatregelen die door de verwerende partijen in het hoofdgeding zijn vastgesteld ter uitvoering van de handelingen van de Unie waarbij de aangevochten beperkende maatregelen zijn ingevoerd. Deze rechterlijke toetsing betreft ten eerste de wettigheid van de regelgeving tot invoering van strafrechtelijke sancties wegens schending van de bepalingen van verordening nr. 833/2014 in verband met financiële diensten en de aardoliesector, en ten tweede de juistheid van bepaalde stellingen van de FCA over het begrip ‘financiële bijstand’ en de toepassing van die verordening op overdraagbare effecten in de vorm van internationale aandelencertificaten (Global Depositary Receipts; hierna: ‘GDR’).
34
De verwijzende rechter constateert evenwel dat dit verzoek eveneens de geldigheid van Unierechtelijke handelingen betreft. In dit verband is hij onder verwijzing naar het arrest van 22 oktober 1987, Foto-Frost (314/85, EU:C:1987:452), van oordeel dat hij niet bevoegd is om de geldigheid van die handelingen te controleren. Zonder een standpunt in te nemen over de bevoegdheid van het Hof om een dergelijke controle uit te voeren bij met name handelingen die in het kader van het GBVB zijn vastgesteld, merkt de verwijzende rechter niettemin op dat de op dit gebied vastgestelde maatregelen ernstige gevolgen kunnen hebben voor natuurlijke en rechtspersonen, en dat het beginsel van toegang tot een rechter om de wettigheid van handelingen van de uitvoerende macht te laten controleren van fundamenteel belang is.
35
Volgens deze rechter is Rosneft in essentie van mening ten eerste dat de litigieuze handelingen in strijd zijn met verschillende artikelen van de partnerschapsovereenkomst EU-Rusland. Ten tweede is in deze handelingen de in artikel 296 VWEU vervatte motiveringsplicht niet nageleefd, waardoor ook het recht op een eerlijk proces en op effectieve rechterlijke bescherming is geschonden. Ten derde zijn de bepalingen van deze handelingen inzake de aardoliesector onverenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en levert de vaststelling ervan misbruik van bevoegdheid door de Raad op. Ten vierde zijn deze bepalingen onevenredig in verhouding tot het met die handelingen nagestreefde doel, en schenden zij de vrijheid van ondernemerschap en het eigendomsrecht van Rosneft. Ten vijfde geeft verordening nr. 833/2014 niet op juiste wijze uitvoering aan besluit 2014/512. Ten zesde en ten laatste wordt door de onnauwkeurigheid van de bepalingen van de litigieuze handelingen inbreuk gemaakt op het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen, aangezien de lidstaten verplicht waren om sancties vast te stellen om ervoor te zorgen dat die handelingen zouden worden uitgevoerd.
36
Voor het geval het Hof zou oordelen dat de litigieuze handelingen geldig zijn, geeft de verwijzende rechter aan dat hij twijfels heeft over de uitlegging ervan. De verwijzende rechter is van oordeel dat het belangrijk is om de in de beperkende maatregelen in het hoofdgeding gebezigde termen in de gehele Unie op uniforme wijze uit te leggen, en merkt daarbij op dat hij tijdens de procedure in het hoofdgeding heeft geconstateerd dat de autoriteiten van andere lidstaten in de praktijk uiteenlopende opvattingen hebben over de uitlegging die moet worden gegeven aan een aantal bepalingen van de litigieuze handelingen.
37
De verwijzende rechter merkt ten slotte op dat hij zich heeft gebogen over de argumenten van partijen in het hoofdgeding over de vraag of het opportuun is om zich in deze procedure met een verzoek om een prejudiciële beslissing tot het Hof te wenden, met name gezien het feit dat Rosneft al een beroep tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen bij het Gerecht heeft ingesteld. Hij is van oordeel dat het volgens de rechtspraak die is ontwikkeld in het arrest van 14 december 2000, Masterfoods en HB (C-344/98, EU:C:2000:689), aan hemzelf is om te beoordelen of er aanleiding is om de behandeling van de zaak te schorsen totdat er op een dergelijk beroep tot nietigverklaring definitief uitspraak is gedaan, dan wel dat er een verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Hof moet worden gedaan.
38
In deze omstandigheden heeft de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Divisional Court), de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Is het Hof van Justitie, gelet op met name artikel 19, lid 1, de artikelen 24 en 40 VEU, artikel 47 [van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’)] en artikel 275, [tweede] alinea, VWEU, bevoegd om krachtens artikel 267 VWEU bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en de artikelen 4, 4a en 7 en bijlage III bij besluit 2014/512?
- 2)
- a)
Zijn een of meer van de volgende bepalingen (hierna: ‘relevante bepalingen’) van verordening nr. 833/2014 en, voor zover het Hof bevoegd is, van besluit 2014/512 ongeldig:
- i)
de artikelen 4 en 4a van besluit 2014/512;
- ii)
de artikelen 3, 3a, artikel 4, leden 3 en 4, en bijlage II bij verordening nr. 833/2014;
(hierna gezamenlijk: ‘bepalingen inzake de oliesector’);
- iii)
artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en bijlage III bij besluit 2014/512;
- iv)
artikel 5, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en bijlage VI bij verordening nr. 833/2014;
(hierna gezamenlijk: ‘de bepalingen inzake effecten en leningen’)
- v)
artikel 7 van besluit 2014/512, en
- vi)
artikel 11 van verordening nr. 833/2014?
- b)
Voor zover de relevante bepalingen geldig zijn, gaat het in tegen de beginselen van rechtszekerheid en nulla poena sine lege certa wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 833/2014 strafrechtelijke sancties oplegt voordat het Hof van Justitie de desbetreffende strafbaarstelling voldoende heeft verduidelijkt?
- 3)
Voor zover de relevante verboden of maatregelen waarnaar in de tweede vraag, onder a), wordt verwezen, geldig zijn:
- a)
Valt onder het begrip ‘financiële bijstand’ in artikel 4, lid 3, van verordening nr. 833/2014 de verwerking van een betaling door een bank of een andere financiële instelling?
- b)
Verbiedt artikel 5 van verordening nr. 833/2014 de emissie van, of enig andere transactie met internationale aandelencertificaten ([…] ‘GDR’) die zijn uitgegeven op of na 12 september 2014 in het kader van een bewaarnemingsovereenkomst met een van de entiteiten die zijn genoemd in bijlage VI, met betrekking tot aandelen in een van die entiteiten, die waren uitgegeven vóór 12 september 2014?
- c)
Indien het Hof van oordeel is dat er sprake is van een gebrek aan duidelijkheid dat door het Hof naar behoren kan worden opgelost door nadere aanwijzingen te geven, wat is dan de juiste uitlegging van de begrippen ‘schalie’ en ‘water van meer dan 150 meter diep’ in artikel 4 van besluit 2014/512 en de artikelen 3 en 3a van verordening nr. 833/2014? Indien het Hof het noodzakelijk en gepast acht, kan het dan met name een geologische uitlegging van het begrip ‘schalie’ geven die kan worden gebruikt bij de uitvoering van de verordening, en kan het verduidelijken of ‘water van meer dan 150 meter diep’ moet worden gemeten vanaf het boorpunt of vanaf een andere plaats?’
Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
39
Bij op 10 augustus 2016 neergelegde akte heeft Rosneft verzocht om heropening van de mondelinge behandeling.
40
Ter onderbouwing van haar verzoek betoogt Rosneft om te beginnen dat de analyse van de advocaat-generaal in deze zaak zoals vervat in zijn conclusie van 31 mei 2016, onjuist is wat betreft de verplichting van de Raad om de vaststelling van de betrokken beperkende maatregelen te motiveren. Deze analyse geeft tevens blijk van een onjuist begrip van de verschillen tussen de genoemde beperkende maatregelen en de maatregelen van de Unie in het kader van het nucleaire programma van Iran, zodat het Hof op dit punt nadere informatie moet inwinnen. Verder komt de advocaat-generaal tot een andere analyse van het begrip ‘wetgevingshandelingen’ in de zin van artikel 31 VEU dan de benadering die is voorgestaan in de na de pleitzitting in deze zaak genomen conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 19 juli 2016, H/Raad en Commissie (C-455/14 P, EU:C:2016:212). Ten slotte zou de mondelinge behandeling moeten worden heropend omdat de bevoegdheid van het Hof alsmede de mogelijkheden om zijn arresten ten uitvoer te leggen onderhevig kunnen zijn aan snelle veranderingen als gevolg van de uitkomst van het referendum dat op 23 juni 2016 is gehouden in het Verenigd Koninkrijk over het lidmaatschap van dit land van de Europese Unie.
41
Volgens vaste rechtspraak kan het Hof krachtens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen heropenen indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden (arrest van 15 september 2011, Accor, C-310/09, EU:C:2011:581, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Hof voorzien daarentegen niet in de mogelijkheid voor partijen om opmerkingen in te dienen over de conclusie van de advocaat-generaal (arrest van 16 december 2010, Stichting Natuur en Milieu e.a., C-266/09, EU:C:2010:779, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Wat betreft de opmerkingen van Rosneft over de argumentatie in de conclusie van de advocaat-generaal in deze zaak, dient te worden geconstateerd dat deze grotendeels bestaan uit kritiek op die conclusie. Uit de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak vloeit evenwel voort dat de teksten die de procedure bij het Hof regelen, niet voorzien in de mogelijkheid om dergelijke opmerkingen in te dienen.
43
Wat verder betreft het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling in verband met het op 23 juni 2016 in het Verenigd Koninkrijk gehouden referendum over het lidmaatschap van deze lidstaat van de Europese Unie, geldt dat Rosneft niet toelicht in welk opzicht deze gebeurtenis als zodanig van invloed zou kunnen zijn op de bevoegdheid van het Hof of op de bindendheid van zijn arresten.
44
Gelet hierop is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel in dit geval over alle noodzakelijke gegevens te beschikken om te kunnen antwoorden op de door de verwijzende rechter gestelde vragen en dat alle voor de beslechting van dit geschil relevante argumenten tussen partijen voorwerp van debat zijn geweest.
45
Het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling moet dan ook worden afgewezen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
46
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 19, 24 en 40 VEU, artikel 275 VWEU en artikel 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat het Hof bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing op grond van artikel 267 VWEU uitspraak te doen over de geldigheid van een handeling die is vastgesteld op basis van de bepalingen inzake het GBVB, zoals besluit 2014/512.
47
Alvorens inhoudelijk op deze vraag te antwoorden, dienen de door bepaalde belanghebbenden gemaakte opmerkingen over de ontvankelijkheid ervan te worden beoordeeld.
Ontvankelijkheid
48
De Estse en de Poolse regering en de Raad zijn van opvatting dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is. Zij stellen zich op het standpunt dat de verwijzende rechter niet heeft toegelicht welk verband er bestaat tussen deze vraag en de gerechtelijke procedure op nationaal niveau, en trekken daarom de noodzaak van een antwoord op deze vraag in twijfel. Verder betoogt de Raad dat het voor de oplossing van de in het hoofdgeding opgeworpen vragen volstaat om zich te baseren op verordening nr. 833/2014, zonder dat het nodig is om zich uit te spreken over de geldigheid van besluit 2014/512.
49
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat wanneer bij een nationale rechter een vraag over de geldigheid van een handeling van de instellingen van de Unie wordt opgeworpen, die nationale rechter dient te beoordelen of een prejudiciële beslissing daarover voor het wijzen van zijn vonnis noodzakelijk is en het Hof derhalve om een uitspraak over deze vraag dient te worden verzocht. Wanneer de door de nationale rechter gestelde vragen betrekking hebben op de geldigheid van een Unierechtelijk voorschrift, is het Hof dus in beginsel verplicht uitspraak te doen (arrest van 3 juni 2008, Intertanko e.a., C-308/06, EU:C:2008:312, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Het Hof kan enkel weigeren uitspraak te doen op een door een nationale rechter gestelde prejudiciële vraag in de zin van artikel 267 VWEU wanneer, voor zover hier van belang, de vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing als vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering niet zijn nageleefd of wanneer de door de nationale rechterlijke instantie gevraagde uitlegging of beoordeling van de geldigheid van een Unierechtelijk voorschrift klaarblijkelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is [zie in die zin arresten van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco, C-491/01, EU:C:2002:741, punt 35; van 5 juli 2016, Ognyanov, C-614/14, EU:C:2016:514, punt 19, en van 15 november 2016, Ullens de Schooten, C-268/15, EU:C:2016:874, punt 54].
51
In dit geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Rosneft in het hoofdgeding de geldigheid van een aantal bepalingen van besluit 2014/512 bestrijdt. Volgens de verwijzende rechter is bij hem onder meer gedebatteerd over de stelling dat indien het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de geldigheid van dat besluit, het dan aan hem is om overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om effectieve rechterlijke bescherming te verzekeren op het gebied van het GBVB.
52
Aangezien de verwijzende rechter van oordeel is dat hij zijn eigen bevoegdheid moet beoordelen in het licht van die van het Hof, staat de eerste vraag betreffende de bevoegdheid van het Hof in direct verband met het voorwerp van het hoofdgeding.
53
Verder dient te worden geoordeeld dat het voor het wegnemen van de twijfels van de verwijzende rechter over de geldigheid van de betrokken beperkende maatregelen, mogelijk onvoldoende is om de in het hoofdgeding opgeworpen vragen uitsluitend te beoordelen in het licht van verordening nr. 833/2014.
54
De verwijzende rechter is namelijk van oordeel dat indien besluiten van de Raad in het kader van het GBVB niet vatbaar zouden zijn voor beroep, dit afbreuk zou kunnen doen aan het grondrecht op toegang tot een rechter, waarbij hij eraan herinnert dat artikel 19 VEU voorschrijft dat op de door het Unierecht bestreken gebieden wordt gezorgd voor daadwerkelijke rechtsbescherming.
55
De vraag naar de geldigheid van besluit 2014/512 is dus van belang in de context van deze zaak aangezien de geldigheid van een op basis van artikel 215 VWEU vastgestelde verordening veronderstelt dat er eerst een geldig besluit overeenkomstig de bepalingen van het GBVB is vastgesteld.
56
Voorts dient eraan te worden herinnerd dat de lidstaten er ingevolge artikel 29 VEU voor zorg moeten dragen dat hun nationale beleid overeenstemt met de door de Unie in het kader van het GBVB ingenomen standpunten. Dat betekent dat de eventuele ongeldigheid van verordening nr. 833/2014 in beginsel geen invloed heeft op de verplichting van de lidstaten om ervoor te zorgen dat hun nationale beleid overeenstemt met de bij besluit 2014/512 vastgestelde beperkende maatregelen. Voor zover het Hof dus bevoegd is om de geldigheid van besluit 2014/512 te beoordelen, is deze beoordeling nodig om de omvang van de uit dat besluit voortvloeiende verplichtingen te kunnen bepalen, ongeacht de vraag of verordening nr. 833/2014 geldig is.
57
Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de eerste door de verwijzende rechter gestelde vraag ontvankelijk is.
Ten gronde
58
De regering van het Verenigd Koninkrijk, de Tsjechische, de Estse, de Franse en de Poolse regering alsmede de Raad zijn van mening dat het Hof krachtens artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU en artikel 275 VWEU niet bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van besluit 2014/512.
59
Volgens de Commissie is op grond van artikel 24, lid 1, VEU en artikel 275 VWEU niet uitgesloten dat het Hof bevoegd is om ook in het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van besluit 2014/512. Wil het Hof in een dergelijke situatie evenwel bevoegd zijn, dan moet de verzoekende partij in het hoofdgeding die de zaak bij de nationale rechter aanhangig heeft gemaakt, voldoen aan de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU, en moet voorts het doel van de procedure zijn om de wettigheid van de beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen te beoordelen. De Commissie meent dat in dit geval niet aan die voorwaarden is voldaan.
60
Vooraf zij opgemerkt dat het Hof ingevolge artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU en artikel 275, eerste alinea, VWEU in beginsel weliswaar niet bevoegd is ten aanzien van de bepalingen inzake het GBVB en evenmin ten aanzien van de op grond van die bepalingen vastgestelde handelingen (zie arrest van 19 juli 2016, H/Raad en Commissie, C-455/14 P, EU:C:2016:569, punt 39), maar dat de Verdragen uitdrukkelijk voorzien in twee uitzonderingen op dit uitgangspunt. Zowel in artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU als in artikel 275, tweede alinea, VWEU is er immers in voorzien dat het Hof bevoegd is om toezicht te houden op de naleving van artikel 40 VEU. Verder is het Hof ingevolge artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU bevoegd om de wettigheid van bepaalde besluiten na te gaan als bedoeld in artikel 275, tweede alinea, VWEU. Deze laatste bepaling voorziet op haar beurt in de bevoegdheid voor het Hof om uitspraak te doen inzake beroepen die onder de in artikel 263, vierde alinea, VWEU bepaalde voorwaarden worden ingesteld betreffende het toezicht op de wettigheid van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad zijn vastgesteld op basis van de bepalingen van het GBVB.
61
Geoordeeld moet dus worden dat bij de eerste vraag in essentie twee kwesties aan de orde zijn. Ten eerste wordt hiermee gevraagd of het Hof bevoegd is om naar aanleiding van een verzoek om een prejudiciële beslissing van een nationale rechter op grond van artikel 267 VWEU te controleren of de Raad bij de vaststelling van besluit 2014/512 artikel 40 VEU heeft nageleefd. Ten tweede wil met die vraag worden nagegaan of het Hof bevoegd is om toezicht te houden op de wettigheid van de beperkende maatregelen jegens natuurlijke en rechtspersonen die door dat besluit mogelijk worden gemaakt, niet enkel wanneer die personen op grond van de artikelen 256 en 263 VWEU tegen die maatregelen bij de Unierechter een beroep tot nietigverklaring instellen, maar ook ingeval het Hof in het kader van de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU wordt benaderd door een nationale rechter die twijfels heeft over de geldigheid van dergelijke maatregelen.
62
Wat in de eerste plaats de bevoegdheid van het Hof om toezicht te houden op de naleving van artikel 40 VEU betreft, moet worden opgemerkt dat de Verdragen dit rechterlijke toezicht niet aan bijzondere voorwaarden onderwerpen. Gelet hierop valt dit toezicht onder de algemene bevoegdheid die het Hof op grond van artikel 19 VEU geniet om de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen te verzekeren. In het kader van de toekenning van deze algemene bevoegdheid wordt in artikel 19, derde lid, onder b), VEU verder aangegeven dat het Hof op verzoek van de nationale rechterlijke instanties bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak doet over, voor zover hier van belang, de geldigheid van de door de instellingen van de Unie vastgestelde handelingen.
63
Bijgevolg is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op een verzoek om een prejudiciële beslissing over de verenigbaarheid van besluit 2014/512 met artikel 40 VEU.
64
In de tweede plaats dient te worden onderzocht of het Hof bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van op het gebied van het GBVB vastgestelde besluiten zoals besluit 2014/512, wanneer daarin is voorzien in beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen.
65
Volgens de bewoordingen van artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU en artikel 275, tweede alinea, VWEU is het Hof in de Verdragen de bevoegdheid toegekend om toezicht te houden op de wettigheid van besluiten van de Raad houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen. Terwijl artikel 24, lid 1, VEU het Hof de bevoegdheid geeft om toezicht te houden op de wettigheid van bepaalde in artikel 275, tweede alinea, VWEU genoemde besluiten, bepaalt laatstgenoemde bepaling dat het Hof bevoegd is om uitspraak te doen inzake beroepen die onder de in artikel 263, vierde alinea, VWEU bepaalde voorwaarden worden ingesteld betreffende dat toezicht op de wettigheid.
66
Het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de Unie dat het Hof overeenkomstig de Verdragen uitoefent, krijgt volgens vaste rechtspraak gestalte in twee complementaire gerechtelijke procedures. Het VWEU heeft namelijk in de artikelen 263 en 277 enerzijds en artikel 267 anderzijds een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarbij aan de Unierechter het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de Unie is opgedragen (arresten van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, EU:C:1986:166, punt 23; van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C-50/00 P, EU:C:2002:462, punt 40, en van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C-583/11 P, EU:C:2013:625, punt 92).
67
Het is inherent aan dit volledige stelsel van rechtsmiddelen en procedures dat justitiabelen in het kader van een beroep bij een nationale rechter de wettigheid in twijfel kunnen trekken van bepalingen van Uniehandelingen die de grondslag vormen voor een jegens hen vastgesteld besluit of nationale handeling, door de ongeldigheid van dat besluit of die handeling in te roepen. Zij kunnen die rechter, die niet bevoegd is om deze ongeldigheid zelf vast te stellen, voorts ertoe brengen daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof, tenzij buiten twijfel staat dat zij tegen die bepalingen op de voet van artikel 263 VWEU beroep konden instellen en zij hiertoe niet binnen de gestelde termijnen zijn overgegaan (zie in die zin arresten van 15 februari 2001, Nachi Europe, C-239/99, EU:C:2001:101, punten 35 en 36 en van 29 juni 2010, E en F, C-550/09, EU:C:2010:382, punten 45 en 46).
68
Bijgevolg is het prejudiciële verzoek om beoordeling van de geldigheid van een handeling, evenals het beroep tot nietigverklaring, een vorm van wettigheidscontrole van de handelingen van de Unie (zie arresten van 22 oktober 1987, Foto-Frost, 314/85, EU:C:1987:452, punt 16; van 21 februari 1991, Zuckerfabrik Süderdithmarschen en Zuckerfabrik Soest, C-143/88 en C-92/89, EU:C:1991:65, punt 18; van 6 december 2005, ABNA e.a., C-453/03, C-11/04, C-12/04 en C-194/04, EU:C:2005:741, punt 103, en van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C-583/11 P, EU:C:2013:625, punt 95).
69
Dit wezenlijke kenmerk van het stelsel van rechtsbescherming van de Unie strekt zich mede uit tot het toezicht op de wettigheid van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen in het kader van het GBVB.
70
Noch uit het VEU noch uit het VWEU vloeit immers voort dat het beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht, ingesteld overeenkomstig de gecombineerde bepalingen van de artikelen 256 en 263 VWEU, de enige vorm is waarin het toezicht op de wettigheid van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke en rechtspersonen gestalte kan krijgen, en wel onder uitsluiting van — voor zover hier van belang — een prejudicieel verzoek om beoordeling van de geldigheid. In dit verband geldt dat artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste volzin, VEU niet naar artikel 275, tweede alinea, VWEU verwijst om het soort procedure te specificeren waarbinnen het Hof toezicht kan uitoefenen op de wettigheid van bepaalde besluiten, maar om het soort besluiten te specificeren waarvan het Hof de wettigheid kan controleren in het kader van elke procedure die een dergelijke wettigheidstoetsing tot voorwerp heeft.
71
Aangezien de uitvoering van een besluit houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen deels de verantwoordelijkheid van de lidstaten is, vervult het prejudiciële verzoek om beoordeling van de geldigheid een wezenlijke functie in het waarborgen van effectieve rechterlijke bescherming, met name wanneer, zoals in het hoofdgeding, zowel de wettigheid van de nationale uitvoeringsmaatregelen als die van het onderliggende, op het gebied van het GBVB vastgestelde besluit zelf in het kader van een nationale gerechtelijke procedure in twijfel wordt getrokken. Gelet op het feit dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun nationale beleid overeenstemt met de standpunten van de Unie die de Raad bij op grond van artikel 29 VEU vastgestelde besluiten heeft bepaald, is het immers onontbeerlijk dat die besluiten vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing wanneer daarbij is voorzien in de vaststelling van beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen.
72
Zoals blijkt uit zowel artikel 2 VEU, dat behoort tot de gemeenschappelijke bepalingen van het VEU, als artikel 21 VEU, betreffende het externe optreden van de Unie — waarnaar artikel 23 VEU, betreffende het GBVB, verwijst — is de Unie onder meer gebaseerd op de waarden van de rechtsstaat (zie in die zin arrest van 19 juli 2016, H/Raad en Commissie, C-455/14 P, EU:C:2016:569, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73
Daar komt bij dat artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging vormt van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, in zijn eerste alinea voorschrijft dat eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Er zij aan herinnerd dat het inherent is aan het bestaan van een rechtsstaat dat er effectieve rechterlijke toetsing bestaat om de naleving van de bepalingen van Unierecht te verzekeren (zie arresten van 18 december 2014, Abdida, C-562/13, EU:C:2014:2453, punt 45, en van 6 oktober 2015, Schrems, C-362/14, EU:C:2015:650, punt 95).
74
Weliswaar kan artikel 47 van het Handvest geen bevoegdheid voor het Hof in het leven roepen wanneer de Verdragen dit uitsluiten, maar wel vereist het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming dat de op het gebied van het GBVB bestaande uitsluiting van de bevoegdheid van het Hof eng wordt uitgelegd.
75
Aangezien de procedure waarbinnen het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak kan doen, er overeenkomstig de aan deze instelling krachtens artikel 19, lid 1, VEU toegewezen functie toe strekt te verzekeren dat het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen wordt geëerbiedigd, zou het in strijd zijn met de doelstellingen van die bepaling en met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming om de bevoegdheid die in artikel 275, tweede alinea, VWEU aan het Hof wordt verleend en waarnaar in artikel 24, lid 1, VEU wordt verwezen, eng uit te leggen (zie naar analogie arresten van 7 februari 2007, Gestoras Pro Amnistía e.a./Raad, C-354/04 P, EU:C:2007:115, punt 53; van 27 februari 2007, Segi e.a./Raad, C-355/04 P, EU:C:2007:116, punt 53; van 24 juni 2014, Parlement/Raad, C-658/11, EU:C:2014:2025, punt 70; van 12 november 2015, Elitaliana/Eulex Kosovo, C-439/13 P, EU:C:2015:753, punt 42, en van 19 juli 2016, H/Raad en Commissie, C-455/14 P, EU:C:2016:569, punt 40).
76
Gelet hierop zou het, voor zover het Hof op grond van artikel 24, lid 1, VEU en artikel 275, tweede alinea, VWEU materieel bevoegd is om zich uit te spreken over de geldigheid van Uniehandelingen — wanneer het dus, voor zover hier van belang, gaat om beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen —, in strijd zijn met de opzet van het stelsel van effectieve rechterlijke bescherming, zoals ingesteld bij de Verdragen, om laatstgenoemde bepaling aldus uit te leggen dat de rechterlijke instanties van de lidstaten niet de mogelijkheid hebben om het Hof vragen te stellen over de geldigheid van besluiten van de Raad die voorzien in dergelijke maatregelen.
77
Ten slotte kan niet worden ingestemd met het argument dat het uitsluitend aan de nationale rechters is om te zorgen voor effectieve rechterlijke bescherming wanneer het Hof niet bevoegd is om zich bij wijze van prejudiciële beslissing uit te spreken over de geldigheid van besluiten op het gebied van het GBVB die voorzien in beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen.
78
Voor de noodzakelijke samenhang van het stelsel van rechtsbescherming is het immers volgens vaste rechtspraak noodzakelijk dat de bevoegdheid om de ongeldigheid van handelingen van de instellingen van de Unie vast te stellen wanneer daarop bij de nationale rechter een beroep wordt gedaan, alleen aan het Hof toekomt in het kader van artikel 267 VWEU (zie in die zin arresten van 22 oktober 1987, Foto-Frost, 314/85, EU:C:1987:452, punt 17, en van 6 oktober 2015, Schrems, C-362/14, EU:C:2015:650, punt 62). Dezelfde conclusie geldt voor besluiten op het gebied van het GBVB ten aanzien waarvan de Verdragen aan het Hof een bevoegdheid verlenen om de wettigheid te toetsen.
79
Verder is het Hof het best in staat is om over de geldigheid van handelingen van de Unie te beslissen, gezien de mogelijkheden die hem in het kader van de prejudiciële procedure ter beschikking staan om kennis te nemen van de opmerkingen van de lidstaten en de instellingen van de Unie waarvan de handelingen in geding zijn, en voorts om de lidstaten en instellingen, organen en instanties van de Unie die geen procespartij zijn, te verzoeken om alle inlichtingen die het voor de procedure noodzakelijk acht (zie in die zin arrest van 22 oktober 1987, Foto-Frost, 314/85, EU:C:1987:452, punt 18).
80
Deze conclusie vindt bevestiging in het hoofddoel van artikel 267 VWEU, dat erin bestaat een uniforme toepassing van het recht van de Unie door de nationale rechterlijke instanties te verzekeren. Dit doel is voor het toezicht op de wettigheid van besluiten die voorzien in de vaststelling van beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen niet minder van belang dan voor andere handelingen van de Unie. Bij dergelijke besluiten zouden verschillen van inzicht tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten over de geldigheid van handelingen van de Unie immers de eenheid van de rechtsorde van de Unie zelf in gevaar kunnen brengen en afbreuk kunnen doen aan het fundamentele vereiste van rechtszekerheid (zie naar analogie arresten van 22 februari 1990, Busseni, C-221/88, EU:C:1990:84, punt 15; van 6 december 2005, Gaston Schul Douane-expediteur, C-461/03, EU:C:2005:742, punt 21, en van 21 december 2011, Air Transport Association of America e.a., C-366/10, EU:C:2011:864, punt 47).
81
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de artikelen 19, 24 en 40 VEU, artikel 275 VWEU en artikel 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat het Hof bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing op grond van artikel 267 VWEU uitspraak te doen over de geldigheid van een handeling die is vastgesteld op basis van de bepalingen inzake het GBVB, zoals besluit 2014/512, voor zover het verzoek om een prejudiciële beslissing ertoe strekt erop toe te zien dat met dit besluit artikel 40 VEU is nageleefd, dan wel ziet op het toezicht op de wettigheid van beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen.
Tweede vraag, onder a)
82
Met zijn tweede vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en de artikelen 4, 4a en 7 van besluit 2014/512 en bijlage III daarbij, alsmede de artikelen 3 en 3a, artikel 4, leden 3 en 4, artikel 5, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en artikel 11 van verordening nr. 833/2014 en bijlagen II en VI daarbij geldig zijn.
83
Uit de verwijzingsbeslissing en de schriftelijke opmerkingen van Rosneft blijkt dat zij de geldigheid van die bepalingen in de eerste plaats betwist op grond dat besluit 2014/512 in strijd met artikel 40 VEU is vastgesteld. In de tweede plaats betoogt zij dat die bepalingen onverenigbaar zijn met de partnerschapsovereenkomst EU-Rusland. In de derde plaats is zij van opvatting dat de Raad bij de vaststelling van die bepalingen in strijd heeft gehandeld met de motiveringsplicht, de rechten van de verdediging, het recht op effectieve rechterlijke bescherming en het recht op toegang tot het dossier. In de vierde plaats stelt Rosneft dat het beginsel van gelijke behandeling is geschonden. In de vijfde en de zesde plaats voert zij aan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen ongeldig zijn vanwege misbruik van bevoegdheid door de Raad onderscheidenlijk tegenstrijdigheid tussen de bewoordingen van besluit 2014/512 en die van verordening nr. 833/2014. In de zevende plaats betoogt Rosneft dat de Raad het evenredigheidsbeginsel en de haar toekomende grondrechten heeft geschonden, waaronder met name haar vrijheid van ondernemerschap en haar recht op eigendom.
Vraag of met besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 artikel 40 VEU is nageleefd
84
Rosneft is van mening dat de Raad artikel 40 VEU heeft geschonden door in besluit 2014/512 de aanpak van de Unie in verband met de beperkende maatregelen in het hoofdgeding overdreven gedetailleerd uit te werken, zodat hij daarmee treedt in het gezamenlijke initiatiefrecht van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (hierna: ‘hoge vertegenwoordiger’) en de Commissie.
85
Wat de handelingen betreft die op grond van een bepaling inzake het GBVB worden vastgesteld, is het aan het Hof om — overeenkomstig artikel 275, tweede alinea, eerste zinsnede, VWEU en artikel 40 VEU — erop toe te zien dat de uitvoering van dit beleid geen gevolgen heeft voor de toepassing van de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen waarin de Verdragen voorzien voor de uitoefening van de bevoegdheden waarover de Unie krachtens het VWEU beschikt (arrest van 14 juni 2016, Parlement/Raad, C-263/14, EU:C:2016:435, punt 42).
86
Om na te gaan of de Raad met de vaststelling van besluit 2014/512 op de voet van artikel 29 VEU — welke bepaling het GBVB betreft — inbreuk heeft gemaakt op de bevoegdheden en procedures ingevolge het VWEU, dient de inhoud van dit besluit te worden onderzocht in het licht van de bevoegdheden en procedures waarin artikel 215 VWEU voorziet.
87
Dienaangaande dient te worden geconstateerd dat de inhoud van besluit 2014/512 inderdaad gedetailleerd is. Dit besluit strekt er echter toe om gerichte beperkende maatregelen in te voeren op gebieden met een technisch karakter, waaronder de toegang tot de kapitaalmarkten, defensie, goederen voor tweeërlei gebruik en gevoelige technologieën, ook in de energiesector, zoals blijkt uit overweging 7 van dat besluit.
88
Uit de artikelen 24 en 29 VEU volgt dat de Raad als algemene regel bevoegd is om met eenparigheid van stemmen het voorwerp te bepalen van de beperkende maatregelen die de Unie op het gebied van het GBVB vaststelt. Gezien de brede strekking van de doelstellingen van het GBVB zoals verwoord in artikel 3, lid 5, VEU en artikel 21 VEU alsmede in de specifieke bepalingen inzake het GBVB, waaronder de artikelen 23 en 24 VEU, beschikt de Raad bij de bepaling van dit voorwerp over een ruime beoordelingsmarge.
89
Anderzijds is de Raad op grond van artikel 215 VWEU, dat een brug slaat tussen de doelstellingen van het VEU op het gebied van het GBVB en de handelingen van de Unie waarbij onder het VWEU vallende economische maatregelen worden opgelegd (zie in die zin arrest van 19 juli 2012, Parlement/Raad, C-130/10, EU:C:2012:472, punt 59), bevoegd om, op gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger en de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen verordeningen vast te stellen om gevolg te geven aan beperkende maatregelen wanneer deze onder de werkingssfeer van het VWEU vallen en met name om de uniforme uitvoering daarvan in alle lidstaten te garanderen. In dit verband is in verordening nr. 833/2014 weliswaar de wezenlijke inhoud van besluit nr. 2014/512 overgenomen, maar die verordening bevat tevens definities en verduidelijkingen ten aanzien van de in dat besluit bedoelde beperkende maatregelen.
90
Gelet op de afwijkende functies van deze twee soorten handelingen, waarbij met de ene handeling de aanpak van de Unie ten aanzien van de vast te stellen beperkende maatregelen wordt bepaald, en de andere handeling het instrument vormt om op het niveau van de Unie gevolg te geven aan die maatregelen, kan in beginsel niet worden geoordeeld dat afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 215 VWEU neergelegde procedure voor de uitvoering van een op grond van artikel 29 VEU vastgesteld besluit van de Raad wanneer in dat besluit het voorwerp van de beperkende maatregelen wordt verduidelijkt. Met name wanneer het gaat om een tamelijk complex terrein kan het opportuun zijn dat de Raad bij de vaststelling van de beperkende maatregelen nauwkeurige termen bezigt. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat de Raad met de vaststelling van besluit 2014/512 ten onrechte op voorhand een deel van de inhoud van verordening nr. 833/2014 heeft vastgelegd.
91
Verder moet ook het betoog van Rosneft worden verworpen dat besluit 2014/512 niet strookt met artikel 40 VEU omdat genoemd besluit een ‘wetgevingshandeling’ zou vormen in de zin van de artikelen 24 en 31 VEU, waarin is bepaald dat de vaststelling van dergelijke handelingen op het gebied van het GBVB verboden is. Artikel 289, lid 3, VWEU bepaalt immers dat rechtshandelingen die volgens een wetgevingsprocedure zijn vastgesteld, wetgevingshandelingen vormen. De uitsluiting van de mogelijkheid om op het gebied van het GBVB wetgevingshandelingen vast te stellen, komt voort uit de wens om dit beleid te onderwerpen aan specifieke regels en procedures, zoals blijkt uit artikel 24 VEU. Aangezien die regels en procedures — zoals met name uitgewerkt in de bepalingen inzake het GBVB in titel V, hoofdstuk 2, van het VEU — op dit gebied voorzien in een specifieke rolverdeling tussen de instellingen van de Unie, is het in deze context noodzakelijkerwijs uitgesloten dat er wetgevingshandelingen in de zin van artikel 289, lid 3, VEU worden vastgesteld.
92
Vast staat dat besluit 2014/512 niet met toepassing van het VWEU, maar volgens de procedure van artikel 24 VEU is vastgesteld. Dit besluit kan dus geen zodanige wetgevingshandeling vormen. Bijgevolg kan de Raad met de vaststelling van dat besluit artikel 40 VEU niet hebben geschonden.
93
Gelet op de voorgaande overwegingen is niet gebleken dat de bepaling van het voorwerp van de beperkende maatregelen bij besluit 2014/512 inbreuk maakt op de in artikel 215 VWEU vervatte procedure en op de uitoefening van de bevoegdheden die in dat artikel worden toegekend aan de hoge vertegenwoordiger en de Commissie. In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat bij de toetsing van besluit 2014/512 aan artikel 40 VEU niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van dat besluit kunnen aantasten.
Geldigheid van de beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen als vervat in besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014
— Opmerkingen vooraf
94
De Raad betoogt dat het Hof niet bevoegd is om de wettigheid van de bepalingen van besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 te toetsen omdat Rosneft met de door haar aangevoerde middelen in essentie wil opkomen tegen het principebesluit van de Unie om haar economische en financiële betrekkingen met Rusland gedeeltelijk te verbreken. Voorts bestrijden de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Estse, de Franse en de Poolse regering en de Commissie het betoog dat besluit 2014/512 beperkende maatregelen bevat jegens natuurlijke of rechtspersonen, aangezien huns inziens de daarin opgenomen maatregelen van toepassing zijn op objectief bepaalde situaties en een algemene categorie personen.
95
Onderzocht dient te worden of de bepalingen van besluit 2014/512 voorzien in beperkende maatregelen jegens natuurlijke en rechtspersonen in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU.
96
Wat in de eerste plaats de artikelen 4 en 4a van besluit 2014/512 betreft, dient te worden geconstateerd dat deze artikelen voorzien in een regeling waarbij de verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van bepaalde apparatuur die kan worden gebruikt voor specifieke categorieën projecten voor aardolie-exploratie en -productie in Rusland, afhankelijk is gesteld van een voorafgaande vergunningverlening, en dat daarin verder is voorzien in een verbod op de levering van geassocieerde diensten die noodzakelijk zijn voor dergelijke projecten.
97
Deze artikelen voorzien dus in maatregelen waarvan de werkingssfeer is bepaald onder verwijzing naar objectieve criteria, in het bijzonder onder verwijzing naar categorieën projecten voor aardolie-exploratie en -productie. Deze maatregelen richten zich evenwel niet tegen geïdentificeerde natuurlijke of rechtspersonen, maar zijn in algemene zin van toepassing op alle marktdeelnemers die actief zijn in de verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van apparatuur waarvoor de verplichting van een voorafgaande vergunning geldt, en op alle leveranciers van geassocieerde diensten.
98
Gelet hierop vormen de maatregelen bedoeld in de artikelen 4 en 4a van besluit 2014/512, zoals ook de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 85 van zijn conclusie, geen beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU, maar zijn dit maatregelen van algemene strekking.
99
Bijgevolg is het Hof niet bevoegd om de geldigheid van die bepalingen na te gaan.
100
Wat in de tweede plaats de beperkende maatregelen betreft die zijn vervat in de overige betrokken bepalingen van besluit 2014/512, te weten artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en artikel 7 van dat besluit en bijlage III daarbij, dient te worden geconstateerd dat het voorwerp van deze maatregelen is bepaald onder verwijzing naar specifieke entiteiten. Deze maatregelen behelzen immers onder meer een verbod op het verrichten van diverse soorten financiële transacties met in bijlage III bij dat besluit bedoelde entiteiten, waaronder Rosneft.
101
Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk betekent het feit dat slechts drie energiebedrijven onder de werkingssfeer van die maatregelen vallen, evenwel niet dat die maatregelen gericht zijn tegen specifieke natuurlijke of rechtspersonen in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU. Aan de omstandigheid dat de beperkingen berusten op objectieve criteria wordt met name geenszins afbreuk gedaan door het gegeven dat het aantal opgesomde entiteiten tamelijk gering is, hetgeen voortvloeit uit het feit dat de betrokken Russische energiemarkt een oligopolide sector is waarin een zeer klein aantal marktdeelnemers actief is. De in bijlage III bij besluit 2014/512 genoemde entiteiten zijn de entiteiten die voldoen aan de genoemde objectieve criteria, waarbij die lijst slechts declaratoir van aard is.
102
In dit verband dient te worden gewezen op de vaste rechtspraak van het Hof dat beperkende maatregelen tegelijk verwantschap vertonen met handelingen van algemene strekking — aangezien zij het een algemene en abstracte categorie van adressaten verbieden om financiële middelen ter beschikking te stellen van in de bijlagen daarbij genoemde entiteiten — en met individuele besluiten ten aanzien van die entiteiten (zie in die zin arresten van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C-402/05 P en C-415/05 P, EU:C:2008:461, punten 241–244, en van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad, C-478/11 P–C-482/11 P, EU:C:2013:258, punt 56).
103
Daarnaast moet eraan worden herinnerd dat bij de handelingen die op basis van de bepalingen inzake het GBVB worden vastgesteld, het de individuele aard van deze handelingen is die de weg naar de Unierechters overeenkomstig artikel 275, tweede alinea, VWEU vrijmaakt (zie in die zin arrest van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad, C-478/11 P–C-482/11 P, EU:C:2013:258, punt 57).
104
In het hoofdgeding heeft de Raad jegens Rosneft beperkende maatregelen vastgesteld door de in artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), van besluit 2014/512 bedoelde criteria, aan de hand waarvan Rosneft kan worden geïdentificeerd, te formuleren en door deze vennootschap in bijlage III bij dat besluit op te nemen. De omstandigheid dat dergelijke maatregelen zich ook individueel kunnen richten tegen andere entiteiten die in een derde land binnen een specifieke bedrijfstak actief zijn, laat onverlet dat uit de aard van die maatregelen, zoals deze is gememoreerd in de punten 102 en 103 van dit arrest, volgt dat ingeval de wettigheid daarvan in twijfel wordt getrokken, daarop overeenkomstig artikel 275, tweede alinea, VEU rechterlijk toezicht moet kunnen worden uitgeoefend.
105
Ten slotte dient het met name door de Raad ingenomen standpunt te worden verworpen dat het Hof niet bevoegd is om de wettigheid van de bepalingen van verordening nr. 833/2014 na te gaan omdat Rosneft met de door haar aangedragen middelen in essentie wil opkomen tegen de door de Raad in zijn besluit 2014/512 genomen principebeslissingen, die volledig behoren tot het terrein van het GBVB.
106
Dienaangaande dient te worden geoordeeld dat er op geen enkele wijze beperkingen zijn gesteld aan de bevoegdheid van het Hof ten aanzien van op basis van artikel 215 VWEU vastgestelde verordeningen waarmee gevolg wordt gegeven aan de door de Unie in het kader van het GBVB bepaalde standpunten, zoals de advocaat-generaal in punt 103 van zijn conclusie heeft opgemerkt. Dergelijke verordeningen vormen immers op basis van het VWEU vastgestelde handelingen van de Unie waarop de Unierechters overeenkomstig de hun bij de Verdragen verleende bevoegdheden in beginsel een volledig wettigheidstoezicht moeten uitoefenen (zie arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C-402/05 P en C-415/05 P, EU:C:2008:461, punt 326).
107
Gelet op een en ander is het Hof bevoegd om zich uit te spreken over de geldigheid van artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en artikel 7 van besluit 2014/512 en bijlage III daarbij. Het Hof is daarentegen niet bevoegd om te geldigheid van de artikelen 4 en 4a van dit besluit te beoordelen. Wat betreft verordening nr. 833/2014 is het Hof bevoegd om de wettigheid van alle door de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing genoemde bepalingen te toetsten. De geldigheid van de door de verwijzende rechter genoemde bepalingen dient binnen de aldus bepaalde grenzen van de bevoegdheid van het Hof te worden beoordeeld.
— Verenigbaarheid van de litigieuze handelingen met de partnerschapsovereenkomst EU-Rusland
108
Uit de verwijzingsbeslissing en de door Rosneft ingediende opmerkingen blijkt dat Rosneft van mening is dat een aantal op de aardoliesector, effecten en leningen betrekking hebbende bepalingen van de litigieuze handelingen, te weten artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, van besluit 2014/512 en bijlage III daarbij, en verder artikel 3, leden 1, 3 en 5, artikel 3a, lid 1, en artikel 5, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, van verordening nr. 833/2014 en bijlagen II en VI daarbij, in strijd zijn met de partnerschapsovereenkomst EU-Rusland.
109
Anders dan de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Raad en de Commissie hebben betoogd, kan wat dat betreft niet a priori worden uitgesloten dat een justitiabele bepalingen van deze overeenkomst bij de nationale rechter kan inroepen zonder dat daarvoor de vaststelling van nadere uitvoeringsmaatregelen vereist is (zie in die zin arrest van 12 april 2005, Simutenkov, C-265/03, EU:C:2005:213, punt 23), zoals ook de advocaat-generaal in punt 116 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
110
Die vraag kan in dit geval evenwel in het midden blijven nu het volstaat om vast te stellen dat, zelfs indien de beperkende maatregelen in het hoofdgeding niet in overeenstemming zouden zijn met een aantal bepalingen van die overeenkomst, artikel 99 van deze overeenkomst de vaststelling van die maatregelen toelaat.
111
Volgens artikel 99, punt 1, onder d), van de partnerschapsovereenkomst EU-Rusland belet immers niets in deze overeenkomst een partij om maatregelen te nemen die zij nodig acht voor de bescherming van haar vitale veiligheidsbelangen, onder meer in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden of om verplichtingen na te komen die zijn aangegaan voor de instandhouding van de vrede en de internationale veiligheid.
112
Volgens de bewoordingen van deze bepaling is voorts niet vereist dat het bij ‘oorlog’ of ‘internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden’ gaat om een gewapend conflict dat zich direct op het grondgebied van de Europese Unie voltrekt. Zo kunnen gebeurtenissen die zich voordoen in een buurland van de Unie, zoals de gebeurtenissen in Oekraïne die de aanleiding zijn voor de beperkende maatregelen in het hoofdgeding, een rechtvaardiging vormen voor maatregelen ter bescherming van de vitale veiligheidsbelangen van de Unie en ter handhaving van de vrede en de internationale veiligheid, een en ander overeenkomstig de volgens artikel 21, lid 1, eerste alinea, en lid 2, onder c), VEU voor haar externe optreden geldende doelstelling en onder eerbiediging van de beginselen en doelen van het Handvest van de Verenigde Naties.
113
Wat betreft de vraag of de vaststelling van de beperkende maatregelen in het hoofdgeding nodig was voor de bescherming van de vitale veiligheidsbelangen van de Unie en voor de handhaving van de vrede en de internationale veiligheid, dient eraan te worden herinnerd dat de Raad een ruime beoordelingsbevoegdheid geniet op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd, en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken (arrest van 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad, C-440/14 P, EU:C:2016:128, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114
Zoals de advocaat-generaal in punt 150 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de Raad er bij de vaststelling van de beperkende maatregelen in het hoofdgeding in de overwegingen van de litigieuze handelingen op gewezen dat de staatshoofden en regeringsleiders van de Unie de niet-uitgelokte schending van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne door de Russische Federatie hebben veroordeeld, dat de Raad er bij de Russische Federatie op heeft aangedrongen haar invloed op de illegale gewapende groepen actief aan te wenden teneinde onder meer de volledige, onmiddellijke, veilige en beveiligde toegang tot de plaats van de crash van vlucht MH17 van Malaysian Airlines in Donetsk (Oekraïne) te bewerkstelligen, en dat de Unie al maatregelen heeft genomen als antwoord op de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol (Oekraïne). Gelet hierop heeft de Raad in overweging 8 van besluit 2014/512 de conclusie getrokken dat de situatie ernstig bleef en dat het passend was beperkende maatregelen te nemen in antwoord op de acties van de Russische Federatie die de situatie in Oekraïne destabiliseren.
115
Overigens volgt uit deze toelichting — zoals in de tweede overweging van verordening nr. 833/2014 wordt benadrukt — dat de in de litigieuze handelingen vervatte beperkende maatregelen zijn vastgesteld met de bedoeling om een vreedzame oplossing van de crisis in Oekraïne te bevorderen. Deze doelstelling strookt met het doel om de vrede en internationale veiligheid te handhaven overeenkomstig de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie.
116
Gelet hierop en rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Raad op dit gebied beschikt, heeft de Raad kunnen oordelen dat de vaststelling van de beperkende maatregelen als aan de orde in het hoofdgeding noodzakelijk was ter bescherming van de vitale veiligheidsbelangen van de Unie en ter instandhouding van de vrede en de internationale veiligheid in de zin van artikel 99 van de partnerschapsovereenkomst EU-Rusland.
117
Derhalve moet worden geoordeeld dat bij de toetsing van de litigieuze handelingen aan deze overeenkomst niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid daarvan kunnen aantasten.
— Motiveringsplicht en eerbiediging van de rechten van de verdediging, het recht op effectieve rechterlijke bescherming en het recht op toegang tot het dossier
118
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de Raad volgens Rosneft de krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU op hem rustende plicht tot motivering van de litigieuze handelingen niet is nagekomen.
119
Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de beperkende maatregelen betreffende de aardoliesector zoals vervat in de artikelen 3 en 3a, en artikel 4, leden 3 en 4, van verordening nr. 833/2014 en bijlage II daarbij, handelingen van algemene strekking vormen, terwijl uit met name punt 100 van dit arrest blijkt dat de door de verwijzende rechter aangehaalde bepalingen ter zake van effecten en leningen, te weten artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, van besluit 2014/512 en bijlage III daarbij alsmede artikel 5, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, van verordening nr. 833/2014 en bijlage VI daarbij, zich richten tegen individuele entiteiten.
120
Er zij aan herinnerd dat de omvang van de motiveringsplicht volgens vaste rechtspraak afhangt van de aard van de betrokken handeling, en dat in het geval van handelingen die algemene toepassing moeten vinden, in de motivering kan worden volstaan met vermelding van het geheel der omstandigheden die tot de vaststelling van de handeling hebben geleid, en van haar algemene doelstellingen (arrest van 19 november 1998, Spanje/Raad, C-284/94, EU:C:1998:548, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
121
Bij beperkende maatregelen van individuele strekking vereist de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming onder meer dat de bevoegde autoriteit van de Unie aan de betrokkene de elementen meedeelt waarover zij tegen die persoon beschikt om haar besluit op te baseren (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C-584/10 P, C-593/10 P en C-595/10 P, EU:C:2013:518, punt 111).
122
Evengoed geldt dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering weliswaar de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen opdat de belanghebbende de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregelen kan kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen, maar dat die motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin zij is vastgesteld. Het is in dit verband niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen, en in het bijzonder op het belang dat de adressaten van de handeling bij een toelichting kunnen hebben. Bijgevolg is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd, wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (zie in die zin arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C-417/11 P, EU:C:2012:718, punten 50, 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
123
Vastgesteld moet worden dat in de overwegingen 1 tot en met 8 van besluit 2014/512 de relevante omstandigheden van de politieke context worden genoemd waarbinnen de betrokken beperkende maatregelen zijn vastgesteld. Verder volgt uit de tweede overweging van verordening nr. 833/2014 dat de aangegeven doelstelling van de litigieuze handelingen erin bestaat om de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en om een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. De litigieuze handelingen vermelden daarmee het geheel der omstandigheden die tot hun vaststelling hebben geleid alsmede hun algemene doelstellingen.
124
Evenzo dient te worden geoordeeld dat Rosneft — een grote speler binnen de aardoliesector in Rusland, waarvan de meerderheid van de aandelen ten tijde van de vaststelling van besluit 2014/512 in handen waren van de Russische Staat — redelijkerwijs niet onbekend kon zijn met de redenen waarom de Raad tegen haar gerichte maatregelen heeft vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in de punten 158 en 159 van zijn conclusie heeft benadrukt. In overeenstemming met de doelstelling om de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties tegen Oekraïne, voorziet artikel 1, lid 2, onder b), van besluit 2014/512 in beperkingen voor bepaalde door de Russische Staat gecontroleerde, binnen de aardoliesector actieve entiteiten, waarbij onder meer rekening is gehouden met hun totaalvermogen, dat is geraamd op meer dan 1 biljoen Russische roebel. De politieke context ten tijde van de vaststelling van die maatregelen en het belang van de aardoliesector voor de Russische economie zijn verder algemeen bekend, zodat de keuze van de Raad om tegen de spelers uit deze bedrijfstak beperkende maatregelen vast te stellen in het licht van de aangegeven doelstelling van die handelingen eenvoudig te begrijpen is.
125
De Raad heeft de litigieuze handelingen in dit geval dan ook voldoende gemotiveerd.
126
Verder heeft Rosneft bij de verwijzende rechter aangevoerd dat haar recht op toegang tot het dossier alsmede haar verdedigingsrechten en haar recht op effectieve rechterlijke bescherming zijn geschonden. In dit verband blijkt uit de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen dat Rosneft bij de Raad een verzoek om toegang tot documenten heeft ingediend en met name heeft verzocht om toegang tot het dossier teneinde zich te kunnen verdedigen in het kader van haar bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring van de beperkende maatregelen in het hoofdgeding. Volgens Rosneft diende de Raad haar toegang te verlenen tot alle officiële niet-vertrouwelijke documenten die betrekking hebben op die maatregelen, en wel met name op basis van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43), en uit hoofde van de rechtspraak zoals ontwikkeld in de punten 59 en 60 van het arrest van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian (C-280/12 P, EU:C:2013:775). Deze rechtspraak ziet op de eerbiediging van de rechten van de verdediging, waaronder het recht op toegang tot het dossier met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid, en van het recht op effectieve rechterlijke bescherming. De Raad heeft in reactie hierop gedeeltelijke toegang tot de gevraagde documenten verleend.
127
Hoewel Rosneft in dit verband weliswaar schending aanvoert van haar verdedigingsrechten en haar recht op effectieve rechterlijke bescherming alsmede een verdere schending van de motiveringsplicht, dient evenwel te worden geconstateerd dat het merendeel van haar argumenten er uitsluitend toe strekt de geldigheid in twijfel te trekken van de besluiten waarbij de Raad op basis van verordening nr. 1049/2001 heeft geweigerd haar volledige toegang te verlenen tot alle gevraagde documenten.
128
Deze op grond van verordening nr. 1049/2001 vastgestelde besluiten van de Raad waren in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU gericht tot Rosneft. Aangezien evident is dat een door haar ingesteld beroep tot nietigverklaring van die besluiten op grond van dit artikel ontvankelijk zou zijn geweest, kan zij zich in het kader van een prejudiciële procedure niet beroepen op de ongeldigheid van genoemde besluiten (zie in die zin arresten van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf, C-188/92, EU:C:1994:90, punten 23–25; van 15 februari 2001, Nachi Europe, C-239/99, EU:C:2001:101, punten 36 en 37, en van 29 juni 2010, E en F, C-550/09, EU:C:2010:382, punt 46).
129
Ten slotte wijst Rosneft er nog op dat de Raad zich bij de beoordeling van haar verzoeken om toegang tot het dossier niet had mogen baseren op verordening nr. 1049/2001, maar zij licht in het geheel niet toe hoe deze fout de geldigheid van de bepalingen van de litigieuze handelingen kan aantasten.
130
Gelet op een en ander is bij de toetsing van de litigieuze handelingen aan de motiveringsplicht, de rechten van de verdediging, waaronder het recht op toegang tot het dossier, en het recht op effectieve rechterlijke bescherming, niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van die handelingen kunnen aantasten.
— Beginsel van gelijke behandeling
131
Rosneft heeft bij de verwijzende rechter en in haar bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen betoogd dat de Raad het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door zich met de artikelen 3 en 3a, en artikel 4, leden 3 en 4, van verordening nr. 833/2014 en bijlage II daarbij te richten tegen ondernemingen die actief zijn op bepaalde gebieden van de aardoliesector, en niet tegen ondernemingen die actief zijn in andere sectoren, zonder dat de aangegeven doelstelling van die beperkende maatregelen dit verschil in behandeling kan verklaren of rechtvaardigen.
132
Zoals blijkt uit punt 88 van dit arrest, beschikt de Raad bij de bepaling van het voorwerp van beperkende maatregelen over een ruime beoordelingsmarge, in het bijzonder wanneer die maatregelen op grond van artikel 215, lid 1, VWEU voorzien in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen. In dit verband dient er, wat betreft de tegen de aardoliesector gerichte beperkende maatregelen in het hoofdgeding, met de regering van het Verenigd Koninkrijk op te worden gewezen dat het de Raad onder meer is toegestaan om, indien hij dit passend acht, beperkingen op te leggen die gericht zijn tegen ondernemingen die actief zijn binnen specifieke sectoren van de Russische economie waarin uit de Unie afkomstige producten, technologieën of diensten een bijzonder belangrijke plaats innemen. De keuze om de maatregelen te richten tegen ondernemingen of sectoren die afhankelijk zijn van geavanceerde technologieën of expertise die hoofdzakelijk binnen de Unie beschikbaar zijn, strookt immers met de doelstelling om ervoor te zorgen dat de beperkende maatregelen in het hoofdgeding doeltreffend zijn en om te voorkomen dat de werking van die maatregelen teniet wordt gedaan doordat uit derde landen afkomstige gelijkwaardige technologieën of diensten naar Rusland worden ingevoerd.
133
Gelet hierop moet worden geoordeeld dat bij de toetsing van de litigieuze handelingen aan het beginsel van gelijke behandeling niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van die handelingen kunnen aantasten.
— Misbruik van bevoegdheid
134
Rosneft heeft bij de verwijzende rechter en in deze procedure betoogd dat de Raad met de vaststelling van de beperkende maatregelen in het hoofdgeding misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt waar hij in overweging 2 van verordening nr. 833/2014 heeft beweerd dat deze maatregelen zijn vastgesteld met het doel om ‘Rusland een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en […] een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen’, terwijl de werkelijke doelstelling van die maatregelen erin bestaat om langetermijnschade toe te brengen aan de energiesector van de Russische Federatie en zodoende het potentiële gevaar te verminderen dat van haar kan uitgaan voor de landen die voor hun energievoorziening van haar afhankelijk zijn.
135
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een handeling slechts gebrekkig wegens misbruik van bevoegdheid indien zij, op basis van objectieve, relevante en onderling overeenstemmende gegevens uitsluitend of ten minste in overwegende mate,blijkt te zijn vastgesteld voor andere doeleinden dan waarvoor de betrokken bevoegdheid is verleend of om te ontkomen aan een procedure waarin de Verdragen speciaal hebben voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden (arrest van 16 april 2013, Spanje en Italië/Raad, C-274/11 en C-295/11, EU:C:2013:240, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
136
Geconstateerd dient te worden dat Rosneft — afgezien van het feit dat zij in haar schriftelijke opmerkingen verwijst naar een werkdocument van de Commissie, dat om de door de advocaat-generaal in de punten 180 tot en met 182 van zijn conclusie genoemde redenen hier niet ter zake doet — in dit geval geen enkele onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat de beperkende maatregelen in het hoofdgeding zijn vastgesteld met een ander doel dan vermeld in de litigieuze handelingen, laat staan dat zij dienaangaande objectieve, relevante en onderling overeenstemmende gegevens heeft aangedragen.
137
Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag naar het beweerdelijk door de Raad begane misbruik van bevoegdheid niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de litigieuze handelingen kunnen aantasten.
— Bestaan van een tegenstrijdigheid tussen de bewoordingen van besluit 2014/512 en die van verordening nr. 833/2014
138
In het hoofdgeding heeft Rosneft aangevoerd dat de bewoordingen van artikel 4, lid 4, van besluit 2014/512 en artikel 3, lid 5, van verordening nr. 833/2014 een tegenstrijdigheid bevatten. Terwijl de eerste bepaling de lidstaten geen beoordelingsruimte laat ten aanzien van het verbod op weigering van vergunningen voor de verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van de in bijlage II bij verordening nr. 833/2014 opgenomen producten waar het gaat om vóór 1 augustus 2014 gesloten contracten, is het hun op grond van de tweede bepaling toegestaan om voor de uitvoering van een verplichting uit hoofde van dergelijke contracten een vergunning te verlenen, en dus ook om deze te weigeren.
139
Zoals Rosneft in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, is artikel 4, lid 4, van besluit 2014/512 anders geformuleerd dan artikel 3, lid 5, tweede alinea, van verordening nr. 833/2014. Volgens artikel 4, lid 4, van besluit 2014/512 laat het verbod voor de bevoegde autoriteiten om een vergunning te verlenen voor de verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van bepaalde apparatuur die kan worden gebruikt voor bepaalde categorieën projecten voor aardolie-exploratie en -productie ‘de uitvoering van vóór 1 augustus 2014 gesloten contracten of aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering daarvan, onverlet’.
140
De bewoordingen van artikel 3, lid 5, van verordening nr. 833/2014 zijn weliswaar niet zo stellig als die van besluit 2014/512, maar deze omstandigheid kan desondanks niet leiden tot ongeldigheid van artikel 3, lid 5, van verordening nr. 833/2014.
141
Gegeven het feit dat met verordening nr. 833/2014 is beoogd om overeenkomstig artikel 215 VWEU de nodige maatregelen vast te stellen om gevolg te geven aan besluit 2014/512, dienen de termen van die verordening zoveel mogelijk te worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van dat besluit. In dit geval blijkt niet dat er tussen de bewoordingen van deze beide Unierechtelijke instrumenten een zodanig verschil bestaat dat zij niet op uniforme wijze kunnen worden uitgelegd. De in artikel 3, lid 5, tweede alinea, van die verordening gebruikte formulering dat de bevoegde autoriteiten een vergunning ‘kunnen’ verlenen, moet dus zo worden opgevat dat die autoriteiten er daarbij voor moeten zorgen dat de toepassing van artikel 3, lid 5, eerste alinea, van die verordening de uitvoering van vóór 1 augustus 2014 gesloten contracten onverlet laat.
142
Daaruit volgt dat het verschil in formulering tussen artikel 4, lid 4, van besluit 2014/512 en artikel 3, lid 5, van verordening nr. 833/2014 de geldigheid van laatstgenoemde bepaling niet kan aantasten.
— Evenredigheidsbeginsel en grondrechten van Rosneft
143
Volgens de verwijzingsbeslissing heeft Rosneft betoogd dat artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en artikel 7 van besluit 2014/512 en bijlage III daarbij alsmede de artikelen 3 en 3a, artikel 4, leden 3 en 4, artikel 5, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en artikel 11 van verordening nr. 833/2014 en bijlagen II en VI daarbij ongeldig zijn op grond dat de daarin vervatte beperkende maatregelen onevenredig zijn in verhouding tot het aangegeven doel en een onevenredige inmenging vormt in haar vrijheid van ondernemerschap en haar recht op eigendom zoals neergelegd in onderscheidenlijk artikel 16 en artikel 17 van het Handvest.
144
Onder verwijzing naar de arresten van 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad (T-390/08, EU:T:2009:401) en van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C-348/12 P, EU:C:2013:776), is Rosneft van mening dat de beperkende maatregelen in het hoofdgeding noch noodzakelijk noch geschikt zijn, aangezien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de gebruikte middelen en het met die maatregelen nagestreefde doel. Om die reden vormen zij een onevenredige inmenging in de vrijheid van ondernemerschap van Rosneft.
145
Rosneft stelt verder dat artikel 7, lid 1, van besluit 2014/512 en artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, het mogelijk maken dat er beslag wordt gelegd op haar tegoeden of deze verbeurd worden verklaard, en dat er inbreuk wordt gemaakt op haar verworven contractuele rechten, namelijk haar eigendomsrechten. Deze bepalingen gaan verder dan nodig is omdat zij in wezen niet-Russische contractspartijen kunnen bevrijden van elke contractuele verplichting die zij met de door die bepalingen aangewezen entiteiten zijn aangegaan, zelfs wanneer sprake is van een verplichting tot levering van een hele reeks uitrustingen waarvan slechts een klein deel de in bijlage II bij die verordening bedoelde technologieën betreft.
146
Voor zover Rosneft de evenredigheid betwist van de algemene regels op grond waarvan is besloten haar in de bijlagen bij de litigieuze handelingen op te nemen, dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof met betrekking tot het rechterlijk toezicht op de naleving van het evenredigheidsbeginsel heeft geoordeeld dat de Uniewetgever over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken. Daaruit heeft het afgeleid dat een op deze gebieden vastgestelde maatregel slechts onrechtmatig is wanneer hij kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C-348/12 P, EU:C:2013:776, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
147
Anders dan Rosneft stelt, bestaat er een redelijke verhouding tussen de inhoud van de litigieuze handelingen en het daarmee nagestreefde doel. Aangezien dit doel er onder meer in bestaat om de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor haar acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, is de aanpak om de maatregelen te richten tegen een grote speler binnen de aardoliesector, waarvan de meerderheid van de aandelen ook nog in handen is van de Russische Staat, immers een logische manier om dit doel te verwezenlijken, en kan deze in ieder geval niet worden aangemerkt als kennelijk ongeschikt voor het nagestreefde doel.
148
Voorts hebben de door Rosneft ingeroepen grondrechten, te weten de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom, geen absolute gelding en kan de uitoefening ervan aan beperkingen worden onderworpen die hun rechtvaardiging vinden in door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang, mits deze beperkingen werkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang en gelet op het nagestreefde doel niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (zie in die zin arrest van 14 mei 1974, Nold/Commissie, 4/73, EU:C:1974:51, punt 14; van 30 juli 1996, Bosphorus, C-84/95, EU:C:1996:312, punt 21, en van 16 november 2011, Bank Melli Iran/Raad, C-548/09 P, EU:C:2011:735, punten 113 en 114).
149
In dit verband dient te worden geconstateerd — zoals het Hof ook heeft overwogen in het kader van de uitvoering van het embargo tegen de Federatieve Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro) — dat beperkende maatregelen per definitie gevolgen hebben die het recht van eigendom en het recht van vrije beroepsuitoefening aantasten, waardoor schade wordt berokkend aan partijen die op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de situatie naar aanleiding waarvan de sancties zijn ingesteld (zie in die zin arrest van 30 juli 1996, Bosphorus, C-84/95, EU:C:1996:312, punt 22). Dit geldt temeer voor de entiteiten die worden geraakt door tegen hen gerichte beperkende maatregelen.
150
Wat het hoofdgeding betreft dient te worden opgemerkt dat het belang van de met de litigieuze handelingen nagestreefde doelstellingen — te weten de bescherming van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne en de bevordering van een vreedzame oplossing van de crisis in dit land —, die onderdeel zijn van de ruimere doelstelling om overeenkomstig de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie de vrede en internationale veiligheid in stand te houden, zoals volgt uit hetgeen is opgemerkt in de punten 113 tot en met 115 van dit arrest, zelfs aanzienlijke negatieve economische gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers kan rechtvaardigen. In deze omstandigheden en rekening houdend met onder meer de geleidelijke intensivering van de door de Raad in reactie op de crisis in Oekraïne vastgestelde beperkende maatregelen, kan de inmenging in de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom van Rosneft niet als onevenredig worden beschouwd.
151
Gelet op het voorgaande dient te worden geconstateerd dat bij de beoordeling van de tweede vraag, onder a), niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en artikel 7 van besluit 2014/512 en bijlage III daarbij, of van de artikelen 3 en 3a, artikel 4, leden 3 en 4, artikel 5, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en artikel 11 van verordening nr. 833/2014 en bijlagen II en VI daarbij.
Vraag 2, onder b)
152
Met zijn tweede vraag, onder b), vraagt de verwijzende rechter in essentie of het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel dat de wet nauwkeurig moet zijn geformuleerd (nulla poena sine lege certa of lex certa-beginsel), aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een lidstaat overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening nr. 833/2014 strafrechtelijke sancties stelt op overtreding van de bepalingen van die verordening voordat de draagwijdte van die bepalingen, en derhalve van de daarop betrekking hebbende strafrechtelijke sancties, door het Hof is verduidelijkt.
Ontvankelijkheid
153
De regering van het Verenigd Koninkrijk en de Raad betogen dat deze prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is. De regering van het Verenigd Koninkrijk is van opvatting dat de vraag hypothetisch is aangezien Rosneft geen exporteur of leverancier van diensten binnen de Unie is waarvan de gedragingen onder de beperkingen van verordening nr. 833/2014 vallen, zodat Rosneft geen strafrechtelijke sancties uit hoofde van de nationale wetgeving in het hoofdgeding riskeert. De Raad is daarbij van mening dat deze vraag in feite ziet op de geldigheid van die wetgeving.
154
In dit verband dient erop te worden gewezen dat de prejudiciële vraag, aangezien die ziet op de toe te passen sancties in geval van overtreding van de bepalingen van verordening nr. 833/2014, en op het rechtszekerheids- en het lex certa-beginsel, kennelijk geen betrekking heeft op de geldigheid van de door de regering van het Verenigd Koninkrijk vastgestelde nationale maatregelen, maar op de door deze beginselen gestelde grenzen die de lidstaten bij de uitvoering van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 833/2014 in acht moeten nemen.
155
Naast de in punt 50 van dit arrest genoemde ontvankelijkheidsvoorwaarden voor prejudiciële vragen dient erop te worden gewezen dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid ervan te onderzoeken (arrest van 29 januari 2013, Radu, C-396/11, EU:C:2013:39, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
156
Wat betreft de beweerde hypothetische aard van deze vraag zij opgemerkt dat Rosneft op de terechtzitting bij het Hof heeft gesteld dat zij in geval van schending van beperkende maatregelen strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor medeplichtigheid. De overige betrokken partijen hebben deze stelling niet weersproken. Verder geldt dat, zelfs onder de aanname dat Rosneft in geval van schending van de bepalingen van verordening nr. 833/2014 niet kan worden getroffen door de in de nationale wetgeving in het hoofdgeding vervatte strafrechtelijke sancties, deze omstandigheid de vraag niet noodzakelijkerwijs hypothetisch maakt, aangezien uit de verwijzingsbeslissing niet blijkt dat Rosneft niet het recht heeft om de door de regering van het Verenigd Koninkrijk op basis van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 833/2014 vastgestelde maatregelen aan te vechten, zoals de advocaat-generaal in punt 211 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
157
In deze omstandigheden is de onderhavige vraag ontvankelijk, gegeven het feit dat zij betrekking heeft op de uitvoeringsvoorwaarden van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 833/2014 en zij niet hypothetisch van aard is.
Ten gronde
158
Uit de verwijzingsbeslissing en de schriftelijke opmerkingen van Rosneft blijkt dat zij van mening is dat justitiabelen door de onduidelijkheid en onnauwkeurigheid van een aantal bepalingen van verordening nr. 833/2014 niet in staat zijn om ondubbelzinnig hun rechten en plichten te kennen. Gelet hierop heeft de Raad het rechtszekerheidsbeginsel en het lex certa-beginsel geschonden door in artikel 8 van die verordening te bepalen dat de lidstaten sancties, waaronder strafrechtelijke, moeten vaststellen om te garanderen dat de beperkende maatregelen in het hoofdgeding worden toegepast.
159
Ten eerste bestaat er bij de uitdrukking ‘water van meer dan 150 meter diep’ in de zin van artikel 3, lid 3, onder a), en artikel 3a, lid 1, onder a), van verordening nr. 833/2014 onduidelijkheid over de vraag vanaf welk punt de diepte van 150 meter moet worden gemeten. Ten tweede bestaat er bij het begrip ‘schalie’ in de zin van artikel 3, lid 3, onder c), en artikel 3a, lid 1, onder c), van die verordening geen overeenstemming, zelfs niet binnen de geologische wereld, over de reikwijdte daarvan. Ten derde is de uitdrukking ‘financiële bijstand’ als bedoeld in artikel 4, lid 3, onder b), van die verordening niet duidelijk, en ten vierde kan aan de hand van de uitdrukking ‘effecten’ als bedoeld in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 833/2014 niet met zekerheid worden bepaald of het in deze bepaling vervatte verbod ook ziet op GDR die zijn uitgegeven op of na 12 september 2014, maar die betrekking hebben op aandelen die vóór die datum zijn uitgegeven.
160
In ieder geval betoogt Rosneft dat een lidstaat geen strafrechtelijke sancties kan opleggen wegens schending van verordening nr. 833/2014 voordat het Hof zich heeft uitgesproken over de uitleggingen van de bepalingen daarvan.
161
Wat in de eerste plaats het algemene rechtszekerheidsbeginsel betreft, dient eraan te worden herinnerd dat dit fundamentele beginsel van het Unierecht onder meer verlangt dat een regeling duidelijk en nauwkeurig omschreven is, opdat de justitiabelen ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (arrest van 10 januari 2006, IATA en ELFAA, C-344/04, EU:C:2006:10, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
162
Wat in de tweede plaats het door de verwijzende rechter genoemde lex certa-beginsel betreft, dient te worden geconstateerd dat dit beginsel, dat is verankerd in artikel 49 van het Handvest, ‘Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen’, en dat volgens de rechtspraak van het Hof een bijzondere uitdrukking van het algemene rechtszekerheidsbeginsel is (zie arrest van 3 juni 2008, Intertanko e.a., C-308/06, EU:C:2008:312, punt 70), onder meer impliceert dat de wet een duidelijke omschrijving geeft van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de door de rechterlijke instanties daaraan gegeven uitlegging, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld (arrest van 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld, C-303/05, EU:C:2007:261, punt 50).
163
Vastgesteld dient te worden dat de in punt 159 van dit arrest bedoelde uitdrukkingen die in dit geval volgens Rosneft onnauwkeurig zijn, algemeen van aard zijn. Evenwel wordt het begrip ‘effecten’ gedefinieerd in artikel 1, onder f), van verordening nr. 833/2014, terwijl het begrip ‘financiële bijstand’ wordt verduidelijkt in artikel 4, lid 3, onder b), van die verordening.
164
Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EHRM’) betreffende artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, waarin rechten zijn vastgelegd die overeenkomen met de door artikel 49 van het Handvest gewaarborgde rechten (arrest van 8 september 2015, Taricco e.a., C-105/14, EU:C:2015:555, punt 57), kunnen wetgevingshandelingen vanwege de noodzakelijke algemeenheid ervan niet met absolute nauwkeurigheid worden geredigeerd. Dat betekent onder meer dat het gebruik van de wetgevingstechniek om algemene categorieën in plaats van uitputtende opsommingen te benutten, er weliswaar vaak toe leidt dat er grijze gebieden zijn aan de grenzen van de definitie, maar dat deze twijfels bij grensgevallen op zichzelf onvoldoende zijn om een bepaling onverenigbaar te maken met artikel 7 van dat verdrag, zolang die bepaling in de overgrote meerderheid van de gevallen voldoende duidelijk is (zie in die zin onder meer EHRM, 15 november 1996, Cantoni tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1996:1115JUD001786291, §§ 31 en 32).
165
Aangezien deze overwegingen op grond van artikel 52, lid 3, van het Handvest ook gelden voor artikel 49 daarvan, dient te worden geoordeeld dat de keuze van de Uniewetgever om in de door Rosneft bedoelde bepalingen gebruik te maken van uitdrukkingen of termen als ‘financiële bijstand’, ‘water van meer dan 150 meter diep’, ‘schalie’ of ‘effecten’, op zichzelf geen schending van het lex certa-beginsel vormt.
166
Dit oordeel vindt steun in het feit dat de voorzienbaarheid van de wet niet uitsluit dat de betrokkene deskundig advies moet inwinnen om in een mate die in de gegeven omstandigheden redelijk is, de mogelijke gevolgen van een bepaalde handeling te kunnen beoordelen (zie EHRM, 18 maart 2014, Öcalan tegen Turkije, ECLI:CE:ECHR:2014:0318JUD002406903, § 174 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit geval dient te worden geoordeeld dat de termen die volgens Rosneft onnauwkeurig zijn, weliswaar niet gekenmerkt worden door absolute nauwkeurigheid, maar niet zodanig zijn dat de justitiabele daaruit niet kan afleiden voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld.
167
Verder blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het lex certa-beginsel niet aldus kan worden uitgelegd dat zij de geleidelijke verfijning van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid langs de weg van rechterlijke uitlegging verbiedt, zolang die uitlegging redelijkerwijs kan worden voorzien (zie in die zin arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P–C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punten 217 en 218).
168
Anders dan Rosneft stelt, belet het feit dat de in verordening nr. 833/2014 gebruikte termen in een later stadium geleidelijk door het Hof kunnen worden verduidelijkt, niet dat een lidstaat op grond van artikel 8, lid 1, van die verordening sancties vaststelt om ervoor te zorgen dat die verordening doeltreffend wordt uitgevoerd.
169
Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat de in punt 159 van dit arrest bedoelde termen van verordening nr. 833/2014 er niet aan in de weg staan dat een lidstaat overeenkomstig artikel 8, lid 1, van die verordening strafrechtelijke sancties stelt op overtreding van de bepalingen van verordening nr. 833/2014.
170
Gelet op een en ander dient op de tweede vraag, onder b), te worden geantwoord dat het rechtszekerheidsbeginsel en het lex certa-beginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een lidstaat overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening nr. 833/2014 strafrechtelijke sancties stelt op overtreding van de bepalingen van die verordening voordat de draagwijdte van die bepalingen, en derhalve van de daarop betrekking hebbende strafrechtelijke sancties, door het Hof is verduidelijkt.
Derde vraag, onder a)
171
Met zijn derde vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter te vernemen of de uitdrukking ‘financiële steun’ in artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014, aldus moet worden uitgelegd dat daaronder mede de verwerking van betalingen door een bank of andere financiële instelling valt.
172
Rosneft en de Duitse regering zijn van mening dat met deze termen in verordening nr. 833/2014 niet wordt gedoeld op handelingen die er eenvoudigweg toe strekken betalingen te verwerken, maar op financieringshandelingen die actieve en materiële steun opleveren. In dit verband stelt de Duitse regering onder meer dat betalingsdiensten diensten zijn waarbij betalingen worden uitgevoerd voor derden als opdrachtgevers, zoals blijkt uit de definitie in artikel 4, punt 3, van richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1), gelezen in samenhang met de bijlage bij deze richtlijn. Daarentegen zijn de diensten waarvan de levering is onderworpen aan een vergunning op grond van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 833/2014, zoals de verstrekking van subsidies, leningen en exportkredietverzekering, diensten waarbij de betrokken bank haar eigen middelen ten behoeve van een derde inzet.
173
De Duitse regering is verder van mening dat financiële instellingen uit hoofde van met name verordening (EG) nr. 1781/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (PB 2006, L 345, blz. 1), niet over voldoende informatie beschikken om te beoordelen of een betaling al dan niet een met verordening nr. 833/2014 strijdig doel dient.
174
Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Estse regering en de Commissie omvat de uitdrukking ‘financiële bijstand’ wel degelijk ook door een bank of andere financiële instelling verleende betalingsdiensten, en zijn deze diensten verboden wanneer zij verband houden met een op grond van verordening nr. 833/2014 verboden commerciële transactie. Onder verwijzing naar de oriënterende nota van de Commissie van 16 december 2014 over de tenuitvoerlegging van een aantal bepalingen van verordening (EU) nr. 833/2014 [C(2014) 9950 final] zijn deze partijen van opvatting dat die uitdrukking ruim moet worden uitgelegd.
175
De Franse regering is van mening dat het begrip ‘financiële bijstand’ dient te worden beperkt tot transacties waarbij door een financiële instelling aanvullende middelen ter beschikking worden gesteld. Onder dit begrip kan echter mede de verwerking van betalingen vallen wanneer deze verband houden met een op grond van verordening nr. 833/2014 verboden commerciële transactie, mits daarbij door de financiële instelling aanvullende middelen worden overdragen aan de ontvangers daarvan.
176
Opgemerkt dient te worden dat de eis van een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit volgens de beperkende maatregelen ingevolge artikel 3 en artikel 4, lid 3, van verordening nr. 833/2014 niet alleen geldt voor alle uitvoer naar Rusland van producten die bestemd zijn voor de aardolie-industrie, zoals genoemd in bijlage II bij die verordening, maar ook voor diensten die verband houden met de betrokken producten, met inbegrip van onder meer de financiering van of financiële bijstand voor de uitvoer van dergelijke producten. De beperkingen voor dergelijke hiermee verband houdende diensten richten zich dus onder meer tot financiële instellingen die aan exporteurs van die producten financiële bijstand kunnen verlenen, met inbegrip van subsidies, leningen en exportkredietverzekeringen.
177
Gelet op het voorwerp van de beperkende maatregelen in het hoofdgeding moet er derhalve van worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag, onder a), in essentie wenst te vernemen of artikel 4, lid 3, van verordening nr. 833/2014 aldus moet worden opgevat dat de verwijzing in dat artikel naar ‘financiële bijstand’ ertoe strekt om met name financiële instellingen een vergunningsplicht op te leggen voor elke betalingsverwerking die verband houdt met een transactie waarbij producten als vermeld in bijlage II bij die verordening worden verkocht, geleverd, overgedragen of uitgevoerd naar Rusland, in het bijzonder wanneer die instellingen constateren dat de betaling waarvan om verwerking wordt verzocht, in verband staat met een dergelijke transactie.
178
In dit verband dient te worden opgemerkt dat geen van de taalversies van artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014 uitdrukkelijk melding maakt van ‘betalingsverwerking’. In die omstandigheden moet worden gekeken naar de algemene opzet en de doelstelling van deze verordening.
179
Een contextuele uitlegging van artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014 lijkt erop te wijzen dat de Uniewetgever met het gebruik van de uitdrukking ‘financiële bijstand’ het oog heeft gehad op handelingen die vergelijkbaar zijn met subsidies, leningen of exportkredietverzekeringen, zoals onder meer de Duitse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd. Terwijl bij deze handelingen een beroep moet worden gedaan op de eigen middelen van de betrokken financiële instelling, worden betalingsdiensten door deze instelling daarentegen in de hoedanigheid van tussenpersoon geleverd, waarbij gelden van een derde partij als opdrachtgever worden doorgegeven aan een concrete ontvanger, zonder dat daarmee de eigen gelden van die instelling zijn gemoeid.
180
In deze omstandigheden kan artikel 4, lid 3, van verordening nr. 833/2014 niet aldus worden uitgelegd dat financiële instellingen op grond hiervan verplicht zijn om een aanvullende vergunning te verkrijgen voor elke betalingsverwerking die verband houdt met een transactie waarbij producten als vermeld in bijlage II bij die verordening worden verkocht, geleverd, overgedragen of uitgevoerd naar Rusland, naast de vergunning die voor die transactie is vereist op grond van artikel 3 van verordening nr. 833/2014, wanneer deze instellingen constateren dat de betaling waarvan om verwerking wordt verzocht, de volledige of gedeeltelijke tegenprestatie in het kader van een dergelijke transactie vormt.
181
Gelet op het feit dat artikel 4, lid 3, onder b), van die verordening er niet toe strekt tegoeden te bevriezen of beperkingen te stellen aan geldovermakingen, dient immers te worden geoordeeld dat indien de Uniewetgever de wens had gehad om voor elke betalingsverwerking die verband houdt met de producten bedoeld in bijlage II bij verordening nr. 833/2014, de verplichting in het leven te roepen om een aanvullende vergunning aan te vragen naast de vergunning die op grond van artikel 3 van verordening nr. 833/2014 is vereist voor een transactie als bedoeld in het vorige punt van dit arrest, hij dan voor de invoering en afbakening van die verplichting andere bewoordingen had gebruikt dan ‘financiële bijstand’.
182
Ten slotte moet worden vastgesteld dat waar de doelstelling van verordening nr. 833/2014 er onder meer in bestaat om de Russische Federatie voor haar acties met betrekking tot Oekraïne een hogere prijs te laten betalen, deze doelstelling met artikel 4, lid 3, onder b), van die verordening op een logische manier wordt nagestreefd door het stellen van beperkingen aan de financiële bijstand voor de uitvoer naar Rusland van producten die bestemd zijn voor de aardolie-industrie, zonder daarbij een voorafgaande vergunning verplicht te stellen voor de verwerking van betalingen als zodanig.
183
De hierboven gegeven uitlegging laat het verbod van betalingsverwerkingen in verband met een commerciële transactie die op grond van artikel 3, lid 5, van verordening nr. 833/2014 zelf verboden is, onverlet.
184
Gelet op het voorgaande dient op de derde vraag, onder a), te worden geantwoord dat de uitdrukking ‘financiële steun’ in artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014, aldus moet worden uitgelegd dat daaronder niet mede de verwerking van betalingen door een bank of andere financiële instelling als zodanig valt.
Derde vraag, onder b)
185
Met zijn derde vraag, onder b), wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5, lid 2, van verordening nr. 833/2014 aldus moet worden uitgelegd dat het op grond hiervan vanaf 12 september 2014 verboden is om GDR uit te geven in het kader van een bewaarnemingsovereenkomst met een van de entiteiten die zijn genoemd in bijlage VI bij die verordening, wanneer deze GDR betrekking hebben op aandelen die vóór 12 september 2014 door een van die entiteiten zijn uitgegeven.
186
Rosneft meent dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Volgens Rosneft zou de uitlegging waarbij aandeelhouders van de entiteiten waartegen de beperkende maatregelen in het hoofdgeding gericht zijn, hun aandelen niet zouden kunnen samenbrengen in GDR, in tegenspraak zijn met de doelstelling van verordening nr. 833/2014, die erin bestaat om druk uit te oefenen op de Russische Federatie door het vermogen van de beoogde entiteiten om kapitaal aan te trekken, te beperken. Deze maatregel treft immers met name de aandeelhouders van die entiteiten.
187
Uit artikel 5, lid 2, onder b), van verordening nr. 833/2014 volgt onder meer dat de aankoop, de verkoop, de verlening van investeringsdiensten en bijstand voor de handel in bepaalde overdraagbare effecten die zijn uitgegeven na 12 september 2014, alsmede elke transactie met betrekking tot die effecten, door de in bijlage VI bij die verordening genoemde entiteiten, waaronder Rosneft, verboden zijn. In dit verband dient te worden geconstateerd dat de uitdrukking ‘effecten’ volgens de definitie in artikel 1, onder f), van verordening nr. 833/2014 mede ziet op aandelencertificaten.
188
Wat betreft het argument van Rosneft dat dit verbod in strijd zou zijn met de doelstelling van die verordening aangezien door dat verbod aandeelhouders van de in bijlage VI bij die verordening genoemde entiteiten worden benadeeld, dient met de FCA te worden opgemerkt dat beperkende maatregelen die zich richten tegen een vennootschap naar hun aard negatieve gevolgen kunnen hebben voor de belangen van haar aandeelhouders. Aangezien de doelstelling van de genoemde beperkende maatregelen in dit geval juist is om de Russische Federatie, de meerderheidsaandeelhouder van Rosneft, een hogere prijs te laten betalen voor haar acties, ontbeert dit argument elke grondslag.
189
Overigens is evident dat het op grond van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 833/2014 vanaf 12 september 2014 verboden is om GDR uit te geven voor aandelen van de in bijlage VI bij die verordening genoemde entiteiten, ongeacht de datum van de uitgifte van die aandelen.
190
Gelet hierop dient op de derde vraag, onder b), te worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 833/2014 aldus moet worden uitgelegd dat het op grond hiervan vanaf 12 september 2014 verboden is om GDR uit te geven in het kader van een bewaarnemingsovereenkomst met een van de entiteiten die zijn genoemd in bijlage VI bij die verordening, ook wanneer deze GDR betrekking hebben op aandelen die vóór die datum door een van die entiteiten zijn uitgegeven.
Derde vraag, onder c)
191
Met zijn derde vraag, onder c), verzoekt de verwijzende rechter het Hof om, zo het dit nodig acht, de begrippen ‘water van meer dan 150 meter diep’ en ‘schalie’ in de artikelen 3 en 3a van verordening nr. 833/2014 uit te leggen.
192
Bij lezing van de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze vraag aan het Hof is voorgelegd in aanvulling op de tweede vraag, onder b), waarmee de verwijzende rechter wenst te vernemen of verordening nr. 833/2014 ongeldig is vanwege haar beweerde onduidelijkheid. De verwijzende rechter beperkt zich in dit verband tot de toelichting dat het Hof de mogelijkheid heeft om, zo het dit opportuun acht, deze begrippen voor de justitiabelen nauwkeuriger te definiëren.
193
Deze rechter licht echter niet nader toe in welk opzicht het voor de beslechting van het bij hem aanhangige geschil nodig is dat het Hof deze begrippen nauwkeuriger definieert.
194
In dit verband rust op prejudiciële vragen betreffende het Unierecht weliswaar een vermoeden van relevantie (arrest van 28 juli 2011, Lidl & Companhia, C-106/10, EU:C:2011:526, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar benadrukt dient te worden dat de reden voor de prejudiciële verwijzing volgens vaste rechtspraak niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken is, maar de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil (arrest van 20 januari 2005, García Blanco, C-225/02, EU:C:2005:34, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
195
In dit geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet duidelijk waarin deze vraag zich met name van de tweede vraag, onder b), onderscheidt, waarmee de verwijzende rechter wenst te vernemen of verordening nr. 833/2014 ongeldig is vanwege haar beweerde onduidelijkheid. Gegeven het feit dat uit het antwoord op de tweede vraag, onder b), volgt dat bij de toetsing van de artikelen 3 en 3a van verordening nr. 833/2014 aan het rechtszekerheidsbeginsel en het lex certa-beginsel niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van die bepalingen in twijfel kunnen trekken, kan op basis van de informatie in de verwijzingsbeslissing niet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter voor de beslechting van het hoofdgeding tevens een uitlegging van de genoemde begrippen nodig heeft.
196
Bij gebreke van een verdere toelichting op dit punt is er geen aanleiding om te antwoorden op deze uitleggingsvraag.
Kosten
197
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
- 1)
De artikelen 19, 24 en 40 VEU, artikel 275 VWEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing op grond van artikel 267 VWEU uitspraak te doen over de geldigheid van een handeling die is vastgesteld op basis van de bepalingen inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), zoals besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, zoals gewijzigd bij besluit 2014/872/GBVB van de Raad van 4 december 2014, voor zover het verzoek om een prejudiciële beslissing ertoe strekt erop toe te zien dat met dit besluit artikel 40 VEU is nageleefd, dan wel ziet op het toezicht op de wettigheid van beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen.
- 2)
Bij de beoordeling van de tweede vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en artikel 7 van besluit 2014/512 en bijlage III daarbij, zoals gewijzigd bij besluit 2014/872, of van de artikelen 3 en 3a, artikel 4, leden 3 en 4, artikel 5, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en artikel 11 van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren en bijlagen II en VI daarbij, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1290/2014 van de Raad van 4 december 2014.
Het rechtszekerheidsbeginsel en het lex certa-beginsel moeten aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een lidstaat overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1290/2014, strafrechtelijke sancties stelt op overtreding van de bepalingen van die verordening voordat de draagwijdte van die bepalingen, en derhalve van de daarop betrekking hebbende strafrechtelijke sancties, door het Hof van Justitie van de Europese Unie is verduidelijkt.
- 3)
De uitdrukking ‘financiële steun’ in artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1290/2014, moet aldus worden uitgelegd dat daaronder niet mede de verwerking van betalingen door een bank of andere financiële instelling als zodanig valt.
Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1290/2014, moet aldus worden uitgelegd dat het op grond hiervan vanaf 12 september 2014 verboden is om internationale aandelencertificaten (Global Depositary Receipts) uit te geven in het kader van een bewaarnemingsovereenkomst met een van de entiteiten die zijn genoemd in bijlage VI bij verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1290/2014, ook wanneer deze certificaten betrekking hebben op aandelen die door een van die entiteiten vóór die datum zijn uitgegeven.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑03‑2017
Conclusie 31‑05‑2016
M. Wathelet
Partij(en)
Zaak C-72/151.
Rosneft Oil Company OJSC
tegen
Her Majesty's Treasury,
Secretary of State for Business, Innovation and Skills,
The Financial Conduct Authority
[verzoek van de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Divisional Court) (Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]
I — Inleiding
1.
Het onderhavige prejudiciële verzoek betreft de geldigheid en de uitlegging van besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren2. (hierna: ‘besluit 2014/512’) en van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren3. (hierna: ‘verordening nr. 833/2014’).
2.
Dit is een uiterst belangrijk verzoek, want het noodzaakt het Hof uitspraak te doen over zijn bevoegdheid om een prejudiciële beslissing te geven over de geldigheid en de uitlegging van Uniehandelingen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), terwijl de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275 VWEU die mogelijkheid lijken uit te sluiten.
3.
Deze zaak biedt het Hof derhalve de gelegenheid vast te stellen welke handelingen, volgens punt 252 van zijn advies 2/13 (EU:C:2014:2454), ‘in de huidige stand van het Unierecht aan het rechterlijk toezicht van het Hof ontsnappen’.
II — Toepasselijke bepalingen
A — VEU
4.
Artikel 19, lid 1, VEU, opgenomen in titel III (‘Bepalingen betreffende de instellingen’), bepaalt:
‘Het Hof van Justitie van de Europese Unie omvat het Hof van Justitie, het Gerecht en gespecialiseerde rechtbanken. Het verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de verdragen.
De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.’
5.
Artikel 21, lid 1, eerste alinea, VWEU, opgenomen in hoofdstuk 1 (‘Algemene bepalingen betreffende het extern optreden van de Unie’) van titel V (‘Algemene bepalingen betreffende het extern optreden van de Unie’), bepaalt:
‘Het internationaal optreden van de Unie berust en is gericht op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht.’
6.
Hoofdstuk 2 (‘Specifieke bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid’) van dezelfde titel van dat verdrag, luidt:
‘Afdeling 1
Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 23
Het internationaal optreden van de Unie berust, voor de toepassing van dit hoofdstuk, op de beginselen, is gericht op de doelstellingen, en wordt uitgevoerd overeenkomstig de algemene bepalingen van hoofdstuk 1.
Artikel 24
1.
De bevoegdheid van de Unie met betrekking tot het [GBVB] bestrijkt alle gebieden van het buitenlands beleid en alle vraagstukken die verband houden met de veiligheid van de Unie, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat kan leiden tot een gemeenschappelijke defensie.
Het [GBVB] is aan specifieke regels en procedures onderworpen. Het wordt bepaald en uitgevoerd door de Europese Raad en door de Raad, die besluiten met eenparigheid van stemmen, tenzij in de Verdragen anders wordt bepaald. Wetgevingshandelingen kunnen niet worden vastgesteld. Aan het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt uitvoering gegeven door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en door de lidstaten, overeenkomstig de Verdragen. De specifieke rol van het Europees Parlement en van de Commissie op dit gebied wordt bepaald in de Verdragen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd ten aanzien van deze bepalingen, met uitzondering van zijn bevoegdheid toezicht te houden op de naleving van artikel 40 van dit Verdrag en de wettigheid van bepaalde besluiten na te gaan, als bepaald in artikel 275, tweede alinea, [VWEU].
[…]
3.
De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie en eerbiedigen het optreden van de Unie op dat gebied.
De lidstaten werken samen om hun wederzijdse politieke solidariteit te versterken en tot ontwikkeling te brengen. Zij onthouden zich van ieder optreden dat in strijd is met de belangen van de Unie of dat afbreuk zou kunnen doen aan de doeltreffendheid ervan als bundelende kracht in de internationale betrekkingen.
[…]
Artikel 29
De Raad stelt besluiten vast waarin de aanpak van de Unie wordt bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de standpunten van de Unie overeenstemt.
[…]
Artikel 40
De uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid heeft geen gevolgen voor de toepassing van de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen waarin de Verdragen voorzien voor de uitoefening van de in de artikelen 3 tot en met 6 [VWEU] bedoelde bevoegdheden van de Europese Unie.
Evenmin heeft de uitvoering van de in deze artikelen bedoelde beleidsonderdelen gevolgen voor de toepassing van de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen waarin de Verdragen voorzien voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie op grond van dit hoofdstuk.
[…]’
B — VWEU
7.
Titel I (‘Algemene bepalingen inzake het extern optreden van de Unie’) van het vijfde deel van het VWEU (‘Extern optreden van de Unie’) luidt:
‘Artikel 205
Het internationaal optreden van de Unie berust, voor de toepassing van dit deel, op de beginselen en is gericht op de doelstellingen van, en wordt uitgevoerd overeenkomstig de algemene bepalingen van hoofdstuk 1 van titel V van het VEU.’
8.
Titel IV (‘Beperkende maatregelen’) van hetzelfde deel van het VWEU luidt:
‘Artikel 215
1.
Wanneer een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het [VWEU] vastgesteld besluit voorziet in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen, stelt de Raad, op gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de nodige maatregelen vast. De Raad stelt het Europees Parlement daarvan in kennis.
2.
Wanneer een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het [VWEU] vastgesteld besluit daarin voorziet, kan de Raad volgens de in lid 1 bedoelde procedure jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten beperkende maatregelen vaststellen.
3.
De in dit artikel bedoelde handelingen bevatten de nodige bepalingen inzake juridische waarborgen.’
9.
Artikel 275 VWEU, opgenomen in de vijfde afdeling (‘Het Hof van Justitie van de Europese Unie’) van hoofdstuk 1 (‘De instellingen’) van titel I (‘Institutionele bepalingen’) van het zesde deel (‘Institutionele en financiële bepalingen’), bepaalt:
‘Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd ten aanzien van de bepalingen van het [GBVB] noch ten aanzien van de op grond daarvan vastgestelde besluiten.
Het Hof is evenwel bevoegd om toezicht te houden op de naleving van artikel 40 van het [VEU] en uitspraak te doen inzake beroepen die onder de in artikel 263, vierde alinea, van dit Verdrag bepaalde voorwaarden worden ingesteld betreffende het toezicht op de wettigheid van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk 2 van het [VEU] zijn vastgesteld.’
C — Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking
10.
De overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds, ondertekend te Corfu op 12 juni 19944. (hierna: ‘partnerschapovereenkomst’), bepaalt in titel III (‘Goederenverkeer’) het volgende:
‘Artikel 10
1.
De partijen passen ten aanzien van elkaar de meestbegunstigingsregeling toe overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, lid 1, van de GATT.
2.
De bepalingen van lid 1 zijn niet van toepassing op:
- a)
voordelen die aan buurlanden worden toegekend teneinde het grensverkeer te vereenvoudigen;
- b)
voordelen die met het oog op de oprichting van een douane-unie of een vrijhandelszone of ingevolge de oprichting van een dergelijke unie of zone worden toegekend. Onder ‘douane-unie’ en ‘vrijhandelszone’ worden verstaan, de unies of zones die zijn omschreven in artikel XXIV, [lid 8], van de GATT of die volgens de in lid 10 van dit artikel van de GATT worden ingesteld;
- c)
voordelen die aan bepaalde landen worden toegekend overeenkomstig de GATT en andere internationale regelingen ten gunste van ontwikkelingslanden.
[…]
Artikel 12
1.
De partijen zijn het erover eens dat het beginsel van de vrije doorvoer van goederen een essentiële voorwaarde is voor het bereiken van de doelstellingen van deze overeenkomst.
Met het oog hierop waarborgt elke partij de vrije doorgang over zijn grondgebied van goederen die afkomstig zijn uit of bestemd zijn voor het douanegebied van de andere partij.
2.
De in artikel V, leden 2, 3, 4 en 5, van de GATT vastgestelde regels zijn tussen de partijen van toepassing.
[…]
Artikel 19
De overeenkomst vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen op de invoer, de uitvoer of de doorvoer van goederen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde en veiligheid, de gezondheid en het leven van personen en dieren of het behoud van planten, de bescherming van natuurlijke hulpbronnen, de bescherming van het nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed of uit hoofde van de bescherming van de intellectuele, industriële of commerciële eigendom, noch voor voorschriften betreffende goud en zilver. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de partijen vormen.’
11.
In hoofdstuk III (‘Grensoverschrijdend dienstenverkeer’), opgenomen in titel IV van deze overeenkomst (‘Bepalingen inzake het handelsverkeer en de investeringen’), bepaalt artikel 36:
‘Voor de in bijlage 5 bij deze overeenkomst vermelde sectoren verlenen de partijen elkaar een behandeling welke niet minder gunstig is dan die welke zij aan om het even welk derde land toekennen ten aanzien van de voorwaarden voor de grensoverschrijdende dienstverlening door vennootschappen uit de Gemeenschap respectievelijk Russische vennootschappen op het grondgebied van Rusland respectievelijk de Gemeenschap, in overeenstemming met de op het grondgebied van de respectieve partijen toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.’
12.
In titel V van deze overeenkomst (‘Betalings- en kapitaalverkeer’) bepaalt artikel 52:
‘[…]
- 2.
Het vrije kapitaalverkeer tussen inwoners van de Gemeenschap en van Rusland in de vorm van directe investeringen in vennootschappen die in overeenstemming met de wetten van het gastland zijn opgericht, en directe investeringen in overeenstemming met hoofdstuk II van titel IV, alsook de overmaking naar het buitenland van deze investeringen met inbegrip van alle compensatie-uitkeringen naar aanleiding van [maatregelen als onteigening en nationalisatie of] maatregelen van gelijke strekking, en van alle opbrengsten daarvan, worden gegarandeerd.
[…]
- 5.
Onverminderd de leden 6 en 7 stellen de partijen, na het verstrijken van een overgangsperiode van 5 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, geen nieuwe beperkingen in op het kapitaalverkeer en de daarmee verband houdende lopende betalingen tussen inwoners van de Gemeenschap en van Rusland, en stellen zij geen meer restrictieve regelingen dan de bestaande vast. De invoering van beperkingen in de loop van de overgangsperiode bedoeld in de eerste zin van dit lid, laat evenwel de rechten en verplichtingen van de partijen op grond van de leden 2, 3, 4 en 9 van dit artikel onverlet.
[…]
- 9.
De partijen verlenen elkaar met betrekking tot de vrijheid van de lopende betalingen en kapitaalverrichtingen en met betrekking tot de betaalmethoden een meestbegunstigingsbehandeling.’
13.
Artikel 99 van deze overeenkomst, opgenomen in titel XI (‘Institutionele, algemene en slotbepalingen’), bepaalt:
‘Niets in de overeenkomst belet een overeenkomstsluitende partij maatregelen te nemen:
- 1)
die zij nodig acht voor de bescherming van haar vitale veiligheidsbelangen:
[…]
- d)
in geval van ernstige binnenlandse beroeringen die de openbare orde in gevaar brengen, in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden of om verplichtingen na te komen die zij voor de instandhouding van de vrede en de internationale veiligheid is aangegaan;
[…]’
D — Besluit 2014/512
14.
Het onderhavige prejudiciële verzoek betreft de volgende bepalingen van besluit 2014/512:
‘Artikel 1
[…]
2.
De directe of indirecte aankoop of verkoop van, het direct of indirect verlenen van investeringsdiensten of bijstand bij de uitgifte van, of enige andere handeling met betrekking tot obligaties, aandelen of soortgelijke financiële instrumenten met een looptijd van meer dan 30 dagen die na 12 september 2014 uitgegeven zijn door:
[…]
- b)
in Rusland gevestigde entiteiten die door de staat worden gecontroleerd of die voor meer dan 50 % staatseigendom zijn, met een geraamd totaalvermogen in 2013 van meer dan 1 biljoen Russische roebel en met geraamde inkomsten die voor ten minste 50 % voortkomen uit de verkoop of het vervoer van ruwe aardolie of aardolieproducten met ingang van 12 september 2014, als vermeld in bijlage III [te weten, Rosneft, Transneft en Gazprom Neft];
- c)
elke rechtspersoon, elke entiteit of elk lichaam gevestigd buiten de Unie en voor meer dan 50 % eigendom van een entiteit als bedoeld in [punt] […] b); of
- d)
elke rechtspersoon, elke entiteit of elk lichaam handelend namens of op aanwijzing van een entiteit als bedoeld in punt c) of van een in bijlage […] III vermelde entiteit [te weten Rosneft, Transneft en Gazprom Neft],
zijn verboden.
3.
Het is verboden om na 12 september 2014 direct of indirect enige regeling te treffen met betrekking tot nieuwe leningen of kredieten met een looptijd van meer dan 30 dagen aan enige rechtspersoon, entiteit of lichaam als bedoeld in lid 1 of 2, of om aan een dergelijke regeling deel te nemen, behalve voor leningen of kredieten met een specifiek en schriftelijk vastgelegde doelstelling om te voorzien in financiering voor toegestane invoer of uitvoer van goederen en niet-financiële diensten tussen de Unie en Rusland, of voor leningen met een specifiek en schriftelijk vastgelegde doelstelling om te zorgen voor noodfinanciering om te beantwoorden aan solvabiliteits- en liquiditeitscriteria voor in de Unie gevestigde rechtspersonen, waarvan de eigendomsrechten voor meer dan 50 % eigendom zijn van een entiteit als bedoeld in bijlage I [te weten Sberbank, VTB Bank, Gazprombank, Vnesheconombank en Rosselkhozbank].
[…]
Artikel 4
1.
De directe of indirecte verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van bepaalde apparatuur die kan worden gebruikt voor de onderstaande categorieën exploratie- en productieprojecten in Rusland, ook in zijn exclusieve economische zone en continentaal plat, door onderdanen van de lidstaten, of vanaf het grondgebied van de lidstaten, of met gebruikmaking van vaartuigen of luchtvaartuigen onder de rechtsbevoegdheid van de lidstaten, is onderworpen aan een voorafgaande vergunning verleend door de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat:
- a)
de exploratie en productie van aardolie in water van meer dan 150 meter diep;
- b)
de exploratie en productie van aardolie in het offshoregebied ten noorden van de noordpoolcirkel;
- c)
projecten waarmee potentieel, door middel van hydrofracturering, aardolie gewonnen kan worden uit stoffen die zich bevinden in schalieformaties; het is niet van toepassing op exploratie en productie door schalieformaties heen met het oog op het vinden van of winnen van aardolie uit zich niet in schalie bevindende reservoirs.
De Unie neemt de nodige maatregelen om te bepalen welke voorwerpen onder dit lid moeten vallen.
2.
De verstrekking van:
- a)
technische bijstand of andere diensten die verband houden met de onder lid 1 genoemde apparatuur;
- b)
financiering of financiële steun voor de verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van de in lid 1 genoemde apparatuur of voor de verstrekking van daarmee verband houdende technische bijstand of opleiding,
is eveneens onderworpen aan een voorafgaande vergunning van de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat.
3.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verlenen geen vergunning voor de verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van apparatuur of de verstrekking van diensten, als bedoeld in de leden 1 en 2, indien zij vaststellen dat de betreffende verkoop, levering, overbrenging of uitvoer of de betreffende verstrekking van de diensten bestemd is voor één van de in lid 1 bedoelde exploratie- en productiecategorieën.
4.
Lid 3 laat de uitvoering van vóór 1 augustus 2014 gesloten contracten of aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering daarvan, onverlet.
5.
Een vergunning kan verleend worden als de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de goederen of het verstrekken van diensten, als bedoeld in de leden 1 en 2, noodzakelijk is voor de dringende preventie of beperking van de gevolgen van een gebeurtenis die ernstige en aanzienlijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van de mens of het milieu zou kunnen hebben. In naar behoren gerechtvaardigde spoedgevallen kan de verkoop, levering, overdracht of uitvoer of het verstrekken van diensten, als bedoeld in de leden 1 en 2, plaatsvinden zonder voorafgaande vergunning, op voorwaarde dat de uitvoerder de bevoegde overheid daarvan kennisgeeft ten laatste vijf werkdagen nadat de verkoop, levering, overdracht of uitvoer of het verstrekken van diensten heeft plaatsgevonden, en daarbij nadere inlichtingen verstrekt over de rechtvaardiging van de verkoop, levering, overdracht of uitvoer of het verstrekken van diensten zonder voorafgaande vergunning.
Artikel 4a
1.
De directe of indirecte levering van geassocieerde diensten die noodzakelijk zijn voor de onderstaande categorieën exploratie- en productieprojecten in Rusland, ook in zijn exclusieve economische zone en continentaal plat, door onderdanen van de lidstaten, of vanaf het grondgebied van de lidstaten, of met gebruikmaking van vaartuigen of luchtvaartuigen onder de rechtsbevoegdheid van de lidstaten, is verboden:
- a)
de exploratie en productie van aardolie in water van meer dan 150 meter diep;
- b)
de exploratie en productie van aardolie in het offshoregebied ten noorden van de noordpoolcirkel;
- c)
projecten waarmee potentieel, door middel van hydrofracturering, aardolie gewonnen kan worden uit stoffen die zich bevinden in schalieformaties; het is niet van toepassing op exploratie en productie door schalieformaties heen met het oog op het vinden van of winnen van aardolie uit zich niet in schalie bevindende reservoirs.
2.
De verbodsbepaling van lid 1 laat de uitvoering van vóór 12 september 2014 gesloten contracten of kaderovereenkomsten of van aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering daarvan, onverlet.
3.
De verbodsbepaling van lid 1 is niet van toepassing wanneer de betrokken diensten noodzakelijk zijn voor de dringende preventie of beperking van een gebeurtenis die ernstige en aanzienlijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van de mens of het milieu zou kunnen hebben.
[…]
Artikel 7
1.
Vorderingen in verband met contracten of andere transacties aan de uitvoering waarvan, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan door de maatregelen die uit hoofde van onderhavig besluit zijn ingesteld, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schuldvergelijking of een garantievordering, met name een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, met name een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm hiervan, worden niet toegewezen indien deze vorderingen worden ingesteld door:
- a)
entiteiten als bedoeld onder b) of c) van artikel 1, lid 1, en onder c) en d) van artikel 1, lid 2, of welke zijn vermeld in bijlage […] III […];
- b)
elke andere Russische persoon, Russische entiteit of Russisch lichaam; of
- c)
een persoon, entiteit of lichaam, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de in punt a) of punt b), van dit lid bedoelde personen, entiteiten of lichamen.
2.
In elke procedure waartoe een vordering aanleiding geeft, moet het bewijs dat de vordering niet op grond van lid 1 hoort te worden afgewezen, door de eiser worden geleverd.
3.
Dit artikel geldt onverminderd het recht van de personen, entiteiten en lichamen die in lid 1 worden genoemd, op toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen in overeenstemming met dit besluit.
[…]’
E — Verordening nr. 833/2014
15.
Dit prejudiciële verzoek betreft de volgende bepalingen van verordening nr. 833/2014:
‘Artikel 3
1.
Een voorafgaande vergunning is vereist voor het direct of indirect verkopen, leveren of overdragen aan en uitvoeren van de goederen die zijn opgenomen in bijlage II, al dan niet van oorsprong uit de Unie, ten behoeve van een natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau, of een andere staat, indien die goederen bestemd zijn voor gebruik in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau.
2.
De op grond van dit artikel voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer vereiste vergunning wordt overeenkomstig de gedetailleerde bepalingen van artikel 11 van Verordening (EG) nr. 428/2009 afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de exporteur is gevestigd. De vergunning is in de gehele Unie geldig.
3.
Bijlage II bevat een lijst van een aantal goederen die kunnen worden gebruikt voor de volgende categorieën exploratie- en productieprojecten in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau:
- a)
exploratie en productie van olie in water van meer dan 150 meter diep;
- b)
exploratie en productie van olie in het offshoregebied ten noorden van de noordpoolcirkel, of
- c)
projecten waarmee potentieel, door middel van hydrofracturering, aardolie gewonnen kan worden uit stoffen die zich bevinden in schalieformaties; het is niet van toepassing op exploratie en productie door schalieformaties heen met het oog op het vinden van of winnen van aardolie uit zich niet in schalie bevindende reservoirs.
4.
De exporteurs verstrekken de bevoegde autoriteiten alle gegevens die vereist zijn voor de aanvraag van een uitvoervergunning.
5.
De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de goederen die zijn opgenomen in bijlage II, indien zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de goederen bestemd is voor een van de categorieën exploratie- en productieprojecten bedoeld in lid 3.
De bevoegde autoriteiten kunnen echter wel een vergunning verlenen als de verkoop, levering, overdracht of uitvoer betrekking heeft op de uitvoering van een verplichting die voortvloeit uit een contract dat vóór 1 augustus 2014 is gesloten of aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering van een dergelijk contract.
De bevoegde autoriteiten kunnen eveneens een vergunning verlenen als de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de goederen noodzakelijk is voor de dringende preventie of beperking van de gevolgen van een gebeurtenis die ernstige en aanzienlijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van de mens of het milieu zou kunnen hebben. In naar behoren gerechtvaardigde spoedgevallen kan de verkoop, levering, overdracht of uitvoer plaatsvinden zonder voorafgaande vergunning op voorwaarde dat de uitvoerder de bevoegde overheid daarvan kennisgeeft ten laatste vijf werkdagen nadat de verkoop, levering, overdracht of uitvoer heeft plaatsgevonden, en daarbij nadere inlichtingen verstrekt over de rechtvaardiging van de verkoop, levering, overdracht of uitvoer zonder voorafgaande vergunning.
6.
De bevoegde autoriteiten kunnen, onder de in lid 5 genoemde voorwaarden, een verleende uitvoervergunning nietig verklaren, opschorten, wijzigen of intrekken.
7.
Indien een bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 5 of lid 6 een vergunning weigert, nietig verklaart, opschort, substantieel beperkt of intrekt, stelt de betrokken lidstaat de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis en deelt zij de relevante informatie met hen, met inachtneming van de bepalingen inzake de vertrouwelijkheid van dergelijke informatie als bedoeld in Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad.
8.
Alvorens een lidstaat een vergunning verleent overeenkomstig lid 5 voor een transactie die wezenlijk identiek is aan een transactie waarvoor de door een andere lidstaat of lidstaten afgegeven weigering als bedoeld in lid 6 en lid 7 nog steeds geldig is, pleegt deze lidstaat eerst overleg met de lidstaat of lidstaten die de weigering heeft of hebben afgegeven. Indien de betrokken lidstaat na dit overleg besluit een vergunning te verlenen, stelt hij de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis en verstrekt hij daarbij alle relevante informatie om het besluit toe te lichten.
Artikel 3a
1.
Er geldt een verbod op de directe of indirecte verstrekking van hiermee verband houdende diensten die noodzakelijk zijn voor de volgende categorieën exploratie- en productieprojecten in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau:
- a)
exploratie en productie van olie in water van meer dan 150 meter diep;
- b)
exploratie en productie van olie in het offshoregebied ten noorden van de noordpoolcirkel, of
- c)
projecten waarmee potentieel, door middel van hydrofracturering, aardolie gewonnen kan worden uit stoffen die zich bevinden in schalieformaties; het is niet van toepassing op exploratie en productie door schalieformaties heen met het oog op het vinden van of winnen van aardolie uit zich niet in schalie bevindende reservoirs.
Voor de toepassing van dit lid wordt onder hiermee verband houdende diensten verstaan:
- i)
boringen;
- ii)
tests;
- iii)
metingen en afwerking van boorgaten;
- iv)
levering van gespecialiseerde drijvende installaties.
2.
De verbodsbepalingen van lid 1 gelden onverminderd de uitvoering van een verplichting die voortvloeit uit contracten of kaderovereenkomsten die vóór 12 september 2014 zijn gesloten of aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering van een dergelijk contract.
3.
De verbodsbepaling van lid 1 geldt niet wanneer de betrokken diensten noodzakelijk zijn voor de dringende preventie of beperking van de gevolgen van een gebeurtenis die ernstige en aanzienlijke gevolgen voor de gezondheid en veiligheid van de mens of het milieu zou kunnen hebben.
De dienstverlener geeft de bevoegde overheid binnen een termijn van vijf werkdagen kennis van alle activiteiten die krachtens deze paragraaf worden ondernomen, en verstrekt daarbij nadere inlichtingen over de rechtvaardiging van de verkoop, levering, overdracht of uitvoer.
Artikel 4
[…]
3.
De bevoegde autoriteit in kwestie moet een vergunning verlenen voor de verstrekking van:
- a)
technische bijstand of tussenhandeldiensten in verband met in bijlage II genoemde goederen en in verband met het leveren, vervaardigen, onderhouden en gebruiken van deze goederen, direct of indirect, aan of ten behoeve van natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau of, als dergelijke bijstand betrekking heeft op goederen bestemd voor gebruik in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau, aan personen, entiteiten of lichamen in een andere staat;
- b)
financiering of financiële bijstand in verband met in bijlage II genoemde goederen, met inbegrip van subsidies, leningen en exportkredietverzekering, voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van deze goederen, of voor de verstrekking van daarmee verband houdende technische bijstand, direct of indirect, aan natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau of, als dergelijke bijstand betrekking heeft op goederen bestemd voor gebruik in Rusland, met inbegrip van zijn exclusieve economische zone en zijn continentaal plateau, aan personen, entiteiten of lichamen in een andere staat.
In naar behoren gerechtvaardigde spoedgevallen als bedoeld in artikel 3, lid 5, kan het in dit lid bedoelde verstrekken van diensten plaatsvinden zonder voorafgaande vergunning op voorwaarde dat de verstrekker de bevoegde overheid daarvan kennisgeeft ten laatste vijf werkdagen nadat de dienst is verstrekt.
4.
Wanneer vergunningen vereist zijn krachtens lid 2 van dit artikel, is artikel 3, en met name de leden 2 en 5 daarvan, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
[…]
2.
Er geldt een verbod op de directe of indirecte aankoop of verkoop van en de verlening van investeringsdiensten of bijstand voor de uitgifte van en andere vormen van handel in overdraagbare effecten en geldmarktinstrumenten met een looptijd van meer dan 30 dagen, die zijn uitgegeven na 12 september 2014 door:
[…]
- b)
in Rusland gevestigde rechtspersonen, entiteiten of lichamen die door de staat worden gecontroleerd of die voor meer dan 50 % staatseigendom zijn, met een geraamd totaalvermogen van meer dan 1 biljoen Russische roebel en met geraamde inkomsten die voor ten minste 50 % voortkomen uit de verkoop of het vervoer van ruwe aardolie of aardolieproducten, als vermeld in bijlage VI [te weten Rosneft, Transneft en Gazprom Neft];
- c)
rechtspersonen, entiteiten of lichamen die buiten de Unie zijn gevestigd en waarvan de eigendomsrechten voor meer dan 50 % direct of indirect in handen zijn van een in punt a) of punt b) van dit lid genoemde entiteit, of
- d)
rechtspersonen, entiteiten of lichamen die handelen namens of op aanwijzing van een entiteit als bedoeld in punt a), punt b) of punt c) van dit lid.
3.
Het is verboden om na 12 september 2014 direct of indirect een regeling te treffen voor nieuwe leningen of kredieten met een looptijd van meer dan 30 dagen ten behoeve van rechtspersonen, entiteiten of lichamen als bedoeld in lid 1 of 2, of om aan een dergelijke regeling deel te nemen.
Dit verbod is niet van toepassing op:
- a)
leningen of kredieten die als specifiek en welomschreven doel hebben financiering te verlenen voor niet aan beperkingen onderworpen in- of uitvoer van goederen en niet-financiële diensten tussen de Unie en een derde staat, met inbegrip van de uitgaven voor goederen en diensten van een derde staat die nodig zijn voor de uitvoering van uit- of invoercontracten, of
- b)
leningen die als specifiek en welomschreven doel hebben noodfinanciering te bieden om te beantwoorden aan de solvabiliteits- en liquiditeitscriteria voor in de Unie gevestigde rechtspersonen wier eigendomsrechten voor meer dan 50 % eigendom zijn van een in bijlage III bedoelde entiteit [te weten Sberbank, VTB Bank, Gazprombank, Vnesheconombank en Rosselkhozbank].
[…]
Artikel 8
1.
De lidstaten stellen de regels vast betreffende de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de regels worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
2.
De lidstaten stellen de Commissie onverwijld na de inwerkingtreding van de verordening in kennis van de in lid 1 bedoelde regels, en stellen haar in kennis van alle latere wijzigingen.
[…]
Artikel 11
1.
Vorderingen in verband met contracten of andere transacties aan de uitvoering waarvan, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan door de maatregelen die uit hoofde van onderhavige verordening zijn ingesteld, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schuldvergelijking of een garantievordering, met name een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, met name een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm hiervan, worden niet toegewezen indien deze vorderingen worden ingesteld door:
- a)
entiteiten als bedoeld onder b) of c) van artikel 5, lid 1, en onder c) en d) van artikel 5, lid 2, of welke zijn vermeld in [bijlage] […] VI [te weten Rosneft, Transneft en Gazprom Neft];
- b)
elke andere Russische persoon, Russische entiteit of Russisch lichaam;
- c)
een persoon, entiteit of lichaam, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de in punt a) of punt b) van dit lid bedoelde personen, entiteiten of lichamen.
2.
In elke procedure waartoe een vordering aanleiding geeft, moet het bewijs dat de vordering niet op grond van lid 1 hoort te worden afgewezen, door de eiser worden geleverd.
3.
Dit artikel geldt onverminderd het recht van de personen, entiteiten en lichamen die in lid 1 worden genoemd, op toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen in overeenstemming met deze verordening.’
III — Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16.
Op 6 maart 2014 veroordeelden de staatshoofden en regeringsleiders van de Unie met klem de ‘niet-uitgelokte schending van de Oekraïense soevereiniteit en territoriale integriteit door de Russische Federatie’5.. Zij riepen de Russische Federatie op haar strijdkrachten onmiddellijk terug te trekken naar hun permanente stationeringsgebieden, overeenkomstig de gemaakte afspraken. Zij besloten ook de bilaterale gesprekken te schorsen die met de Russische Federatie werden gevoerd over visumaangelegenheden en over de nieuwe integrale overeenkomst die de partnerschapsovereenkomst moest vervangen. Zij benadrukten echter dat oplossing voor de crisis moest worden gevonden in onderhandelingen tussen de regeringen van Oekraïne en de Russische Federatie.
17.
De staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten voegden daaraan toe dat, indien die onderhandelingen niet binnen een beperkt tijdsbestek resultaten zouden opleveren, er reisbeperkingen zouden worden opgelegd aan en tegoeden bevroren van verantwoordelijken voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne zouden ondermijnen of bedreigen.
18.
De Raad heeft aan die verklaring uitvoering gegeven door vaststelling van verordening (EU) nr. 269/2014 van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen6., waarbij bovengenoemde maatregelen zijn opgelegd aan de personen die bijlage I ervan vermeld.
19.
Op 31 juli 2014 heeft de Raad, van oordeel dat de Russische Federatie geen gehoor had gegeven aan de verzoeken van de Unie en dat de inbreuken op de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne aanhielden, bij besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 nieuwe substantieel beperkende maatregelen vastgesteld tegen een aantal Russische ondernemingen, waaronder Rosneft Oil Company OJSC (hierna: ‘Rosneft’), een onderneming die onder meer actief is op het gebied van de exploratie, productie en raffinage van koolwaterstoffen en de handel in ruwe olie en gas, in en buiten Rusland.
20.
Rosneft verricht haar exploratie- en productieactiviteiten in Russische gebieden die rijk zijn aan koolwaterstoffen en op het Russisch continentaal plateau. Haar exploratieactiviteiten omvatten onder meer operaties in water van meer dan 150 meter diep en in schalieformaties.
21.
De meerderheid van de aandelen van Rosneft (69,5 %) is in handen van Rosneftegaz OJSC, een naamloze vennootschap die volledig eigendom is van de Russische Federatie. Een minderheid van haar aandelen (19,75 %) is in handen van BP Russian Investments Ltd., een dochteronderneming van de Britse aardoliemaatschappij BP plc. De resterende 10,75 % van het uitgegeven maatschappelijk kapitaal is beursgenoteerd.
22.
Her Majesty's Treasury en de Secretary of State for Business, Innovation and Skills zijn, in het Verenigd Koninkrijk, de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Uniewetgeving waarbij beperkende maatregelen zijn opgelegd als antwoord op de acties van de Russische Federatie in Oekraïne.
23.
De Financial Conduct Authority (hierna: ‘FCA’) is eveneens onderworpen aan besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 en moet onderzoeken welke gevolgen zij hebben voor haar eigen wettelijke verplichtingen en doelstellingen. Indien derhalve zou blijken dat verboden effecten konden worden uitgegeven en dat daardoor het risico bestaat dat de integriteit van de door de FCA gereguleerde markten of de bescherming van de consument wordt geschaad, moet de FCA onderzoeken welke acties zij, in voorkomend geval, moet ondernemen om dat risico voor te zijn of af te wenden.
24.
Rosneft heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Gerecht op 9 oktober 2014, beroep ingesteld tot nietigverklaring van besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014, op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU.7.
25.
Met haar op 20 november 2014 bij de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Divisional Court), ingestelde verzoek om rechterlijke toetsing betwist Rosneft de rechtmatigheid van besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 en van een aantal maatregelen die de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hebben vastgesteld om uitvoering te geven aan bepaalde aspecten van verordening nr. 833/2014, en, met name, van de strafsancties die bij schending van die verordening kunnen worden opgelegd8., van bepaalde uitleggingen die de FCA heeft gegeven aan het begrip ‘financiële bijstand’, en van de wijze waarop de FCA de verordening heeft uitgelegd met betrekking tot en toegepast op bepaalde effecten.9.
26.
Bij arrest van 9 februari 201510. besliste de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Divisional Court), dat hij, om het geding te beslechten, moest vaststellen of sommige bepalingen van besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 ongeldig waren, hetgeen hij niet kon doen zonder het Hof overeenkomstig het arrest Foto-Frost (314/85, EU:C:1987:452) prejudiciële vragen te stellen.
27.
Zelfs als die bepalingen geldig waren, was het, volgens de High Court, niet zeker dat andere rechterlijke instanties van de lidstaten tot dezelfde conclusies zouden komen ten aanzien van de uitlegging en toepassing ervan. Hij wees er voorts op dat er op enkele essentiële punten grote verschillen in uitlegging bestaan tussen de bevoegde autoriteiten van een aantal lidstaten.
28.
De High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Divisional Court), heeft daarop besloten de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
- ‘1)
Is het Hof van Justitie, gelet op met name de artikelen 19, lid 1, 24 en 40 VEU, artikel 47 [van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’)] en artikel 275, tweede alinea, VWEU, bevoegd om krachtens artikel 267 VWEU bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), artikel 1, lid 3, artikel 4, artikel 4a, artikel 7 en bijlage III van besluit [2014/512]?
- 2)
- a)
Zijn een of meer van de volgende bepalingen (hierna: ‘relevante bepalingen’) van de verordening en, voor zover het Hof bevoegd is, het besluit ongeldig:
- i)
de artikelen 4 en 4a van besluit [2014/512];
- ii)
de artikelen 3, 3a, 4, leden 3 en 4, en bijlage II van verordening [nr. 833/2014];
(samen: ‘bepalingen inzake de oliesector’);
- iii)
artikel 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage III van besluit [2014/512];
- iv)
artikel 5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage VI van verordening [nr. 833/2014];
(samen: ‘bepalingen inzake effecten en leningen’);
- v)
artikel 7 van besluit [2014/512], en
- vi)
artikel 11 van verordening [nr. 833/2014]?
- 2) b)
Voor zover de relevante bepalingen geldig zijn, gaat het in tegen de beginselen van rechtszekerheid en nulla poena sine lege certa wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 8 van verordening [nr. 833/2014] strafrechtelijke sancties oplegt voordat het Hof van Justitie de desbetreffende strafbaarstelling voldoende heeft verduidelijkt?
- 3)
Voor zover de relevante verboden of beperkingen waarnaar in de tweede vraag, onder a), wordt verwezen, geldig zijn:
- a)
Valt onder het begrip ‘financiële bijstand’ in artikel 4, lid 3, van verordening [nr. 833/2014] de verwerking van een betaling door een bank of een andere financiële instelling?
- b)
Verbiedt artikel 5 van verordening [nr. 833/2014] de emissie van, of andere transactie met, [GDR's] die zijn uitgegeven op of na 12 september 2014 in het kader van een bewaarnemingsovereenkomst met een van de entiteiten die zijn genoemd in bijlage VI, met betrekking tot aandelen in een van die entiteiten, die waren uitgegeven vóór 12 september 2014?
- c)
Indien het Hof van oordeel is dat er sprake is van een gebrek aan duidelijkheid dat door het Hof naar behoren kan worden opgelost door nadere aanwijzingen te geven, wat is dan de juiste uitlegging van de begrippen ‘schalie’ en ‘water van meer dan 150 meter diep’ in artikel 4 van het besluit en de artikelen 3 en 3a van de verordening? Indien het Hof het noodzakelijk en gepast acht, kan het dan met name een geologische uitlegging van het begrip ‘schalie’ geven die kan worden gebruikt bij de uitvoering van de verordening, en kan het verduidelijken of ‘water van meer dan 150 meter diep’ moet worden gemeten vanaf het boorpunt of vanaf een andere plaats?’
29.
Bij beschikking van 26 maart 2015 heeft de president van het Gerecht het beroep tot nietigverklaring in de zaak NK Rosneft e.a./Raad (T-715/14) geschorst in afwachting van het arrest van het Hof in de onderhavige zaak, overeenkomstig artikel 54, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
IV — Procedure bij het Hof
30.
Het onderhavige prejudiciële verzoek is bij het Hof ingekomen op 18 mei 2015. Rosneft, de FCA, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Tsjechische, de Duitse, de Estse en de Franse regering, de Raad, en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
31.
Ter terechtzitting van 23 februari 2016 hebben Rosneft, de FCA, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Tsjechische, de Duitse, de Estse, de Franse en de Poolse regering, de Raad, en de Commissie hun standpunten mondeling toegelicht.
V — Analyse
A — Eerste vraag
32.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of het Hof, gelet op de artikelen 19, 24 en 40 VEU, artikel 275 VWEU en artikel 47 van het Handvest, bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van artikel 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, de artikelen 4, 4a en 7, en bijlage III van besluit 2014/512.
1. Ontvankelijkheid
33.
De Estse regering en de Raad betwisten de ontvankelijkheid van de eerste vraag, omdat de verwijzende rechter het hoofdgeding ook zonder antwoord op deze vraag kan beslechten.
34.
Ik geef het Hof in overweging die exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen, omdat de bevoegdheid van het Hof om op dit prejudiciële verzoek te beslissen vanzelfsprekend moet vaststaan voordat de andere vragen van de verwijzende rechter (waarvan niemand de relevantie betwist) kunnen worden onderzocht. Deze vraag is voorts, volgens vaste rechtspraak, ‘van openbare orde [en] kan […] in iedere stand van het geding door het Hof worden onderzocht, ook ambtshalve’.11.
35.
Bovendien behoort de verwijzende rechter de rechtsmacht van het Hof te onderzoeken om vast te stellen of hij al dan niet is gebonden aan het monopolie van het Hof met betrekking tot het toezicht op de geldigheid van handelingen van afgeleid Unierecht.12.
2. Bevoegdheid van het Hof om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van GBVB-handelingen
a) Algemene regel: rechterlijk toezicht (artikelen 19 VEU, 263 VWEU, 277 VWEU en 267 VWEU)
36.
In punt 23 van zijn beroemde arrest Les Verts/Parlement (294/83, EU:C:1986:166) oordeelde het Hof dat ‘de [Unie] een rechts[unie] is in die zin, dat noch haar lidstaten noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele handvest, zijnde het [VWEU]’. Dit arrest maakte het mogelijk een beroep in te stellen tot nietigverklaring van handelingen van het Europees Parlement, ook al werd deze instelling door het voormalige artikel 173 EEG (thans 263 VWEU) niet uitdrukkelijk genoemd als instelling waarvan de handelingen op hun wettigheid konden worden getoetst.13.
37.
Artikel 19 VEU vertrouwt de rechterlijke instanties van de Unie de taak toe ‘de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen [te verzekeren]’ en verplicht de lidstaten te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren.
38.
Volgens vaste rechtspraak ‘heeft het VWEU [daartoe] bij, enerzijds, de artikelen 263 en 277 en, anderzijds, artikel 267, een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarbij aan de Unierechter het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de Unie is opgedragen’.14.
b) ‘Carve-out’: immuniteit van jurisdictie van bepaalde handelingen die in het kader van het GBVB zijn vastgesteld (artikelen 24, lid 1, tweede alinea, VEU en 275, eerste alinea, VWEU)
39.
Op het eerste gezicht lijkt de bevoegdheid van het Hof op het gebied van het GBVB te worden uitgesloten door de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, VEU en 275, eerste alinea, VWEU.
40.
Alvorens deze bepalingen te onderzoeken moet worden opgemerkt dat het Hof, hoewel het in zijn arresten Parlement/Raad (C-130/10, EU:C:2012:472), Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C-348/12 P, EU:C:2013:776), Parlement/Raad (C-658/11, EU:C:2014:2025) en Gbagbo e.a./Raad (C-478/11 P–C-482/11 P, EU:C:2013:258) de gelegenheid heeft gehad vragen te onderzoeken die verband houden met zijn bevoegdheid op het gebied van het GBVB, in punt 251 van advies 2/13 (EU:C:2014:2454) heeft vastgesteld dat ‘[het] nog niet de gelegenheid [had] gehad om te preciseren hoe ver de uit [de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, VEU en 275 VWEU] voortvloeiende beperkingen van zijn bevoegdheid op het gebied van het GBVB reiken’. Het merkte in punt 252 van zijn advies derhalve op dat ‘[kon] worden volstaan met de vaststelling dat bepaalde in het kader van het GBVB vastgestelde handelingen in de huidige stand van het Unierecht aan het rechterlijk toezicht van het Hof ontsnappen’, zonder echter te preciseren welke handelingen het betrof.15.
41.
Als derhalve het toezicht op de wettigheid van Uniehandelingen de regel is (artikelen 19 VEU, 263 VWEU, 277 VWEU en 267 VWEU), moeten de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, VEU en 275, eerste alinea, VWEU, die een ‘carve-out’-clausule introduceren voor de bevoegdheid van de Unierechter, of anders gezegd, ‘een afwijking van de regel van de algemene bevoegdheid die bij artikel 19 VEU aan het Hof is verleend, […] bijgevolg restrictief worden uitgelegd’.16.
42.
Bovendien moet erop worden gewezen dat er een verschil bestaat tussen de bewoordingen van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, VEU en 275, eerste alinea, VWEU.
43.
Volgens artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU ‘[is] het Hof van Justitie van de Europese Unie […] niet bevoegd ten aanzien van deze bepalingen’17., terwijl artikel 275, eerste alinea, VWEU bepaalt dat ‘[h]et Hof van Justitie van de Europese Unie […] niet bevoegd [is]ten aanzien van de bepalingen van het [GBVB], noch ten aanzien van de op grond daarvan vastgestelde besluiten’18..
44.
Het gebruik dat in artikel 275, eerste alinea, VWEU wordt gemaakt van de woorden ‘bepalingen van het [GBVB]’, zou de onjuiste indruk kunnen wekken dat de Unierechters geen enkele bevoegdheid hebben ter zake van bepalingen van het VWEU die, hoewel zij niet onder het GBVB vallen, daar wel betrekking op kunnen hebben.
45.
Het Hof heeft deze, nogal ruime, uitlegging van artikel 275, eerste alinea, VWEU nooit aanvaard. Het oordeelde daarentegen dat een handeling die is gegrond op de artikelen 37 VEU, dat deel uitmaakt van de GBVB-bepalingen van het VEU, en 218, leden 5 en 6, VWEU, niet ontsnapt aan rechterlijk toezicht, omdat artikel 218 VWEU, een bepaling die overduidelijk het GBVB betreft, ‘een algemene strekking [heeft] en […] derhalve in beginsel [dient] te worden toegepast op alle internationale overeenkomsten waarover de Unie heeft onderhandeld en die door haar zijn gesloten op al haar actiegebieden, daaronder begrepen het GBVB’.19.
46.
Dat artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU de bevoegdheid van het Hof slechts uitsluit ‘ten aanzien van deze bepalingen’20. lijkt, zoals de Commissie in punt 40 van haar schriftelijke opmerkingen stelt, te verwijzen naar het opschrift van hoofdstuk 2, ‘Specifieke bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid’, van titel V van het VEU, waarvan dat artikel deel uitmaakt.
47.
De ‘carve-out’-clausule van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, VEU en 275, eerste alinea, VWEU betreft dus enkel de artikelen 23 VEU tot en met 46 VEU en de op grond daarvan vastgestelde Uniehandelingen.21.
48.
De verordeningen die de Raad heeft vastgesteld op grond van artikel 215 VWEU ontsnappen derhalve aan die ‘carve-out’-clausule. Partijen in het hoofdgeding en alle interveniënten in de onderhavige zaak zijn het erover eens dat de verordeningen die de Raad heeft vastgesteld op grond van artikel 215 VWEU, zoals in casu verordening nr. 833/2014, krachtens artikel 19 VEU vallen onder de algemene toetsingsbevoegdheid van de Unierechter en dat de discussie zich beperkt tot de omvang van die toetsing en de aan de Raad toe te kennen beoordelingsruimte. Het Hof heeft overigens reeds bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak gedaan over de uitlegging van verordening (EG) nr. 765/2006 van de Raad van 18 mei 2006 betreffende beperkende maatregelen tegen president Loekasjenko en bepaalde functionarissen van Belarus22., die haar wettelijke grondslag ook vond in het voormalig artikel 301 EG, thans artikel 215 VWEU.23.
49.
Om de immuniteit van jurisdictie van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, VEU en 275, eerste alinea, VWEU te kunnen genieten, moet een GBVB-handeling niet slechts haar wettelijke grondslag vinden in de artikelen 23 VEU tot en met 46 VEU, maar moet het wezen ervan de uitoefening van het GBVB betreffen.
50.
In het kader van een beroep tot nietigverklaring van maatregelen die waren genomen bij de missie die was ondernomen op grond van het gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB van de Raad van 4 februari 2008 inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, EULEX KOSOVO24., zoals gewijzigd bij besluit 2011/752/GBVB van de Raad van 24 november 2011 tot wijziging van het gemeenschappelijk optreden 2008/124/GBVB inzake de rechtsstaatmissie van de Europese Unie in Kosovo, EULEX KOSOVO25., oordeelde het Hof derhalve in de punten 48 en 49 van het arrest Elitaliana/Eulex Kosovo (C-439/13 P, EU:C:2015:753) dat ‘[d]e litigieuze maatregelen, waarvan om nietigverklaring was verzocht wegens schending van de toepasselijke regels voor overheidsopdrachten van de Unie, […] betrekking [hadden] op een overheidsopdracht die uitgaven ten laste van de begroting van de Unie meebracht. Daaruit volg[de] dat de betrokken opdracht onder de bepalingen van het Financieel Reglement [viel]’ en dat ‘[g]elet op die omstandigheden […] niet [kon] worden betoogd dat de strekking van de beperking op de bevoegdheid van het Hof, in de vorm van een uitzondering, als voorzien in artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en artikel 275 VWEU, zo ver gaat dat zou zijn uitgesloten dat het Hof bevoegd is ter zake van de uitlegging en de toepassing van de bepalingen van het Financieel Reglement over het plaatsen van overheidsopdrachten’.
c) ‘Claw-back’: beperkt rechterlijk toezicht op GBVB-handelingen (artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275, tweede alinea, VWEU)
i) Draagwijdte
51.
Indien en alleen indien een GBVB-handeling voldoet aan de twee in de punten 47 en 49 van deze conclusie genoemde voorwaarden, moet nog worden onderzocht of die handeling niet toch, op grond van de ‘claw-back’-clausule van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275, tweede alinea, VWEU, valt onder de algemene bevoegdheid die artikel 19, lid 1, VEU toekent aan de rechterlijke instanties van de Unie.
52.
Ik wijs erop dat de door de ‘carve-out’-clausule teweeggebrachte beperking van de bevoegdheid van het Hof op het gebied van het GBVB, haar grond vindt in het feit dat GBVB-handelingen, in beginsel, slechts worden geacht besluiten van puur politieke aard te vertalen die verband houden met de uitoefening van het GBVB. Rechterlijk toezicht daarop is moeilijk verenigbaar met de scheiding der machten.26.
53.
De ‘claw-back’-clausule onthoudt die immuniteit van jurisdictie echter aan een GBVB-handelingen die de grenzen van het GBVB overschrijden, hetgeen het geval is bij GBVB-besluiten die, hoewel vastgesteld op grond van titel V, hoofdstuk 2, VEU, inbreuk maken op de door het VEU aan de Unie toegekende bevoegdheden, en bij GBVB-besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen.
54.
Het Hof heeft namelijk reeds in 1998 in de punten 14 tot en met 18 van het arrest Commissie/Raad (C-170/96, EU:C:1998:219) geoordeeld dat het op grond van artikel M van het VEU (voorloper van artikel 40 VEU) bevoegd was ‘erop toe te zien, dat de handelingen waarvan de Raad stelt dat zij onder artikel K.3, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie vallen, geen inbreuk maken op de bevoegdheden die de bepalingen van het EG-Verdrag aan de Gemeenschap toekennen’.27.
55.
Ook moet, volgens vaste rechtspraak van het Hof inzake het toezicht op de wettigheid van beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen in handelingen die dateren van vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, ‘[e]en gemeenschappelijk standpunt dat, gelet op de inhoud ervan, een ruimere draagwijdte heeft dan die welke door het EU-Verdrag aan dit soort handeling wordt toegekend […] aan de controle van het Hof kunnen worden onderworpen’28., omdat ‘[d]e mogelijkheid om een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen, dient […] te bestaan ten aanzien van alle door de Raad vastgestelde bepalingen, ongeacht de aard of de vorm ervan, die beogen rechtsgevolgen voor derden teweeg te brengen’.29.
56.
De ‘claw-back’-clausule van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275, tweede alinea, VWEU heeft geen wezenlijke wijziging gebracht in de situatie die bestond vóór de vaststelling van het Verdrag van Lissabon.
57.
Ik stel vast dat, net als bij de ‘carve-out’-clausule, de redacties van de betrokken bepalingen van elkaar verschillen, maar dit keer is het artikel 275 VWEU dat striktere bewoordingen gebruikt dan artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU.
58.
Artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU bepaalt namelijk dat de rechterlijke instanties van de Unie bevoegd zijn om ‘toezicht te houden op de naleving van artikel 40 [VEU] en de wettigheid van bepaalde besluiten na te gaan, als bepaald in artikel 275, tweede alinea, VWEU’.30.
59.
Daarentegen zijn de rechterlijke instanties van de Unie volgens artikel 275, tweede alinea, VWEU bevoegd ‘om toezicht te houden op de naleving van artikel 40 [VEU] en uitspraak te doen inzake beroepen die onder de in artikel 263, vierde alinea, [VWEU] bepaalde voorwaarden worden ingesteld betreffende het toezicht op de wettigheid van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk 2, [VEU] zijn vastgesteld’.
60.
Wat het toezicht op de naleving van artikel 40 VEU betreft, zijn de twee bepalingen identiek. Iedere GBVB-handeling die onder de ‘carve-out’-clausule valt, kan door de rechterlijke instanties van de Unie worden getoetst om de naleving van artikel 40 VEU te verzekeren. Dit aspect van de ‘claw-back’-clausule bestrijkt derhalve, onder meer, op grond van artikel 215, leden 1 en 2, VWEU vastgestelde handelingen die zowel maatregelen bevatten die voorzien in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen als beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen.
61.
Er bestaat evenwel een belangrijk verschil tussen de redacties van de twee betrokken bepalingen, in die zin dat artikel 275, tweede alinea VWEU het toezicht op de wettigheid van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen beperkt tot de beroepen tot nietigverklaring die deze personen hebben ingesteld krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, terwijl artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU de bevoegdheid van het Hof herstelt om, in het algemeen, de wettigheid na te gaan van ‘bepaalde besluiten, als bepaald in artikel 275, tweede alinea, [VWEU]’, te weten ‘besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen die door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk 2, [VEU] zijn vastgesteld’.
62.
Uit de in punt 38 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak van het Hof blijkt dat het ‘toezicht op de wettigheid’ waarnaar artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU verwijst, niet slechts de op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU ingestelde beroepen tot nietigverklaring omvat, maar ook, en met name, het systeem van prejudiciële verwijzing van artikel 267 VWEU.
63.
Immers, volgens een oude en vaste rechtspraak van het Hof is ‘het prejudiciële verzoek om beoordeling van de geldigheid van een handeling, evenals het beroep tot nietigverklaring, een vorm van wettigheidscontrole op handelingen van de [Unie]instellingen’.31. Zoals het Hof heeft vastgesteld in punt 15 van het arrest Foto-Frost (314/85, EU:C:1987:452), ‘hebben de in artikel [267 VWEU] toegekende bevoegdheden hoofdzakelijk ten doel een uniforme toepassing van het [Unie]recht door de nationale rechterlijke instanties te verzekeren, [want] verschillen van inzicht tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten over de geldigheid van [Unie]handelingen zouden de eenheid van de [rechtsorde van de Unie] zelf in gevaar kunnen brengen en afbreuk kunnen doen aan het fundamentele vereiste van rechtszekerheid’.32.
64.
Bovendien, zoals, volgens de rechtspraak van het Hof33., de ‘carve-out’-clausule van artikel 275, eerste alinea, VWEU net als elke uitzondering, restrictief moet worden uitgelegd en de draagwijdte van een ‘claw-back’-clausule niet ruimer kan zijn dan die van een ‘carve-out’-clausule34., moet de ‘claw-back’-clausule van artikel 275, tweede alinea, VWEU, die terugvoert naar de algemene regel, ruim worden uitgelegd, rekening houdend met de extensievere bewoordingen van artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU.
65.
Ik meen derhalve dat de ‘claw-back’-clausule van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275, tweede alinea, VWEU de rechterlijke instanties van de Unie in staat stelt om toezicht te houden op de naleving van artikel 40 VEU door alle GBVB-handelingen (middels een beroep tot nietigverklaring of bij wijze van prejudiciële beslissing)35. en om de wettigheid na te gaan van GBVB-besluiten houdende beperkingen jegens natuurlijke of rechtspersonen die door de Raad zijn vastgesteld op grond van artikel 215, lid 2, VWEU (middels een beroep tot nietigverklaring of bij wijze van prejudiciële beslissing).36.
66.
Het tegenovergestelde standpunt, geuit door advocaat-generaal Kokott in haar standpuntbepaling inzake advies 2/13 (EU:C:2014:2475) en in het kader van de onderhavige zaak gesteund door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Tsjechische, de Duitse, de Estse, de Franse en de Poolse regering, en de Raad, dat ‘de Verdragen het Hof […] in het kader van het GBVB […] geen prejudiciële bevoegdheid [verlenen]’37., is, mijns inziens, moeilijk verenigbaar met artikel 23 VEU, dat bepaalt dat ‘[h]et internationaal optreden van de Unie [berust] op de beginselen […] van hoofdstuk 1’, waaronder de rechtstaat en de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden38., die zonder twijfel ook het recht op toegang tot de rechter en op een doeltreffende rechtsbescherming omvatten.
ii) De ‘claw-back’-clausule en door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk 2, VEU vastgestelde besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen
67.
Ik stel vast dat hoewel de ‘carve-out’-clausule van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275, eerste alinea, VWEU alle GBVB-handelingen bestrijkt, de ‘claw-back’-clausule van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275, tweede alinea, VWEU slechts betrekking heeft op de naleving van artikel 40 VEU en het toezicht op de wettigheid van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen die door de Raad zijn vastgesteld op grond van titel V, hoofdstuk 2, VEU.
68.
Wat de naleving van artikel 40 VEU betreft, is het duidelijk dat de ‘claw-back’-clausule van toepassing is op iedere handeling die reeds onder de ‘carve-out’-clausule valt.
69.
Wat, daarentegen, het toezicht op de wettigheid betreft, verwijzen artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU, artikel 275, tweede alinea, VWEU, en artikel 215, lid 2, VWEU naar besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen die door de Raad zijn vastgesteld op grond van titel V, hoofdstuk 2, VEU. Daaronder vallen, mijns inziens, niet de verordeningen, zoals in casu verordening nr. 833/2014, die door de Raad zijn vastgesteld op grond van artikel 215, VWEU.
70.
Dat bevestigt mijn in de punten 47 en 48 van deze conclusie vermelde standpunt dat de ‘carve-out’-clausule enkel van toepassing is op GBVB-handelingen die hun wettelijke grondslag vinden in de artikelen 23 VEU tot en met 46 VEU en, bijgevolg, geen betrekking heeft op handelingen die door de Raad zijn vastgesteld op grond van artikel 215 VWEU.
71.
Als dat wel zo zou zijn, zou de paradoxale situatie ontstaan dat het Hof bevoegd zou zijn de wettigheid na te gaan van GBVB-besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen die door de Raad zijn vastgesteld op grond van titel V, hoofdstuk 2, VEU, maar niet van de verordeningen die zijn vastgesteld op grond van die besluiten.
72.
Bovendien is het, anders dan voor beperkende maatregelen die voorzien in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen39. voor beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen niet verplicht een verordening vast te stellen op grond van artikel 215, lid 2, VWEU. Immers, volgens deze bepaling ‘kan de Raad [dergelijke maatregelen] vaststellen [wanneer een GBVB-besluit daarin voorziet]’.40. Het is derhalve enkel mogelijk bij GBVB-besluit beperkende maatregelen vast te stellen jegens natuurlijke of rechtspersonen. Juist voor dit type besluit voorzien de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275, tweede alinea, VWEU in de ‘claw-back’-clausule.
iii) Hoe staat het met de uitleggingsbevoegdheid?
73.
Aangezien de ‘claw-back’-clausule van de artikelen 24 lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275, tweede alinea, VWEU de bevoegdheid van het Hof beperkt tot de toetsing van de wettigheid van GBVB-besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen die door de Raad zijn vastgesteld op grond van titel V, hoofdstuk 2, VEU, lijkt de uitleggingsbevoegdheid die artikel 267, eerste alinea, onder b), VWEU toekent aan het Hof te zijn uitgesloten van de bevoegdheid van het Hof voor die handelingen.
74.
In een vergelijkbaar juridisch kader, waarin artikel 41 van het EGKS-Verdrag het Hof in staat stelde ‘om bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van besluiten van de Hoge Autoriteit en de Raad’41., stelde het Hof echter vast dat ‘het voor een oordeel over de geldigheid van een handeling noodzakelijk [is] dat zij eerst wordt uitgelegd’.42. Op die grond oordeelde het dat ‘[h]et […] dan ook in strijd [ware] met de strekking en de samenhang van de Verdragen, wanneer in zaken waarin regels in het kader van het EEG-Verdrag en het EGA-Verdrag in het geding zijn, het Hof van Justitie in hoogste instantie over hun betekenis en draagwijdte zou beslissen, gelijk dat ter verzekering van een eenvormige toepassing in gelijke bewoordingen is voorzien in artikel 177 EEG-Verdrag [thans artikel 267 VWEU] en artikel 150 EGA-Verdrag [thans ingetrokken], terwijl wanneer het gaat om regels in het kader van het EGKS-Verdrag, die bevoegdheid bij uitsluiting zou toekomen aan de vele nationale rechterlijke instanties, die elk tot een andere uitlegging zouden kunnen komen, zonder dat het Hof bevoegd was een eenvormige uitlegging van die regels te verzekeren’.43.
75.
Ik ben daarom van mening dat als de rechterlijke instanties van de Unie het maximum kunnen doen, namelijk de wettigheid toetsen van besluiten houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen die door de Raad zijn vastgesteld op grond van titel V, hoofdstuk 2, VEU, zij zeker het minimum kunnen doen, namelijk de bewoordingen van die besluiten uitleggen, met name om te voorkomen dat het Hof een handeling betreffende het GBVB vernietigt of ongeldig verklaart die het zou kunnen handhaven door een andere uitlegging voor te schrijven.
76.
Temeer omdat, zoals de verwijzende rechter in de punten 30 tot en met 34 van zijn prejudiciële verzoek aangeeft, er op bepaalde essentiële punten reeds verschillen van inzicht bestaan tussen bevoegde autoriteiten van een aantal lidstaten, met name wat de uitlegging betreft van het begrip ‘financiële bijstand’ dat is opgenomen in de artikelen 4, lid 2, onder b), van besluit 2014/512 en 4, lid 3, van verordening nr. 833/2014, zoals blijkt uit de schriftelijke opmerkingen die zijn ingediend door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Duitse, de Estse, en de Franse regering.
3. Besluit 2014/512 in het licht van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275 VWEU
77.
Besluit 2014/512 geniet, op het eerste gezicht, immuniteit van jurisdictie krachtens de ‘carve-out’-clausule van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275, eerste alinea, VWEU, omdat het voldoet aan de twee in de punten 47 en 49 van deze conclusie genoemde voorwaarden.
78.
Besluit 2014/512 vindt immers zijn wettelijke grondslag in artikel 29 VEU, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 2, ‘Specifieke bepalingen betreffende het GBVB’, van titel V, van het VEU, en het wezen ervan betreft duidelijk de uitoefening van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, aangezien de Raad bij dit besluit beperkende maatregelen heeft ingesteld ‘naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren’.44.
79.
Mijns inziens is het Hof krachtens de ‘claw-back’-clausule van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, VEU en 275, tweede alinea VWEU bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de verenigbaarheid van besluit 2014/512 met artikel 40 VEU, aangezien Rosneft, in de punten 21 en 22 van haar schriftelijke opmerkingen, de wettigheid van besluit 2014/512 betwist in het licht van dat artikel.
80.
Om vast te stellen of het Hof eveneens bevoegd is de wettigheid van besluit 2014/512 te toetsen op andere gronden dan schending van artikel 40 VEU, moet worden nagegaan of dit besluit ‘een besluit [is] houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen, die door de Raad op grond van titel V, hoofdstuk 2, [VEU] zijn vastgesteld’, in de zin van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, VEU en 275, tweede alinea, VWEU.
81.
In dit verband betwisten de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Franse en de Estse regering, de Raad, en de Commissie dat besluit 2014/512 beperkende maatregelen bevat jegens natuurlijke of rechtspersonen, aangezien, huns inziens, de erin opgenomen maatregelen van toepassing zijn op objectief bepaalde situaties en een algemene categorie personen.
82.
De artikelen 4 en 4a45. van besluit 2014/512 zijn immers niet gericht tegen Rosneft, in tegenstelling tot de artikelen 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 346., en 747., waarvan de werkingssfeer drie Russische vennootschappen betreft, waaronder Rosneft (zie bijlage III van dat besluit).
83.
Er zij in dit verband aan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak, beperkende maatregelen ‘verwantschap vertonen met handelingen van algemene strekking, aangezien zij het een categorie van bepaalde adressaten algemeen en abstract verbieden om met name activa en financiële middelen ter beschikking te stellen van personen en entiteiten wier namen op de lijsten in de bijlagen daarbij voorkomen, en met een bundel van individuele besluiten ten aanzien van deze personen en entiteiten’.48. Volgens het Hof ‘[is] het de individuele aard van deze handelingen […] die de weg naar de Unierechter […] vrijmaakt’.49.
84.
In die zin werd het beroep tot nietigverklaring dat aan de orde was in de zaak Manufacturing Support & Procurement Kala Naft/Raad (T-509/10, EU:T:2012:201) verworpen wegens onbevoegdheid in het licht van artikel 275 VWEU, voor zover het betrekking had op artikel 4 van besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB 50. (hierna: ‘besluit 2010/413’), dat niet specifiek tegen de verzoeker was gericht.51. In punt 99 van het arrest Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C-348/12 P, EU:C:2013:776) bevestigde het Hof die verwerping op dezelfde gronden.
85.
Aangezien de tekst van de artikelen 4 en 4a van besluit 2014/512 grotendeels gelijk is aan die van artikel 4 van besluit 2010/41352., deel ik het standpunt van de Commissie dat die bepalingen geen beperkende maatregelen inhouden jegens Rosneft. Het Hof is, bijgevolg, niet bevoegd de wettigheid van die bepalingen na te gaan (en ze uit te leggen), aangezien de ‘claw-back’-clausule van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, VEU en 275, tweede alinea, VWEU niet van toepassing is.
86.
Ik deel nochtans niet het standpunt van de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Tsjechische, de Franse, de Estse en de Poolse regering, de Raad, en de Commissie, dat de artikelen 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en 7, van besluit 2014/512 die, via bijlage III, uitdrukkelijk tegen Rosneft zijn gericht, niet zouden voorzien in beperkende maatregelen jegens laatstgenoemde, omdat de erin vervatte maatregelen van toepassing zouden zijn op objectief bepaalde situaties en een algemene categorie personen. Dat bijlage III de naam van Rosneft vermeldt zou van puur declaratoire aard zijn.
87.
De Commissie baseert zich in dit verband op de punten 39 van het arrest Sina Bank/Raad (T-67/12, EU:T:2014:348) en 32 van het arrest Hemmati/Raad (T-68/12, EU:T:2014:349) waarin het Gerecht ten aanzien van artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 oordeelde dat ‘[het] ‘besluit[…] houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen’ in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU is te vinden in de handeling waarbij de naam van verzoekster, na nieuw onderzoek, werd gehandhaafd in bijlage II van besluit 2010/413, zoals gewijzigd bij besluit 2010/644, met ingang van 1 december 2011’, en niet in het feit dat de naam van verzoekster was opgenomen in bijlage II van de oorspronkelijke versie van besluit 2010/413. Het Gerecht had zich op die grond onbevoegd verklaard door te oordelen dat bij artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413 geen beperkende maatregelen jegens personen waren ingesteld, maar maatregelen van algemene strekking.
88.
Bovendien legde het Gerecht, in de punten 42 van het arrest Sina Bank/Raad (T-67/12, EU:T:2014:348) en 35 van het arrest Hemmati/Raad (T-68/12, EU:T:2014:349), het criterium ‘individueel’ zijn geraakt door artikel 16, lid 2, van de verordening die door de Raad is vastgesteld op grond van besluit 2010/41353. en waarin als maatregelen van algemene strekking dezelfde maatregelen zijn opgenomen als in artikel 20, lid 1, onder b), van besluit 2010/413, op dezelfde wijze uit als het begrip ‘besluit houdende beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen of rechtspersonen’. Het verklaarde op die grond het door verzoekster ingestelde beroep tot nietigverklaring van dat artikel 16, lid 2, niet-ontvankelijk.
89.
Deze rechtspraak van het Gerecht is, mijns inziens, niet in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit punt 99 van het arrest Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C-348/12 P, EU:C:2013:776)54.. Immers, zoals een andere formatie van het Gerecht oordeelde in punt 36 van het arrest National Iranian Oil Company/Raad (T-578/12, EU:T:2014:678), bevestigd door het Hof in het arrest National Iranian Oil Company/Raad (C-440/14 P, EU:C:2016:128), ‘verleent artikel 263, vierde alinea, VWEU aan iedere natuurlijke of rechtspersoon de hoedanigheid om op te komen tegen handelingen van Unie-instellingen wanneer aan de door die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan, hetgeen in casu het geval is [omdat die Uniehandelingen hem vermelden op de lijsten van betrokken maatregelen]’.
90.
Bovendien zou, volgens hetzelfde punt van het arrest National Iranian Oil Company/Raad (T-578/12, EU:T:2014:678) de stelling van het Gerecht in de arresten Sina Bank/Raad (T-67/12, EU:T:2014:348) en Hemmati/Raad (T-68/12, EU:T:2014:349) dat het begrip beperkende maatregel jegens personen en het criterium individueel zijn geraakt door de betrokken maatregel in feite hetzelfde betekenen, ‘de artikelen 263 VWEU en 275, tweede alinea, VWEU schenden en derhalve in strijd zijn met het door het VWEU ingestelde systeem van rechterlijke bescherming en het in artikel 47 van het [Handvest] neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte’.
91.
Dat, volledigheidshalve, gezegd hebbende, een dergelijke strenge uitleg zou de ‘claw-back’-clausule in veel gevallen illusoir maken indien, anders dan ik hierboven voorstel, bepalingen van GBVB-besluiten die, zoals de artikelen 1, lid 2, onder b) tot en met d), en 3, en 7, van besluit 2014/512, uitdrukkelijk zijn gericht tegen natuurlijke of rechtspersonen, geen ‘beperkende maatregelen jegens personen’ zouden vormen in de zin van de ‘claw-back’-clausule, met als gevolg dat geen prejudiciële vraag kan worden gesteld over de geldigheid.
92.
Ik geef het Hof derhalve in overweging op de eerste vraag te antwoorden dat het Hof, ingevolge de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275 VWEU, bevoegd is om, krachtens artikel 267 VWEU, bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van besluit 2014/512 in het licht van artikel 40 VEU, en om uitlegging te geven aan en de wettigheid te toetsen van de artikelen 1, lid 2, onder b) tot en met d), en 3, en 7 en bijlage III van dat besluit.
93.
Ik wil evenwel preciseren dat, ondanks het feit dat de bij de artikelen 4 en 4a van besluit 2014/512 ingestelde beperkende maatregelen binnen de werkingssfeer van de ‘carve-out’-clausule vallen en niet binnen die van de ‘claw-back’-clausule, het niet zo is dat er geen sprake is van rechterlijke bescherming, aangezien verordening nr. 833/2014, zoals ik in de punten 47, 49, 69 en 70 van deze conclusie heb uitgelegd, volledig valt onder de bevoegdheid van het Hof en in de artikelen 3, 3a en 4, leden 3 en 4 bijna woord voor woord de tekst van die bepalingen herhaalt. Indien het Hof zich genoodzaakt ziet deze bepalingen van verordening nr. 833/2014 nietig te verklaren, moet de Raad de nodige maatregelen nemen om de gelijkluidende bepalingen van besluit 2014/512 in overeenstemming te brengen met het arrest van het Hof, en dat, zoals de Raad ter terechtzitting heeft aanvaard, overeenkomstig artikel 266 VWEU.
B — Tweede vraag, onder a)
94.
Met zijn tweede vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de artikelen 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, 4, 4a en 7 en bijlage III van besluit 2014/512 en de artikelen 3, 3a, 4, leden 3 en 4, 5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en 11 en de bijlagen II en VI van verordening nr. 833/2014 geldig zijn.
95.
Gelet op mijn antwoord op de eerste vraag, onderzoek ik zowel de naleving van artikel 40 VEU door besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 als de geldigheid van de artikelen 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en 7 en bijlage III van besluit 2014/512 en de artikelen 3, 3a, 4, leden 3 en 4, 5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en 11 en de bijlagen II en VI van verordening nr. 833/2014.
1. Naleving van artikel 40 VEU door besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014
96.
Volgens Rosneft heeft de Raad, door een GBVB-besluit vast te stellen dat in wezen van wetgevende aard is, zijn bevoegdheden overschreden. Volgens artikel 29 VEU bestaat de rol van de Raad erin besluiten vast te stellen ‘waarin de aanpak van de Unie [wordt] bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geogra?sche of thematische aard’. Daarentegen is de vaststelling van wetgevingshandelingen in het kader van het GBVB uitgesloten krachtens artikel 31, lid 1, VEU. De Raad heeft derhalve door het vaststellen van de zeer gedetailleerde bepalingen van besluit 2014/512, die in vrijwel identieke bewoordingen zijn overgenomen in verordening nr. 833/2014, de bepaling van artikel 40 VEU geschonden, volgens welke de bevoegdheden van de Unie-instellingen op het gebied van het GBVB geen gevolgen hebben voor de bevoegdheden van de Unie-instellingen op andere beleidsonderdelen, en inbreuk gemaakt op de bevoegdheid tot het doen van voorstellen die krachtens artikel 215 VWEU is toegekend aan de Commissie en de hoge vertegenwoordiger gezamenlijk.
97.
Mijns inziens vormen besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 geen wetgevingshandelingen.
98.
Ook al verstaat men, in het algemeen, onder ‘wetgevingshandelingen’ maatregelen van algemene strekking die van toepassing zijn op objectief bepaalde situaties en een algemene en abstracte categorie personen, de definitie van dat begrip zoals het in artikel 24 wordt gebruikt kan enkel worden gevonden in artikel 289, lid 3, VWEU. Die bepaling definieert deze categorie als ‘volgens een wetgevingsprocedure vastgestelde rechtshandelingen’, dus als rechtshandelingen die zijn vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure van artikel 289, lid 1, VWEU of de bijzondere wetgevingsprocedure van artikel 289, lid 2, VWEU.
99.
Door dus de vaststelling van wetgevingshandelingen te verbieden, sluiten de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, derde zin, VEU en 31, lid 1, VEU de bredere rol uit die bij artikel 289, leden 1 en 2, VWEU is toegekend aan het Parlement en de Commissie.55.
100.
Overigens verschillen de procedures van artikel 24, lid 1, tweede alinea, VEU, voor de vaststelling van besluit 2014/512, en artikel 215, voor de vaststelling van verordening nr. 833/2014, van die van artikel 289 VWEU, voor het kwalificeren van een handeling als wetgevingshandeling.
101.
Omdat Rosneft niet aanvoert dat besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 op een andere rechtsgrondslag dan, respectievelijk, de artikelen 29 VEU en 215 VWEU hadden moeten worden vastgesteld, moeten de argumenten van Rosneft buiten beschouwing worden gelaten.
2. Geldigheid van de artikelen 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en 7 en bijlage III van besluit 2014/512 en van de artikelen 3, 3a, 4, leden 3 en 4, 5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en 11, en de bijlagen II en VI van verordening nr. 833/2014
a) Omvang van het toezicht
102.
In de punten 64, 108 en 115 van zijn opmerkingen stelt de Raad dat het Hof niet bevoegd is de wettigheid te toetsen van de betrokken bepalingen van verordening nr. 833/2014, aangezien de door Rosneft aangevoerde nietigheidsmiddelen vooral zijn bedoeld om de volledig onder het GBVB vallende principebesluiten te betwisten die de Raad heeft vastgesteld bij besluit 2014/512.
103.
Ik deel dat standpunt niet omdat, mijns inziens, de vaststelling van een verordening op grond van artikel 215 VWEU, zelfs als die verordening de maatregelen van een besluit betreffende het GBVB woord voor woord overneemt, completeert of specificeert, zoals in casu het geval is bij besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014, het verlies impliceert van de immuniteit van jurisdictie die deze maatregelen konden genieten op grond van de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en artikel 275, eerste alinea, VWEU.56.
104.
De tegenovergestelde oplossing zou tot gevolg hebben dat een ruime uitlegging wordt gegeven aan de uitsluiting van de bevoegdheid van het Hof op dit gebied, terwijl deze uitsluiting de uitzondering is en niet de regel.
105.
Dat gezegd hebbende, ben ik van mening dat de Raad, op dit gebied dat valt onder de diplomatie en het buitenlands en veiligheidsbeleid, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt.57.
b) Middel inzake ongeldigheid wegens vermeende schending van de partnerschapovereenkomst
106.
Volgens Rosneft schenden de artikelen 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage III van besluit 2014/512 en de artikelen 3, leden 1, 3 en 5, 3a, lid 1, 5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlagen II en VI van verordening nr. 833/2014 de artikelen 10, lid 1, (meestbegunstigingsclausule inzake goederenhandel), 12 (vrije doorvoer van goederen), 36 (clausule dat partijen elkaar inzake grensoverschrijdende dienstverlening niet minder gunstig behandelen dan derde landen) en 52, leden 2, 5, en 9 (vrij kapitaalverkeer) van de partnerschapovereenkomst.
107.
De regering van het Verenigd Koninkrijk, de Estse en de Franse regering, de Raad, en de Commissie stellen dat de betrokken maatregelen gerechtvaardigd zijn omdat zij, volgens artikel 99, lid 1, onder d), van de partnerschapovereenkomst, ‘nodig [zijn] voor de bescherming van [de] vitale veiligheidsbelangen [van partijen] in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden’, en dat de door Rosneft ingeroepen bepalingen van deze overeenkomst hoe dan ook geen directe werking hebben.
108.
Aangezien artikel 99 van de partnerschapovereenkomst het bestaan van een met de materiële bepalingen van die overeenkomst strijdige maatregel vooronderstelt, moet eerst worden onderzocht of artikel 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage III van besluit 2014/512 en de artikelen 3, leden 1, 3 en 5, 3a, lid 1, 5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlagen II en VI van verordening nr. 833/2014 de artikelen 10, lid 1, 12, 36 en 52, leden 2, 5 en 9, van die overeenkomst schenden.
i) Directe werking van de artikelen 10, lid 1, 12, 36 en 52, leden 2, 5 en 9, van de partnerschapovereenkomst
109.
Er zij in dit verband aan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak, een overeenkomst tussen de Unie en een of meer derde landen wat de Unie betreft, een handeling is die door een van haar instellingen is verricht in de zin van artikel 267, eerste alinea, onder b), VWEU, dat de bepalingen van een dergelijke overeenkomst vanaf de inwerkingtreding ervan een integrerend bestanddeel van de rechtsorde van de Unie vormen, en dat het Hof in het kader van deze rechtsorde bevoegd is bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de uitlegging van die overeenkomst.58.
110.
In punt 37 van het arrest Commissie/Rusal Armenal (C-21/14 P, EU:C:2015:494) oordeelde het Hof bovendien dat ‘de bepalingen van een internationale overeenkomst waarbij de Unie partij is slechts kunnen worden ingeroepen ter ondersteuning van […] een exceptie van onwettigheid van een dergelijke handeling, op de dubbele voorwaarde dat de aard en de opzet van die overeenkomst hier niet aan in de weg staan en dat die bepalingen inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn […]. Slechts wanneer cumulatief aan die beide voorwaarden is voldaan, kunnen dergelijke bepalingen voor de Unierechter worden ingeroepen als criterium voor de beoordeling van de wettigheid van een handeling van de Unie’.59.
111.
Aangezien de artikelen 10, lid 1, en 12, van de partnerschapovereenkomst verwijzen naar specifieke bepalingen van de GATT, baseren de Raad en de Commissie zich op de vaste rechtspraak van het Hof inzake WTO-overeenkomsten, volgens welke ‘zij, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet behoren tot de normen waaraan het Hof de wettigheid van handelingen van de instellingen van de Unie kan toetsen’.60.
112.
De partnerschapovereenkomst is echter niet een overeenkomst die uitsluitend goederenhandel betreft, waarop die rechtspraak van toepassing zou kunnen zijn.61.
113.
De partnerschapovereenkomst heeft immers, zoals het Hof heeft vastgesteld in punt 27 van het arrest Simutenkov(C-265/03, EU:C:2005:213), ‘ten doel een partnerschap tussen de partijen tot stand te brengen, dat onder meer nauwe politieke betrekkingen, handel en harmonische economische betrekkingen tussen deze partijen, de politieke en economische vrijheden, evenals de verwezenlijking van een geleidelijke integratie tussen de Russische Federatie en een uitgestrekter samenwerkingsgebied in Europa moet bevorderen’.
114.
Het Hof voegde daar in punt 28 van dat arrest, aan toe dat ‘[d]e omstandigheid dat deze overeenkomst zich aldus ertoe beperkt een partnerschap tussen de partijen tot stand te brengen, zonder in een associatie of een toekomstige toetreding van de Russische Federatie tot de [Unie] te voorzien, […] de rechtstreekse werking van sommige bepalingen ervan niet in de weg [staat]. Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat wanneer een overeenkomst een samenwerking tussen de partijen tot stand brengt [en, gelet op haar bewoordingen en op het doel en de aard ervan, duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichtingen behelst die voor hun uitvoering of werking geen verdere handeling vereisen], sommige bepalingen ervan de rechtspositie van particulieren […] rechtstreeks kunnen beheersen’.
115.
Het Hof erkende derhalve, in punt 22 van dat arrest, de directe werking van artikel 23, lid 1, van die overeenkomst, dat betrekking heeft op arbeidsvoorwaarden.
116.
Anders dan de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Franse regering, de Raad, en de Commissie, zie ik niet in waarom de bewoordingen van de betrokken bepalingen van de partnerschapsovereenkomst niet zouden voldoen aan de criteria voor directe werking als vermeld in punt 21 van het arrest Simutenkov (C-265/03, EU:C:2005:213) en overgenomen in punt 37 van het arrest Commissie/Rusal Armenal (C-21/14 P, EU:C:2015:494).
117.
Artikel 10, lid 1, van de partnerschapovereenkomst bepaalt namelijk dat ‘[d]e partijen […] ten aanzien van elkaar de algemene meestbegunstigingsregeling toe[passen] van artikel 1, lid 1, van de GATT’.62. Artikel 12, lid 1, tweede alinea, bepaalt dat ‘elke partij de vrije doorgang over zijn grondgebied [waarborgt] van goederen die van oorsprong zijn uit of bestemd zijn voor het douanegebied van de andere partij’. Artikel 36 bepaalt dat ‘de partijen elkaar een behandeling [verlenen] welke niet minder gunstig is dan die welke zij aan om het even welk derde land toekennen ten aanzien van de voorwaarden voor de grensoverschrijdende dienstverlening’. En artikel 52 bepaalt, tot slot, dat de partijen bij de partnerschapovereenkomst ‘[h]et vrije kapitaalverkeer tussen inwoners van de [Unie] en van Rusland in de vorm van directe investeringen [garanderen]’ (lid 2), ‘na het verstrijken van een overgangsperiode van 5 jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst geen nieuwe beperkingen in[stellen]’ (lid 5) en ‘elkaar met betrekking tot de vrijheid van de lopende betalingen en kapitaalverrichtingen en met betrekking tot de betaalmethoden een meestbegunstigingsbehandeling [verlenen]’ (lid 9).
118.
De bewoordingen van deze bepalingen zijn, mijns inziens, niet minder onvoorwaardelijk dan die van artikel 23, lid 1, van die overeenkomst, waarvan het Hof de directe werking heeft vastgesteld.63. Zij zijn dus meer ‘dan een afspraak om tot overeenstemming te komen (‘an agreement to agree’)’.64.
ii) Bestaan van beperkingen van de bij de artikelen 10, lid 1, 12, 36 en 52, leden 2, 5, en 9, van de partnerschapovereenkomst toegekende rechten.
119.
Derhalve moet worden onderzocht of de bij artikel 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage III van besluit 2014/512 en de artikelen 3, leden 1, 3 en 5, 3a, lid 1, 5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlagen II en VI van verordening nr. 833/2014 ingestelde maatregelen, beperkingen bevatten van de artikelen 10, lid 1, 12, 36 en 52, leden 2, 5 en 9, van de partnerschapovereenkomst.
— Artikelen 10, lid 1, en 12 van de partnerschapovereenkomst (goederenhandel)
120.
Wat de bewering betreft dat de artikelen 3, leden 1, 3 en 5, en 3a, lid 1, van verordening nr. 833/2014 artikel 10, lid 1, van de partnerschapovereenkomst zouden schenden, moet worden opgemerkt dat artikel 10, lid 1, slechts tot gevolg heeft gehad dat de toepassing van artikel I:1 van de GATT werd uitgebreid tot de relaties tussen de Unie en de Russische Federatie, in een tijd waarin laatstgenoemde geen deel uitmaakte van de Wereldhandelsorganisatie.
121.
Artikel I:1 van de GATT beperkt zich evenwel tot ‘in- en uitvoerrechten en enigerlei heffingen ter zake van of in verband met in- of uitvoer of ter zake van de overmaking naar of uit het buitenland van gelden ter betaling van importen of exporten, alsmede ten aanzien van de wijze van heffing van zodanige rechten en heffingen en voorts ten aanzien van alle regels en formaliteiten nopens in- en uitvoer, alsmede ten aanzien van alle in de leden 2 en 4 van artikel III bedoelde aangelegenheden’.
122.
Aangezien artikel 3, leden 1, 3 en 5, van verordening nr. 833/2014 geen betrekking heeft op de douanetarieven die van toepassing zijn op de uitvoer van de in die bepalingen bedoelde goederen, maar de uitvoer ervan naar de Russische Federatie onderwerpt aan een voorafgaande vergunning en preciseert onder welke voorwaarden de lidstaten die vergunning moeten weigeren, vallen die bepalingen duidelijk niet binnen de werkingssfeer van artikel 10, lid 1, van de partnerschapovereenkomst.
123.
A fortiori valt artikel 3a, lid l, van verordening nr. 833/2014, dat de verstrekking van diensten verbiedt die noodzakelijk zijn voor bepaalde categorieën exploratie- en productieprojecten in Rusland, evenmin onder artikel 10, lid 1, van de partnerschapovereenkomst.
124.
Artikel 12, lid 1, tweede alinea, van de partnerschapovereenkomst verplicht de Unie en haar lidstaten de vrije doorvoer65. over het grondgebied van de Unie te waarborgen van goederen die afkomstig zijn uit of bestemd zijn voor het douanegebied van de Russische Federatie.
125.
De Unie en haar lidstaten zijn derhalve verplicht te waarborgen dat goederen bestemd voor of afkomstig uit de Russische Federatie vrije doorgang vinden over hun grondgebied.
126.
Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 833/2014 onderwerpt de verkoop, levering, overdracht en uitvoer van de in bijlage II vermelde goederen, al dan niet van oorsprong uit de Unie, aan een voorafgaande vergunning, indien die goederen zijn bestemd voor gebruik in de Russische Federatie. Artikel 3, lid 5, van die verordening verbiedt voorts de verlening van een vergunning wanneer de betrokken verkoop, levering, overdracht of uitvoer goederen betreft die zijn bestemd voor exploratie- en productieprojecten als bedoeld in lid 3 van dat artikel.
127.
Deze bepalingen hebben, mijns inziens, geen enkel gevolg voor de door artikel 12, lid 1, tweede alinea, van de partnerschapovereenkomst gewaarborgde vrije doorvoer.
128.
Want ook al heeft artikel 3, lid 1, van verordening nr. 833/2014, onder meer, betrekking op de overdracht van de in bijlage II vermelde goederen ‘al dan niet van oorsprong uit de Unie’, dat neemt niet weg dat de leden 2 en 4 van dat artikel slechts betrekking hebben op uitvoer.
129.
In die zin ‘wordt [de] voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer vereiste vergunning […] afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de exporteur is gevestigd’66. en ‘verstrekken [de exporteurs] de bevoegde autoriteiten alle gegevens die vereist zijn voor de aanvraag van een uitvoervergunning’.67.
130.
Het lijkt mij derhalve duidelijk dat deze bepalingen van verordening nr. 833/2014 geen betrekking hebben op de doorvoer van de in bijlage II vermelde goederen, maar op gevallen van levering, overdracht of uitvoer vanaf het grondgebied van de lidstaten.
131.
In die zin wordt de vrije doorvoer van de betrokken uit derde landen afkomstige en voor de Russische Federatie bestemde goederen niet geraakt.
132.
Hoe het ook zij, ook al zou het Hof het bestaan vaststellen van een beperking van de artikelen 10, lid 1, en 12, lid 1, tweede alinea, van de partnerschapovereenkomst, dan is die beperking, zoals de Commissie stelt, ingevolge artikel 19 van die overeenkomst gerechtvaardigd om redenen van openbare orde en veiligheid.
— Artikel 36 van de partnerschapovereenkomst (grensoverschrijdende dienstverlening)
133.
Volgens artikel 36 van de partnerschapovereenkomst zijn de Unie en haar lidstaten verplicht de Russische Federatie een behandeling te verlenen welke niet minder gunstig is dan die welke zij aan om het even welk derde land toekennen ten aanzien van de voorwaarden voor de grensoverschrijdende dienstverlening door vennootschappen uit de Unie op het grondgebied van de Russische Federatie, in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in dat land van toepassing zijn.
134.
Volgens bijlage 5 van die overeenkomst omvatten de in artikel 36 bedoelde diensten, onder meer, diensten van ingenieurs (CPC 8672)68. en technische beproeving en analyse (CPC 8676)69..
135.
Anders dan Rosneft beweert, betreft echter geen van de met de nummers CPC 8672 en CPC 8676 aangeduide diensten de boringen, tests, metingen en afwerking van boorgaten of levering van gespecialiseerde drijvende installaties die worden bedoeld in artikel 3a, lid 1, van verordening nr. 833/2014.70.
— Artikel 52, leden 2, 5 en 9, van de partnerschapovereenkomst (vrij kapitaalverkeer)
136.
Lid 2 van deze bepaling garandeert het vrije kapitaalverkeer tussen de Unie en de Russische Federatie ‘in de vorm van directe investeringen in vennootschappen die in overeenstemming met de wetten van het gastland zijn opgericht’.
137.
Bovendien moet de Unie de Russische Federatie, volgens lid 9 van dit artikel ‘met betrekking tot de vrijheid van […] kapitaalverrichtingen […] een meestbegunstigingsbehandeling [verlenen]’.
138.
Volgens de gemeenschappelijke verklaring betreffende artikel 52 (Definities) zijn ‘directe investeringen’:
‘[…] investeringen die tot doel hebben duurzame economische relaties met een onderneming tot stand te brengen, zoals bijvoorbeeld de investeringen in het betrokken land door niet-inwoners of in het buitenland door inwoners, welke de mogelijkheid met zich brengen invloed uit te oefenen op het bestuur van die onderneming doordat zij betrekking hebben op:
[…]
- 2)
het nemen van een participatie in een nieuwe of bestaande onderneming;
- 3)
een lening met een looptijd van vijf jaar of meer.’
139.
Uit deze bepalingen blijkt heel duidelijk dat de directe of indirecte aankoop of verkoop van, het direct of indirect verlenen van investeringsdiensten of bijstand bij de uitgifte van obligaties, aandelen of soortgelijke financiële instrumenten71. alleen dan directe investeringen kunnen vormen als zij leiden tot het nemen van een participatie in een onderneming met het oogmerk duurzame economische relaties tot stand te brengen.
140.
Uit deze bepalingen blijkt eveneens dat het treffen van of deelnemen aan een regeling die tot doel heeft Rosneft na 12 september 2014 nieuwe leningen of kredieten te verlenen met een looptijd van meer dan 30 dagen72. alleen dan een directe investering kan vormen indien het een lening of krediet betreft met een looptijd van vijf jaar of meer waarmee wordt beoogt duurzame economische relaties tot stand te brengen.
141.
Daaruit volgt dat artikel 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage III van besluit 2014/512 en artikel 5, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en bijlage VI van verordening nr. 833/2014 slechts een beperking vormen van het door artikel 52, leden 2, 5 en 9, van de partnerschapovereenkomst beschermde vrije kapitaalverkeer, voor zover zij de in de punten139 en 140 van deze conclusie bedoelde directe investeringen verbieden.
iii) Rechtvaardiging
142.
Artikel 19 van de partnerschapovereenkomst voorziet, in vrijwel dezelfde bewoordingen als artikel 36 VWEU, in de mogelijkheid beperkingen van de goederenhandel te rechtvaardigen, maar die overeenkomst biedt die mogelijkheid daarentegen niet voor beperkingen van het vrije kapitaalverkeer.
143.
Om de redenen die ik heb uiteengezet in de punten 123 tot en met 125 van mijn conclusie in de zaak SECIL (C-464/14, EU:C:2016:52)73., ben ik van mening dat beperkingen van het door artikel 52 van de partnerschapovereenkomst gegarandeerde vrije kapitaalverkeer kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang.
144.
Hoewel de Raad geen dwingende reden van algemeen belang aanvoert, meen ik uit zijn op artikel 99 van de partnerschapovereenkomst gegronde argumenten te kunnen opmaken dat, zijns inziens, een beperking van het vrije kapitaalverkeer gerechtvaardigd is om redenen van openbare orde en veiligheid.
145.
Immers, aangezien de beperkende maatregelen van artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en bijlage III van besluit 2014/512 en artikel 5, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en bijlage VI van verordening nr. 833/2014 zijn vastgesteld ‘in antwoord op de acties van [de Russische Federatie] die de situatie in Oekraïne destabiliseren’74. en ‘teneinde Rusland een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en […] een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen’75., lijken zij, in mijn ogen, te kunnen worden gerechtvaardigd om redenen van openbare orde en veiligheid.
146.
Uit de overwegingen van besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 blijkt dat de beperkende maatregelen jegens de Russische Federatie eerst publiekelijk zijn aangekondigd door de Unie en haar lidstaten en dat zij pas zijn vastgesteld en geleidelijk uitgebreid naargelang een reactie van de Russische Federatie uitbleef.
147.
Omdat de beperkende maatregelen tot doel hebben ‘[de Russische Federatie] een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en […] een vreedzame oplossing van [de] crisis te bevorderen’76. en omdat Rosneft van alle aan de Russische beurs genoteerde aardoliemaatschappijen de grootste oliereserves heeft en de meeste aardolie produceert (meer dan 40 % van de in de Russische Federatie geproduceerde aardolie77.) en de Russische Staat 69,5 % van haar maatschappelijk kapitaal bezit, ben ik van mening dat de door artikel 1, lid 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage III van besluit 2014/512 en artikel 5, lid 2, onder b) tot en met d), en lid 3, en bijlage VI van verordening nr. 833/2014 opgelegde beperkingen noodzakelijk zijn teneinde een zodanige druk uit te oefenen dat het door dat besluit en die verordening nagestreefde doel, namelijk ‘[de Russische Federatie] een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en […] een vreedzame oplossing van [de] crisis te bevorderen’78., kan worden verwezenlijkt. De beperkende maatregelen eerbiedigen derhalve het evenredigheidsbeginsel.
iv) Artikel 99 van de partnerschapovereenkomst
148.
Indien het Hof oordeelt dat er sprake is van een niet gerechtvaardigde beperking van de artikelen 10, lid 1, 12, 36 en 52, leden 2, 5 en 9, van de partnerschapovereenkomst, ben ik, net als de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Estse en de Franse regering, de Raad, en de Commissie, van mening dat die beperking kan worden gerechtvaardigd door artikel 99, lid 1, onder d), van die overeenkomst, dat de Unie in staat stelt ‘maatregelen te nemen die zij nodig acht voor de bescherming van haar vitale veiligheidsbelangen […] in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden’79..
149.
Indien de Raad, zoals ik in punt 105 van deze conclusie stel, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, geldt dat eveneens voor de vaststelling van het bestaan van een ernstige internationale spanning die een oorlogsdreiging inhoudt.
150.
Enerzijds zij eraan herinnerd dat de Raad zich bij de vaststelling van de beperkende maatregelen die in de onderhavige zaak aan de orde zijn heeft gebaseerd op ‘de niet-uitgelokte schending van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne door de Russische Federatie’80., ‘de crash van vlucht MH17 van Malaysian Airlines in Donetsk’81., en ‘de illegale inlijving van de Krim en Sebastopol’82..
151.
Anderzijds moet worden opgemerkt dat de Russische Federatie binnen de VN-Veiligheidsraad over een vetorecht beschikt. Het is dus zinloos om de vaststelling van het bestaan van een vredesbedreiging te zoeken in de resoluties van die Raad83., of zelfs in de ontwerpresoluties die niet door die Raad zijn vastgesteld vanwege de (daadwerkelijke of mogelijke) uitoefening van het vetorecht door de Russische Federatie.84.
152.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de Raad de ernst van de internationale spanningen die ten tijde van de vaststelling van besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 bestonden niet kennelijk onjuist heeft beoordeeld.
c) Middel inzake ongeldigheid wegens vermeende schending van de motiveringspicht (artikel 296 VWEU)
153.
Volgens Rosneft schenden de artikelen 3, 3a, 4, leden 3 en 4, en bijlage II van verordening nr. 833/2014 de motiveringsplicht die artikel 296 VWEU aan de Raad oplegt, voor zover die verordening niet uitlegt hoe en waarom het feit dat die bepalingen zich tegen de Russische aardolie-industrie richten en de wijze waarop zij dat doen, bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van de betrokken maatregelen als uiteengezet in de overwegingen 285. en 486. van die verordening.
154.
Rosneft beroept zich eveneens op schending van artikel 296 VWEU door artikel 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage III van besluit 2014/512 en artikel 5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage VI van de verordening, voor zover die bepalingen, ook al zijn zij niet uitdrukkelijk tegen haar gericht, haar niet in staat stellen te beoordelen waarom het enkele feit dat de Russische Staat haar meerderheidsaandeelhouder is, bijdraagt aan de verwezenlijking van het doel van de betrokken maatregelen als uiteengezet in de overwegingen 287. en 588. van verordening nr. 833/2014.
155.
Mijns inziens is er in casu geen sprake van schending van de motiveringsplicht.
156.
Zoals het Hof heeft vastgesteld in punt 53 van zijn arrest Raad/Bamba (C-417/11 P, EU:C:2012:718) ‘[moet] de door artikel 296 VWEU vereiste motivering […] beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin zij is vastgesteld. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen’.
157.
Inzake beperkende maatregelen tegen natuurlijke of rechtspersonen, zoals de bevriezing van tegoeden in de zaak die heeft geleid tot het arrest Raad/Bamba (C-417/11 P, EU:C:2012:718), oordeelde het Hof bovendien, in punt 54 van dat arrest, dat ‘een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd [is] wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen’.
158.
Omdat zij de grootste Russische aardoliemaatschappij is, die voor 69,5 % eigendom is van de Russische Staat89., met een geschat totaal vermogen van meer dan 1 000 miljard Russische roebel, en omdat ten minste 50 % van haar geschatte inkomsten afkomstig is uit de verkoop of het vervoer van ruwe aardolie of aardolieproducten90., is Rosneft wel degelijk in staat te beoordelen welke belangrijke bijdrage de aardoliesector levert aan het budget van de Russische Federatie91. en waarom het feit dat de beperkende maatregelen van artikel 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage III van besluit 2014/512 en artikel 5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en bijlage VI van verordening nr. 833/2014 tegen haar zijn gericht, tot gevolg kan hebben dat ‘Rusland een hogere prijs [betaalt] voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en een vreedzame oplossing van deze crisis [wordt bevorderd]’.92.
159.
Hetzelfde geldt voor de beperkende maatregelen van de artikelen 3, 3a, 4, leden 3 en 4, en bijlage II van verordening nr. 833/2014, die geen beperkende maatregelen jegens Rosneft vormen93., maar zich richten tegen de Russische aardolie-industrie in het algemeen.
d) Middel inzake ongeldigheid wegens vermeende schending van de rechten van verweer, op doeltreffende rechtsbescherming en van toegang tot het dossier
160.
Volgens Rosneft schendt de weigering van de Raad om haar bevoorrechte toegang te verlenen tot de informatie en het bewijs inzake fundamentele vragen als waarom Rosneft werd vermeld in besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 of waarom bepaalde sectoren van de aardolie-industrie het doelwit ervan zijn en andere niet, haar rechten van verweer, op doeltreffende rechtsbescherming en van toegang tot het dossier.
161.
Uit de bijlagen bij de schriftelijke opmerkingen van Rosneft en van de Raad blijkt dat Rosneft heeft geprobeerd om op grond van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie94. bevoorrechte toegang (‘privileged access’) te krijgen tot documenten van de Raad, met het doel die documenten te gebruiken in het kader van haar bij het Gerecht aanhangige beroep tot nietigverklaring in de zaak NK Rosneft e.a./Raad (T-715/14).
162.
Uit die bijlagen kan worden opgemaakt dat Rosneft van de middelen die deze verordening het publiek biedt om toegang te krijgen tot documenten gebruik heeft gemaakt als ware er sprake van een ‘document discovery’-procedure, een aanvraagprocedure voor documenten bekend van ‘common law’-stelsels en van internationale arbitrage.95.
163.
Hoewel, mijns inziens, verordening nr. 1049/2001, zoals het hoort, niet is bedoeld om bevoorrechte toegang te verlenen tot voor een geding benodigde documenten96., blijkt uit de bijlagen bij de schriftelijke opmerkingen van Rosneft en van de Raad dat de Raad die verzoeken om overlegging van documenten niet heeft afgewezen, maar heeft behandeld op basis van verordening nr. 1049/2001.
164.
Aangezien Rosneft met dit middel aanvoert dat de Raad haar, ten onrechte, de toegang heeft geweigerd tot het merendeel van de documenten waarom zij had gevraagd, acht ik dit middel niet-ontvankelijk overeenkomstig de rechtspraak in de zaak die heeft geleid tot het arrest TWD Textilwerke Deggendorf (C-188/92, EU:C:1994:90), waarin het Hof oordeelde dat ‘[i]ngevolge dezelfde vereisten van rechtszekerheid […] ook de begunstigde van een steunmaatregel die een […] beschikking […] had kunnen aanvechten, maar de hiertoe in artikel [263, zesde alinea, VWEU] gestelde fatale termijn heeft laten verlopen, de mogelijkheid [moet] worden ontzegd om voor de nationale rechterlijke instanties de wettigheid van die beschikking opnieuw in geding te brengen in een beroep tegen de maatregelen van de nationale autoriteiten ter uitvoering van deze beschikking’.97.
165.
Ik merk in dit verband op dat uit brieven die de Raad aan Rosneft heeft gestuurd blijkt dat de Raad haar, overeenkomstig artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1049/2001, heeft geattendeerd op de mogelijkheid om, op grond van artikel 263 VWEU, een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek om overlegging van documenten.
166.
Aangezien de besluiten van de Raad waarbij Rosneft gedeeltelijk toegang werd verleend tot de documenten waarom zij had gevraagd haar rechtstreeks en individueel raakten, zou haar beroep ongetwijfeld ontvankelijk zijn geweest.98.
167.
Hoe het ook zij, uit de door Rosneft aan de Raad gerichte verzoeken om bevoorrechte toegang tot documenten blijkt dat:
- —
die verzoeken vaak niet een voldoende gedetailleerde beschrijving bevatten van een specifieke en beperkte categorie documenten die, redelijkerwijs en volgens Rosneft, kon bestaan;
- —
die verzoeken niet vergezeld gingen van een toelichting op de relevantie van de gevraagde documenten voor de beslechting van het geding; en dat
- —
die verzoeken niet vergezeld gingen van een verklaring dat zij die documenten nog niet in haar bezit, onder haar hoede, of tot haar beschikking had, noch van een uiteenzetting van de redenen waarom zij veronderstelde dat de Raad die documenten in zijn bezit, onder zijn hoede, of tot zijn beschikking had.
168.
Desondanks heeft de Raad een lijst overgelegd van documenten die, volgens de Raad, in de verzoeken van Rosneft werden bedoeld, en haar, met opgave van redenen, de toegang tot een serie documenten gedeeltelijk geweigerd.
169.
Aangezien de regering van het Verenigd Koninkrijk partij is in het hoofdgeding, staat het Rosneft overigens vrij om die regering, volgens de Engelse regels, om overlegging te vragen van documenten die zij in haar bezit, onder haar hoede, of tot haar beschikking heeft in haar hoedanigheid van lid van de Raad. De verwijzende rechter dient erop toe te zien dat de toepasselijke Engelse regels het doeltreffendheids- en het gelijkwaardigheidsbeginsel eerbiedigen.99.
170.
Tegen die achtergrond ben ik van oordeel dat de Raad het verzoek van Rosneft om bevoorrechte toegang niet heeft behandeld op een wijze die haar rechten van verweer, op een doeltreffende rechtsbescherming, en van toegang tot het dossier schaadt.
e) Middel inzake ongeldigheid wegens vermeende schending van het beginsel van gelijke behandeling
171.
Volgens Rosneft heeft de Raad, door de beperkende maatregelen die in het hoofdgeding aan de orde zijn te richten tegen de Russische aardoliesector, in zoverre niet voldaan aan het beginsel van gelijke behandeling, dat die maatregelen weliswaar, zoals overweging 2, van verordening nr. 833/2014 aangeeft, tot doel hebben een vreedzame oplossing van de crisis in Oekraïne te bevorderen, maar dat dit doel niet verklaart en zeker niet rechtvaardigt dat Rosneft anders wordt behandeld dan andere ondernemingen die, net als zij, deel uitmaken van de Russische aardoliesector, en ondernemingen die actief zijn in andere sectoren.
172.
Het is vaste rechtspraak dat ‘het discriminatieverbod inhoudt dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld’.100.
173.
Mijns inziens kan Rosneft niet met succes aanvoeren dat zij slachtoffer is van discriminatie.
174.
Allereerst is de Russische aardoliesector niet de enige sector van de Russische economie waartegen de betrokken beperkende maatregelen zijn gericht. Besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 bevatten bepalingen die eveneens betrekking hebben op de wapensector, de kernenergiesector, de ruimtevaartsector, en de bankensector.101.
175.
Rosneft heeft bovendien geen bewijs geleverd van het bestaan van andere Russische aardoliemaatschappijen die voldoen aan de in de artikelen 1, lid 2, onder b) tot en met d), van richtlijn 2014/512 en 5, lid 2, onder a) tot en met d), van verordening nr. 833/2014 genoemde criteria, die om die reden door beperkende maatregelen hadden moeten worden getroffen en dat niet zijn geweest of zijn.
176.
Zoals de Commissie opmerkt zou, als de door Rosneft toegepaste logica zou moeten worden gevolgd, de Raad, telkens als hij beperkende maatregelen wil opleggen aan een derde land, geen andere keus hebben dan de economische en financiële betrekkingen met dat land volledig te verbreken, hetgeen in strijd zou zijn met de bewoordingen van artikel 215, lid 1, VWEU, die verwijzen naar ‘een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het VEU vastgesteld besluit [van de Raad dat] voorziet in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperkingen van de economische en financiële betrekkingen’.102.
177.
Dit middel moet derhalve worden afgewezen.
f) Middel inzake ongeldigheid wegens vermeend misbruik van bevoegdheid
178.
Rosneft voert aan dat de Raad, door in overweging 2 van verordening nr. 833/2014 te aan te geven dat het doel van de beperkende maatregelen is ‘Rusland een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en […] een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen’103., misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid, omdat zijn werkelijke bedoeling was de groeicapaciteit van Russische vennootschappen te beperken en de Russische energiesector op de lange termijn schade toe te brengen.
179.
Volgens de rechtspraak van het Hof ‘[is van misbruik van bevoegdheid] sprake […] wanneer een instelling haar bevoegdheden uitsluitend of althans overwegend uitoefent om andere dan de aangegeven doelen te bereiken, of om zich te onttrekken aan de toepassing van een procedure waarin het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden’.104.
180.
Rosneft baseert zich in dit verband op een werkdocument van de Commissie105., volgens hetwelk de beperkende maatregelen tegen Russische aardoliemaatschappijen ‘tot doel hebben bepaalde strategische Russische staatsbedrijven af te snijden van internationale en Europese financieringsbronnen om aldus de Staat te confronteren met indirecte kosten en hun capaciteit om in de toekomst te blijven groeien te beperken’.106.
181.
Dat document steunt echter geenszins de bewering dat ‘het enige oogmerk van de Raad was de groeicapaciteit van Russische bedrijven te beperken’.107. Het aangegeven doel van de betrokken beperkende maatregelen was immers ‘Rusland een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen’108., hetgeen aansluit bij het doel dat het werkdocument van de Commissie vermeldt.
182.
Hoe het ook zij, misbruik van bevoegdheid kan niet worden onderbouwd door één enkel document, gekwalificeerd als ‘werkdocument’ en afkomstig van een andere instelling dan die welke de betrokken handeling heeft vastgesteld.
183.
Dit middel moet derhalve worden afgewezen.
g) Middel inzake ongeldigheid wegens vermeende tegenstrijdigheid van besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014
184.
Rosneft stelt dat de bewoordingen van artikel 4, lid 4, van besluit 2014/512 en artikel 3, lid 5, tweede alinea, van verordening nr. 833/2014 een tegenstrijdigheid bevatten. Terwijl de eerste bepaling de lidstaten geen enkele beoordelingsruimte laat ten aanzien van het verbod om vergunningen te weigeren voor overeenkomsten die zijn gesloten vóór 1 augustus 2014, kunnen zij op grond van de tweede toestaan, en dus ook weigeren, dat uitvoering wordt gegeven aan een verplichting die uit een dergelijke overeenkomst voortvloeit.
185.
Ik herinner eraan dat verordening nr. 833/2014 een op grond van artikel 215 VWEU vastgestelde Uniehandeling is, welke bepaling de Raad in staat stelt ‘de nodige maatregelen’ vast te stellen, in casu beperkende maatregelen, ‘wanneer een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V [VWEU] vastgesteld besluit voorziet in’ verbreking of beperking van de economische en financiële betrekkingen met een derde land of het nemen van beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen.
186.
Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat ‘indien de [Unie] een [GBVB-besluit] vaststelt […] zij in het kader van het [VWEU is] gehouden de bij dit besluit voorgeschreven maatregelen te nemen’.109. Zoals de Franse regering opmerkt is de Raad derhalve bij de vaststelling van een verordening op grond van artikel 215 VWEU gebonden aan de inhoud van het daaraan voorafgaande GBVB-besluit.
187.
Ik ben het niet eens met het standpunt van de Raad dat de op grond van artikel 215 VWEU vastgestelde verordening losstaat van het op basis van titel V, hoofdstuk 2, VEU vastgestelde GBVB-besluit en daarmee zelfs in tegenspraak kan zijn.
188.
Ter terechtzitting baseerde de Raad zich in dit verband op punt 70 van het arrest Bank Melli Iran/Raad (C-548/09 P, EU:C:2011:735) waarin het Hof oordeelde dat ‘[d]e stelling […] dat gemeenschappelijk standpunt 2007/140 tot de rechtsgrondslagen moet behoren, wordt tegengesproken door de bewoordingen van artikel 301 EG, volgens hetwelk communautaire maatregelen kunnen worden vastgesteld ingeval een gemeenschappelijk standpunt of een gemeenschappelijk optreden dat volgens de bepalingen van het EU-Verdrag, in de versie van vóór het Verdrag van Lissabon, die betrekking hebben op het GBVB, is vastgesteld, meebrengt dat de Gemeenschap moet optreden. Blijkens die bewoordingen is het bestaan vereist van het gemeenschappelijk standpunt of het gemeenschappelijk optreden om communautaire maatregelen te kunnen vaststellen, maar daaruit blijkt niet dat die maatregelen op dit gemeenschappelijk standpunt of dit gemeenschappelijk optreden moeten zijn gebaseerd’.110.
189.
Precies zoals het Hof in het door mij gecursiveerde gedeelte van zijn arrest aangeeft, zijn de bewoordingen van artikel 215 VWEU immers niet gelijk aan die van artikel 301 EG, dat betrekking had op het geval dat ‘een gemeenschappelijk standpunt of een gemeenschappelijk optreden dat volgens de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie die betrekking hebben op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid [was] vastgesteld, mee[bracht] dat de Gemeenschap [moest] optreden om de economische betrekkingen met één of meer derde landen te onderbreken of geheel of gedeeltelijk te beperken’.
190.
Wat, daarentegen, beperkende maatregelen betreft die gepaard gaan met verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een derde land, zoals die welke zijn bedoeld in artikel 4 van besluit 2014/512111., verplicht artikel 215, lid 1, VWEU de Raad een verordening vast te stellen die aan de nodige maatregelen uitvoering geeft.112.
191.
Aangezien de beperkende maatregelen van besluit 2014/512 waren bedoeld om de economische en financiële betrekkingen met een derde land te verbreken of geheel of gedeeltelijke te beperken, moest dit besluit derhalve, samen met artikel 215 VWEU, worden opgenomen in de wettelijke grondslag van verordening nr. 833/2014, hetgeen ook is gebeurd.113.
192.
Daaruit volgt dat de bepalingen van verordening nr. 833/2014 de bepalingen van besluit 2014/512 niet kunnen tegenspreken zonder het legaliteitsbeginsel te schenden dat deze verordening, net als elke Uniehandeling, moet eerbiedigen.
193.
In casu verschillen de bewoordingen van de twee betrokken bepalingen van elkaar. Artikel 4, lid 4, van besluit 2014/512 bepaalt dat het verbod om vergunning te verlenen voor de verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van apparatuur of de verstrekking van diensten, als bedoeld in de leden 1 en 2, van dit artikel ‘de uitvoering van vóór 1 augustus 2014 gesloten contracten of aanvullende overeenkomsten die nodig zijn voor de uitvoering daarvan, onverlet [laat]’114., terwijl artikel 3, lid 5, van verordening nr. 833/2014 bepaalt dat ‘[d]e bevoegde autoriteiten […] echter wel een [dergelijke] vergunning [kunnen]115. verlenen’ indien de verkoop, levering, overdracht of uitvoer betrekking heeft op de uitvoering van een verplichting die voortvloeit uit een overeenkomst die vóór 1 augustus 2014 is gesloten.
194.
Anders gezegd, besluit 2014/512 laat vóór 1 augustus 2014 gesloten overeenkomsten ongemoeid, terwijl de autoriteiten van de lidstaten op grond van verordening nr. 833/2014 vrij zijn om al dan niet vergunning te verlenen voor een verkoop, levering, overdracht of uitvoer die uitvoering geeft aan een verplichting die voortvloeit uit een vóór 1 augustus 2014 gesloten overeenkomst.
195.
Mijns inziens is hier sprake van een onverenigbare tegenstrijdigheid tussen de twee teksten en ik ben, om de in de punten 185 tot en met 192 van deze conclusie uiteengezette redenen, van mening dat artikel 3, lid 5, tweede alinea, van verordening nr. 833/2014 ongeldig is.
h) Middel inzake ongeldigheid wegens vermeende schending van het evenredigheidsbeginsel en de grondrechten van Rosneft
196.
Rosneft voert aan dat de artikelen 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, en 7 en bijlage III, van besluit 2014/512 en de artikelen 3, 3a, 4, leden 3 en 4, 5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, 11, lid 1, en bijlagen II en VI, van verordening nr. 833/2014 ongeldig zijn, omdat zij onevenredig zijn aan hun aangegeven doelstelling en inbreuk maken op artikel 16 (vrijheid van ondernemerschap) en 17, lid 1 (eigendomsrecht) van het Handvest.
197.
Rosneft, die zich met name beroept op de arresten Bank Melli Iran/Raad (EU:T:2009:401) en Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (EU:C:2013:776), is van mening dat de door de Raad vastgestelde maatregelen nodig noch passend zijn, omdat er geen redelijk verband bestaat tussen de gebruikte middelen en het door die maatregelen nagestreefde doel.
198.
Rosneft stelt dat de artikelen 7, lid 1, onder a), van besluit 2014/512 en 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, jegens haar, inbeslagneming of verbeurdverklaring van tegoeden toestaan en inmenging in verworven contractuele rechten, namelijk haar door artikel 17, lid 1, van het Handvest beschermde eigendomsrechten. Deze bepalingen gaan verder dan nodig is omdat zij, in wezen, niet-Russische contractspartijen kunnen bevrijden van elke contractuele verplichting die zij met de door die verordening aangewezen entiteiten zijn aangegaan, zelfs wanneer er sprake is van een verplichting tot levering van een hele reeks uitrustingen waarvan slechts een klein deel de in bijlage II van die verordening bedoelde technologieën betreft.
199.
Ik ben het niet eens met die argumenten.
200.
Net als de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Estse en de Franse regering, de Raad, en de Commissie, ben ik van mening dat de inmenging die Rosneft beschrijft slechts het onvermijdelijke gevolg is van het besluit van de Raad om, enerzijds, de economische en financiële betrekkingen met de Russische Federatie te beperken en, anderzijds, beperkende maatregelen op te leggen aan Rosneft.
201.
Zoals het Hof heeft aangegeven in punt 113 van het arrest Bank Melli Iran/Raad (C-548/09 P, EU:C:2011:735) ‘[hebben] de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde grondrechten geen absolute gelding […] en [kan] de uitoefening ervan aan beperkingen […] worden onderworpen die hun rechtvaardiging vinden in door de [Unie] nagestreefde doelstellingen van algemeen belang’.116.
202.
In de punten 22 en 23 van het arrest Bosphorus (C-84/95, EU:C:1996:312) oordeelde het Hof in dit verband dat ‘elke sanctiemaatregel per definitie gevolgen heeft die het recht van eigendom en het recht van vrije beroepsuitoefening aantasten, waardoor schade wordt berokkend aan partijen die op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de situatie naar aanleiding waarvan de sancties zijn ingesteld’ en dat ‘vervolgens […] erop [zij] gewezen, dat het belang van de met de litigieuze regeling nagestreefde doeleinden de zelfs aanzienlijke negatieve gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers rechtvaardigt’.117.
203.
De in casu betrokken bepalingen zijn specifiek bedoeld om de aanvoer van uitrustingen en de toestroom van financieringen naar de Russische aardoliesector in te perken. Zij passen derhalve binnen een nauwkeurig afgebakend kader en treffen niet zonder onderscheid alle Russische marktdeelnemers zonder rekening te houden met het strategisch belang dat zij vertegenwoordigen voor de Russische economie.
204.
Zoals de Franse regering opmerkt heeft de Raad derhalve, gelet op de context waarbinnen de bestreden bepalingen zijn vastgesteld en op hun doel de Russische Federatie een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties door zich te richten op strategische sectoren van de Russische economie, waaronder de aardoliesector, de betrokken bepalingen kunnen vaststellen zonder buiten de grenzen te treden van hetgeen geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel.
205.
Ik geef het Hof daarom in overweging de tweede vraag, onder a), als volgt te beantwoorden:
- a)
Bij onderzoek van deze vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid aantasten van de artikelen
- —
1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3,
- —
7, en
- —
bijlage III van besluit 2014/512
en de artikelen
- —
3, leden 1 tot en met 4, 5, eerste en derde alinea, en 6 tot en met 8,
- —
3a,
- —
4, leden 3 en 4,
- —
5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3,
- —
11, en
- —
bijlagen II en VI van verordening nr. 833/2014.
- b)
Artikel 3, lid 5, tweede alinea, van verordening nr. 833/2014 is ongeldig.
C — Tweede vraag, onder b)
206.
Met zijn tweede vraag, onder b), wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of, indien de door Rosneft bestreden beperkende maatregelen geldig zijn, het in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel dat de toepasselijke wet nauwkeurig moet zijn (nulla poena sine lege certa) dat een lidstaat strafrechtelijke sancties oplegt op grond van artikel 8 van verordening nr. 833/2014 voordat het Hof de desbetreffende strafbaarstelling voldoende heeft verduidelijkt.
1. Ontvankelijkheid
207.
Volgens de Raad is deze vraag niet-ontvankelijk omdat zij niet de geldigheid of de uitlegging van Uniehandelingen betreft, maar de geldigheid van een nationale regeling in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel dat de toepasselijke wet nauwkeurig moet zijn (nulla poena sine lege certa).
208.
De regering van het Verenigd Koninkrijk en de Raad stellen eveneens dat de vraag hypothetisch is, omdat zij geen concreet geval betreft waarin strafrechtelijke sancties zijn toegepast op grond van de betrokken regeling van het Verenigd Koninkrijk. Dat zou ten aanzien van Rosneft sowieso niet mogelijk zijn, omdat de strafrechtelijke sancties voor schending van bepalingen van besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014 slechts betrekking hebben op in het Verenigd Koninkrijk gevestigde personen.
209.
Ik ben het niet eens met die argumenten. Mijns inziens blijkt uit het prejudiciële verzoek duidelijk dat de verwijzende rechter het Hof niet vraagt naar de geldigheid van de door het Verenigd Koninkrijk ter uitvoering van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 833/2014 vastgestelde regeling118. in het licht van de nationale rechtsbeginselen. Hij wenst in wezen te vernemen of het rechtszekerheidsbeginsel119. en het beginsel dat de toepasselijke strafwet nauwkeurig moet zijn (artikel 49 van het Handvest) aldus moeten worden uitgelegd dat er geen strafrechtelijke sancties kunnen worden vastgesteld indien het Hof de bewoordingen van de strafbaarstelling niet voldoende heeft verduidelijkt.
210.
De tweede vraag, onder b), is naar mijn mening evenmin hypothetisch. Enerzijds omdat, ook al betreft artikel 3 van verordening nr. 833/2014 slechts de verkoop, levering, overdracht en uitvoer vanaf het grondgebied van de lidstaten120., de bij de beschikking inzake exportcontrole van 2014 ingestelde sancties (sancties betreffende Rusland, de Krim en Sebastopol) niet uitsluitend in het Verenigd Koninkrijk of de Unie gevestigde personen lijken te betreffen.121. Ter terechtzitting heeft Rosneft namelijk betoogd dat zij als medeplichtige aansprakelijk kan worden gesteld voor een schending van beperkende maatregelen, hetgeen de regering van het Verenigd Koninkrijk niet heeft betwist.
211.
Het feit dat die sancties niet aan Rosneft kunnen worden opgelegd maakt de vraag hoe dan ook niet hypothetisch, aangezien uit het prejudiciële verzoek niet blijkt dat Rosneft niet het recht heeft de maatregelen te betwisten die de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 833/2014.
212.
Anderzijds is het feit dat aan Rosneft nog geen strafrechtelijke sanctie is opgelegd niet relevant. Het Hof heeft namelijk in punt 64 van het arrest Unibet (C-432/05, EU:C:2007:163) vastgesteld dat ‘wanneer [een partij] zich […] zou moeten blootstellen aan administratieve of strafrechtelijke procedures en aan de daaruit voortvloeiende sancties, als enig rechtsmiddel om de verenigbaarheid van de betrokken nationale bepalingen met het [Unie]recht aan te vechten, [dat] niet [zou] volstaan om haar een dergelijke effectieve rechterlijke bescherming te verzekeren’.
213.
Deze vraag moet derhalve worden beantwoord.
2. Ten gronde
214.
De begrippen waarmee de strafbaarstellingen zijn beschreven, en met name de begrippen ‘water van meer dan 150 meter diep’122., ‘schalie’123., ‘financiële bijstand’124. en ‘overdraagbare effecten […] die zijn uitgegeven na 12 september 2014’125., bereiken, volgens Rosneft, niet de mate van nauwkeurigheid en zekerheid die strafrechtelijke sancties eigen is. Zij meent, bijgevolg, dat het in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel dat de toepasselijke wet nauwkeurig moet zijn (nulla poena sine lege certa) dat een lidstaat strafrechtelijke sancties oplegt op grond van artikel 8 van verordening nr. 833/2014, zonder dat, of voordat het Hof een uniforme uitlegging aan die begrippen heeft gegeven.
215.
Ik ben, net als de verwijzende rechter, van mening dat de betrokken begrippen ontegenzeglijk een ruime strekking hebben, maar ik betwijfel of de aan die begrippen inherente ambiguïteit uiteindelijk volstaat om van rechtsonzekerheid te kunnen spreken.
216.
Zoals het Hof heeft vastgesteld in punt 217 van het arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408) ‘[kan] het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen (nullum crimen, nulla poena sine lege) […] niet aldus worden uitgelegd dat zij de geleidelijke verfijning van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid verbiedt’.
217.
Voortbordurend op deze gedachtegang oordeelde het Hof dat ‘de strekking van het begrip voorzienbaarheid grotendeels afhankelijk is van de inhoud van de betrokken bepaling, de door die bepaling bestreken materie en het aantal en de hoedanigheid van de adressaten ervan. De voorzienbaarheid van de wet belet niet dat de betrokkene deskundig advies moet inwinnen om in een mate die in de gegeven omstandigheden redelijk is, de mogelijke gevolgen van een bepaalde handeling te kunnen beoordelen. Dit is vooral het geval voor beroepsbeoefenaren, die gewend zijn bij de uitoefening van hun beroep grote voorzichtigheid aan de dag te leggen. Van hen mag dus worden verwacht dat zij grote zorg besteden aan de beoordeling van de daaraan verbonden risico's’.126.
218.
Uit dit arrest blijkt dat het enkele bestaan van meerdere mogelijke uitleggingen van een strafrechtelijke bepaling niet automatisch betekent dat die bepaling in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel dat de toepasselijke wet nauwkeurig moet zijn (nulla poena sine lege certa). Er bestaan immers vele strafrechtelijke bepalingen waarvan de begrippen niet dadelijk eensluidend kunnen worden uitgelegd.
219.
Zoals Her Majesty's Treasury en de Secretary of State for Business, Innovation and Skills voor de verwijzende rechter hebben betoogd is het, indien er daadwerkelijke twijfel bestaat over de uitlegging van een van de betrokken begrippen, ‘de betrokken onderneming te allen tijde toegestaan de strafrechtelijke autoriteiten om een nadere toelichting te vragen en aldus elk vervolgingsrisico voor in beginsel onopzettelijke schendingen van de betrokken bepalingen te voorkomen’.127.
220.
Ik merk in dit verband op dat de lidstaten krachtens artikel 19 VEU zijn gehouden te voorzien in de rechtsmiddelen die nodig zijn om marktdeelnemers in staat te stellen de uitlegging te betwisten die de strafrechtelijke autoriteiten van de lidstaten hebben gegeven aan de begrippen van besluit 2014/512 en verordening nr. 833/2014.
221.
Die rechterlijke instanties kunnen derhalve, op grond van artikel 267 VWEU, prejudiciële vragen stellen, telkens wanneer zij begrippen van verordening nr. 833/2014 en besluit 2014/512 niet voldoende duidelijk achten (voor zover het Hof bevoegd is), zoals de verwijzende rechter overigens heeft gedaan met zijn derde vraag, die de uitlegging betreft van de in de tweede vraag, onder b), bedoelde begrippen.
222.
Ik geef het Hof dan ook in overweging op de tweede vraag, onder b), te antwoorden dat het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel dat de toepasselijke wet nauwkeurig moet zijn (nulla poena sine lege certa) niet uitsluiten dat een lidstaat strafrechtelijke sancties oplegt op grond van artikel 8 van verordening nr. 833/2014, voordat het Hof de begrippen die in die verordening zijn gebruikt om de desbetreffende strafbaarstelling te omschrijven voldoende heeft verduidelijkt.
D — Derde vraag, onder a)
223.
Met zijn derde vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de verwerking van betalingen door banken of financiële instellingen valt onder het in artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014 gebruikte begrip ‘financiële bijstand’.
224.
Volgens Rosneft moeten de begrippen ‘financiering’ en ‘financiële bijstand’ in onderlinge samenhang worden gelezen als de verstrekking van financieringen en de daarmee samenhangende diensten en valt daaronder niet de verwerking van betalingen, een stelling waartegen de Secretary of State for Business, Innovation and Skills zich verzet, omdat de verwerking van betalingen, zijns inziens, financiële bijstand vormt in de zin van artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014.
225.
Zoals de verwijzende rechter opmerkt is deze vraag van bijzonder groot belang, omdat uit het hem voorgelegde bewijs blijkt dat deze begrippen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verschillend worden uitgelegd.
226.
Uit de schriftelijke opmerkingen die in het kader van de onderhavige procedure zijn ingediend blijkt namelijk dat de Estse regering en de Commissie128. het eens zijn met de uitlegging die de regering van het Verenigd Koninkrijk aan die begrippen heeft gegeven, terwijl de Duitse regering de door Rosneft voorgestelde uitlegging steunt. De Franse regering is daarentegen van mening dat de verwerking van betalingen valt onder het begrip ‘financiële bijstand’, mits de financiële instelling met die betalingen de ontvangers ervan van nieuwe middelen voorziet.
227.
Ik wijs er voorts op dat de betrokken begrippen worden gebruikt in diverse verordeningen waarbij beperkende maatregelen worden opgelegd. De beslissing van het Hof kan derhalve gevolgen hebben die de grenzen van de onderhavige zaak overstijgen.129.
228.
Mijns inziens kan het antwoord op de vraag niet zonder meer ontkennend of bevestigend zijn.
229.
Ik merk allereerst op dat, volgens de bewoordingen van de betrokken bepaling, vergunning moet worden verleend voor ‘de verstrekking van financiering of financiële bijstand in verband met in bijlage II genoemde goederen, met inbegrip van subsidies, leningen en exportkredietverzekering voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van deze goederen, of voor de verstrekking van daarmee verband houdende technische bijstand’.
230.
Die bewoordingen impliceren, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk opmerkt, dat financiële bijstand een alternatief is voor financiering en geen synoniem ervan of een begrip dat is vervat in dat van financiering. Het begrip financiële bijstand moet derhalve noodzakelijkerwijs meer omvatten dan alleen de activiteiten die zijn begrepen in het begrip financiering.
231.
De betrokken bepaling noemt overigens enkele voorbeelden van wat zij verstaat onder ‘financiering of financiële bijstand’, namelijk ‘subsidies, leningen en exportkredietverzekering’. Deze lijst wordt echter voorafgegaan door de woorden ‘met inbegrip van’, hetgeen impliceert dat er ook andere activiteiten onder vallen, zonder dat de verwerking van betalingen uitdrukkelijk wordt genoemd.
232.
Ik merk in dit verband op dat de Commissie in haar richtsnoerennota van 16 december 2014 over de tenuitvoerlegging van een aantal bepalingen van verordening nr. 833/2014130. heeft gepreciseerd dat ‘de verlening van betalingsdiensten en de verstrekking van garantieverklaringen of documentaire kredieten als financiële bijstand [gelden] en […] zijn verboden indien zij betrekking hebben op een onderliggende commerciële transactie waarvoor krachtens artikel 2 een verbod geldt’.131.
233.
De Commissie preciseerde eveneens dat ‘[b]anken die namens of ten voordele van hun cliënten handelen […] nauwgezet [dienen] toe te zien op betalingen die hun cliënt verricht, en zich [dienen] te verzetten tegen elke betaling die tegen de verordening ingaat. Banken die als correspondentbank handelen, dienen zich te verzetten tegen betalingen indien informatie over een dergelijke inbreuk beschikbaar is’.132.
234.
De betrokken bepaling beoogt derhalve iedere bijstand van financiële aard te verbieden voor transacties die zijn verboden door de artikelen 4, lid 4, en 3, lid 5, van verordening nr. 833/2014, te weten de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de in bijlage II vermelde goederen, indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat die verkoop, levering, overdracht of uitvoer is bestemd voor een van de categorieën exploratie- en productieprojecten als bedoeld in artikel 3, lid 3, van die verordening.
235.
Zoals ik heb uitgelegd in de punten 126 tot en met 131 van deze conclusie, zijn de transacties die artikel 3, lid 5, van verordening nr. 833/2014 bedoelt en verbiedt de transacties die plaatsvinden vanaf het grondgebied van de lidstaten.
236.
Als verordening nr. 833/2014 de doorvoer van de in bijlage II vermelde goederen vanuit een derde land over het grondgebied van de Unie naar de Russische Federatie niet belet, volgt daaruit dat de verwerking van betalingen voor die transacties niet valt onder het begrip ‘financiële bijstand’ in de zin van artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014.
237.
Ik verwijs in dit verband naar overweging 5 van die verordening, die, ofschoon zij betrekking heeft op de beperkingen van de toegang tot de kapitaalmarkt die artikel 5 aan bepaalde financiële instellingen oplegt, preciseert dat ‘[a]ndere financiële diensten, zoals […] betalingsdiensten […] niet onder deze verordening [vallen]’.
238.
Voor de verwerking van betalingen voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van de in bijlage II vermelde goederen vanaf het grondgebied van de Unie moet, daarentegen, een vergunning worden aangevraagd, opdat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen nagaan of de betrokken betaling en de onderliggende transactie de drie gevallen betreft die artikel 3, lid 3, van verordening nr. 833/2014 opsomt. Alleen als de betrokken goederen zijn bestemd voor een gebruik in Rusland dat past binnen die drie gevallen, zijn de bevoegde autoriteiten verplicht de vergunning te weigeren.
239.
Ik geef het Hof derhalve in overweging om op de derde vraag, onder a), te antwoorden dat in het begrip ‘financiële bijstand’ van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 833/2014 mede is begrepen de verwerking van een betaling door een bank of een andere financiële instelling, indien de onderliggende transactie valt onder artikel 3, lid 1, van die verordening.
E — Derde vraag, onder b)
240.
Met zijn derde vraag, onder b), wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 5, lid 2, van verordening nr. 833/2014 met ingang van 12 september 2014 emissies van, of andere transacties met, GDR's133. krachtens een bewaarnemingsovereenkomst met één van de in bijlage VI genoemde entiteiten verbiedt, indien die GDR's aandelen in een van die entiteiten vertegenwoordigen die zijn uitgegeven vóór 12 september 2014.
241.
Rosneft stelt dat het emissieverbod voor GDR's met ingang van 12 september 2014 geen betrekking heeft op GDR's waarvan de onderliggende aandelen zijn uitgegeven vóór 12 september 2014. De FCA, die van mening is dat het verbod met ingang van die datum geldt ongeacht de emissiedatum van de onderliggende aandelen, verzet zich tegen die uitlegging. De verwijzende rechter deelt dat standpunt.
242.
Mijns inziens blijkt heel duidelijk uit de bewoordingen van de betrokken bepaling dat emissies van GDR's zijn verboden met ingang van 12 september 2014, ongeacht de emissiedatum van de onderliggende aandelen.
243.
Volgens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 833/2014 ‘geldt [er] een verbod op de directe of indirecte aankoop of verkoop van en de verlening van investeringsdiensten of bijstand voor de uitgifte van […] effecten […] met een looptijd van meer dan 30 dagen, die zijn uitgegeven na 12 september 2014’.
244.
Het begrip ‘effecten’ is gedefinieerd in artikel 1, onder f)-i), als ‘aandelen in vennootschappen en andere met aandelen in vennootschappen, partnerships of andere entiteiten gelijk te stellen waardepapieren, alsmede aandelencertificaten’.134.
245.
Aangezien de bewoordingen van die bepalingen nergens een uiterste datum vermelden voor de onderliggende aandelen, is het duidelijk dat het emissieverbod voor GDR's van toepassing is ongeacht de emissiedatum van de onderliggende aandelen.135.
246.
Dat lijkt mij overigens logisch aangezien, zoals de FCA opmerkt, GDR's beleggingsinstrumenten zijn die weliswaar zijn verbonden met aandelen van een vennootschap, maar afzonderlijk van de aandelen die zij vertegenwoordigen aan de beurs zijn genoteerd en worden verhandeld. In die zin bieden GDR's vennootschappen van derde landen de mogelijkheid toegang te krijgen tot de kapitaalmarkten van de Unie en er kapitaal aan te trekken, zonder noodzakelijkerwijs te voldoen aan de criteria en voorwaarden die worden gesteld aan een beursnotering van hun aandelen op die markten.
247.
Het is eveneens van belang op te merken dat, volgens de FCA, de thans op aandelen van Rosneft uitgegeven GDR's slechts 7,5 % vertegenwoordigen van haar totale aandelenkapitaal, terwijl het maximumbedrag waarvoor de FCA haar in het kader van haar beursnotering en toelating tot de handel reeds vergunning heeft verleend het haar mogelijk maakt tot ongeveer 90 % van haar kapitaal in GDR's om te zetten.
248.
Dat impliceert dat als de stelling van Rosneft wordt aanvaard, de bij de betrokken bepaling ingestelde beperkende maatregel zonder betekenis zou zijn, aangezien het merendeel van de aandelen van Rosneft is uitgegeven vóór 12 september 2014 en Rosneft die aandelen vrijelijk zou kunnen blijven omzetten in GDR's.
249.
Derhalve geef ik het Hof in overweging op de derde vraag, onder b), te antwoorden dat artikel 5, lid 2, van verordening nr. 833/2014 de uitgifte van GDR's op aandelen van de in bijlage VI vermelde entiteiten verbiedt met ingang van 12 september 2014, ongeacht de emissiedatum van die aandelen.
F — Derde vraag, onder c)
250.
Met de derde vraag, onder c), wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen welke definitie moet worden gegeven aan het in de artikelen 3, lid 3, en 3a, lid 1, onder c), van verordening nr. 833/2014 opgenomen begrip ‘schalie’, en of het in artikel 3, lid 3, en 3a, lid 1, onder a), van die verordening opgenomen begrip ‘water van meer dan 150 meter diep’ in die zin moet worden uitgelegd dat die diepte moet worden gemeten vanaf het boorpunt of vanaf een ander punt.
1. Begrip ‘water van meer dan 150 meter diep’
251.
Zoals ik in punt 214 en voetnoot 122 van deze conclusie heb vermeld, zijn er grote watergebieden waarin de diepte aanzienlijk varieert, zodat het water op sommige plekken meer en op andere plekken minder dan 150 meter diep is. Volgens Rosneft geeft verordening nr. 833/2014 niet aan vanaf welk punt die 150 meter moet worden gemeten, noch of het verboden is verticaal te boren op een punt waar het water minder dan 150 meter diep is en vervolgens naar buiten naar een punt in het gesteente dat zich bevindt in water van meer dan 150 meter diep.
252.
Ik merk op dat de standpunten van Rosneft, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Franse regering, en de Commissie136. over de aan die begrippen te geven uitlegging in zoverre met elkaar overeenkomen, dat zij allen van mening zijn dat de diepte moet worden gemeten vanaf het olieboorpunt.
253.
Ik ben het ook eens met die, mijns inziens, logische uitlegging.
254.
Net als de Commissie ben ik van mening dat verticaal moet worden gemeten, hetgeen uitsluit dat een onderneming diagonaal kan boren vanaf een punt waarop het water 150 meter of minder diep is naar een olieveld op een plaats waar het water meer dan 150 meter diep is.
255.
Uitgesloten is ook een verticale boring op een punt waar het water minder dan 150 meter diep is gevolgd door een boring naar buiten in de richting van een olieveld op een plaats waar het water meer dan 150 meter diep is.
256.
Anders zou de beperkende maatregel, mits de techniek en de rentabiliteit het toelaten, kunnen worden omzeild.
257.
Bovendien zijn Rosneft, de Franse regering, en de Commissie (de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft hierover geen standpunt ingenomen) van mening dat het 150 meter-criterium van toepassing is op de plek van de boring zelf en niet op de omtrek van het olieveld waarop de boring betrekking heeft.
258.
Dat betekent dat de artikelen 3, lid 3, en 3a, lid 1, onder a), van verordening nr. 833/2014 geen boringen betreffen in olievelden die zich deels bevinden op een plaats waar het water meer dan 150 meter diep is en deels op een plaats waar het minder dan 150 meter diep is, wanneer die boringen plaatsvinden op een punt waar de waterdiepte 150 meter of minder is.
259.
Ik ben het ook eens met die uitlegging.
2. Begrip ‘schalie’
260.
De uitlegging van het begrip ‘schalie’ blijkt ingewikkelder.
261.
Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk kan het Hof geen wetenschappelijk en geologisch bewijsmateriaal onderzoeken, terwijl de Franse regering van mening is dat er sprake is van een nauwkeurig bepaald geologisch begrip dat niet door het Hof hoeft te worden uitgelegd.
262.
Rosneft en de Commissie geven, daarentegen, eigen uitleggingen aan het begrip ‘schalie’ die lijnrecht tegenover elkaar staan.
263.
Op grond van de verklaring van zijn geologische deskundige stelt Rosneft voor ‘schalie’ te definiëren als kerogeen bevattende afzettingen, voornamelijk samengesteld uit klei (met een kleimineralengehalte van meer dan 35 %), waarin zich geen vloeibare aardolie bevindt.
264.
Volgens de Commissie zijn de betrokken bepalingen van toepassing op projecten waarmee potentieel aardolie gewonnen kan worden, ongeacht of de zich in de schalieformaties bevindende reserves uit kerogeen of uit ruwe olie bestaan, zodra gebruik wordt gemaakt van hydrofracturering.
265.
Dit verschil in uitlegging toont aan dat, anders dan de Franse regering stelt, het geologische begrip ‘schalie’ aanleiding geeft tot discussie. Ik ben overigens, net als de regering van het Verenigd Koninkrijk, van mening dat het Hof geen wetenschappelijke definities kan geven van geologische begrippen als schalie, met name wanneer de opsteller van de betrokken handeling, in casu de Raad, dat begrip niet heeft gedefinieerd.
266.
Zonder derhalve een deskundige geologische definitie van het begrip ‘schalie’ te willen geven wijs ik erop dat, zoals Commissie opmerkt, dit begrip is opgenomen in de zin ‘projecten waarmee potentieel, door middel van hydrofracturering, aardolie gewonnen kan worden uit stoffen die zich bevinden in schalieformaties’.
267.
Ik betwijfel dat de deskundigen op dit gebied, zowel de betrokken ondernemingen als de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, geen uitvoering aan deze zin kunnen geven. Zoals de verwijzende rechter opmerkt, begrijpen experts op het betrokken gebied immers ‘in veruit de meeste gevallen de grenzen van die definities en […] blijken de door [Rosneft] aangegeven problemen derhalve meer hypothetisch dan werkelijk, of althans zich voor te doen in de marges van de definities’.137.
268.
Niettemin moet worden benadrukt dat, aangezien de beperkende maatregelen de exploratie en productie van aardolie in Rusland betreffen, de aan het begrip ‘schalie’ te geven definitie rekening moet houden met de aard van de in dat land voorkomende schalieformaties.
269.
Ik meen derhalve dat het Hof geen wetenschappelijke definitie kan geven van het begrip ‘schalie’ en dat die definitie bovendien niet onontbeerlijk is voor de uitvoering van de betrokken bepalingen van verordening nr. 833/2014.
270.
Derhalve geef ik het Hof in overweging op de derde vraag, onder c), te antwoorden dat ‘water van meer dan 150 meter diep’ verticaal moet worden gemeten vanaf het boorpunt.
VI — Conclusie
271.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Divisional Court) gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Het Hof is, ingevolge de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275 VWEU, bevoegd om, krachtens artikel 267 VWEU, bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren in het licht van artikel 40 VEU, en om de wettigheid te toetsen van de artikelen 1, lid 2, onder b) tot en met d), en 3, en 7, van dat besluit.
- 2)
- a)
Bij onderzoek van deze vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid aantasten van de artikelen
- —
1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3,
- —
7, en
- —
bijlage III van besluit 2014/512,
en de artikelen
- —
3, leden 1 tot en met 4, 5, eerste en derde alinea, en 6 tot en met 8,
- —
3a,
- —
4, leden 3 en 4,
- —
5, leden 2, onder b) tot en met d), en 3,
- —
11, en
- —
bijlagen II en VI van verordening nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren.
Artikel 3, lid 5, tweede alinea, van verordening nr. 833/2014 is ongeldig.
- b)
Het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel dat de toepasselijke wet nauwkeurig moet zijn (nulla poena sine lege certa) sluiten niet uit dat een lidstaat strafrechtelijke sancties oplegt op grond van artikel 8 van verordening nr. 833/2014, voordat het Hof de begrippen die in die verordening zijn gebruikt om de desbetreffende strafbaarstelling te omschrijven voldoende heeft verduidelijkt.
- 3)
- a)
In het begrip ‘financiële bijstand’ van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 833/2014 is mede begrepen de verwerking van een betaling door een bank of een andere financiële instelling, indien de onderliggende transactie valt onder artikel 3, lid 1, van die verordening.
- b)
Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 833/2014 verbiedt de uitgifte van internationale aandelencertificaten op aandelen van de in bijlage VI vermelde entiteiten met ingang van 12 september 2014, ongeacht de emissiedatum van die aandelen.
- c)
‘Water van meer dan 150 meter diep’ in de zin van de artikelen 3, lid 3, en 3a, lid 1, onder a), van verordening nr. 833/2014 moet verticaal worden gemeten vanaf het boorpunt.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑05‑2016
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB L 229, blz. 13. Dit besluit is meermaals gewijzigd. Aangezien het hoofdgeding alleen de wijzigingen tot en met december 2014 betreft, verwijs ik in deze conclusie naar de in december 2014 geldende redactie van besluit 2014/512, waarin de wijzigingen zijn verwerkt die zijn aangebracht door besluit 2014/659/GBVB van de Raad van 8 september 2014 (PB L 271, blz. 54) en besluit 2014/872/GBVB van de Raad van 4 december 2014 (PB L 349, blz. 58).
PB L 229, blz. 1. Deze verordening is meermaals gewijzigd. Aangezien het hoofdgeding alleen de wijzigingen tot en met december 2014 betreft, verwijs ik in deze conclusie naar de in december 2014 geldende redactie van verordening nr. 833/2014, waarin de wijzigingen zijn verwerkt die zijn aangebracht door verordening (EU) nr. 960/2014 van de Raad van 8 september 2014 (PB L 271, blz. 3) en verordening nr. 1290/2014 van de Raad van 4 december 2014 (PB L 349, blz. 20).
PB L 327, blz. 3. Deze overeenkomst is goedgekeurd uit naam van de Gemeenschappen bij besluit 97/800/EG, EGKS, Euratom: Besluit van de Raad en de Commissie van 30 oktober 1997, (PB L 327, blz. 1).
Verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders over Oekraïne, Brussel, 6 maart 2014.
PB L 78, blz. 6.
Het betreft de aanhangige zaak NK Rosneft e.a./Raad (T-715/14).
Zie The Ukraine (European Union Financial Sanctions) (No. 3) Regulations 2014, SI 2014/2054, gewijzigd bij The Ukraine (European Union Financial Sanctions) (No. 3) (Amendment) Regulations 2014, SI 2014/2445, en The Export Control (Russia, Crimea and Sevastopol Sanctions) Order 2014, SI 2014/2357, gewijzigd bij The Export Control (Russia, Crimea and Sevastopol Sanctions) (Amendment) Order 2014, SI 2014/2932.
Het betreft onlangs door Rosneft uitgegeven overdraagbare effecten in de vorm van internationale aandelencertificaten (‘Global Depository Receipts’; hierna: ‘GDR’) op aandelen van Rosneft, die officieel zijn genoteerd aan de Londense beurs en aldaar worden verhandeld.
Zie R (OJSC Rosneft Oil Company) v Her Majesty's Treasury and ors [2015] EWHC 248 (Admin).
Arrest Elitaliana/Eulex Kosovo (C-439/13 P, EU:C:2015:753, punt 37). Zie in die zin ook arrest Sahlstedt e.a./Commissie (C-362/06 P, EU:C:2009:243, punt 22) en arrest Commissie/Cyprus (C-340/10, EU:C:2012:143, punt 20).
Zie standpuntbepaling van advocaat-generaal Kokott inzake advies 2/13 (EU:C:2014:2475, punt 100).
Deze passieve legitimatie van het Parlement inzake beroepen tot nietigverklaring werd door het arrest Parlement/Raad (C-70/88, EU:C:1990:217) aangevuld met een actieve legitimatie. In dat arrest stelde het Hof vast dat de omstandigheid dat het EEG-Verdrag het Parlement niet rekent tot de instellingen die een beroep tot nietigverklaring kunnen instellen ‘een procedurele leemte [kan] vormen, maar [niet kan] afdoen aan het fundamentele belang van de handhaving en de eerbiediging van het in de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen neergelegde institutionele evenwicht’ (punt 26).
Zie arrest Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C-583/11 P, EU:C:2013:625, punt 92). Zie in die zin ook arresten Les Verts/Parlement (294/83, EU:C:1986:166, punt 23), Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C-50/00 P, EU:C:2002:462, punt 40), Telefónica/Commissie (C-274/12 P, EU:C:2013:852, punt 57), T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie (C-456/13 P, EU:C:2015:284, punt 45) en beschikking Pesquerias Riveirenses e.a./Raad (C-164/14 P, EU:C:2015:111, punt 40).
Het Hof heeft evenwel niet de zeer heldere door advocaat-generaal Kokott geformuleerde opvatting aanvaard dat het Hof niet bevoegd is bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over handelingen die het GBVB betreffen, waardoor de rechterlijke instanties van de lidstaten, hoewel verplicht het Unierecht toe te passen, zelf de rechtmatigheid kunnen beoordelen van dit type handelingen en onrechtmatig bevonden handelingen buiten toepassing kunnen laten (zie punten 82 tot en met 103 van de standpuntbepaling van advocaat-generaal Kokott inzake advies 2/13, EU:C:2014:2475).
Arrest Parlement/Raad (C-658/11, EU:C:2014:2025, punt 70). Zie in die zin ook arrest Elitaliana/Eulex Kosovo (C-439/13 P, EU:C:2015:753, punt 42).
Cursivering van mij.
Cursivering van mij.
Arrest Parlement/Raad (C-658/11, EU:C:2014:2025, punt 72).
Cursivering van mij.
Zie arresten Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C-348/12 P, EU:C:2013:776, punt 99, dat verwijst naar de punten 36 tot en met 38 van het arrest Manufacturing Support & Procurement Kala Naft/Raad T-509/10, EU:T:2012:201), Parlement/Raad (C-658/11, EU:C:2014:2025, punt 73) en National Iranian Oil Company/Raad (T-578/12, EU:T:2014:678, punt 35), dat is bevestigd door arrest National Iranian Oil Company/Raad (C-440/14 P, EU:C:2016:128).
PB L 134, blz. 1.
Zie arrest Peftiev (C-314/13, EU:C:2014:1645).
PB L 42, blz. 92.
PB L 310, blz. 10.
In het recht van een aantal lidstaten zijn kwesties die verband houden met de door de regering gevoerde buitenlandse politiek niet onderworpen aan rechterlijk toezicht volgens de zogenaamde théorie des actes de gouvernement [zie met name Conseil d'État (Frankrijk), 19 februari 1875, Prince Napoléon, Recueil Lebon, blz. 155] of de ‘justiciability’-doctrine (zie met name R (Abbasi and anor) v Secretary of State for Foreign & Commonwealth Affairs and anor [2002] EWCA Civ 1598, punten 99 en 106 [Court of Appeal (England & Wales)]).
Punt 16. Zie in die zin ook arresten Commissie/Raad (C-176/03, EU:C:2005:542, punt 39), Commissie/Raad (C-440/05, EU:C:2007:625, punt 53) en Commissie/Raad (C-91/05, EU:C:2008:288, punt 33).
Zie arresten Gestoras Pro Amnistía e.a./Raad (C-354/04 P, EU:C:2007:115, punt 54) en Segi e.a./Raad (C-355/04 P, EU:C:2007:116, punt 54).
Zie arresten Gestoras Pro Amnistía e.a./Raad (C-354/04 P, EU:C:2007:115, punt 53) en Segi e.a./Raad (C-355/04 P, EU:C:2007:116, punt 53).
Cursivering van mij.
Arrest Foto-Frost (314/85, EU:C:1987:452, punt 16). Cursivering van mij. Zie in die zin ook arresten Les Verts/Parlement (294/83, EU:C:1986:166, punt 23), Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C-50/00 P, EU:C:2002:462, punt 40), Gaston Schul Douane-expediteur (C-461/03, EU:C:2005:742, punt 22), Reynolds Tobacco e.a./Commissie (C-131/03 P, EU:C:2006:541, punt 80), Melki en Abdeli (C-188/10 en C-189/10, EU:C:2010:363, punt 54); A (EU:C:2014:2195, punt 41) en Schrems (C-362/14, EU:C:2015:650, punt 62).
Het arrest Foto-Frost (314/85, EU:C:1987:452) is gegrond op het feit dat ‘het Hof ingevolge artikel [263 VWEU] bij uitsluiting bevoegd is ter zake van nietigverklaring van een handeling van een [Unie]instelling’ (arrest Foto-Frost (314/85, EU:C:1987:452, punt 17). Cursivering van mij. Zie in die zin ook arresten Lucchini (C-119/05, EU:C:2007:434, punt 53), Melki en Abdeli (C-188/10 en C-189/10, EU:C:2010:363, punt 54), Otis e.a. (C-199/11, EU:C:2012:684, punt 53); A (EU:C:2014:2195, punt 41) en Schrems (C-362/14, EU:C:2015:650, punt 62). Dit beginsel is van toepassing op elke Uniehandeling die valt onder de algemene bevoegdheidsclausule van het Hof (zie punten 36-38 van deze conclusie) of onder de ‘claw-back’-clausule. Indien, daarentegen, een procedure betrekking heeft op een handeling betreffende het GBVB die wel onder de ‘carve-out’-clausule valt, maar niet onder de ‘claw-back’-clausule, valt het toezicht op de wettigheid niet onder de bevoegdheid van het Hof, maar onder die van de rechterlijke instanties van de lidstaten, die de justitiabelen overeenkomstig artikel 19 VEU moeten verzekeren van daadwerkelijke rechtsbescherming. Volgens de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en 275, tweede alinea, VWEU is het immers ‘[h]et Hof van Justitie van de Europese Unie [dat] niet bevoegd [is]’, en zijn dat niet de rechterlijke instanties van de lidstaten.
Zie arresten Parlement/Raad (C-658/11, EU:C:2014:2025, punt 70) en Elitaliana/Eulex Kosovo (C-439/13 P, EU:C:2015:753, punt 42).
De tweede alinea van artikel 275 VWEU kan de bevoegdheid van de Unierechter immers niet herstellen voor aangelegenheden die niet eerst door de eerste alinea van dat artikel van zijn bevoegdheid zijn uitgesloten.
Zie in die zin Lenaerts, K., Maselis, I. en Gutman, K., EU Procedural Law, Oxford University Press, 2014, paragraaf 6.05.
Ik voeg daaraan toe dat de onderhavige zaak slechts de bevoegdheid van het Hof betreft om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van GBVB-handelingen, omdat beroepen wegens niet-nakoming en beroepen tot schadevergoeding die een GBVB-handeling betreffen worden bestreken door de ‘carve-out’ clausule van artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en artikel 275, eerste alinea, VWEU en niet door de ‘claw-back’ clausule van artikel 24, lid 1, tweede alinea, laatste zin, VEU en artikel 275, tweede alinea, VWEU.
Punt 100 van de standpuntbepaling. Zij heeft daar in punt 101 aan toegevoegd dat ‘[h]et […] ongetwijfeld vanuit het oogpunt van de eenmaking een zeer spijtige zaak [is] dat het Hof van Justitie in aangelegenheden die verband houden met het GBVB geen prejudiciële bevoegdheid en geen exclusieve bevoegdheid tot ongeldigverklaring heeft in de zin van het arrest Foto-Frost (EU:C:1987:452), aangezien aldus niet kan worden verzekerd dat het Unierecht in het kader van het GBVB op uniforme wijze wordt uitgelegd en toegepast’.
Zie artikel 21, lid 1, VEU.
Artikel 215, lid 1, VWEU impliceert dat de verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen waarin een GBVB-besluit voorziet, wordt gevolgd door de vaststelling van een handeling van de Raad op grond van dat artikel 215 VWEU, anders gezegd door tussenkomst van wat vóór het Verdrag van Lissabon de ‘communautaire pijler’ was. Deze bepaling gebruikt immers de aantonende wijs: ‘de Raad [stelt] de nodige maatregelen vast’.
Cursivering van mij.
Cursivering van mij.
Arrest Busseni (C-221/88, EU:C:1990:84, punt 14).
Arrest Busseni (C-221/88, EU:C:1990:84, punt 16).
Volgens de titel van dat besluit.
De artikelen 4 en 4a van besluit 2014/512 richten zich tegen de Russische aardoliesector voor zover zij voorzien in een regeling die de directe of indirecte verkoop, levering, overbrenging of uitvoer van bepaalde apparatuur die voornamelijk kan worden gebruikt voor de exploratie en productie van olie in de Russische Federatie, door onderdanen van de lidstaten of vanaf het grondgebied van de lidstaten, onderwerpt aan een voorafgaande vergunning, en de directe of indirecte levering verbieden van geassocieerde diensten die noodzakelijk zijn voor de exploratie en productie van olie in de Russische Federatie, door onderdanen van de lidstaten of vanaf het grondgebied van de lidstaten.
Artikel 1, leden 2, onder b) tot en met d), en 3, van besluit 2014/512 bevat een op alle financiële instellingen binnen de Unie toepasselijk algemeen verbod om op de kapitaalmarkt een reeks diensten te verrichten ten behoeve van de in Rusland gevestigde entiteiten die in bijlage III zijn vermeld, waaronder met name Rosneft.
Artikel 7 van besluit 2014/512 bevat een clausule dat vorderingen tot schadevergoeding van marktdeelnemers worden afgewezen, die in lid 1, onder a), onder meer, is gericht tegen de in bijlage III vermelde entiteiten, waaronder met name Rosneft.
Arrest Gbagbo e.a./Raad (C-478/11 P–C-482/11 P, EU:C:2013:258, punt 56). Zie in die zin ook arresten Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C-402/05 P en C-415/05 P, EU:C:2008:461, punten 241–244) en Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C-348/12 P, EU:C:2013:776, punt 99), dat verwijst naar de punten 36–38 van arrest Manufacturing Support & Procurement Kala Naft/Raad (T-509/10, EU:T:2012:201).
Arrest Gbagbo e.a./Raad (C-478/11 P–C-482/11 P, EU:C:2013:258, punt 57).
PB L 195, blz. 39.
‘In de eerste plaats zijn de verbodsmaatregelen die bij artikel 4 van besluit 2010/413 zijn vastgesteld, maatregelen van algemene aard, aangezien hun werkingssfeer is bepaald onder verwijzing naar objectieve criteria en niet onder verwijzing naar daarin geïdentificeerde natuurlijke of rechtspersonen. Bijgevolg is artikel 4 van besluit 2010/413, zoals de Raad en de Commissie te kennen geven, geen besluit waarin beperkende maatregelen jegens natuurlijke of rechtspersonen zijn voorzien in de zin van artikel 275, tweede alinea, VWEU’ (punt 37).
‘1. De verkoop, levering of overdracht van sleuteluitrusting en sleuteltechnologie aan de volgende sleutelsectoren van de aardolie- en aardgasindustrie in Iran of aan Iraanse ondernemingen of ondernemingen in Iraans bezit die buiten Iran in die sectoren actief zijn, door onderdanen van de lidstaten of vanaf het grondgebied van de lidstaten — ongeacht of de goederen daar oorspronkelijk vandaan komen — of met gebruik van onder de rechtsmacht van de lidstaten vallende schepen of vliegtuigen, is verboden:a) raffinage;b) vloeibaar aardgas;c) exploratie;d) productie.De Unie neemt de nodige maatregelen om te bepalen welke voorwerpen onder deze bepaling moeten vallen.2. Het is verboden het volgende aan te bieden aan ondernemingen in Iran die actief zijn in de in lid 1 bedoelde sleutelsectoren van de Iraanse aardolie- en aardgasindustrie of aan Iraanse ondernemingen of ondernemingen in Iraans bezit die buiten Iran in die sectoren actief zijn:a) technische bijstand of opleiding of andere diensten met betrekking tot sleuteluitrusting en sleuteltechnologie als bepaald overeenkomstig lid 1;b) financieringsmiddelen of financiële bijstand voor elke verkoop, levering, overdracht of uitvoer van sleuteluitrusting en technologie als bepaald overeenkomstig lid 1 of voor het aanbieden van daarmee verband houdende technische bijstand of opleiding.3. Het is verboden om bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die ertoe strekken of tot gevolg hebben de in de leden 1 en 2 bedoelde verbodsbepalingen worden omzeild.’
Het betreft verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2007 (PB L 281, blz. 1).
Zie ook punten 36 tot en met 38 van arrest Manufacturing Support & Procurement Kala Naft/Raad (T-509/10, EU:T:2012:201) waarin het Gerecht verklaarde dat de betrokken maatregel geen beperkende maatregel jegens een persoon betrof, aangezien hij geen opsomming gaf van entiteiten waartegen hij was gericht.
Het zou overigens niet mogelijk zijn de artikelen 24, lid 1, tweede alinea, derde zin, en 31, lid 1, VEU aldus uit te leggen dat zij ertoe verplichten beperkende maatregelen die voorzien in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen — per definitie maatregelen van algemene strekking die van toepassing zijn op objectief vastgestelde situaties en een algemene en abstracte categorie personen — vast te stellen volgens de wetgevingsprocedure, omdat een dergelijke uitlegging uitdrukkelijk in strijd zou zijn met de bewoordingen van artikel 215, lid 1, VWEU, dat bepaalt dat ‘de Raad, op gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie, met gekwali?ceerde meerderheid van stemmen de nodige maatregelen vast[stelt] [en] het Europees Parlement daarvan in kennis [stelt]’, hetgeen noch een gewone, noch een bijzondere wetgevingsprocedure is.
Dat volgt uit de beschrijving van artikel 215 VWEU als ‘een brug […] tussen de optredens van de [Unie] waarbij economische maatregelen worden vastgesteld […] en de doelstellingen van het [VEU]’ (arrest Parlement/Raad C-130/10, EU:C:2012:472, punt 59). De GBVB-handelingen die deze ‘brug’ passeren moeten het VEU eerbiedigen.
Zie arresten Sison/Raad (C-266/05 P, EU:C:2007:75, punt 33) en Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft (C-348/12 P, EU:C:2013:776, punt 120).
Zie arresten Haegeman (181/73, EU:C:1974:41, punten 3–6) inzake de op 9 juli te Athene ondertekende en bij besluit 63/106/EEG van de Raad van 25 september 1961 namens de Gemeenschap gesloten overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Griekenland (PB 26, blz. 293); Demirel (12/86, EU:C:1987:400, punt 7) inzake de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende en bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december namens de Gemeenschap gesloten overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (PB 1964, L 217, blz. 3685); Andersson en Wåkerås-Andersson (C-321/97, EU:C:1999:307, punten 26 en 27); Ospelt en Schlössle Weissenberg (C-452/01, EU:C:2003:493, punt 27), en Établissements Rimbaud (C-72/09, EU:C:2010:645, punt 19) inzake de op 2 mei 1992 ondertekende overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB 1994, L 1, blz. 3), goedgekeurd bij besluit 94/1/EGKS, EG van de Raad en de Commissie van 13 december 1993 betreffende de sluiting van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte tussen de Europese Gemeenschappen, hun lidstaten en de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland, de Republiek IJsland, het Vorstendom Liechtenstein, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk Zweden en de Zwitserse Bondsstaat (PB 1994, L 1, blz. 1). Zie ook punten 32–35 van mijn conclusie in de zaak SECIL (C-464/14, EU:C:2016:52).
Zie in die zin ook arrest Raad e.a./Vereniging Milieudefensie en Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht (C-401/12 P–C-403/12 P, EU:C:2015:4, punt 54) en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest Commissie/Rusal Armenal (C-21/14 P, EU:C:2015:494, punt 38). Zie in die zin ook arresten Portugal/Raad (C-149/96, EU:C:1999:574, punt 47), Van Parys (C-377/02, EU:C:2005:121, punt 39) en LVP (C-306/13, EU:C:2014:2465, punt 44).
Het Hof heeft in punt 39 van het arrest Commissie/Rusal Armenal (C-21/14 P, EU:C:2015:494) uitgelegd waarom WTO-overeenkomsten niet behoren tot de normen waaraan het Hof de wettigheid van handelingen van de instellingen van de Unie kan toetsen (‘indien zou worden aanvaard dat het toezicht op de verenigbaarheid van het Unierecht met de WTO-regels rechtstreeks aan de Unierechter toekomt, [zouden] de wetgevende of uitvoerende organen van de Unie daardoor de handelingsvrijheid […] verliezen waarover de corresponderende organen van de handelspartners van de Unie wel beschikken. Vaststaat immers dat een aantal overeenkomstsluitende partijen, waaronder de belangrijkste handelspartners van de Unie, uit de inhoud en de strekking van de WTO-overeenkomsten juist hebben afgeleid dat deze overeenkomsten niet behoren tot de normen waaraan hun rechterlijke instanties de wettigheid van hun nationale rechtsregels toetsen. Een dergelijk gebrek aan wederkerigheid zou, indien het werd aanvaard, een onevenwicht bij de toepassing van de WTO-regels in de hand kunnen werken’).
Artikel I:1 van de GATT definieert de algemene meestbegunstigingsbehandeling als volgt: ‘[E]lk voordeel, elke gunst, elk voorrecht of elke vrijstelling welke een der verdragsluitende partijen verleent aan enig product van oorsprong uit of bestemd voor enig ander land, [zal] terstond en onvoorwaardelijk worden verleend aan het overeenkomstige product van oorsprong uit of bestemd voor het grondgebied van alle andere verdragsluitende partijen. Dit artikel betreft in- en uitvoerrechten en enigerlei heffingen ter zake van of in verband met in- of uitvoer of ter zake van de overmaking naar of uit het buitenland van gelden ter betaling van importen of exporten, alsmede ten aanzien van de wijze van heffing van zodanige rechten en heffingen en voorts ten aanzien van alle regels en formaliteiten nopens in- en uitvoer, alsmede ten aanzien van alle in de leden 2 en 4 van artikel III bedoelde aangelegenheden’.
Zie punten 20–29 van arrest Simutenkov (C-265/03, EU:C:2005:213).
Zie punt 79 van mijn conclusie in de zaak SECIL (C-464/14, EU:C:2016:52).
Onder doorvoer wordt verstaan de doorgang over het grondgebied van een staat, al dan niet met overslag, opslag, onderbreking van het vervoer of overlading in een ander transportmiddel, als onderdeel van een volledige reis die begint en eindigt buiten de grenzen van het grondgebied van de staat waarover die doorgang plaatsvindt. Zie in die zin artikel V:1 van de GATT.
Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 833/2014. Cursivering van mij.
Artikel 3, lid 4, van verordening nr. 833/2014. Cursivering van mij.
Te raadplegen op de website van de United Nations Statistics Division (http://unstats.un.org/unsd/cr/registry/regcs.asp?Cl=9&Lg=1&Co=8672). Het CPC-nummer (‘central product classification number’) verwijst naar het internationale productkwalificatiesysteem onder de vlag van de Verenigde Naties (VN).
Te raadplegen op de website van de United Nations Statistics Division (http://unstats.un.org/unsd/cr/registry/regcs.asp?Cl=9&Lg=1&Co=8676).
De enige onder CPC 86761 genoemde diensten die relevant zouden kunnen zijn, zijn ‘technische beproevingen en analyses van chemische en biologische eigenschappen van stoffen als […] brandstoffen’. Daaronder vallen echter geen boringen, tests, metingen en afwerking van boorgaten, en de levering van gespecialiseerde drijvende installaties.
Zie artikelen 1, lid 2, onder b) tot en met d), van besluit 2014/512 en 5, lid 2, onder b) tot en met d), van verordening nr. 833/2014.
Zie artikelen 1, lid 3, van besluit 2014/512 en 5, lid 3, van verordening nr. 833/2014.
Die zaak betrof eveneens beperkingen van het vrije kapitaalverkeer, die in strijd waren met de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tunesië, anderzijds, ondertekend te Brussel op 17 juli 1995 en goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal bij besluit 98/238/EG, EGKS van de Raad en de Commissie van 26 januari 1998 (PB L 97, blz. 1), en met de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Libanon, anderzijds, ondertekend te Luxemburg op 17 juni 2002 en goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap bij besluit 2006/356/EG van de Raad van 14 februari 2006 (PB L 143, blz. 1).
Overweging 8 van besluit 2014/512.
Overweging 2 van verordening nr. 833/2014.
Overweging 2 van verordening nr. 833/2014.
Zie de website van Rosneft (http://www.rosneft.com/about/).
Overweging 2 van verordening nr. 833/2014.
De Frans taalversie, daarin gevolgd door de Roemeense taalversie, verwijst naar ‘au cas de guerre ou de grave tension internationale menaçant de déboucher sur un conflit armé’, terwijl de Engelse taalversie, daarin gevolgd door alle andere taalversies en de Russische taalversie, verwijst naar ‘in time of war or serious international tension constituting threat of war’. Cursivering van mij.
Overweging 1 van besluit 2014/512. De Raad wees ter terechtzitting op de associatieovereenkomst die de Unie in 2014 met Oekraïne had gesloten en op het feit dat Oekraïne deel uitmaakte van het Europese nabuurschapsbeleid. De Raad benadrukte dat internationale spanningen die een oorlogsdreiging inhouden niet noodzakelijkerwijs alleen het grondgebied van de Unie hoeven te betreffen. Bovendien stond duidelijk vast dat er een gewapend conflict plaatsvond op het grondgebied van een buurstaat van de Unie.
Overweging 5 van besluit 2014/512.
Overweging 1 van verordening nr. 833/2014.
Zie resolutie 2166(2014) van de VN-Veiligheidsraad, te raadplegen op de website van de VN-Veiligheidsraad (http://www.securitycouncilreport.org/atf/cf/%7B65BFCF9B-6D27-4E9C-8CD3-CF6E4FF96FF9 %7D/s_res_2166.pdf).
Het betreft ontwerpresoluties S/2014/189 en S/2015/56, te raadplegen op de website van de VN-Veiligheidsraad (http://www.securitycouncilreport.org/un-documents/ukraine/).
‘Het is daarom passend aanvullende beperkende maatregelen toe te passen teneinde Rusland een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en teneinde een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen.’
‘Het is eveneens passend beperkingen op te leggen inzake de directe of indirecte verkoop, levering, overdracht of uitvoer van bepaalde technologieën voor de olie-industrie in Rusland door een voorafgaande vergunning verplicht te stellen.’
Zie voetnoot 85.
‘Het is eveneens passend beperkingen op te leggen inzake de toegang tot de kapitaalmarkt voor bepaalde financiële instellingen, met uitzondering van in Rusland gevestigde instellingen met een internationale status welke zijn opgericht uit hoofde van intergouvernementele overeenkomsten en waarin Rusland één van de aandeelhouders is.’
Zie punt 147 van deze conclusie. Ik voeg daaraan toe dat Rosneft, volgens haar jaarrekening over 2013, 85 miljard Russische roebel aan dividenden heeft uitgekeerd aan haar aandeelhouders en in Rusland meer dan 1miljard Russische roebel heeft betaald uit hoofde van andere belastingen dan de inkomstenbelasting (zie de website van Rosneft, http://www.rosneft.com/attach/0/02/90/Rosneft_FS_2013_ENG_SIGNED_FINAL.pdf).
Zie artikel 5, lid 2, onder b), en bijlage VI van verordening nr. 833/2014.
Volgens president Vladimir V. Poetin droegen de opbrengsten van de aardolie-industrie in 2013 ongeveer 191 tot 194 miljard USD bij aan het budget van de Russische Federatie (zie http://rbth.com/news/2014/04/17/russia_had_revenues_of_191–194_bln_from_oil_28_bln_from_gas_in_2013_-_pu_35970.html).
Overweging 2 van verordening nr. 833/2014. Cursivering van mij.
Zie punten 82 tot en met 85 van deze conclusie.
PB L 145, blz. 43.
In civil law-stelsels moet, gewoonlijk, iedere partij haar eigen bewijs aandragen, maar in ‘common law’-stelsels kunnen partijen elkaar, onder toezicht van de rechter, om overlegging van documenten verzoeken (‘request for document production’).
De instellingen van de Unie kunnen, bijvoorbeeld, op grond van artikel 4, lid 1, onder a), van die verordening de toegang tot een document weigeren wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van het openbaar belang wat betreft de internationale betrekkingen (hetgeen overeenkomt met het begrip ‘Crown privilege’ of ‘public-interest immunity’). Een ‘document discovery’-procedure, daarentegen, zou ertoe kunnen leiden dat een rechterlijke instantie, onder voorbehoud van geheimhouding, de overlegging van een document uit die categorie gelast, indien blijkt dat de partij die erom vraagt dat document nodig heeft om haar rechten te beschermen.
Punt 17. Zie in die zin ook arresten Nachi Europe (C-239/99, EU:C:2001:101, punten 29 en 30) en National Farmers' Union (C-241/01, EU:C:2002:604, punt 26).
Zie arresten Accrington Beef e.a. (C-241/95, EU:C:1996:496, punt 15), Nachi Europe (C-239/99, EU:C:2001:101, punt 40) en Bavaria en Bavaria Italia (C-343/07, EU:C:2009:415, punt 40).
Zie in die zin arrest Pfleiderer (C-360/09, EU:C:2011:389, punten 24, 30 en 31).
Arrest National Farmers' Union e.a. (C-354/95, EU:C:1997:379, punt 61). Zie in die zin ook arresten SCAC (C-56/94, EU:C:1995:209, punt 27) en Garcia Avello (C-148/02, EU:C:2003:539, punt 31).
Het betreft de artikelen 1, leden 1 en 2, onder a), en 3a van besluit 2014/512 en de artikelen 2a, 5, leden 1, onder a), en 2, onder a), van verordening nr. 833/2014.
Cursivering van mij.
Zie ook overwegingen 4 en 5 van die verordening en overweging 8 van besluit 2014/512.
Arrest Dalmine/Commissie (C-407/04 P, EU:C:2007:53, punt 99). Zie in die zin ook punt 50 van arrest Bank Melli Iran/Raad (T-390/08, EU:T:2009:401), dat is bevestigd in punt 74 van arrest Bank Melli Iran/Raad (C-548/09 P, EU:C:2011:735).
Commission staff working document on the movement of capital and the freedom of payments (5 maart 2015) 6902/15 — SWD(2015) 58 final, te raadplegen op de website van de Raad: http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-6902-2015-INIT/en/pdf.
Ibidem, blz. 36 (‘[t]hese measures aim to cut strategic state-owned Russian companies off from EU and international financing sources, thus imposing an indirect financial cost to the state and limiting their ability to grow in the future’). Vertaling van mij.
Cursivering van mij.
Overweging 2 van verordening nr. 833/2014.
Punt 296 van het arrest Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C-402/05 P en C-415/05 P, EU:C:2008:461).
Cursivering van mij.
Zie punt 85 van deze conclusie.
Zie punt 72 van deze conclusie.
‘[…] Gezien het [VWEU], en met name artikel 215,Gezien besluit [2014/512] […][…]’
Cursivering van mij.
Cursivering van mij.
Zie in die zin ook arrest Bosphorus (C-84/95, EU:C:1996:312, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin ook arrest Bank Melli Iran/Raad (C-548/09 P, EU:C:2011:735, punt 114).
Het betreft de in punt 25 van deze conclusie genoemde nationale regeling die straffen oplegt voor schending van bepalingen van verordening nr. 833/2014.
Al lang geleden in het Unierecht erkend (zie arrest Racke, 98/78, EU:C:1979:14, punt 20).
Zie punt 127 van deze conclusie.
Zie artikel 1, lid 2, onder a): ‘[a]n offence may be committed under this Order […] in the United Kingdom by any person’, en artikel 4, lid 2: ‘[a] person commits an offence and may be arrested if that person […] is concerned in an activity […] for which EU authorisation is required’.
Artikel 3, lid 3, onder a), en 3a, lid 1, onder a), van verordening nr. 833/2014. Volgens Rosneft zijn er grote gebieden waarin de waterdiepte aanzienlijk varieert, zodat het water op sommige plekken meer en op andere plekken minder dan 150 meter diep is. In die context geeft verordening nr. 833/2014, volgens Rosneft, ook niet aan vanaf welk punt die 150 meter moet worden gemeten, noch of het verboden is verticaal te boren op een punt waar de zee minder dan 150 meter diep is en vervolgens naar buiten naar een punt in het gesteente dat zich bevindt in water van meer dan 150 meter diep.
Artikel 3, lid 3, onder c), en 3a, lid 1, onder c), van verordening nr. 833/2014. Volgens Rosneft bestaat er, zowel binnen als buiten de geologische sector, geen enkele consensus over de definitie van schalie en geeft verordening nr. 833/2014 er geen.
Artikel 4, lid 3, onder b), van verordening nr. 833/2014. Volgens Rosneft bestaat er, noch binnen de VN, noch binnen de Unie, enige definitie van het begrip financiële bijstand en geeft verordening nr. 833/2014 er geen.
Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 833/2014. Volgens Rosneft is het volkomen onduidelijk of deze bepaling na 12 september 2014 de uitgifte verbiedt van GDR's die vóór die datum uitgegeven aandelen vertegenwoordigen. Zie voor een volledige definitie van GDR's voetnoot 133 van deze conclusie.
Arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P tot en met C-208/02 P en C-213/02 P, EU:C:2005:408, punt 219).
R (OJSC Rosneft Oil Company) v Her Majesty's Treasury and ors [2015] EWHC 248 (Admin), paragraaf 53. In tegenstelling tot het theoretische geval dat ik heb besproken in punt 62 van mijn conclusie in de zaak Stichting Woonpunt e.a./Commissie (C-132/12 P, EU:C:2013:335), lijkt deze mogelijkheid mij in casu doeltreffend.
De Raad heeft geen opmerkingen gemaakt over het op de derde vraag te geven antwoord.
Zie met name de artikelen 2, onder b), en 4, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 314/2004 van de Raad van 19 februari 2004 inzake bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (PB L 55, blz. 1), zoals nadien gewijzigd, en de artikelen 2, onder b), en 3 van verordening (EU) nr. 747/2014 van de Raad van 10 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Sudan en tot intrekking van verordening (EG) nr. 131/2004 en verordening (EG) nr. 1184/2005 (PB L 203, blz. 1).
C(2014) 9950 final.
C(2014) 9950, blz. 2.
C(2014) 9950, blz. 3.
GDR's zijn certificaten die het houderschap vertegenwoordigen van een bepaald aantal aandelen van een vennootschap. Omdat die certificaten overdraagbaar zijn vormen zij autonome effecten die kunnen worden genoteerd en verhandeld op de kapitaalmarkt, onafhankelijk van de onderliggende aandelen die afzonderlijk op een buitenlandse markt kunnen zijn genoteerd. GDR's worden uitgegeven door bewaarnemers (vaak investeringsbanken) op grond van tussen de bewaarnemers en de emittenten van de onderliggende aandelen gesloten bewaarnemingsovereenkomsten.
Cursivering van mij.
Zie in die zin ook richtsnoerennota van 16 december 2014 over de tenuitvoerlegging van een aantal bepalingen van verordening nr. 833/2014 [C(2014) 9950 final, blz. 7].
De andere partijen van het hoofdgeding en de interveniënten hebben in dit verband geen opmerkingen ingediend.
R (OJSC Rosneft Oil Company) v Her Majesty's Treasury and ors [2015] EWHC 248 (Admin), paragraaf 53.