HR, 22-04-2011, nr. 10/00225
ECLI:NL:HR:2011:BP3042
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
22-04-2011
- Zaaknummer
10/00225
- Conclusie
Mr. L. Strikwerda
- LJN
BP3042
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BP3042, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 22‑04‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP3042
ECLI:NL:PHR:2011:BP3042, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑01‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP3042
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑04‑2011
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Overeenkomst van geldlening tot stand gekomen? (81 RO)
22 april 2011
Eerste Kamer
10/00225
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.C. van Keulen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 272315/HA ZA 06-2975 van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 1 november 2006 en 30 mei 2007;
b. het arrest in de zaak 105.006.888/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 augustus 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 1.256,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 22 april 2011.
Conclusie 28‑01‑2011
Mr. L. Strikwerda
Partij(en)
conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1.
Het tijdig door eiseres tot cassatie, hierna: [eiseres], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te 's‑Gravenhage van 4 augustus 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [eiseres] het vonnis van de rechtbank 's‑Gravenhage van 30 mei 2007 bekrachtigd waarbij een door [eiseres] tegen thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], ingestelde vordering tot betaling van Euro 90.000,-, vermeerderd met wettelijke rente en kosten, werd afgewezen.
2.
Het cassatieberoep berust op één middel dat verscheidene klachten bevat.
3.
[Verweerster] heeft het middel bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
4.
De door het middel aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
5.
Het middel bevat, als ik het goed zie, zeven klachten.
6.
De eerste vier klachten zijn gericht tegen de waardering door het hof — in r.o. 3.4 t/m 3.8 — van de in het voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen omtrent de vraag of tussen partijen, zoals [eiseres] stelt doch [verweerster] ontkent, een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen.
7.
De eerste klacht (cassatiedagvaarding onder 4, eerste gedeelte) verwijt het hof te hebben miskend dat de verklaring van [eiseres] zelf omtrent de door haar gestelde overeenkomst van geldlening wordt ondersteund door de verklaring van haar zoon [getuige].
8.
De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet miskend dat de verklaring van getuige [getuige] het standpunt van [eiseres] ondersteunt. Het hof heeft immers — in r.o. 3.8 — uitdrukkelijk overwogen dat de stelling van [eiseres] dat geld is overhandigd ter uitvoering van een overeenkomst van geldlening, door getuige [getuige] is bevestigd. Het hof heeft echter geoordeeld dat dit niet voldoende is om het bestaan van een overeenkomst van geldlening bewezen te achten.
9.
De tweede klacht (cassatiedagvaarding onder 4, tweede gedeelte) houdt in dat het hof ten onrechte de getuigenverklaring van [verweerster] omtrent de overhandiging van een bedrag aan [eiseres] niet relevant heeft geacht.
10.
Ook deze klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft de bedoelde verklaring — in r.o. 3.8 — immers uitdrukkelijk in zijn beoordeling betrokken. Voor zover de klacht strekt ten betoge dat het hof op grond van de verklaring van [verweerster] tot het oordeel had moeten komen dat sprake is van een overeenkomst van geldlening, kan de klacht evenmin doel treffen. Het oordeel van het hof dat de verklaring van [verweerster] dat zij geld voor haar moeder in ontvangst heeft genomen en aan haar moeder heeft overhandigd, niet kan worden aangemerkt als een impliciete erkenning van een geldlening, is onjuist noch onbegrijpelijk.
11.
Als derde klacht voert het middel aan (cassatiedagvaarding onder 6, eerste gedeelte) dat (het hof heeft miskend dat) reeds van een overeenkomst van geldlening moet worden gesproken indien, zoals in dit geval, sprake is van enerzijds het verstrekken van geld en anderzijds een gevoelde ‘noodzaak of reden tot terugbetaling’.
12.
De klacht faalt omdat zij berust op een onjuiste rechtsopvatting. Of sprake is van een overeenkomst van geldlening wordt bepaald door de bedoeling van partijen ten tijde van de verstrekking van de gelden. Het enkele feit dat de ontvangende partij op enig moment ‘noodzaak of reden tot terugbetaling’ voelt, is onvoldoende om aan te nemen dat partijen het oogmerk hebben gehad een overeenkomst van geldlening te sluiten.
13.
De vierde klacht (cassatiedagvaarding onder 6, tweede gedeelte) houdt in dat (het hof heeft miskend dat) de rechtsrelatie tussen partijen met zich kan brengen dat uit andere hoofde een schuldverhouding bestaat of tot stand wordt gebracht en dat de stellingen van [eiseres] bezwaarlijk anders kunnen worden verstaan dan dat zij een zekere rechtsverhouding aan haar stellingen ten grondslag heeft gelegd krachtens welke terugbetaling van gelden verschuldigd was.
14.
De klacht is tevergeefs voorgesteld omdat zij niet voldoet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen. Al aangenomen dat de klacht zó moet worden gelezen dat het hof schending van het voorschrift van art. 25 Rv wordt verweten, geeft de klacht immers in het geheel niet aan (en valt ook niet in te zien) welke andere rechtsverhouding (rechtsgrond) dan tot terugbetaling van gelden zou verplichten.
15.
De vijfde klacht (cassatiedagvaarding onder 8, eerste gedeelte) verwijt het hof te hebben miskend dat de overeenkomst van geldlening als zodanig bestaanbaar is naast de accessoire afspraak dat het restaurant mede op naam van de [eiseres] en haar beide zoons zou worden gesteld.
16.
De klacht faalt omdat zij geen steun vindt in het bestreden arrest. Het hof heeft in r.o. 3.8 de vraag of het beding van (mede) tenaamstelling van het restaurant onlosmakelijk met de gestelde geldlening verbonden was, in het midden gelaten en heeft zich verder niet uitgelaten over de bestaanbaarheid van die verbinding.
17.
De zesde klacht (cassatiedagvaarding onder 8, tweede gedeelte) houdt in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor opeising van de verstrekte gelden een ingebrekestelling was vereist.
18.
De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft, uitgaande van zijn oordeel dat een overeenkomst van geldlening niet is komen vast te staan, de vraag of een ingebrekestelling was vereist, in het midden gelaten (r.o. 3.9).
19.
De zevende klacht (cassatiedagvaarding onder 9) mist zelfstandige betekenis.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,