HR, 17-11-2009, nr. 08/00830 H
ECLI:NL:HR:2009:BJ8651
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
17-11-2009
- Zaaknummer
08/00830 H
- Conclusie
Mr. Fokkens
- LJN
BJ8651
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BJ8651, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑11‑2009; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ8651
ECLI:NL:PHR:2009:BJ8651, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑09‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ8651
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑11‑2009
Inhoudsindicatie
Herziening. Persoonsverwisseling. Aanvraag op in de conclusie PG genoemde gronden gegrond.
17 november 2009
Strafkamer
nr. 08/00830 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 17 januari 2003, nummer 05/079057-01, ingediend door mr. R.F. Vogel, advocaat te Almere, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Voorts heeft de Politierechter een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het vonnis omschreven.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat sprake is van een persoonsverwisseling.
3. De conclusie van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvrage
Op de door de Procureur-Generaal in zijn conclusie genoemde gronden moet de door de aanvrager gestelde omstandigheid worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrage is dus gegrond.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 17 januari 2003;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 17 november 2009.
Conclusie 22‑09‑2009
Mr. Fokkens
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1.
De politierechter te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 17 januari 2003 bij verstek veroordeeld wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, gepleegd op 19 januari 2001, tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en aan aanvrager een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het vonnis bepaald.
2.
Mr. R.F. Vogel, advocaat te Almere, heeft namens [aanvrager] een aanvrage tot herziening ingediend die blijkens het daarop door de griffie geplaatste stempel op 21 februari 2008 bij de Hoge Raad is binnengekomen. De aanvrage berust op de stelling dat een ander, te weten [betrokkene 1], geboortedatum [geboortedatum] 1975, na aanhouding een valse naam aan de politie heeft opgegeven en zich voor aanvrager heeft uitgegeven, als gevolg waarvan aanvrager ten onrechte is veroordeeld.
3.
Het bewijsmiddel waaruit deze omstandigheid volgens aanvrager kan blijken is als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Deze bijlage betreft het volgende:
- —
een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] van 31 juli 2007 (PL26S1/07-037533), inhoudende onder meer en voor zover hier van belang als volgt:
‘V: Je stond gesignaleerd in verband met een poging inbraak in een bedrijfspand in 2001. Hierover wordt je nader gehoord, omdat je destijds een valse naam hebt opgegeven. Begrijp je dat?
A: ja
V: In het proces-verbaal staat de naam [van aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] en woonachtig op de [a-straat 1] te [woonplaats]. Wie is dit?
A: dat is mijn broer.
V: Was jou broer destijds betrokken bij de poging inbraak in dat bedrijfspand?
A: Nee, hij was er niet bij.
V: Wie waren er dan wel bij betrokken?
A: Ik, [betrokkene 1], en mijn broertje [betrokkene 2].
V: waarom heb je de identiteitsgegevens van je broer [aanvrager] opgegeven aan de politie in verband met die poging inbraak?
A: Omdat ik toen ik (lees: in, JWF) de auto zat en ik niet in het bezit ben van een rijbewijs.
V: Wist je broer [aanvrager] dat je zijn gegevens opgaf aan de politie?
A: Toendertijd wist hij dat niet. Mijn broer heeft begin 2007 1 maand vastgezeten voor deze poging inbraak. Ik zat toen vast voor een andere zaak en ik hoorde later van mijn broer [aanvrager] dat hij voor deze zaak heeft gezeten. Van mijn broer moest ik de waarheid zeggen, want hij wilde zijn naam zuiveren. Hij had hier niks mee te maken.
V: Heeft je broer wel een strafblad?
A: Nee, maar dankzij mij en mijn broer wel, omdat wij af en toe zijn naam opgeven.’
4.
Voorts wordt er in de aanvrage op gewezen dat uit het proces-verbaal van politie blijkt dat betrokkenen zich tegenover de politie niet hebben gelegitimeerd, zodat hun identiteit niet op behoorlijke wijze vastgesteld is kunnen worden.
5.
Het proces-verbaal van aanhouding vermeldt niet dat de aangehouden persoon zich heeft gelegitimeerd ten overstaan van de politie. Voorts is op het gegevensblad van de aangehouden persoon (p. 17 proces-verbaal) onder meer vermeld dat een GBA-nummer onbekend is en dat de personalia geverifieerd zijn. Niet blijkt op welke wijze dit zou zijn geschied. Evenmin blijkt wat de uitkomst van de verificatie is. In het dossier bevindt zich een GBA-formulier (p. 21 proces-verbaal) waarin naar aanleiding van de naam [achternaam aanvrager] is vermeld ‘Persoon komt niet voor’.
6.
Naar aanleiding van de aanvrage is aan het College van Procureurs-Generaal verzocht een nader onderzoek te doen verrichten. De resultaten van dat onderzoek zijn op 18 juni 2009 ontvangen.
7.
Tot de in het kader van dat onderzoek verzamelde stukken behoort een door [aanvrager] ondertekende Kopie aanvraag reisdocument van 15 januari 2004 bij de gemeente Almere. De handtekening op die kopie is anders dan de handtekeningen op de in het proces-verbaal van 20 januari 2001 weergegeven verklaring van de aangehouden persoon die als naam [achternaam aanvrager] heeft opgegeven.
8.
Voorts is bij de stukken gevoegd een onderzoek naar de lichaamslengtes van de drie betrokkenen. Dit onderzoek heeft het volgende opgeleverd. Getuige [getuige 1] heeft bij de op 19 januari 2001 gehouden spiegelconfrontatie met de aangehouden persoon die als naam [achternaam aanvrager] heeft opgegeven, verklaard dat de man met wie hij geconfronteerd werd de kleinste was van de twee. Op de aanvragen reisdocumenten staat vermeld:
[Aanvrager]: lengte 1,80 m;
[Betrokkene 1]: lengte 1,89 m;
[Betrokkene 2]: lengte 1,78 m.
Voorts vermeldt het proces-verbaal (p. 2):
Op de signalementen van de herkenningsdienst staat vermeld:
[Aanvrager], lengte 1,90 m. (registratiedatum 25-03-1996);
[Betrokkene 1], lengte 1,89 m (registratiedatum 14-12-2008);
[Betrokkene 2], lengte 1,79 m (registratiedatum 24-04-2006).
Deze gegevens geven geen steun aan de stelling in de aanvrage dat [betrokkene 1] destijds is aangehouden en zich heeft uitgegeven als aanvrager. [Betrokkene 1] is volgens deze gegevens immers 10 centimeter langer dan de mededader [betrokkene 2] en zou daarom bezwaarlijk door de getuige [getuige 2] kunnen zijn aangewezen als de kleinste van de twee. De vraag is echter of daaraan veel betekenis moet worden gehecht nu ook [aanvrager] volgens deze gegevens groter is dan [betrokkene 2] en dus ook niet als de kleinste zou kunnen zijn aangewezen.
9.
Voorts vermeld ik dat er een brief van de raadsman van aanvrager van 18 augustus 2009 is binnengekomen bij de Hoge Raad met het verzoek nogmaals te trachten [betrokkene 2] te doen horen, onder vermelding van diens postadres en telefoonnummer. Het proces-verbaal van onderzoekshandelingen van 20 mei 2009 houdt onder meer in dat pogingen [betrokkene 2] nader te horen geen resultaat hebben opgeleverd. In aanmerking genomen dat ik gelet op de voorhanden zijnde stukken concludeer tot gegrondverklaring van de aanvrage, meen ik dat aan dit verzoek geen gevolg moet worden gegeven.
10.
Ik kom tot de conclusie dat de inhoud van het bij de aanvrage overgelegde proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1], bezien in combinatie met de omstandigheid dat destijds de aangehouden persoon die als naam [achternaam aanvrager] heeft opgegeven, zich kennelijk niet heeft gelegitimeerd en de omstandigheid dat de door de aangehouden persoon gezette handtekening enigermate afwijkt van de handtekening van [aanvrager], ernstige aanwijzingen oplevert dat in deze zaak sprake is geweest van een persoonsverwisseling. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de politierechter, indien hij met deze feiten en omstandigheden bekend was geweest, de aanvrager van het hem tenlastelegde zou hebben vrijgesproken.
11.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden