In het dossier komen twee adressen voor: [a-straat 1] te Parijs en [b-straat 1].
HR, 22-01-2013, nr. 11/03616 H
ECLI:NL:HR:2013:BY8985
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-01-2013
- Zaaknummer
11/03616 H
- Conclusie
Mr. Vegter
- LJN
BY8985
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BY8985, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 22‑01‑2013; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8985
ECLI:NL:PHR:2013:BY8985, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑11‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY8985
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0020
Uitspraak 22‑01‑2013
Inhoudsindicatie
Herziening. Persoonsverwisseling. De HR verklaart de aanvraag tot herziening gegrond.
22 januari 2013
Strafkamer
nr. S 11/03616 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank Breda van 3 april 2007, nummer 02/801471-06, ingediend door mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.
2. De aanvraag tot herziening
2.1. De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat sprake is van een persoonsverwisseling.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden berecht en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, (oud) Sv is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvraag
4.1. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2. Hetgeen door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie is vermeld, geeft steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening is gevraagd sprake is geweest van een persoonsverwisseling.
4.3. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Rechtbank, ware deze hiermee bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
5. Slotsom
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hier sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Rechtbank;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 januari 2013.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Conclusie 20‑11‑2012
Mr. Vegter
Partij(en)
Nr. 11/03616 H
Mr. Vegter
Zitting 20 november 2012
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1.
Aanvrager van herziening is bij verstekvonnis van de Rechtbank te Breda van 3 april 2007 wegens 1. "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld, als gevolg waarvan het vonnis onherroepelijk is geworden.
2.
Namens aanvrager heeft mr. W.P.R. Peeters, advocaat te Rijsbergen, herziening gevraagd van het onherroepelijke vonnis van de Rechtbank.
3.
De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een persoonsverwisseling. Aangevoerd wordt dat een ander bij zijn aanhouding de persoonsgegevens van aanvrager heeft opgegeven.
4.
Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Op 16 december 2006 hielden verbalisanten in het kader van een verkeerscontrole op de rijksweg A16 de bestuurder aan van een Mazda met een Frans kenteken. Desgevraagd overhandigde de bestuurder een 'op zijn naam gesteld' rijbewijs. De bestuurder bleek te zijn genaamd [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats].1. Bij onderzoek aan de auto werd in de kofferbak een pakket met drugs (ruim een kilo heroïne en bijna een kilo hennep) aangetroffen.
Vanwege niet tijdige verlenging van de inverzekeringstelling heeft de rechter-commissaris op 19 december 2006 de onmiddellijke invrijheidstelling van de aangehouden persoon bevolen. De dagvaarding voor de terechtzitting van 22 februari 2007 is op diezelfde dag in persoon uitgereikt. Op 22 februari 2007 is geen verdachte ter zitting verschenen. In verband met een wijziging van de tenlastelegging is de zaak toen aangehouden. Op 3 april 2007 is [aanvrager] bij verstek veroordeeld.
5.
Aanvrager werd op 6 januari 2010 bij een grenscontrole staande gehouden door de politie. Op 29 januari 2010 heeft de Officier van Justitie zijn onmiddellijke invrijheidstelling bevolen. Dit nadat - zoals blijkt uit een brief van de Officier van Justitie aan de raadsman van de aanvrager van 27 april 2010 - van de Franse liaison informatie was verkregen op grond waarvan het zeer wel mogelijk was dat hij niet de persoon is geweest die in 2006 is aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet.2.
6.
Aanvrager stelt dat hij inderdaad niet degene is geweest die de overtredingen van de Opiumwet heeft begaan, maar iemand anders. Bij de aanvrage is gevoegd een proces-verbaal waaruit blijkt dat aanvrager op 26 juni 2007 bij de Franse politie aangifte gedaan van identiteitsdiefstal. Aanvrager heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij in september 2005 slachtoffer is geweest van een autodiefstal, waarbij zijn rijbewijs is gestolen. Blijkens een proces-verbaal van 26 februari 2008 heeft aanvrager op 20 februari 2008 te horen gekregen dat [betrokkene 1] in het bezit was van zijn rijbewijs. Aanvrager heeft daarop aangifte gedaan tegen deze [betrokkene 1] wegens identiteitsdiefstal.
Bij de aanvrage is voorts gevoegd een kopie van een uittreksel uit de notulen van de griffier van de arrondissementsrechtbank te Parijs. Daaruit blijkt dat op 22 februari 2008 uitspraak is gedaan in een zaak tegen [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1956, alias [naam aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1958. [betrokkene 1] is veroordeeld wegens onder meer het onrechtmatig in het bezit zijn van valse administratieve documenten, waaruit een recht, een identiteit of een hoedanigheid blijkt, het gebruik van dergelijke documenten, het aannemen van een valse naam en het verborgen houden van een ontvreemd goed. Uit een vertaald document met de kop 'Hoorzitting' lijkt te volgen dat het valse document een rijbewijs op naam van [aanvrager] betrof, dat [betrokkene 1] dit in zijn bezit had en dat hij de naam van [aanvrager] heeft gebruikt.
Tenslotte bevindt zich bij de aanvrage een proces-verbaal forensisch technisch onderzoek van 21 september 2010, waaruit blijkt dat een Frans dactyloscopisch signalement ten name van [betrokkene 1] en een Nederlands dactyloscopisch signalement ten name van [aanvrager] afkomstig zijn van twee verschillende donoren.
7.
De hierboven genoemde stukken geven steun aan de stelling dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling en dat de op 16 december 2006 ter zake van overtredingen van de Opiumwet aangehouden persoon niet de aanvrager was maar wel diens personalia heeft opgegeven.
8.
Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Rechtbank, ware deze met de bovenvermelde feiten en omstandigheden bekend geweest, aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
9.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑11‑2012
Deze informatie betrof het volgende: '- the document with which [aanvrager] has asked for a 'national id card' in France in October 2008 - a photo and fingerprints from the french police established in 2006 about [betrokkene 1], - a photo and fingerprints from february 2008 about a certain '[aanvrager]', but which correspond in fact to [betrokkene 1], - and finally, the judgement of the court in Paris in february 2008, by which [betrokkene 1] had been convicted inter alia for having unduly used the identity of '[aanvrager]'. I can also tell you that we checked for sure that [aanvrager]'s driving license was stolen in 2005. The facts that have lead to a conviction by the court in BREDA were committed in december 2006, possibly by [betrokkene 1] using the identity of [aanvrager]. You may have now in jail the real [aanvrager], but all these informations show that he wsa not the one who was arrested in december 2006.'