De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.2.1:2.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.2.1
2.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948109:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
430. In deze paragraaf gaat het over de situatie dat een echtgenoot een aandeel in één of meer gemeenschappelijke goederen heeft verkregen, waarna dat aandeel wordt uitgebreid, en er in een van de verkrijgingen een element van erfrecht of gift besloten ligt. Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk reeds aangegeven (zie randnummer 428) wordt onder de term ‘uitbreiding’ zowel de situatie begrepen dat het door een echtgenoot verkregen aandeel door overdracht van (een gedeelte van) een aandeel wordt vergroot (een ‘opvolgende deelverkrijging’), als de situatie dat de gemeenschap eindigt zónder dat van een verdeling sprake is. Het element van erfrecht of gift kan bovendien een ‘direct’ element van erfrecht of gift zijn, dat wil zeggen een verkrijging rechtstreeks krachtens erfrechtelijke titel of schenking, maar óók een verkrijging betreffen waarbij de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk ten laste is gekomen van privévermogen dat een echtgenoot krachtens erfrechtelijke titel of gift heeft verkregen. In dat laatste geval zal aan de hand van artikel 1:95 lid 1 BW beoordeeld moeten worden wat de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen is. In deze paragraaf zullen al deze gevallen van uitbreiding aan de orde komen. Daarbij zal de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen zowel vanuit het geldend recht als vanuit de alternatieve visie op de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap worden bekeken. In paragraaf 2.2 komt eerst het geldend recht aan de orde, waarna in paragraaf 2.3 de alternatieve visie zal worden behandeld.