HR, 15-04-2011, nr. 10/04943
ECLI:NL:HR:2011:BP6928
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
15-04-2011
- Zaaknummer
10/04943
- Conclusie
Mr. Wuisman
- LJN
BP6928
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BP6928, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 15‑04‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BP6928
ECLI:NL:PHR:2011:BP6928, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑02‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP6928
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑04‑2011
Inhoudsindicatie
WSNP. Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling; art. 288, lid 1, onder b en c F. (81 RO)
15 april 2011
Eerste Kamer
10/04943
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 210905/FT-RK 09.1344 van de rechtbank Breda van 12 juli 2010,
b. het arrest in de zaak HV 200.070.482/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 november 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 april 2011.
Conclusie 25‑02‑2011
Mr. Wuisman
Partij(en)
CONCLUSIE inzake:
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
1. Voorgeschiedenis
1.1
Bij arrest d.d. 9 november 2010 bekrachtigt het hof te 's‑Hertogenbosch het vonnis d.d. 12 juli 2010 van de rechtbank te Breda, waarbij het verzoek van verzoeker tot cassatie — een alleenstaande man zonder kinderen — is afgewezen. Er zijn blijkens de artikel 285-verklaring schulden tot een bedrag van € 63.573,03, waaronder een schuld van € 27.000,- aan de gemeente Roosendaal wegens ten onrechte genoten Wwb-uitkeringen, een schuld van ongeveer € 18.000,- aan ABN-AMRO en een schuld van € 5.400,- aan IBG-groep. De eerstgenoemde schuld is ontstaan vijf jaren vóór het indienen van het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. In het niet te goeder trouw hebben doen ontstaan van die schuld kan dan ook, aldus het hof in de eerste alinea van rov. 3.5.2, geen aanleiding worden gevonden om het verzoek af te wijzen.
1.2
Het hof acht het verzoek niettemin niet toewijsbaar om twee redenen:
- (1)
het hof acht niet voldoende aannemelijk dat verzoeker tot cassatie te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaren vóór het indienen van het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten;
- (2)
het hof acht onvoldoende aannemelijk dat verzoeker tot cassatie de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Voor beide redenen voert het hof het volgende aan:‘Voorts stelt het hof vast dat (verzoeker tot cassatie) sedert 2000 Wwb-uitkeringen ontvangt. Het hof constateert dat ondanks het feit dat (verzoeker tot cassatie) in het kader van de Wwb-uitkering sollicitatieplichtig is, hij ongeveer 10 jaar er niet in geslaagd is door middel van betaalde arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien. Daar komt bij dat (verzoeker tot cassatie) heeft nagelaten zijn stelling dat hij — kennelijk om medische redenen — gedurende enige tijd niet sollicitatieplichtig was, met stukken te onderbouwen.’
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
De klacht in het voorgedragen cassatiemiddel komt hierop neer dat de twee voor de afwijzing van het verzoek gegeven redenen op een onjuist fundament rusten. Daartoe wordt gewezen op een beschrijving op blz. 4 van de artikel 285-verklaring van de omstandigheden die invloed hebben gehad op het ontstaan van de schulden. Uit die omschrijving worden onder 2.3 van het verzoekschrift de volgende passages geciteerd:
‘Betrokkene ontvangt sinds ongeveer een half jaar een WWB uitkering, daarvoor heeft hij een WW uitkering gehad. Er ligt op dit moment beslag op zijn uitkering (door de Gemeente Roosendaal en [A]). Betrokkene heeft tot 1 februari 2010 vrijstelling van sollicitatieplicht. Hij heeft veel stress door zijn schulden, hij heeft vrijstelling gekregen om alles op orde te krijgen. … Betrokkene heeft drie keer eerder een aanvraag schuldregeling ingediend, hij is alle keren doorverwezen naar de Wsnp. Betrokkene heeft hier geen gebruik van gemaakt. Er is duidelijk gemaakt dat hij dit nu wel moet doen. Betrokkene heeft in het verleden vaak via het uitzendbureau gewerkt, als er dan geen werk meer was moest hij een uitkering gaan aanvragen. Dit duurde elke keer 6 tot 8 weken waardoor hij in de problemen is gekomen.’
Aan die citaten worden onder 2.4 van het verzoekschrift de volgende conclusies verbonden:
‘Aldus staat vast dat anders dan het hof overweegt en oordeelt, (verzoeker tot cassatie) daadwerkelijk heeft gewerkt, een WW-uitkering heeft ontvangen (welke uitkering werkgerelateerd is), pas vanaf voorjaar/zomer 2009 die Wwb-uitkering ontvangt (de verklaring is opgemaakt 28 oktober 2009 — advocaat) en (ten minste) tot 1 februari 2010 was vrijgesteld van de sollicitatieplicht.’
2.2
Aan de citaten kunnen de zojuist vermelde conclusies niet, althans niet in de omvang en met de stelligheid als onder 2.4 van het verzoekschrift geschiedt, worden getrokken. Dat verzoeker tot cassatie pas vanaf voorjaar/zomer 2009 een Wwb-uitkering ontvangt vermeldt de omschrijving van de persoonlijke omstandigheden, die invloed op het ontstaan van de schulden hebben gehad, niet. Verder wordt in die omschrijving wel melding gemaakt van een vrijstelling van een sollicitatieplicht tot 1 februari 2010, maar dat laat onverlet dat het hof heeft kunnen overwegen dat bewijsstukken ter zake niet in het geding zijn gebracht. Bovendien heeft blijkens het proces-verbaal van de op 1 november 2010 gehouden mondelinge behandeling bij het hof de raadsman van verzoeker tot cassatie verklaard niet te weten of verzoeker tot cassatie op dat moment een sollicitatieplicht had. Voorts wordt in genoemde omschrijving wel ervan gewag gemaakt dat verzoeker tot cassatie in het verleden werk via een uitzendbureau heeft verricht en dat hij, als er geen werk was, een uitkering diende aan te vragen, maar wat voor een uitkering dat was, wordt echter niet nader aangegeven. Dat het steeds om een werkgerelateerde uitkering is gegaan, staat dus niet zonder meer vast. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat er in het verleden ook Wwb-uitkeringen zijn verstrekt.
Een en ander betekent dat de aangevoerde motiveringsklacht niet op echt ‘harde’ feiten stoelt.
2.3
Intussen geldt ook dat, voor zover het hof ervan uitgaat dat verzoeker tot cassatie al gedurende 10 jaren een Wwb-uitkering ontvangt en al die tijd er niet in geslaagd is door middel van betaalde arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien, dat uitgangspunt ook niet ten volle bevestiging in de processtukken vindt. Uit de omschrijving van de persoonlijke omstandigheden die invloed hebben gehad op het ontstaan van schulden, wordt immers melding gemaakt van het verrichten van werk door verzoeker tot cassatie via een uitzendbureau. Dat doet de vraag rijzen of de twee door het hof gegeven redenen voor het afwijzen van het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten, toch op een onvoldoende fundament rusten en er dus sprake is van een onvoldoende gemotiveerde uitspraak? Dat kan, zo komt het voor, in ieder geval niet voor de tweede reden worden gezegd. Omtrent de inspanningen die verzoeker tot cassatie zowel in het wat verder weg gelegen als in het recente verleden zich werkelijk heeft getroost om arbeid te vinden, waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien én bovendien tot aflossing van (een gedeelte van) de schulden te komen, is uiteindelijk maar weinig gebleken. Er is niets naders gesteld, ook niet in appel, omtrent de aard en omvang van het via het uitzendbureau verrichte werk en ook niet omtrent de vroegere en huidige mogelijkheden voor verzoeker tot cassatie om ander werk dan via het uitzendbureau te verrichten en de mate waarin hij zich daarvoor heeft ingespannen. Onder deze omstandigheid blijft het begrijpelijk dat het hof oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat verzoeker tot cassatie de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Dit levert al een voldoende reden op voor het afwijzen van het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. De vraag of de andere reden van een voldoende motivering is voorzien, mist hierdoor belang.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden