Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/6.3.3:6.3.3 Het Belgische recht
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/6.3.3
6.3.3 Het Belgische recht
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90803:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 96-98.
Baeck 2016, Commentaarbij Art. 57 en 58 Pandwet, nr. 6.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 232. Vgl. Sagaert & Del Corral 2015, nr. 236 waarin zij stellen dat een schuldeiser met een registerpandrecht geen beroep op art. 2279 BBW kan doen.
Sagaert & Del Corral 2015, nr. 232.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het Belgische recht kan de leverancier zich de eigendom van de geleverde zaken voorbehouden totdat de koopprijs is betaald. De koper is tot dat moment slechts houder van de zaken. De koper kan niet goederenrechtelijk over de zaken beschikken zonder toestemming van de leverancier. Hij kan de zaken bijvoorbeeld niet verpanden aan een andere schuldeiser.1
In de literatuur bestaat er discussie over de vraag of een pandhouder ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van de koper een pandrecht kan verkrijgen met een geslaagd beroep op derdenbescherming ex art. 2279 BW. Deze discussie is ontstaan doordat art. 58 lid 2 Pandwet superprioriteit toekent aan de leverancier met een eigendomsvoorbehoud. De memorie van toelichting bij art. 58 Pandwet zwijgt over deze kwestie. Baeck meent op grond van deze bepaling dat derdenbescherming niet mogelijk is. De pandhouder zou zich dan met voorrang boven de leverancier kunnen verhalen op de zaken en profiteren van de prestatie van de leverancier. Dit doet afbreuk aan de aan het eigendomsvoorbehoud toegekende superprioriteit en de daaraan ten grondslag liggende ratio.2 De wetgever heeft namelijk superprioriteit toegekend aan het eigendomsvoorbehoud van de leverancier die zaken levert aan de koper en vervolgens onbetaald blijft, omdat het billijk wordt geacht dat hij zich als eerste op de door hem geleverde zaken kan verhalen. Sagaert en Del Corral stellen dat een beroep op derdenbescherming wel mogelijk is.3 De wet biedt de pandhouder namelijk deze mogelijkheid in art. 2279 BBW en art. 58 Pandwet sluit dit beroep niet uit.
Derdenbescherming lijkt naar mijn mening ook mogelijk te zijn. Naast de hiervoor weergegeven argumenten biedt art. 26 Pandwet een aanknopingspunt voor dit standpunt. Deze bepaling geeft de leverancier de mogelijkheid om derdenbescherming voor professionele pandhouders uit te sluiten door middel van een registratie van het eigendomsvoorbehoud in het Pandregister. Een geslaagd beroep op derdenbescherming door een professionele pandhouder zoals een bank is niet (meer) mogelijk, omdat deze niet te goeder trouw kan zijn. Het eigendomsvoorbehoud is namelijk kenbaar uit het openbare register. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat zonder registratie een beroep op derdenbescherming wel mogelijk is.
Is het eigendomsvoorbehoud inderdaad niet geregistreerd of doet een niet-professionele pandhouder een beroep op derdenbescherming, dan verkrijgt deze schuldeiser te goeder trouw een pandrecht. De pandhouder is te goeder trouw indien hij niet wist en niet behoorde te weten dat de pandgever beschikkingsonbevoegd was door het eigendomsvoorbehoud. De pandhouder kan dus te goeder trouw zijn als hij wetenschap heeft van het eigendomsvoorbehoud, maar er vanuit mocht gaan dat de pandhouder bevoegd was om de zaak te verpanden.4 Daarnaast moeten de zaken zich in zijn macht bevinden voor een geslaagd beroep op derdenbescherming. In het Belgische recht gelden kortom met het Nederlandse recht vergelijkbare vereisten.