Zie onderdeel QQ van de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2017, 82. Zie voor de inwerkingtreding het Besluit van 18 december 2019, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, het Invoeringsbesluit herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen en het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb. 2019, 507.
HR, 09-01-2024, nr. 21/03081
ECLI:NL:HR:2024:4
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-01-2024
- Zaaknummer
21/03081
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:4, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑01‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2021:3898
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:949
ECLI:NL:PHR:2023:949, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 31‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:4
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑01‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0005
Uitspraak 09‑01‑2024
Inhoudsindicatie
Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (art. 579 e.v. (oud) Sv). Hof heeft aangehouden persoon n-o verklaard in zijn hoger beroep tegen vonnis Rb, waarbij Rb heeft vastgesteld dat aangehouden persoon de veroordeelde is, n.a.v. vordering a.b.i. art. 580.1 (oud) Sv. Ontvankelijkheid cassatieberoep. 1. Overgangsrecht. Mogelijkheid tot instellen van rechtsmiddelen nadat met ingang van 1-1-2020 rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen met onmiddellijke ingang is vervallen. Heeft hof aangehouden persoon terecht n-o verklaard in h.b. i.v.m. vervallen van regeling? 2. Heeft aangehouden persoon na terugwijzing voldoende belang bij h.b. als hij opgelegde straf al volledig heeft ondergaan? Ad 1. Wetswijziging brengt met zich dat Boek 6, Titel I, Vierde afdeling (oud) Sv over ‘rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen’ per 1-1-2020 met onmiddellijke ingang is vervallen. Gevolg hiervan is dat vanaf die datum geen nieuwe inleidende vorderingen a.b.i. art. 580.1 (oud) Sv aanhangig kunnen worden gemaakt, ook niet voor gevallen waarin ten uitvoer te leggen straf is opgelegd vóór 1-1-2020. In wetsgeschiedenis bij Wet USB wordt niet specifiek ingegaan op vraag welke gevolgen het vervallen van regeling heeft voor zaken waarin vóór 1-1-2020 inleidende vordering a.b.i. art. 580.1 (oud) Sv aanhangig is gemaakt, maar waarin niet voor die datum onherroepelijk op deze vordering uitspraak is gedaan. Met oog op belangen van goede rechtspleging en eisen van rechtszekerheid, een en ander in licht van wat hierover is opgemerkt in CAG, moet worden aangenomen dat in die zaken wat betreft mogelijkheid tot instellen van rechtsmiddel de regeling van Boek 6, Titel I, Vierde afdeling (oud) Sv van toepassing blijft. Dit betekent dat art. 579-584 (oud) Sv ook na 1-1-2020 van toepassing zijn gebleven op behandeling van zaken waarin inleidende vordering a.b.i. art. 580.1 (oud) Sv vóór 1-1-2020 aanhangig is gemaakt en ook voor die datum niet onherroepelijk uitspraak is gedaan op vordering. Ad 2. Ook als bij behandeling na terugwijzing wordt vastgesteld dat aangehouden persoon de opgelegde straf al volledig heeft ondergaan, heeft aangehouden persoon voldoende belang bij behandeling van zijn h.b. en verkrijgen van in art. 579 (oud) Sv bedoeld oordeel over herkenning als veroordeelde persoon. Die omstandigheid biedt dus geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring in h.b. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03081
Datum 9 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 juli 2021, nummer 20-003515-19, op een vordering als bedoeld in artikel 580 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering,
betreffende
[aangehoudene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de aangehouden persoon.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de aangehouden persoon. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep te worden afgedaan.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en van het cassatiemiddel
2.1
Uit de stukken blijkt het volgende. Op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 580 lid 1 (oud) van het Wetboek van Strafvordering van 14 februari 2018, heeft de rechtbank bij vonnis van 11 maart 2019 vastgesteld dat de aangehouden persoon degene is die in de strafzaak met parketnummer 12/700441-11 onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren. De aangehouden persoon heeft op 22 maart 2019 hoger beroep ingesteld tegen het genoemde vonnis van 11 maart 2019. Het hof heeft daarop in zijn uitspraak van 12 juli 2021 het door de aangehouden persoon ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het hof houdt daarover het volgende in:
“De aangehoudene is per dagvaarding d.d. 14 maart (de Hoge Raad begrijpt: februari) 2018 opgeroepen om voor de rechter te verschijnen in verband met de herkenningsprocedure als bedoeld in artikel 579 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
Bij vonnis d.d. 11 maart 2019 heeft de rechtbank vastgesteld dat de aangehouden persoon gedagvaard als [aangehoudene] de veroordeelde [aangehoudene] is. Deze beslissing van de rechtbank berust op de artikelen 579 en 581 van het Wetboek van Strafvordering.
De aangehoudene heeft bij akte d.d. 22 maart 2019 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.
De aan deze zaak ten grondslag liggende procedure, te weten het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, was opgenomen in de vierde afdeling van de eerste titel van Boek V (de Hoge Raad begrijpt: het Zesde Boek) van het Wetboek van Strafvordering. Bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020 is onder meer deze afdeling komen te vervallen. Deze wet kent geen overgangsrecht.
Blijkens het kamerstuk 34086 nr. 4, inhoudende het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 4 september 2014 en het nader rapport d.d. 20 november 2014, heeft de Afdeling advisering van de Raad van State de regering geadviseerd de noodzaak van de voorgestelde overneming van de bestaande regeling inzake het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden in de memorie van toelichting toe te lichten, nu blijkens de huidige toelichting wordt gesteld dat deze regeling nauwelijks wordt toegepast en dat door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling en de toepassing daarvan zich de vraag laat stellen of deze aparte rechtsgang nog relevant is.
Naar aanleiding van dit advies is de regering nagegaan in hoeveel gevallen het huidige rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (artikel 579 e.v. Sv) feitelijk is toegepast. Dit bleek in de afgelopen tien jaar geen enkele keer het geval te zijn geweest. Hieruit heeft de regering opgemaakt dat de huidige wijze van identiteitsvaststelling inderdaad met voldoende zekerheid discussie over de identiteit van veroordeelden uitsluit. Het voorgestelde artikel over identiteitsvaststelling door de rechter in de fase van de tenuitvoerlegging (artikel 6:6:7 Sv) heeft de regering dan ook geschrapt uit het wetsvoorstel en de memorie van toelichting is hierop aangepast.
Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat vanaf 1 januari 2020 er geen procedure meer bestaat tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen. Anders gezegd, de trein is gaan rijden, doch voordat deze het eindstation heeft bereikt is de rails weggehaald en kan deze niet meer verder rijden. Dit maakt dat het hof de aangehoudene niet kan ontvangen in zijn hoger beroep, nu dit ziet op een procedure die de wet niet (meer) kent.”
2.2
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het door de aangehouden persoon ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat de Vierde afdeling van Titel I van het Zesde Boek (oud) van het Wetboek van Strafvordering over het ‘Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen’ is vervallen per 1 januari 2020.
2.3.1
Tot 1 januari 2020 voorzag de Vierde afdeling van Titel I van het Zesde Boek (oud) van het Wetboek van Strafvordering in het ‘Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen’. De bepalingen in deze afdeling luidden tot de vervallenverklaring van de betreffende regeling als volgt:
- artikel 579:
“Indien iemand die tot het ondergaan van straf is aangehouden, blijft ontkennen de veroordeelde te zijn, of indien daaromtrent niettegenstaande erkentenis twijfel blijft bestaan, beslist het gerecht dat in eersten aanleg van het strafbaar feit heeft kennis genomen, of hij al of niet de veroordeelde is.”
- artikel 580:
“1. Tot het onderzoek wordt, op de vordering van het openbaar ministerie, in eene door het gerecht te bepalen terechtzitting met den meesten spoed overgegaan.
2. Het openbaar ministerie doet de aangehoudene, de getuigen en deskundigen die van zijnentwege zullen worden gehoord en die waarop de aangehoudene zich beroept, dagvaarden of oproepen. Het tweede lid van artikel 260 vindt met betrekking tot al deze getuigen overeenkomstige toepassing.
3. Indien het openbaar ministerie weigert een getuige of deskundige te doen oproepen, kan het gerecht op verzoek van de aangehoudene de oproeping van die getuige of deskundige bevelen. De artikelen 263 en 264 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Artikel 509k is van overeenkomstige toepassing.”
- artikel 581:
“1. Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig de bepalingen van Titel VI van het Tweede Boek of van Titel I van het Vierde Boek, naar gelang de zaak bij een rechtbank of bij de Hoge Raad is aangebracht. Artikel 394 is van overeenkomstige toepassing.
2. Voor zover de in het eerste lid genoemde bepalingen betrekking hebben op een getuige wiens identiteit niet of slechts ten dele blijkt, vinden zij geen toepassing.”
- artikel 582:
“Indien het gerecht de identiteit niet aanneemt, gelast het de invrijheidstelling. In het andere geval wordt de tenuitvoerlegging geacht te zijn aangevangen op het oogenblik der vrijheidsbeneming.”
- artikel 583:
“1. De vonnissen en arresten, houdende beslissingen omtrent de identiteit, zijn vatbaar voor zoodanig beroep als tegen de vonnissen of arresten waarbij over het strafbaar feit uitspraak werd gedaan, openstond.
2. Het beroep wordt naar de gewone regelen ingesteld en vervolgd. Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig den Tweeden of Derden Titel van het Derde Boek, naar gelang hooger beroep dan wel beroep in cassatie is ingesteld.”
- artikel 584:
“Ten aanzien van personen die tot het ondergaan van eenigen maatregel zijn aangehouden, vindt deze afdeeling overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien de identiteit wordt aangenomen, tot toepassing van den maatregel wordt overgegaan.”
2.3.2
Met de (gedeeltelijke) inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82) (hierna: Wet USB) is het Zesde Boek van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd, waarbij de hiervoor aangeduide afdeling is vervallen. Het Wetboek van Strafvordering kent, na de wijzigingen als gevolg van de Wet USB, niet langer een regeling voor de herkenning van veroordeelden. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet USB houdt over het vervallen van de regeling het volgende in:
“In de versie van het wetsvoorstel die aan de Afdeling advisering is voorgelegd was in deze eerste titel ook een bepaling opgenomen die hetzelfde doel had als het huidige rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (artikel 579 e.v. Sv). Het doel van dit rechtsgeding tot herkenning is bij blijvende twijfel over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat een rechter te laten beslissen over de identiteit van de betrokkene. Door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling, waaronder biometrie, en de vaste toepassing daarvan, in de opsporing en vervolging, maar zeker ook tijdens de tenuitvoerlegging, liet zich de vraag stellen of deze aparte rechtsgang nog relevant was. Navraag bij de Justitiële informatiedienst (voor de afgelopen 10 jaar) en het openbaar ministerie (voor de afgelopen 5 jaar) over het aantal gevallen waarin het huidige rechtsgeding tot herkenning feitelijk is toegepast, heeft opgeleverd dat dit in de afgelopen periode nul keer het geval is geweest. Hieruit maken wij op dat de huidige wijze van identiteitsvaststelling inderdaad met voldoende zekerheid discussie over de identiteit van veroordeelden uitsluit, zodat het eerder voorgestelde artikel over identiteitsvaststelling door de rechter in de fase van de tenuitvoerlegging is geschrapt.”
(Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3, p. 10.)
2.3.3
Bij de invoering van de Wet USB heeft de wetgever niet voorzien in een bepaling van overgangsrecht met betrekking tot de vervallenverklaring van de regeling voor de herkenning van veroordeelden. Volgens de memorie van toelichting geldt, met uitzondering van een hier niet relevante wetswijziging, voor het overgangsrecht het volgende:
“ARTIKEL XLIV – OVERGANGSRECHT
Uitgangspunt bij de (gefaseerde) inwerkingtreding is onmiddellijke werking van de nieuwe regeling. Dit betekent dat de nieuwe regeling niet slechts van toepassing is op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande rechtsposities en verhoudingen.”
(Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3, p. 137.)
2.4.1
De onder 2.3 besproken wetswijziging brengt met zich dat de Vierde afdeling van Titel I van het Zesde Boek (oud) van het Wetboek van Strafvordering over het ‘Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen’ per 1 januari 2020 met onmiddellijke ingang is vervallen. Het gevolg hiervan is dat vanaf die datum geen nieuwe inleidende vorderingen als bedoeld in artikel 580 lid 1 (oud) Sv aanhangig kunnen worden gemaakt, ook niet voor gevallen waarin de ten uitvoer te leggen straf is opgelegd vóór 1 januari 2020.
2.4.2
In de onder 2.3.3 weergegeven wetsgeschiedenis wordt niet specifiek ingegaan op de vraag welke gevolgen het vervallen van de regeling heeft voor zaken waarin vóór 1 januari 2020 de inleidende vordering als bedoeld in artikel 580 lid 1 (oud) Sv aanhangig is gemaakt, maar waarin niet voor die datum onherroepelijk op deze vordering uitspraak is gedaan. Met het oog op de belangen van een goede rechtspleging en de eisen van rechtszekerheid, een en ander in het licht van wat hierover is opgemerkt in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.18-4.20, moet worden aangenomen dat in die zaken wat betreft de mogelijkheid tot het instellen van een rechtsmiddel de regeling van de Vierde afdeling van Titel I van het Zesde Boek (oud) van het Wetboek van Strafvordering van toepassing blijft. Dit betekent dat de artikelen 579-584 (oud) Sv ook na 1 januari 2020 van toepassing zijn gebleven op de behandeling van zaken waarin de inleidende vordering als bedoeld in artikel 580 lid 1 (oud) Sv vóór 1 januari 2020 aanhangig is gemaakt en ook voor die datum niet onherroepelijk uitspraak is gedaan op deze vordering.
2.5
Gelet op het voorgaande is het door de aangehouden persoon ingestelde cassatieberoep ontvankelijk en is het cassatiemiddel terecht voorgesteld.
2.6
Met het oog op de verdere afdoening van de zaak merkt de Hoge Raad nog het volgende op. Ook als bij de behandeling na terugwijzing wordt vastgesteld dat de aangehouden persoon de opgelegde straf al volledig heeft ondergaan, heeft de aangehouden persoon voldoende belang bij de behandeling van zijn hoger beroep en het verkrijgen van het in artikel 579 (oud) Sv bedoelde oordeel over de herkenning als de veroordeelde persoon. Die omstandigheid biedt dus geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2024.
Conclusie 31‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, art. 579 e.v. (oud) Sv, vervallen per 1-1-2020. Verandering van procesrecht, geen overgangsbepaling. Hoger beroep is ingesteld vóór 1-1-2020. Hof verklaart de aangehoudene n-o in het h.b., omdat de wet genoemde procedure niet (meer) kent. Is die beslissing juist en is de aangehoudene wel ontvankelijk in zijn cassatieberoep? De AG concludeert a.d.h.v. bespiegelingen over de “onmiddellijke werking” van de nieuwe wet dat de uitkomst van het hof in het licht van het processuele systeem niet praktisch en ook onbillijk is. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03081
Zitting 31 oktober 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[aangehoudene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de aangehoudene
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 juli 2021 de aangehoudene niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 maart 2019, waarbij de rechtbank heeft vastgesteld dat de aangehouden persoon gedagvaard als [aangehoudene] (hierna: [aangehoudene] ) de veroordeelde [aangehoudene] (hierna: [aangehoudene] ) is.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de aangehoudene en S. van den Akker en R.J. Baumgardt, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het bestreden arrest
3.1
Het bestreden arrest in de onderhavige zaak houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Voor het hof is het navolgende gebleken.
De aangehoudene is per dagvaarding d.d. 14 maart 2018 opgeroepen om voor de rechter te verschijnen in verband met de herkenningsprocedure als bedoeld in artikel 579 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
Bij vonnis d.d. 11 maart 2019 heeft de rechtbank vastgesteld dat de aangehouden persoon gedagvaard als [aangehoudene] de veroordeelde [aangehoudene] is. Deze beslissing van de rechtbank berust op de artikelen 579 en 581 van het Wetboek van Strafvordering.
De aangehoudene heeft bij akte d.d. 22 maart 2019 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.
De aan deze zaak ten grondslag liggende procedure, te weten het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, was opgenomen in de vierde afdeling van de eerste titel van Boek V van het Wetboek van Strafvordering. Bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020 is onder meer deze afdeling komen te vervallen. Deze wet kent geen overgangsrecht.
Blijkens het kamerstuk 34086 nr. 4, inhoudende het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 4 september 2014 en het nader rapport d.d. 20 november 2014, heeft de Afdeling advisering van de Raad van State de regering geadviseerd de noodzaak van de voorgestelde overneming van de bestaande regeling inzake het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden in de memorie van toelichting toe te lichten, nu blijkens de huidige toelichting wordt gesteld dat deze regeling nauwelijks wordt toegepast en dat door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling en de toepassing daarvan zich de vraag laat stellen of deze aparte rechtsgang nog relevant is.
Naar aanleiding van dit advies is de regering nagegaan in hoeveel gevallen het huidige rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (artikel 579 e.v. Sv) feitelijk is toegepast. Dit bleek in de afgelopen tien jaar geen enkele keer het geval te zijn geweest. Hieruit heeft de regering opgemaakt dat de huidige wijze van identiteitsvaststelling inderdaad met voldoende zekerheid discussie over de identiteit van veroordeelden uitsluit. Het voorgestelde artikel over identiteitsvaststelling door de rechter in de fase van de tenuitvoerlegging (artikel 6:6:7 Sv) heeft de regering dan ook geschrapt uit het wetsvoorstel en de memorie van toelichting is hierop aangepast.
Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat vanaf 1 januari 2020 er geen procedure meer bestaat tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen. Anders gezegd, de trein is gaan rijden, doch voordat deze het eindstation heeft bereikt is de rails weggehaald en kan deze niet meer verder rijden. Dit maakt dat het hof de aangehoudene niet kan ontvangen in zijn hoger beroep, nu dit ziet op een procedure die de wet niet (meer) kent.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de aangehoudene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.1
De bestreden beslissing in de onderhavige zaak roept de vraag op of de aangehoudene ontvankelijk is in zijn cassatieberoep, nu de aan deze zaak ten grondslag liggende procedure - het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, zoals was neergelegd in art. 579 (oud) e.v. Sv - per 1 januari 2020 is komen te vervallen.1.Om die vraag te kunnen beantwoorden zal ik eerst de relevante wettelijke bepalingen van art. 579 (oud) e.v. Sv weergeven en de parlementaire geschiedenis van de wetten waarbij genoemde procedure is vervallen verklaard.
4.2
De wettelijke regeling betreffende het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen hield, voor zover van belang, het volgende in:
“Artikel 579
Indien iemand die tot het ondergaan van straf is aangehouden, blijft ontkennen de veroordeelde te zijn, of indien daaromtrent niettegenstaande erkentenis twijfel blijft bestaan, beslist het gerecht dat in eersten aanleg van het strafbaar feit heeft kennis genomen, of hij al of niet de veroordeelde is.
Artikel 580
1 Tot het onderzoek wordt, op de vordering van het openbaar ministerie, in eene door het gerecht te bepalen terechtzitting met den meesten spoed overgegaan.
(…)
Artikel 583
1 De vonnissen en arresten, houdende beslissingen omtrent de identiteit, zijn vatbaar voor zoodanig beroep als tegen de vonnissen of arresten waarbij over het strafbaar feit uitspraak werd gedaan, openstond.
2 Het beroep wordt naar de gewone regelen ingesteld en vervolgd. Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig den Tweeden of Derden Titel van het Derde Boek, naar gelang hooger beroep dan wel beroep in cassatie is ingesteld.”2.
4.3
In de onderhavige zaak dateert de schriftelijke vordering als bedoeld in art. 580, eerste lid (oud), Sv van 14 februari 2018. Deze vordering strekte ertoe dat de rechtbank over zou gaan tot vaststelling of de persoon gedagvaard als [aangehoudene] al dan niet de veroordeelde [aangehoudene] is, aan wie bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Middelburg van 9 maart 2017 onder parketnummer 12/700441-11 een gevangenisstraf van zes jaar is opgelegd. De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, heeft bij vonnis van 11 maart 2019 vastgesteld dat de aangehouden persoon gedagvaard als [aangehoudene] de veroordeelde [aangehoudene] is. Op 22 maart 20193.is namens de aangehoudene hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Het hoger beroep is derhalve ingesteld op het moment dat genoemd rechtsgeding nog niet was vervallen, nu de vervallenverklaring eerst op 1 januari 2020 in werking is getreden.
4.4
De Memorie van Toelichting bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB)4.houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“In de versie van het wetsvoorstel die aan de Afdeling advisering is voorgelegd was in deze eerste titel ook een bepaling opgenomen die hetzelfde doel had als het huidige rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (artikel 579 e.v. Sv). Het doel van dit rechtsgeding tot herkenning is bij blijvende twijfel over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat een rechter te laten beslissen over de identiteit van de betrokkene. Door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling, waaronder biometrie, en de vaste toepassing daarvan, in de opsporing en vervolging, maar zeker ook tijdens de tenuitvoerlegging, liet zich de vraag stellen of deze aparte rechtsgang nog relevant was. Navraag bij de Justitiële informatiedienst (voor de afgelopen 10 jaar) en het openbaar ministerie (voor de afgelopen 5 jaar) over het aantal gevallen waarin het huidige rechtsgeding tot herkenning feitelijk is toegepast, heeft opgeleverd op dat dit in de afgelopen periode nul keer het geval is geweest. Hieruit maken wij op dat de huidige wijze van identiteitsvaststelling inderdaad met voldoende zekerheid discussie over de identiteit van veroordeelden uitsluit, zodat het eerder voorgestelde artikel over identiteitsvaststelling door de rechter in de fase van de tenuitvoerlegging is geschrapt.
(…)
ARTIKEL XLIV – OVERGANGSRECHT
Uitgangspunt bij de (gefaseerde) inwerkingtreding is onmiddellijke werking van de nieuwe regeling. Dit betekent dat de nieuwe regeling niet slechts van toepassing is op hetgeen na haar inwerkingtreding voorvalt, doch ook op hetgeen bij haar inwerkingtreding bestaat, zoals bestaande
rechtsposities en verhoudingen. Op één punt wordt voorgesteld hiervan af te wijken. De nieuw ingevoerde definitie van een jaar zal op grond van de voorgestelde bepaling van overgangsrecht niet gelden voor vrijheidsstraffen die zijn uitgesproken voor het moment dat deze wet in werking treedt. Voor deze veroordelingen blijft de huidige berekening van de detentieduur gelden, waarbij voor een jaar een termijn van 365 dagen wordt gehanteerd. De achtergrond van dit overgangsrecht is toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging van artikel 136 Sv.”
4.5
De onder 4.4 genoemde overgangsbepaling in verband met de definitiebepaling in art. 136 Sv luidt als volgt:
“ARTIKEL XLIVDe wijziging van artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op veroordelingen tot vrijheidsstraf die zijn uitgesproken voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.”
4.6
In de onder 4.4 weergegeven Memorie van Toelichting wordt gerefereerd aan een versie van het wetsvoorstel die aan de Afdeling advisering is voorgelegd. Ik neem aan dat daarmee wordt gedoeld op de consultatieversie, gedateerd 4 november 2013.5.Deze versie hield, voor zover van belang, het volgende in:
“Artikel 6:6:7 (579, 580, 582, 583, 584 Sv) – rechter beslist over identiteit (rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen)
1. Indien iemand die tot het ondergaan van een vrijheidsbenemende straf of maatregel is aangehouden, ontkent de veroordeelde te zijn, of indien daaromtrent ondanks de verklaring van de aangehoudene dat hij de veroordeelde is twijfel blijft bestaan, en de identiteit niet op de wijze van artikel 27a kan worden vastgesteld, beslist de rechter op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de aangehoudene of diens raadsman, of hij al of niet de veroordeelde is.
2. Voor het onderzoek wordt aan de aangehoudene, zo hij geen raadsman heeft, door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman toegevoegd.
3. Indien de rechter de identiteit van de veroordeelde vaststelt, wordt de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel geacht te zijn aangevangen op het tijdstip van de vrijheidsbeneming. Indien de rechter de identiteit niet vaststelt, gelast hij de invrijheidstelling van de aangehoudene.
Artikel 6:6:8 (divers; 14j Sr, 583 Sv) – geen rechtsmiddel
Een rechterlijke beslissing als bedoeld in deze Titel is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen, voor zover in deze Titel niet anders is bepaald.
(…)
ARTIKEL XXXXIII
[PM – Overgangsrecht]”
4.7
In de ontwerptoelichting bij genoemde consultatieversie6.was, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“3.1.1 Opbouw Boek 6
(…)
In deze eerste afdeling is ook een bepaling (artikel 6:6:7 Sv) opgenomen die hetzelfde doel heeft als het – in de huidige praktijk nauwelijks toegepaste – rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste vonnissen (artikel 579 e.v. Sv). Het doel van dit rechtsgeding tot herkenning is bij blijvende twijfel over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat een rechter te laten beslissen over de identiteit van de betrokkene. Door
de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling en de toepassing daarvan, in de opsporing en
vervolging, maar zeker ook tijdens de tenuitvoerlegging, laat zich de vraag stellen of deze aparte
rechtsgang nog relevant is. Vooralsnog is er echter voor gekozen om dit aparte rechtsgeding niet
te schrappen, maar als een aparte beslissing op te nemen in deze eerste afdeling van de nieuwe Titel 6.
(…)
Artikel 6:6:7 (579, 580, 582, 583, 584 Sv) – rechter beslist over identiteit (rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen)
Dit artikel heeft hetzelfde doel als het huidige rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste vonnissen (artikel 579 e.v. Sv). Dit doel is bij blijvende twijfel over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat een rechter te laten beslissen over de identiteit van de betrokkene. Hierbij moet zowel worden gedacht aan iemand die vastzit en blijft ontkennen dat hij de veroordeelde is, als aan het geval dat het vermoeden bestaat dat degene die vastzit niet degene is die is veroordeeld (maar bijvoorbeeld iemand die wordt betaald de straf voor een ander uit te zitten). Door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling en de toepassing daarvan in de opsporing, vervolging en de tenuitvoerlegging neemt het praktisch belang van het artikel steeds verder af, maar wij zien hierin nog geen aanleiding deze procedure geheel te schrappen.
Artikel 6:6:8 (divers; 14j Sr, 583 Sv) – geen rechtsmiddel
Uitgangspunt is dat tegen een rechterlijke beslissing die op grond van deze titel wordt genomen geen rechtsmiddel openstaat. Dit is niet anders als de beslissing in het kader van de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. Een eventueel ingesteld beroep tegen die uitspraak kan dus alleen zien op de beslissing over het strafbare feit waarvoor iemand is vervolgd. Hiermee wordt voorkomen dat in dergelijke gevallen (standaard) hoger beroep wordt ingesteld in de hoop dat de tenuitvoerlegging van de eerste sanctie wordt verrekend in de beroepsbeslissing over het nieuwe strafbare feit.
De in de overige afdelingen bepaalde uitzonderingen op de hoofdregel dat geen beroep mogelijk is, zien op bepaalde beslissingen in het kader van de ter beschikking stelling (artikel 6:6:15 Sv) en in het kader van de rechterlijke reactie op het niet-naleven van een (in bijzondere voorwaarden) opgelegde vrijheidsbeperking (artikel 6:6:23 Sv). De hoofdregel van dit artikel geldt wel weer voor de beslissing in beroep, hiertegen staat geen rechtsmiddel (cassatie) open.
(…)
ARTIKEL XXXXIII – OVERGANGSRECHT
[Voorzien wordt dat voor de beoogde stapsgewijze invoering van dit wetsvoorstel overgangsrecht nodig is. Dit overgangsrecht wordt tijdens de consultatietermijn nader uitgewerkt.]”
4.8
Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 4 september 2014 en het nader rapport van 20 november 20147.houden, voor zover van belang en met weglating van voetnoten, nog het volgende in:
“4. Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden
Voorgesteld wordt om de bestaande regeling inzake het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden over te nemen. Doel is bij blijvende twijfel over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat, een rechter te laten beslissen over de identiteit van betrokkene. In de toelichting wordt gesteld dat deze regeling nauwelijks wordt toegepast.
Tevens wordt gesteld dat door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling en de toepassing daarvan, zeker in de fase van de tenuitvoerlegging, zich de vraag laat stellen of deze aparte rechtsgang nog relevant is. Er wordt echter niet gemotiveerd waarom ondanks deze twijfel toch wordt voorgesteld deze bestaande regeling over te nemen. De Afdeling adviseert de noodzaak voor de voorgestelde regeling in de toelichting toe te lichten.
4. Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden
Met de vaste werkwijze van identiteitsvaststelling in de verschillende fasen van de strafprocedure zou in beginsel in geen geval meer onduidelijkheid hoeven te bestaan over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is bij de Justitiële informatiedienst (voor de afgelopen 10 jaar) en het openbaar ministerie (voor de afgelopen 5 jaar) zorgvuldig nagegaan in hoeveel gevallen het huidige rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (artikel 579 e.v. Sv) feitelijk is toegepast. Dit blijkt in de afgelopen periode nul keer het geval te zijn geweest. Hieruit maken wij op dat de huidige wijze van identiteitsvaststelling inderdaad met voldoende zekerheid discussie over de identiteit van veroordeelden uitsluit. Het voorgestelde artikel over identiteitsvaststelling door de rechter in de fase van de tenuitvoerlegging (artikel 6:6:7 Sv) is geschrapt uit het wetsvoorstel en de memorie van toelichting is hierop aangepast.”
4.9
Verder is de Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen8.nog van belang. Deze wet houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“ARTIKEL XLIV
De wijziging van artikel 136 van het Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op beslissingen die zijn genomen voor het tijdstip waarop artikel I, onderdeel I, van deze wet in werking treedt.”9.
4.10
De Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen10.houdt verder nog het volgende in:
“ARTIKEL VII
In de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen vervallen de artikelen II, onderdeel Z, en XLIV”
4.11
In de Memorie van Toelichting11.wordt deze wijziging als volgt toegelicht:
“Artikel XLIV van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen voorziet in overgangsrecht bij de eerder besproken wijziging van artikel 136 Sv (toevoegen van een definitie voor «jaar»)(zie de toelichting bij artikel II, onderdeel G). Bij nader inzien is het echter onnodig hierin te voorzien. De achterliggende gedachte bij het overgangsrecht was dat het onwenselijk is als de nieuwe definitie van «jaar» zou gelden voor strafrechtelijke beslissingen die (in jaren) zijn opgelegd vóór het moment van inwerkingtreding van de nieuwe definitiebepaling. Het opnieuw berekenen van de duur en de einddatum van bestaande strafrechtelijke beslissingen zou een aanzienlijke extra werklast betekenen voor de uitvoeringsketen (zie Kamerstukken II 2019/20, 35 311, nr. 3, p. 15–16). Daarom is in artikel XLIV van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen bepaald dat de nieuwe definitie van «jaar» niet van toepassing is op strafrechtelijke beslissingen die zijn genomen vóór het tijdstip waarop de wijziging van artikel 136 Sv in werking treedt. De wijziging van een wettelijke definitiebepaling zoals hier, wijzigt echter alleen de inhoud van de wet zelf, niet de inhoud van een op basis van het oude recht gewezen vonnis of arrest. Een verandering van wetgeving werkt alleen voor het toekomende (zie artikel 4 Wet algemene bepalingen). Het overgangsrecht in artikel XLIV wekt dus onterecht de indruk dat reeds genomen strafrechtelijke beslissingen kunnen worden gewijzigd door een later wijziging van de wet. Om deze reden wordt voorgesteld de overgangsrechtelijke bepaling te laten vervallen.”
4.12
Uit de onder 4.4 tot en met 4.11 weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat het in de consultatieversie van het wetsvoorstel voorgestelde art. 6:6:7 Sv - een met art. 579 e.v. (oud) Sv vergelijkbare figuur, maar zonder een beroepsmogelijkheid - is geschrapt, omdat uit navraag bij de Justitiële informatiedienst (voor de afgelopen 10 jaar) en het Openbaar Ministerie (voor de afgelopen 5 jaar) over het aantal gevallen waarin het rechtsgeding tot herkenning feitelijk was toegepast, bleek dat dit de afgelopen periode nul keer het geval was geweest.12.Door de wetgever is daaruit opgemaakt dat de huidige wijze van identiteitsvaststelling met voldoende zekerheid discussie over de identiteit van veroordeelden uitsluit. Aan een identiteitsvaststelling door de rechter in de fase van de tenuitvoerlegging bestond daarom geen behoefte meer.
4.13
Met betrekking tot (onder meer) de vervallenverklaring van de art. 579-584 Sv blijkt ook dat in een overgangsrechtbepaling niet is voorzien. De wetgever ging er voorts vanuit dat die bestaande regeling althans de laatste 5 à 10 jaar niet meer werd benut. Ten aanzien van de huidige zaak kon de wetgever van het bestaan er van niet weten: de vaststelling van de Wet USB dateert van voor het moment waarop in de onderhavige zaak de schriftelijke vordering als bedoeld in art. 580, eerste lid, (oud) Sv door de officier van justitie is gedaan. Ten tijde van (de inwerkingtreding van)13.de Invoerings- en Spoedreparatiewet lag deze zaak al wel bij de rechter.
4.14
Als hoofdregel bij veranderingen van procesrecht geldt dat deze onmiddellijke toepassing vinden. De rechter zal de wet moeten toepassen zoals deze geldt ten tijde van zijn handelen. In aanmerking genomen dat uit de onder 4.4 tot en met 4.11 weergegeven wetsgeschiedenis niet blijkt van een andersluidende overgangsbepaling heeft als uitgangspunt te gelden dat de hier in het geding zijnde wijziging van toepassing is bij de behandeling van zaken na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet.14.
4.15
Het ontbreken van een overgangsbepaling maakt dat het antwoord op de vraag wat de ‘onmiddellijke werking’ van de nieuwe wet meebrengt volledig op de schouders van de rechter drukt. Het antwoord op die vraag is - zeker bij nadere beschouwing - niet simpel en het valt dan ook te bezien of de uitkomst die het hof aan die vraag heeft verbonden juist is.
4.16
Mijn voormalige ambtgenoot Knigge heeft, in een conclusie van 3 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX0146, die betrekking had op het ‘overgangsrecht’ bij invoering van art. 80a RO, op een uiterst doorwrochte wijze onderzocht wat onder ‘onmiddellijke werking’ moet worden verstaan. Ik citeer daaruit hetgeen hij onder 5.2.4. en 5.2.5. opmerkt:
“5.2.4. (…) Uiteindelijk gaat het, als een wettelijke overgangsbepaling ontbreekt, om redelijke wetsuitleg. De rechter zal moeten onderzoeken wat de onmiddellijk werkende wet als oplossing voor de overgangssituatie inhoudt. De strekking van de nieuwe wet speelt daarbij een rol, maar ook het wettelijk systeem in zijn geheel en de beginselen van een behoorlijk proces. Overgangsrecht is daarbij, als alle recht, de uitkomst van een belangenafweging.(…)5.2.5. (…) Verandering van de regels tijdens het proces kan aanleiding geven tot tal van complicaties. Dat geldt in het bijzonder als de gewijzigde regeling een sterke samenhang vertoont met andere procesregels. Er is dan al gauw een ingewikkelde overgangsregeling nodig die mogelijk toch tekortschiet doordat niet alle complicaties waren voorzien. "Eenheid van proces" of "eenheid van instantie" is als overgangsrechtelijke oplossing eenvoudig te hanteren en houdt de problemen buiten de deur. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat het overgangsrechtelijke probleem bijna per definitie een probleem van voorbijgaande aard is. Het loont niet de moeite om daarvoor een ingewikkelde regeling te treffen.
5.2.5.
Uit het voorgaande volgt dat de inhoud van de nieuwe wet en daarmee de aard en de ingrijpendheid van de veranderingen die zij brengt, van belang zijn voor de vraag of die wet toepassing kan vinden in lopende procedures.”
4.17
Naar uit het voorgaande valt te destilleren zijn er dus verschillende gezichtspunten die van belang zijn voor de rechter bij het bepalen van het rechtsgevolg van de nieuwe wet. Een daarvan lijkt mij hoe de overgangsrechtbepaling eruit had gezien als de wetgever niet zou zijn uitgegaan van de (onjuiste) veronderstelling dat zich geen zaken meer zouden voordoen op dit terrein. Daartoe maak ik een kort uitstapje naar hoe het overgangsrecht bij eerdere veranderingen in het procesrecht vorm heeft gekregen, toegespitst op de wetswijzigingen die betrekking hadden op de uitsluiting van beroep in lichte overtredingszaken, het openstellen van beroep in cassatie tegen vrijspraken en het vervallen van het rechtsmiddel verzet. Daarbij verwijs ik opnieuw naar hetgeen Knigge in zijn genoemde conclusie van 3 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX0146 over die wijzigingen heeft onderzocht, te weten:
“5.4.5. Bij Wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999/467, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de rechterlijke organisatie en enkele andere wetten met betrekking tot het beroep in cassatie in strafzaken (uitsluiting beroep in lichte overtredingszaken en invoering verplichte schriftuur van een advocaat) zijn nieuwe appel- en cassatiegrenzen in overtredingszaken (de toenmalige art. 44, 56, 58 en 68 RO) geïntroduceerd en is de verplichte schriftuur ingevoerd. De wet bevat in art. VII een overgangsbepaling die erop neerkomt dat alle bepalingen die samenhangen met de invoering van de nieuwe appel- en cassatiegrenzen in overtredingszaken niet van toepassing zijn op zaken waarin op het moment van inwerkingtreding van de wet het betrokken vonnis of arrest reeds is gewezen. Tegen deze uitspraken staan de "oude" rechtsmiddelen nog open, aldus de memorie van toelichting.(15) Het rechtsfeit waarbij de wettelijke regeling aanknoopt is hier het instellen van het rechtsmiddel, zodat beslissend lijkt te moeten zijn of het rechtsmiddel op het moment van instellen openstaat. Derhalve zou gezegd kunnen worden dat de overgangsbepaling aan de wet enige eerbiedigende werking verleent. Die eerbiedigende werking is intussen alleszins begrijpelijk, gelet op de samenhang van de regeling met de uitspraak.(16) Daarom zou ook gesproken kunnen worden van een redelijke uitwerking van het beginsel van onmiddellijke werking.
(…)
5.4.7.
Bij Wet van 31 oktober 2002, Stb. 2002/539, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot het openstellen van beroep in cassatie tegen vrijspraken alsmede het doen van uitspraak door de enkelvoudige kamer bij het niet naleven van de schriftuurverplichting is art. 430 Sv vervallen. Dit artikel bepaalde dat tegen een vrijspraak van de verdachte geen beroep in cassatie was toegelaten. De in deze wet vervatte overgangsbepaling luidt: "Beroep in cassatie is niet toegelaten tegen een vrijspraak die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is gewezen." In de memorie van toelichting wordt over deze bepaling gezegd dat aldus wordt voorkomen dat nadat een vrijspraak gewezen is daartegen alsnog een rechtsmiddel komt open te staan dat ten tijde van de einduitspraak niet openstond.(19) Deze keuze voor de datum van de einduitspraak (en niet voor de datum van instellen van het rechtsmiddel) kan weer gezien worden als een in het systeem van de strafvordering passende uitwerking van de onmiddellijke werking van de wet. Volgens dat systeem kan alleen via de weg van de herziening aan de onherroepelijkheid van een einduitspraak worden getornd, waarbij nog komt dat herziening van vrijspraken niet mogelijk is. Bij genoemde wet zijn ook de artt. 438 en 440 Sv gewijzigd. Deze wijziging betrof de introductie van het doen van uitspraak door de enkelvoudige kamer bij het niet naleven van de schriftuurverplichting. In verband met deze voorgestelde aanpassing was volgens de memorie van toelichting een specifieke overgangsrechtelijke voorziening niet nodig. "Conform het algemene strafvorderlijk overgangsrecht heeft dit voorstel tot wetswijziging bij inwerkingtreding onmiddellijke werking."(20) Daarop valt weinig af te dingen. De door de wet geregelde materie is hier weer het eigen handelen van de rechter.
(…)
5.4.10.
Bij Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006/470, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (stroomlijnen hoger beroep) is onder meer het rechtsmiddel verzet vervallen-, de appelgrens inzake overtredingen verhoogd en de regeling voor het instellen van hoger beroep (artt. 449 en 450 Sv) gewijzigd. Ook is een verlofstelsel voor hoger beroep in "lichte" zaken ingevoerd en zijn, deels daarmee samenhangend, de regels voor het indienen van een appelschriftuur veranderd. Bovendien zijn de eenparigheidsregels afgeschaft. Deze wijzigingen zijn volgens de in art. IV opgenomen overgangsbepaling niet van toepassing in zaken waarin in eerste aanleg vonnis is gewezen vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wet.(26) De memorie van toelichting vermeldt dat de wijzigingen dus niet van toepassing zijn op "oude" zaken, maar licht niet toe waarom daarvoor is gekozen.(27) Voor zover het gaat om het al dan niet openstaan van een bepaald rechtsmiddel (vervallen verzet; verhoging appelgrenzen) sluit het aanknopen bij het moment van de uitspraak aan bij eerder gemaakte keuzes (zie onder 5.4.5 en 5.4.7).”
4.18
Op grond van het voorgaande zou kunnen worden betoogd dat indien de wetgever wel een overgangsbepaling had opgenomen dat daarin zou zijn aangeknoopt bij het moment van de uitspraak. De wijziging zou dan niet van toepassing zijn op zaken waarin op het moment van inwerkingtreding van de wet het betrokken vonnis of arrest reeds was gewezen. Het lijkt mij dat het door de rechter hanteren van een dergelijke ‘oplossing’ recht zou doen aan de in het geding zijnde belangen, zowel van de vervolgende instantie als van de aangehoudene en de charme van de eenvoud heeft.
4.19
Ik zet daar tegenover wat de uitkomst van het hof in de onderhavige zaak meebrengt. Die breng namelijk wel processuele verwikkelingen mee. Als eerste noem ik dat het vonnis van de rechtbank, inzake de (positieve) herkenning van de aangehoudene, door het vervallen achten van het rechtsmiddel in de lucht komt te hangen. Ten tijde van het aanwenden van het hoger beroep was die beslissing nog niet onherroepelijk. In de visie van het hof lijkt het er op dat het vonnis van de rechtbank door de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep inmiddels wel onherroepelijk vaststaat. Dat komt in wezen neer op het met terugwerkende kracht toepassen van de nieuwe wet, hetgeen nu juist niet zo behoort te zijn: de nieuwe wet werkt weliswaar onmiddellijk, maar uitsluitend voor het toekomende.15.Ook levert dat problemen in het licht van de kennelijk aan de procedure ex art. 579 Sv (oud) voorafgegane kortgedingprocedure.16.Zoals ik de gang van zaken begrijp is in die procedure verwezen naar de onderhavige strafvorderlijke mogelijkheid om de executie van de straf aan te vechten. Dat was immers een beschikbare, met voldoende waarborgen omklede specifieke procedure waardoor de weg van het kort geding werd afgesneden. Het is de vraag hoe daartegen aan moet worden gekeken nu de gehele procedure achteraf vervallen is. Staat dan weer de weg van het kort geding open? Maar hoe valt dat te rijmen met het ontstane resultaat dat de herkenningsprocedure, door het wegvallen van rechtsmiddelen, onherroepelijk is? Ik voorzie daar extra processuele complicaties die de afdoening van het onderhavige ‘herkenningsprobleem’ bepaald niet dichterbij brengen. Met andere woorden: de inbedding in het algehele processuele systeem pleit ervoor de ingeslagen weg van art. 579 Sv wel degelijk te vervolgen, dus om, in de beeldspraak van het hof, de trein tot aan het eindstation te laten doorrijden in plaats van deze halverwege te laten ontsporen.
4.20
In het verlengde daarvan pleit ook de rechtszekerheid, in de vorm van gerechtvaardigde verwachtingen voor het voortzetten van de eenmaal aangevangen strafvorderlijke procedure. Dat spreekt het meest als het gaat om de voortzetting van het hoger beroep, dat immers al conform de destijds nog gewoon bestaande wettelijke regeling is ingesteld. Daardoor was de rechter als het ware ‘gegrepen’ en het lijkt ongerijmd als door een afschaffing van de regeling dit hoger beroep en de daaruit voortvloeiende bemoeienis van de rechter - als waarborg in de oorspronkelijke procedure - plots zouden wegvallen. Vanuit het perspectief van de aangehoudene is dat in strijd met gerechtvaardigde verwachtingen en daarmee onbillijk.
4.21
Ik kom op tot een afronding. Ik meen dat de uitkomst van het hof in het licht van het processuele systeem niet praktisch is en ook onbillijk. Het lijkt me dat ook de ruimte voor de rechter bestaat om te komen tot een betere oplossing, omdat de wetgever, er van uitgaande dat een dergelijke procedure niet meer voor zou vallen, die ruimte als het ware opengelaten heeft. Dat betekent dat de toepasselijkheid van de vervallenverklaring naar ik meen op het punt van de rechtsmiddelen geen gevolgen moet hebben voor nog lopende procedures ex art. 279 Sv die al waren aangevangen vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging.
4.22
Dat betekent dus dat tegen het vonnis van de rechtbank, anders dan het hof heeft aangenomen, op de voet van het bestaande hoger beroep kon worden opgekomen en dat de niet-ontvankelijkverklaring van dat hoger beroep op de door het hof aangenomen grond onjuist is.
4.23
Tot slot betekent dit naar mijn mening ook dat het onderhavige cassatieberoep nog steeds mogelijk was en derhalve ontvankelijk moet worden geoordeeld. Dat het in de consultatieversie opgenomen art. 6:6:8 Sv geen beroepsmogelijkheid bood tegen de beslissing tot identiteitsvaststelling door de rechter doet daar niet aan af.
5. Beoordeling van het middel
5.1
Het middel, dat klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, is gelet op het voorgaande terecht voorgesteld.
6. Slotsom
6.1
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep te worden afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 31‑10‑2023
Deze regeling stond eerst in de vierde afdeling van de eerste titel van het Vijfde boek en is nadien vernummerd naar de vierde afdeling van de eerste titel van het Zesde boek (Stb. 2013/250).
De inhoud van de akte rechtsmiddel is nadien nog twee keer hersteld.
Conceptwetsvoorstel tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen). Te raadplegen via:https://internetconsultatie.nl/herzieningtenuitvoerlegging/details. Zie p. 44 en 86.
Te raadplegen via: https://internetconsultatie.nl/herzieningtenuitvoerlegging/details. Zie p. 8, 86, 87 en 119. Op p. 62 wordt in verband met het voorgestelde “art. 6:1:6 (564, eerste en tweede lid, 564a Sv) – inhoud van een last tot aanhouding” nog opgemerkt “dat gezien de systematische wijze waarop thans in de strafrechtspleging de identiteit van verdachten, veroordeelden en getuigen wordt vastgelegd en gecontroleerd is de verwachting gerechtvaardigd dat alleen in uitzonderlijke gevallen twijfel over de identiteit van de aangehoudene blijft bestaan”.
Kamerstukken II, 2014-2015, 34 086, nr. 4, p. 10-11.
Wet van 18 december 2019 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met de invoering van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Invoeringswet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2019/504.
Zie voor een toelichting Kamerstukken II, 2019–2020, 35 311, nr. 3, p. 15-16. Daarin staat onder meer: “De Rvdr heeft voorts verzocht om bijzonder overgangsrecht. Bij gebrek aan bijzonder overgangsrecht is – aldus de Rvdr – bepalend of een wijziging sanctierecht dan wel procesrecht betreft. Een wijziging van sanctierecht vindt in beginsel slechts toepassing op strafbare feiten gepleegd na inwerkingtreding van de wetswijziging, tenzij er sprake is van een voor de betrokkene gunstiger regime. Wijzigingen in procesrecht vinden onmiddellijke toepassing. De Rvdr meent dat het wetsvoorstel zowel een sanctie- als procesrechtelijke inhoud heeft, waardoor er zich misverstanden kunnen voordoen. In reactie op dit advies van de Rvdr wordt opgemerkt dat zowel het nieuwe Boek 6 Sv als onderhavig wetsvoorstel zien op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het betreft derhalve louter procesrechtelijke aspecten. In het uitzonderlijke geval dat een wijziging toch wordt geclassificeerd als sanctierecht, geldt de hoofdregel van artikel 1, tweede lid, Sr.”
Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere kleine wijzigingen (Stb. 2020/225).
Kamerstukken II, 2019–2020, 35 436, nr. 3, p. 11-12.
Dit aantal lijkt niet helemaal te kloppen, nu de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 22 januari 2014 (ECLI:NL:RBNNE:2014:555) nog vonnis heeft gewezen in een dergelijke procedure. Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State naar aanleiding waarvan het betreffende onderzoek is verricht dateerde van na die datum (4 september 2014).
In werking getreden op 1 januari 2020, Stb. 2019/507 resp. 25 juli 2020, Stb. 2020/286.
Vgl. HR 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2729, NJ 2005/408.
Zie het proces-verbaal van de zitting van 12 juli 2021, p. 2, waarin wordt verwezen naar een dergelijke procedure.
Beroepschrift 20‑01‑2023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 21/03081
Betekening aanzegging: 2 december 2022
Cassatieschriftuur
Inzake:
[aangehoudene]
gedetineerd te [verblijfplaats],
aangehoudene,
advocaten: R.J. Baumgardt en S. van den Akker
dossiernummer: D20210271
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [aangehoudene], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch d.d. 12 juli 2021, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
In deze zaak is de aangehoudene reeds in 2018 aangehouden waarbij hij heeft ontkend de in het vonnis veroordeelde te zijn, waarna de Officier van Justitie aangehoudene bij dagvaarding d.d. 14 maart 2018 heeft opgeroepen om voor de rechter te verschijnen in verband met de herkenningsprocedure als bedoeld in artikel 579 e.v. Sv (oud). Op 11 maart 2019 heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Tegen de uitspraak heeft aangehoudene tijdig hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft de aangehoudene vervolgens bij arrest van 12 juli 2022 niet ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen/geoordeeld dat vanaf 1 januari 2020 er geen procedure meer bestaat tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen en het hof de aangehoudene niet kan ontvangen in zijn hoger beroep, nu dit ziet op een procedure die de wet niet (meer) kent.
Dit oordeel is onjuist althans onbegrijpelijk. Het hoger beroep is immers ongeveer 6 maanden ingesteld voordat de Wet USB in werking is getreden waarbij de regeling als bedoeld in de artikelen 579 Sv, waaronder de mogelijkheid hoger beroep (art. 583 jo. 404 Sv) en cassatie (art. 583 jo. 427 Sv) is komen te vervallen. Gelet op art. 6 EVRM alsmede het wettelijk systeem in zijn geheel en de beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het vereiste van fairness, rechtszekerheid en vertrouwen dient in een zaak als de onderhavige, waarin de aangehoudene hoger beroep heeft ingesteld voordat de herkenningsprocedure is komen te vervallen en de wetgever verzuimd heeft een overgangsregeling te treffen de aangehoudene in het door hem ingestelde (en op het moment van het wijzen van arrest nog aanhangig zijnde) hoger beroep te worden ontvangen, zodat het arrest van het hof moet worden vernietigd.
Gelet op het bovenstaande dient de aangehoudene (ook) in zijn cassatieberoep te worden ontvangen nu de omstandigheid dat vanaf 1 januari 2020 er geen procedure meer bestaat tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen er in deze zaak onder de hierboven staande omstandigheden en gronden hieraan niet in de weg staat.
Toelichting
1.1
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de heer [aangehoudene] bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Middelburg van 9 maart 2017 onder parketnummer 12/700441-11 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Voorts volgt uit het verhandelde ter terechtzitting en het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 11 maart 2019 dat aangehoudene heeft ontkend de veroordeelde te zijn en te zijn genaamd [aangehoudene], geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ([land]). Vervolgens heeft de Officier van Justitie de aangehoudene bij dagvaarding d.d. 14 maart 2018 opgeroepen om voor de rechter te verschijnen in verband met de herkenningsprocedure als bedoeld in artikel 579 e.v. Sv (oud). De zaak is vervolgens behandeld op de terechtzittingen van 23 maart 2018 en 25 februari 2019. Bij vonnis d.d. 11 maart 2019 heeft de rechtbank vastgesteld dat de aangehoudene gedagvaard als [aangehoudene] de veroordeelde [aangehoudene] is.
1.2
De aangehoudene heeft op 22 maart 2019 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld. Vervolgens heeft de verdediging in een appelschriftuur d.d. 3 april 2019 onderzoekswensen ingediend.
1.3
In hoger beroep is de zaak behandeld op de terechtzittingen van 22 juni 2020; 6 juli 2020; 11 januari 2021 en 12 juli 2021. In het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 12 juli 2021 is onder meer gerelateerd:
‘De raadsvrouw vraagt aanstonds het woord en deelt mede:
‘Ik zou graag voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak een verzoek willen doen. Ik heb dit verzoek op papier gezet en verstrekt deze aan het hof. Mijn verzoek ziet op het laten uitvoeren van een onderzoek vergelijking brondocumenten in verband met het uitsluiten van een verwisseling. Ook heb ik een aantal opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van dit hof van de terechtzitting van 6 juli 2020. Het klopt dat ik voornoemd verzoek reeds heb gedaan bij schrijven van 24 juni 2021 gericht aan de advocaat-generaal. Ik heb hierbij ook medegedeeld dat ik het verzoek zal herhalen ter terechtzitting van heden.’
De voorzitter deelt mede:
Het hof acht het van belang om allereerst een ander punt aan de orde te stellen. De aan deze zaak ten grondslag liggende procedure, te weten het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, bestaat wettelijk niet meer. De betreffende procedure, die was opgenomen in de vierde afdeling van de eerste titel van Boek V van het Wetboek van Strafvordering, is bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020 komen te vervallen. Deze wet kent geen overgangsrecht. De vraag is nu welke consequentie dit heeft voor deze zaak. Hierbij merk ik wel nog op dat de procedure in hoger beroep voor 1 januari 2020 een aanvang heeft genomen.
Er is thans ook een nieuw boek 6 waarin een procedure is opgenomen dat bij executieproblemen deze kunnen worden voorgelegd bij de rechter die in eerste aanleg op de zaak heeft beslist. Mogelijk is deze procedure in het leven geroepen ter vervanging van de onderhavige procedure. Tegen een beslissing genomen op grond van deze nieuwe procedure staat overigens geen hoger beroep open.
Daarnaast is er de mogelijkheid om een kort geding procedure te voeren.
De raadsvrouw deelt mede:
‘Er is eerder al een civiele procedure geweest, waarbij de landsadvocaat heeft verwezen naar de onderhavige procedure. Ik meen dat mijn cliënt er dan ook op mag vertrouwen dat de procedure die toen nog bestond, wordt voortgezet. Indien deze procedure zou wegvallen door een wetswijziging, dan wordt mijn cliënt naar mijn mening in zijn rechten geschonden. Ik meen dan ook dat in het belang van mijn cliënt als onderhavige procedure wordt doorgezet.’
De oudste raadsheer deelt mede dat er kennelijk onderzoek is geweest naar hoe vaak de zogenaamde herkenningsprocedure is gevoerd en dat uit dit onderzoek is gebleken dat dit nog nooit was gebeurd. Daarbij merkt de oudste raadsheer nog op dat dit onderzoek heeft plaatsgevonden voordat de procedure in deze zaak was ingesteld.
De advocaat-generaal deelt mede:
‘Blijkens de memorie van toelichting is de procedure van artikel 579 van het Wetboek van Strafvordering nooit toegepast omdat door alle mogelijkheden die thans aanwezig zijn om iemands identiteit van te stellen, hieromtrent zich nooit problemen voordoen. Dat is waarschijnlijk ook de reden geweest om onderhavige procedure afte schaffen.
Ik weet wel dat in een uitspraak onder het ECLI-nummer 2015:4177 is aangegeven dat voor een executieproblematiek er altijd een kort geding open staat. Dat is ook waar de raadsvrouw zojuist aan refereerde, in deze zaak is al een civiele procedure gestart geweest, maar deze is gestopt omdat er een vordering van het openbaar ministerie was gekomen om een procedure ex artikel 579 van het Wetboek van Strafvordering te starten.
Er zijn in die zin formeel juridisch gezien best redenen om te kunnen beargumenteren dat deze zaak niet kan worden voorgezet. Immers de procedure bestaat niet meer en er is geen overgangsrecht en er bestond altijd al de. mogelijkheid van een kort geding.
Aan de andere kant zijn de argumenten van de raadsvrouw ook invoelbaar. De aangehoudene heeft er belang bij dat de procedure in hoger beroep wordt voortgezet.
Ik kan het hof mededelen dat het mij niet zal lukken om vandaag nog met een uitgebreider en meer onderbouwd standpunt te komen in deze kwestie.
Als ik kijk naar de wetgeving, de memorie van toelichting en het feit dat er geen overgangsrecht is, dan meen ik dat er meer argumenten zijn om te zeggen dat het appel van de verdachte niet-ontvankelijk is, mede ook omdat er andere procedures zijn die door de aangehoudene kunnen worden doorlopen, dan er argumenten zijn om te zeggen dat de procedure in hoger beroep kan worden voortgezet. Maar ik merk hierbij wel op dat ik het een lastige kwestie vind.’
De raadsvrouw deelt hierop mede:
‘Ik wil ook namens mijn cliënt nog een beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Mijn cliënt moet kunnen vertrouwen op de mededelingen die de overheid aan hem doet. In de kort geding procedure is door deze overheid tegen hem gezegd, dat hij met zijn zaak niet thuishoort bij de kort geding rechter en dat hij met zijn zaak een herkenningsprocedure moet starten. Mijn cliënt vertrouwd hierop en start de procedure en doet veel moeite zijn standpunten te onderbouwen. Vervolgens verschijnt hij op de regiezitting en is hij ook vandaag weer aanwezig. Bij het vertrouwen hebben in de overheid, mag hij ook een bepaalde consistentie verwachten. Ik begrijp dan ook niet waarom er geen overgangsrecht is gemaakt, terwijl er nog een procedure loopt.’
Hierop onderbreekt de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting en het hof trekt zich terug voor beraad.
Na hervatting wordt de aangehoudene in de gelegenheid gesteld als laatst het woord te voeren. Hij verklaart:
‘Ik geloof in de regels van het recht.
Ik meen echter dat ik niet eerlijk wordt behandeld en dat dit komt door mijn afkomst. Zo worden de stukken die namens mij zijn overgelegd niet geloofd omdat zij uit Afrika afkomstig zijn. Dit zou anders zijn geweest als ik ergens anders, bijvoorbeeld in Frankrijk, was geboren. Uit de stukken die u heeft ontvangen blijkt dat ik een tweelingbroer heb en dat hij inmiddels is overleden. U heeft ook stukken ontvangen waaruit blijkt dat deze stukken waar zijn. Ik zit inmiddels 3 jaren vast voor een feit dat ik niet heb gepleegd.’
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.’
1.4
In het arrest d.d. 12 juli 2021 heeft het hof overwogen/geoordeeld:
‘Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Voor het hof is het navolgende gebleken.
De aangehoudene is per dagvaarding d.d. 14 maart 2018 opgeroepen om voor de rechter te verschijnen in verband met de herkenningsprocedure als bedoeld in artikel 579 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.
Bij vonnis d.d. 11 maart 2019 heeft de rechtbank vastgesteld dat de aangehouden persoon gedagvaard als [aangehoudene] de veroordeelde [aangehoudene] is. Deze beslissing van de rechtbank berust op de artikelen 579 en 581 van het Wetboek van Strafvordering.
De aangehoudene heeft bij akte d.d. 22 maart 2019 hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.
De aan deze zaak ten grondslag liggende procedure, te weten het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen, was opgenomen in de vierde afdeling van de eerste titel van Boek V van hef Wetboek van Strafvordering.
Bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020 is onder meer deze afdeling komen te vervallen. Deze wet kent geen overgangsrecht.
Blijkens het kamerstuk 34086 nr. 4, inhoudende het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State d.d. 4 september 2014 en het nader rapport d.d. 20 november 2014, heeft de Afdeling advisering van de Raad van State de regering geadviseerd de noodzaak van de voorgestelde overneming van de bestaande regeling inzake het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden in de memorie van toelichting toe te lichten, nu blijkens de huidige toelichting wordt gesteld dat deze regeling nauwelijks wordt toegepast en dat door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling en de toepassing daarvan zich de vraag laat stellen of deze aparte rechtsgang nog relevant is.
Naar aanleiding van dit advies is de regering nagegaan in hoeveel gevallen het huidige rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (artikel 579 e.v. Sv) feitelijk is toegepast. Dit bleek in de afgelopen tien jaar geen enkele keer het geval te zijn geweest. Hieruit heeft de regering opgemaakt dat de huidige wijze van identiteitsvaststelling inderdaad met voldoende zekerheid discussie over de identiteit van veroordeelden uitsluit. Het voorgestelde artikel over identiteitsvaststellingdoor de rechter in de fase van de tenuitvoerlegging (artikel 6:6:7 Sv) heeft de regering dan ook geschrapt uit het wetsvoorstel en de memorie van toelichting is hierop aangepast.
Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat vanaf 1 januari 2020 er geen procedure meer bestaat tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen. Anders gezegd, de trein is gaan rijden, doch voordat deze het eindstation heeft bereikt is de rails weggehaald en kan deze niet meer verder rijden. Dit maakt dat het hof de aangehoudene niet kan ontvangen in zijn hoger beroep, nu dit ziet op een procedure die de wet niet (meer) kent.
Beslissing
Het hof:
Verklaart de aangehoudene niet-ontvankelijk in het hoger beroep.’
1.5
Als tussen het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest is belast en de tot het ondergaan van straf aangehouden persoon verdeeldheid bestaat over de vraag of deze wel de veroordeelde is, was tot 1 januari 2020 een rechterlijke beslissing vereist. Tot het voeren van een herkenningsprocedure zoals aanvankelijk opgenomen in de artikelen 579–584 Sv (oud) bestond volgens art. 579 in twee gevallen aanleiding: (a) als een aangehouden persoon ontkent degene te zijn voor wie men hem houdt en deze ontkenning blijft volhouden en (b) als, ondanks de erkentenis van de aangehouden persoon, bij het openbaar ministerie twijfel omtrent diens identiteit blijft bestaan. Met de woorden ‘blijft ontkennen’ en ‘blijft bestaan’ heeft de wetgever willen uitdrukken dat, voordat het geschil aan de rechter wordt voorgelegd, door het openbaar ministerie een onderzoek naar de identiteit van de aangehouden persoon wordt gedaan, waarbij de zaak tot klaarheid kan worden gebracht.1. Pas als dit onderzoek geen uitsluitsel kan geven wordt een rechterlijke beslissing uitgelokt. De visie van de samenstellers van het wetboek, dat de zaak in een onderzoek door het openbaar ministerie tot klaarheid kan worden gebracht, staat echter op gespannen voet met het recht van de gedetineerde om de rechtmatigheid van zijn vrijheidsberoving door de rechter te laten toetsen, als neergelegd in art. 5, vierde lid, EVRM. Uit rechtspraak van het Europese Hof moet worden afgeleid dat het vooronderzoek van het openbaar ministerie uitsluitend voorlopig kan zijn. De toegang tot de rechter mag er niet door worden beperkt.2. Mede gelet op het feit dat voor dit onderzoek de gewone procesregels van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, kan men — naar analogie van het beginsel dat geen straf mag worden geëxecuteerd zonder een voorafgaand strafproces voor de (wettelijk aangewezen, onafhankelijke) rechter — wellicht van een procesverplichting spreken.3.
1.6
Een vonnis van herkenning kon voor de aangehoudene dezelfde gevolgen hebben als een vonnis van veroordeling; niet-herkenning sloot de toepassing van straf uit, zo wordt in de memorie van toelichting op het wetboek van strafvordering gesteld.4. De samenstellers van het wetboek achtten het daarom wenselijk dat het onderzoek naar de identiteit van de aangehoudene ‘met gelijke waarborgen voor de richtige oordeelvelling’ werd omringd als het onderzoek op de terechtzitting. Om die reden golden, naar gelang voor welke rechter de herkenningsprocedure was aangebracht, voor het onderzoek naar de identiteit de regels die voor het oorspronkelijk strafbare feit gelden. Van die voorschriften dient blijkens de memorie van toelichting alleen te worden afgeweken ‘voorzoover uit den aard der zaak het verschil in hetgeen het onderwerp van het onderzoek uitmaakt, medebrengt’.5.
1.7
Het beroep tegen een beslissing omtrent de identiteit werd, op de voet van art. 583, tweede lid, ingesteld en vervolgd volgens de ‘gewone regelen’. Hieronder moeten worden verstaan de bepalingen van de Vijfde en Zesde Titel van het Derde Boek omtrent het aanwenden van gewone rechtsmiddelen (artt. 449–452) en de intrekking en afstand van gewone rechtsmiddelen (artt. 453–455). Deze bepalingen behoorden dienovereenkomstig te worden toegepast.
1.8
Op 1 januari 2020 is de Wet USB in werking getreden. Na inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) is de regeling vervallen. In de versie van het wetsvoorstel die aan de Afdeling advisering is voorgelegd was in deze eerste titel ook een bepaling opgenomen die hetzelfde doel had als het huidige rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (artikel 579 e.v. Sv). Het doel van dit rechtsgeding tot herkenning was bij blijvende twijfel over de identiteit van degene die een vrijheidsstraf ondergaat een rechter te laten beslissen over de identiteit van de betrokkene. Door de nieuwe mogelijkheden tot identiteitsvaststelling, waaronder biometrie, en de vaste toepassing daarvan, in de opsporing en vervolging, maar zeker ook tijdens de tenuitvoerlegging, liet zich de vraag stellen of deze aparte rechtsgang nog relevant was. Navraag bij de Justitiële informatiedienst (voor de afgelopen 10 jaar) en het openbaar ministerie over het aantal gevallen waarin het rechtsgeding tot herkenning feitelijk was toegepast, leverde op dat dit voor 2014 nul keer het geval is geweest. Hieruit heeft de wetgever opgemaakt op dat de wijze van identiteitsvaststelling inderdaad met voldoende zekerheid discussie over de identiteit van veroordeelden uitsloot, zodat het eerder voorgestelde artikel over identiteitsvaststelling door de rechter in de fase van de tenuitvoerlegging is geschrapt.6.
1.9
De Wet USB heeft betrekking op onder meer rechtsmiddelen inzake beslissingen tot de executie van een opgelegde straf. De invoering van deze regeling kan dus niet worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging en brengt (volgens de wetgever en Hoge Raad) geen wijziging in de aard en de maximale duur van de mogelijk ten uitvoer te leggen straf. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet USB is uitdrukkelijk overwogen dat de onmiddellijke werking van de nieuwe regeling het uitgangspunt is. Op die hoofdregel bestaan enkele in de wet opgesomde uitzonderingen. De minister wilde aanvankelijk de mogelijkheid van het instellen van beroep behouden wanneer ‘meerjarige vrijheidsbeneming’ op het spel stond.7. Na de invoering van de wet bleek al snel dat zij op het punt van het instellen van beroep veel vragen opwierp zodat een reparatiewet nodig was. Bij de totstandkoming daarvan is evenwel verzuimd in algemene zin na te gaan of de in de Wet USB gemaakte keuzes ten aanzien van de beroepsmogelijkheden wel bij alle straffen en maatregelen voldoende zijn doordacht en onderbouwd.8.
1.10
Strafvorderlijk overgangsrecht wordt beheerst door artikel 4 Wet algemene bepalingen (Wet AB) dat bepaalt dat de wet alleen verbindt voor het toekomende en geen terugwerkende kracht heeft. Voor het strafprocesrecht vloeit hieruit voort dat ‘proceshandelingen worden beheerst door het recht dat geldt ten tijde van die handelingen’, tenzij de wetgever ‘uitdrukkelijk bepaalt dat de nieuwe wet ook betekenis heeft voor proceshandelingen die zich in het verleden hebben afgespeeld’.9. Zonder wettelijk overgangsrecht geldt het nieuwe recht voor na de inwerkingtreding van de nieuwe wet verrichte proceshandelingen, ongeacht of dat wel of niet gunstiger voor de verdachte kan worden geacht.10. Daarbij is nog wel de vraag of die onmiddellijke werking niet in strijd komt met het in art. 1 lid 1 Sr en art. 7 EVRM neergelegde rechtszekerheidsbeginsel.11.
1.11
De tamelijk eenvoudige regel dat voor het strafprocesrecht de regel is dat proceshandelingen worden beheersd door het recht dat geldt ten tijde van die handelingen verbiedt niet de vraag op te werpen of de wetgever in een concreet geval tot het opstellen van strafvorderlijk overgangsrecht had moeten overgaan. Een voorbeeld hiervan betreft het op 1 juli 2012 in werking getreden art. 80a R.O. waarbij de wetgever van oordeel was dat dat artikel ‘onmiddellijk’ kon worden toegepast. Knigge heeft in een uitvoerige conclusie onder meer de vraag opgeworpen in welk opzicht en daarmee op welk moment de desbetreffende procespartij rekening moest kunnen houden met de mogelijke toepassing van art. 80a RO.12. Hij wijst er op dat wanneer gezegd wordt dat wetten die het procesrecht veranderen in de regel onmiddellijke werking hebben bedoeld wordt dat de nieuwe wet exclusief werkt, dat wil zeggen dat geen uitzondering wordt gemaakt voor rechtsfeiten die in verband staan met een bepaalde bestaande (rechts)toestand. Zo kan geclaimd worden dat een beperking van het recht van hoger beroep niet van toepassing is in strafzaken waarin de inleidende dagvaarding voor de datum van inwerkingtreding is uitgebracht. Als een dergelijke claim niet wordt gehonoreerd, spreekt men van exclusieve werking. Als de claim wel wordt gehonoreerd, spreekt men van eerbiedigende werking.13. Hij stelt onder meer dat ter beantwoording van die vraag de strekking van de nieuwe wet daarbij een rol speelt, maar ook het wettelijk systeem in zijn geheel en de beginselen van een behoorlijk proces. Het komt daarbij neer op een belangenafweging.14. De inhoud van de nieuwe wet en daarmee de aard en de ingrijpendheid van de veranderingen die zij brengt zijn van belang voor de vraag of die wet toepassing kan vinden in lopende procedures.15. De onmiddellijke werking van nieuw procesrecht kan in uitzonderlijke gevallen om inhoudelijke redenen — dus even afgezien van de aspecten van rechtstatelijkheid en rechtszekerheid die in het bijzonder rechterlijk overgangsrecht aankleven — in strijd komen met art. 6 EVRM. Daarbij moet vooral gedacht worden aan het fundamentele vereiste van fairness. Een verandering van de regels waarop onvoldoende kon worden geanticipeerd, kon wel eens oneerlijk zijn.16. In zijn conclusie is de A-G voorts uitvoerig ingegaan op een aantal wijzigingen in het procesrecht, waarbij de wetgever wel overgangsrecht heeft opgenomen, zoals art. 408a Sv, waarbij bepaald is dat deze wijziging geen gevolgen heeft voor de strafzaken waarin voor de inwerkingtreding van deze wet hoger beroep is ingesteld17. en de Wet van 5 oktober 2006, Stb. 2006/470, tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging (stroomlijnen hoger beroep) waarbij onder meer het rechtsmiddel verzet is vervallen, de appelgrens inzake overtredingen is verhoogd en de regeling voor het instellen van hoger beroep (artt. 449 en 450 Sv) is gewijzigd en een verlofstelsel voor hoger beroep in ‘lichte’ zaken is ingevoerd, waarbij bepaald is dat de wijzigingen niet van toepassing zijn op ‘oude’ zaken.18. Hieruit blijkt dat de wetgever zich er gevoelig voor toont dat de verandering van de regels tijdens het proces op gespannen voet kan staan met het vereiste van fairness. Daarbij lijkt de wetgever het zekere voor het onzekere te nemen. Verkregen verdedigingsposities worden beschermd, de verdedigingsstrategie mag niet worden doorkruist door wijzigingen waarmee geen rekening kon worden gehouden. Dat levert geen afwijking op van het beginsel van dadelijke toepassing van nieuw procesrecht, maar de verwerkelijking daarvan op een wijze die past bij de grondstructuur van het strafproces.19. Voor ‘verkregen’ rechtsposities van in het bijzonder de verdachte toont de wetgever zich gevoelig. Wetswijzigingen die het recht van hoger beroep of cassatie beperken, worden vaak niet van toepassing verklaard op zaken waarin de uitspraak voor de wetswijziging is gedaan.20. Naar aanleiding van zijn uitvoerige analyse stelt hij de Hoge Raad vervolgens voor geen gebruik te maken van art. 80a RO in strafzaken waarin de schriftuur — of in geval er meer schrifturen zijn, een van de schrifturen — voor de inwerkingtreding van de wet is binnengekomen.i. Dit advies is door de Hoge Raad vervolgens gevolgd.
1.12
In deze zaak is de aangehoudene reeds in 2018 aangehouden waarbij hij heeft ontkend de in het vonnis veroordeelde te zijn, waarna de Officier van Justitie bij dagvaarding d.d. 14 maart 2018 opgeroepen om voor de rechter te verschijnen in verband met de herkenningsprocedure als bedoeld in artikel 579 e.v. Sv (oud). Op 11 maart 2019 heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Tegen de uitspraak heeft aangehoudene tijdig hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de aangehoudene vervolgens bij arrest van 12 juli 2022 niet ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen/geoordeeld dat vanaf 1 januari 2020 er geen procedure meer bestaat tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen en het hof de aangehoudene niet kan ontvangen in zijn hoger beroep, nu dit ziet op een procedure die de wet niet (meer) kent. Dit oordeel is onjuist althans onbegrijpelijk. Het hoger beroep is immers ongeveer 6 maanden ingesteld voordat de Wet USB in werking is getreden waarbij de regeling als bedoeld in de artikelen 579 Sv, waaronder de mogelijkheid hoger beroep (art. 583 jo. 404 Sv) en cassatie (art. 583 jo. 427 Sv) is komen te vervallen. Gelet op art. 6 EVRM alsmede het wettelijk systeem in zijn geheel en de beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het vereiste van fairness, rechtszekerheid en vertrouwen dient in een zaak als de onderhavige, waarin de aangehoudene hoger beroep heeft ingesteld voordat de herkenningsprocedure is komen te vervallen en de wetgever verzuimd heeft een overgangsregeling te treffen de aangehoudene in het door hem ingestelde (en op het moment van het wijzen van arrest nog aanhangig zijnde) hoger beroep te worden ontvangen, zodat het arrest van het hof moet worden vernietigd.
1.13
Gelet op het bovenstaande dient de aangehoudene (ook) in zijn cassatieberoep te worden ontvangen nu de omstandigheid dat vanaf 1 januari 2020 er geen procedure meer bestaat tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen er in deze zaak onder de hierboven staande omstandigheden en gronden hieraan niet in de weg staat.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 20 januari 2023
Advocaten
R.J. Baumgardt
S. van den Akker
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑01‑2023
MvA op art. 540 ORO, bijl. hand. II, 1917–1918, 77, nr. 1, p. 70.
EHRM 21 oktober 1986, Publ. ECHR Series A vol. 107 (Sanchez-Reisse), ook gepubliceerd in NJ 1988, 555, m.nt. P. van Dijk.
J. F. Nijboer, De doolhof van de Nederlandse strafwetgeving, Groningen 1987, p. 81.
MvT op artt. 540 en 541–544 ORO, bijl. hand. II, 1913–1914, 286, nr. 3, p. 174.
MvT op artt. 541–544 ORO, bijl. hand. II, 1913–1914, 286, nr. 3, p. 174.
Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3 (Memorie van Toelichting).
Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3, p. 104. Zie voorts de noot van J.M. ten Voorde onder HR 5 april 2022, NJ 2022/197.
J.M. ten Voorde in zijn in noot onder HR NJ 2022/197 die daarbij verwijst naar J.P. Balkema, ‘Blinde vlek’, Sancties 2020/8.
M.J. Borgers & T. Kooijmans, ‘Wettelijk overgangsrecht en rechterlijke anticipatie ter zake van het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering’, Platform Modernisering 2019/02.
HR 2 december 1997, NJ 1998/305.
4.6. CAG Knigge voor HR 25 september 2012, NJ 2013/190, m.nt. B.F. Keulen. In zijn noot stelt Keulen dat een bijstelling van de jurisprudentie van het EHRM en Hoge Raad waardoor de voorzienbaarheid van de ten uitvoer gelegde straf belangrijker wordt hem aanspreekt.
5.1.6 CAG voor HR 11 september 2013, NJ 2013/241, m.nt. F.W. Bleichrodt.
5.2.1 CAG.
5.2.4. CAG.
5.2.5 CAG.
5.3.8 CAG.
5.4.2 CAG.
5.4.10 CAG.
5.4.12 CAG.
5.6.1 CAG.
5.6.8 CAG.