HR, 15-10-2013, nr. 13/03153
ECLI:NL:HR:2013:957
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2013
- Zaaknummer
13/03153
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:957, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 15‑10‑2013; (Herziening)
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0410
Uitspraak 15‑10‑2013
Inhoudsindicatie
Herziening. De enkele omstandigheid dat in een overgelegd rapport een aanvullend onderzoek wordt geadviseerd, levert niet een gegeven op a.b.i. art. 457.1ahf.c Sv (vgl. ECLI:NL:HR:2013:CA1203). De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Partij(en)
15 oktober 2013
Strafkamer
nr. 13/03153 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 maart 1998, nummer 23/001547-97, ingediend door mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Haarlem van 20 mei 1997 – de aanvrager ter zake van "verkrachting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvraag
3.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.
In de aanvraag wordt aangevoerd dat uit een bij de aanvraag gevoegde, op 6 februari 2012 door de Vrije Universiteit Amsterdam opgemaakte 'forensisch linguïstische rapportage' over enkele, deels wel en deels niet voor het bewijs gebezigde verklaringen van de aanvrager en van één van de slachtoffers, [slachtoffer], volgt dat "gerede twijfel over de geloofwaardigheid van Verhaar" ontstaat. Op grond van dit rapport komen de opstellers ervan tot de slotconclusie dat "nader onderzoek naar deze zaak (...) de onderbelichte (linguïstische) aspecten van deze zaak naar boven [kan] halen en in verband [kan] brengen met de eerdere bevindingen vanuit een psychologische discipline".
3.3.
De enkele omstandigheid dat in een overgelegd rapport een nader onderzoek wordt geadviseerd, levert niet een gegeven op als hiervoor onder 3.1 bedoeld (vgl. HR 28 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1203).
3.4.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.
Mr. De Savornin Lohman en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.