Procestaal: Duits.
HvJ EU, 04-05-2023, nr. C-487/21
ECLI:EU:C:2023:369
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-05-2023
- Magistraten
A. Arabadjiev, P.G. Xuereb, T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-487/21
- Conclusie
G. Pitruzzella
- Roepnaam
Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:369, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑05‑2023
ECLI:EU:C:2022:1000, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 15‑12‑2022
Uitspraak 04‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van persoonsgegevens — Verordening (EU) 2016/679 — Recht van de betrokkene om inzage te verkrijgen in hem betreffende persoonsgegevens die worden verwerkt — Artikel 15, lid 3 — Verstrekking van een kopie van de gegevens — Begrip ‘kopie’ — Begrip ‘informatie’
A. Arabadjiev, P.G. Xuereb, T. von Danwitz, A. Kumin, I. Ziemele
Partij(en)
In zaak C-487/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) bij beslissing van 9 augustus 2021, ingekomen bij het Hof op 9 augustus 2021, in de procedure
F.F.
tegen
Österreichische Datenschutzbehörde,
in tegenwoordigheid van:
CRIF GmbH,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, P. G. Xuereb, T. von Danwitz, A. Kumin en I. Ziemele (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
F.F., vertegenwoordigd door M. Schrems,
- —
de Österreichische Datenschutzbehörde, vertegenwoordigd door A. Jelinek en M. Schmidl als gemachtigden,
- —
CRIF GmbH, vertegenwoordigd door L. Feiler en M. Raschhofer, Rechtsanwälte,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door G. Kunnert, A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door O. Serdula, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door M. Russo, avvocato dello Stato,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, M. Heller en H. Kranenborg als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 15 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificatie in PB 2018, L 127, blz. 2; hierna: ‘AVG’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen F.F. en de Österreichische Datenschutzbehörde (autoriteit voor gegevensbescherming, Oostenrijk) (hierna: ‘DSB’) over de weigering van de DSB om CRIF GmbH te verplichten om aan F.F. een kopie te verstrekken van de documenten en databankuittreksels die onder meer hem betreffende persoonsgegevens bevatten die worden verwerkt.
Toepasselijke bepalingen
3
In de overwegingen 10, 11, 26, 58, 60 en 63 AVG staat te lezen:
- ‘(10)
Teneinde natuurlijke personen een consistent en hoog beschermingsniveau te bieden en de belemmeringen voor het verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie op te heffen, dient het niveau van bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen op het vlak van verwerking van deze gegevens in alle lidstaten gelijkwaardig te zijn. Er moet gezorgd worden voor een in de gehele Unie coherente en homogene toepassing van de regels inzake bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. […]
- (11)
Doeltreffende bescherming van persoonsgegevens in de gehele Unie vereist de versterking en nadere omschrijving van de rechten van betrokkenen en van de verplichtingen van degenen die persoonsgegevens verwerken en van degenen die over die verwerking beslissen […].
[…]
- (26)
De beginselen van gegevensbescherming moeten voor elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon gelden. Om te bepalen of een natuurlijke persoon identificeerbaar is, moet rekening worden gehouden met alle middelen waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat zij worden gebruikt door de verwerkingsverantwoordelijke of door een andere persoon om de natuurlijke persoon direct of indirect te identificeren, bijvoorbeeld selectietechnieken.
[…]
- (58)
Overeenkomstig het transparantiebeginsel moet informatie die bestemd is voor het publiek of de betrokkene eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk zijn en moet duidelijke en eenvoudige taal […] worden gebruikt.
[…]
- (60)
Overeenkomstig de beginselen van behoorlijke en transparante verwerking moet de betrokkene op de hoogte worden gesteld van het feit dat er verwerking plaatsvindt en van de doeleinden daarvan. De verwerkingsverantwoordelijke dient de betrokkene de nadere informatie te verstrekken die noodzakelijk is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen, met inachtneming van de specifieke omstandigheden en de context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt. […]
[…]
- (63)
Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. […] Elke betrokkene dient dan ook het recht te hebben, te weten en te worden meegedeeld voor welke doeleinden de persoonsgegevens worden verwerkt, indien mogelijk hoelang zij worden bewaard, wie de persoonsgegevens ontvangt, welke logica er ten grondslag ligt aan een eventuele automatische verwerking van de persoonsgegevens en, ten minste wanneer de verwerking op profilering is gebaseerd, wat de gevolgen van een dergelijke verwerking zijn. Indien mogelijk moet de verwerkingsverantwoordelijke op afstand toegang kunnen geven tot een beveiligd systeem waarop de betrokkene direct zijn persoonsgegevens kan inzien. Dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt. […]’
4
Artikel 4 van deze verordening bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
- 1)
‘persoonsgegevens’, alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon […]als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
- 2)
‘verwerking’, een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens […];
[…]’
5
In artikel 12 (‘Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene’) van die verordening is bepaald:
- ‘1.
De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is.
[…]
- 3.
De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. […] Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, wordt de informatie indien mogelijk elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt.
[…]’
6
Artikel 15 (‘Recht van inzage van de betrokkene’) AVG bepaalt:
- ‘1.
De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
- a)
de verwerkingsdoeleinden;
- b)
de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
- c)
de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
- d)
indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
- e)
dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
- f)
dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
- g)
wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
- h)
het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
- 2.
Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene het recht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake de doorgifte.
- 3.
De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.
- 4.
Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.’
7
Artikel 16 (‘Recht op rectificatie’) van die verordening bepaalt:
‘De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken.’
8
Artikel 17, ‘Recht op gegevenswissing (‘recht op vergetelheid’)’, van die verordening bepaalt in lid 1:
‘De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen […]:
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9
CRIF is een bedrijfsadviesbureau dat, op verzoek van zijn klanten, informatie verstrekt over de solvabiliteit van derden. Daartoe heeft het de persoonsgegevens van verzoeker in het hoofdgeding verwerkt.
10
Op 20 december 2018 heeft verzoeker in het hoofdgeding CRIF op grond van artikel 15 AVG verzocht om inzage van de hem betreffende persoonsgegevens. Voorts heeft hij verzocht om hem een kopie te verstrekken van de documenten, te weten e-mails en databankuittreksels, die onder meer zijn gegevens bevatten, dit ‘in een gangbaar technisch formaat’.
11
In antwoord op dit verzoek heeft CRIF hem de lijst van zijn verwerkte persoonsgegevens toegezonden in geaggregeerde vorm.
12
Verzoeker in het hoofdgeding heeft bij de DSB een klacht ingediend omdat hij van mening was dat CRIF hem een kopie van alle documenten die zijn gegevens bevatten, zoals e-mails en databankuittreksels, had moeten overmaken.
13
Bij besluit van 11 september 2019 heeft de DSB deze klacht afgewezen op grond van de overweging dat CRIF het recht van de verzoeker in het hoofdgeding om inzage te verkrijgen in de hem betreffende persoonsgegevens op geen enkele wijze had geschonden.
14
De verwijzende rechter bij wie verzoeker in het hoofdgeding beroep tegen dit besluit heeft ingesteld, vraagt zich af wat de draagwijdte is van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG. Hij vraagt zich in het bijzonder af of voldaan is aan de in deze bepaling neergelegde verplichting om een ‘kopie’ van de persoonsgegevens te verstrekken wanneer de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens in geaggregeerde vorm verstrekt, dan wel of deze verplichting ook inhoudt dat uittreksels uit documenten of zelfs volledige documenten alsmede databankuittreksels waarin die gegevens zijn opgenomen, moeten worden verstrekt.
15
Meer in het bijzonder vraagt deze rechter zich af of artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG enkel bepaalt in welke vorm het recht van inzage van de in artikel 15, lid 1, van deze verordening bedoelde informatie moet worden gewaarborgd, dan wel of eerstgenoemde bepaling voorziet in een autonoom recht van de betrokkene om inzage te verkrijgen in de gegevens die verband houden met de context waarin de gegevens van die persoon worden verwerkt, in de vorm van kopieën van uittreksels uit documenten of zelfs volledige documenten of databankuittreksels die onder meer deze gegevens bevatten.
16
De verwijzende rechter vraagt zich ook af of het begrip ‘gegevens’ in artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG tevens de in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), van deze verordening bedoelde informatie omvat, of zelfs aanvullende informatie zoals bij de gegevens behorende metagegevens, dan wel of het uitsluitend betrekking heeft op de in artikel 15, lid 3, eerste volzin, van die verordening bedoelde ‘persoonsgegevens die worden verwerkt’.
17
In deze omstandigheden heeft het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet het begrip ‘kopie’ in artikel 15, lid 3, [AVG] aldus worden uitgelegd dat daarmee een fotokopie, een facsimile of een elektronische kopie van een (elektronisch) gegeven wordt bedoeld, of valt daar, uitgaande van de omschrijving van dit begrip in Duitse, Franse en Engelse woordenboeken, ook een ‘Abschrift’, een ‘double’ (‘duplicata’) of een ‘transcript’ onder?
- 2)
Moet artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG, waarin is bepaald dat ‘[d]e verwerkingsverantwoordelijke […] een kopie [verstrekt] van de persoonsgegevens die worden verwerkt’, aldus worden uitgelegd dat deze bepaling voorziet in een algemeen recht van een betrokkene op verstrekking van een kopie van — ook — volledige documenten waarin persoonsgegevens van de betrokkene zijn verwerkt, of, voor zover van toepassing, op verstrekking van een kopie van een uittreksel uit een databank waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt, of houdt die bepaling in dat de betrokkene — alleen — recht heeft op een getrouwe reproductie van de op grond van artikel 15, lid 1, AVG mede te delen persoonsgegevens?
- 3)
Moet, indien de tweede vraag aldus wordt beantwoord dat de betrokkene slechts recht heeft op een getrouwe reproductie van de op grond van artikel 15, lid 1, AVG mede te delen persoonsgegevens, artikel 15, lid 3, eerste volzin, [ervan] aldus worden uitgelegd dat het, gelet op de aard van de verwerkte gegevens [bijvoorbeeld met betrekking tot de in overweging 63 van de AVG genoemde diagnosen, onderzoeksresultaten, beoordelingen, of ook bescheiden in verband met een toetsing in de zin van het arrest van het Hof van 20 december 2017, Nowak (C-434/16, EU:C:2017:994),] en het transparantiegebod van artikel 12, lid 1, AVG, in individuele gevallen niettemin noodzakelijk kan zijn om ook tekstpassages of hele documenten aan de betrokkene te verstrekken?
- 4)
Moet het begrip ‘informatie’ die volgens artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG ‘in een gangbare elektronische vorm’ aan de betrokkene moet worden verstrekt, wanneer deze zijn verzoek elektronisch indient ‘en niet om een andere regeling verzoekt’, aldus worden uitgelegd dat daarmee enkel de in artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG bedoelde ‘persoonsgegevens die worden verwerkt’ worden bedoeld?
- a)
Indien de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord, moet het begrip ‘informatie’ die volgens artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG ‘in een gangbare elektronische vorm’ aan de betrokkene moet worden verstrekt, wanneer deze zijn verzoek elektronisch indient ‘en niet om een andere regeling verzoekt’, dan aldus worden uitgelegd dat daarmee ook de informatie waarnaar wordt verwezen in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG wordt bedoeld?
- b)
Indien ook de vierde vraag, onder a), ontkennend wordt beantwoord, moet het begrip ‘informatie’ die volgens artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG, ‘in een gangbare elektronische vorm’ aan de betrokkene moet worden verstrekt, wanneer deze zijn verzoek elektronisch indient ‘en niet om een andere regeling verzoekt’, dan aldus worden uitgelegd dat daarmee niet alleen ‘persoonsgegevens die worden verwerkt’ en de informatie bedoeld in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG worden bedoeld, maar bijvoorbeeld ook bijbehorende metagegevens?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met derde prejudiciële vraag
18
Met de eerste tot en met de derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG, gelezen in het licht van het in artikel 12, lid 1, van deze verordening neergelegde transparantiebeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het recht om een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt, impliceert dat aan de betrokkene niet alleen een kopie van die gegevens wordt verstrekt, maar ook een kopie van uittreksels uit documenten of zelfs volledige documenten of databankuittreksels die onder meer die gegevens bevatten. In het bijzonder vraagt deze rechter zich af wat de draagwijdte van dit recht is.
19
Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie in die zin arresten van 2 december 2021, Vodafone Kabel Deutschland, C-484/20, EU:C:2021:975, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 september 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Aard van het verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU), C-624/20, EU:C:2022:639, punt 28].
20
Wat de bewoordingen van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG betreft, geeft deze bepaling aan dat de verwerkingsverantwoordelijke ‘de betrokkene een kopie [verstrekt] van de persoonsgegevens die worden verwerkt’.
21
Aangezien de AVG geen definitie bevat van het aldus gebruikte begrip ‘kopie’, dient daarvoor te rade te worden gegaan bij de gebruikelijke betekenis van deze term die, zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verwijst naar de getrouwe reproductie of transcriptie van een origineel, zodat een zuiver algemene beschrijving van de gegevens die worden verwerkt of een verwijzing naar categorieën persoonsgegevens niet aan die definitie voldoet. Bovendien blijkt uit de bewoordingen van artikel 15, lid 3, eerste volzin, van deze verordening dat de verplichting tot mededeling betrekking heeft op de persoonsgegevens die het voorwerp van de betrokken verwerking vormen.
22
Artikel 4, punt 1, AVG definieert het begrip ‘persoonsgegevens’ als ‘alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’ en verduidelijkt dat ‘als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon’.
23
Het gebruik van de woorden ‘alle informatie’ in de definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ in deze bepaling wijst op de bedoeling van de Uniewetgever om een ruime betekenis te geven aan dit begrip, dat zich potentieel uitstrekt tot elk soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie, in de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene ‘betreft’ (zie naar analogie arrest van 20 december 2017, Nowak, C-434/16, EU:C:2017:994, punt 34).
24
Dienaangaande is reeds geoordeeld dat informatie betrekking heeft op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon wanneer zij wegens haar inhoud, doel of gevolg verband houdt met een identificeerbare persoon (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Nowak, C-434/16, EU:C:2017:994, punt 35).
25
Wat de ‘identificeerbaarheid’ van een natuurlijke persoon betreft, verduidelijkt overweging 26 AVG dat rekening moet worden gehouden met ‘alle middelen waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat zij worden gebruikt door de verwerkingsverantwoordelijke of door een andere persoon om de natuurlijke persoon direct of indirect te identificeren, bijvoorbeeld selectietechnieken’.
26
Zoals de advocaat-generaal in de punten 36 tot en met 39 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, omvat de ruime definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ dus niet alleen de door de verwerkingsverantwoordelijke verzamelde en bewaarde gegevens, maar ook alle informatie die voortvloeit uit een verwerking van persoonsgegevens betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare persoon, zoals de beoordeling van zijn solvabiliteit of betalingsbereidheid.
27
In deze context dient daaraan te worden toegevoegd dat de Uniewetgever aan het begrip ‘verwerking’, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 2, AVG, een ruime strekking heeft willen geven door gebruik te maken van een niet-uitputtende lijst van handelingen [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, Valsts ieņēmumu dienests (Verwerking van persoonsgegevens voor fiscale doeleinden), C-175/20, EU:C:2022:124, punt 35].
28
Uit de tekstuele analyse van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG blijkt bijgevolg dat deze bepaling de betrokkene het recht verleent om een getrouwe reproductie te verkrijgen van zijn — in ruime zin opgevatte — persoonsgegevens die door de verwerkingsverantwoordelijke zijn bewerkt op een manier die als verwerking moet worden aangemerkt.
29
Vastgesteld moet echter worden dat de eerste drie vragen niet kunnen worden beantwoord aan de hand van enkel de bewoordingen van deze bepaling, aangezien deze geen enkele aanwijzing bevatten over een mogelijk recht om niet alleen een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt, maar ook een kopie van uittreksels uit documenten of zelfs volledige documenten of databankuittreksels die onder meer deze gegevens bevatten.
30
Wat de context van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG betreft, moet worden opgemerkt dat artikel 15 AVG, met als opschrift ‘Recht van inzage van de betrokkene’, in lid 1 ervan het voorwerp en de werkingssfeer van het aan de betrokkene toegekende recht van inzage omschrijft en daarin het recht van de betrokkene vastlegt om van de verwerkingsverantwoordelijke inzage te verkrijgen in zijn persoonsgegevens en de in de punten a) tot en met h) van dat lid bedoelde informatie.
31
Artikel 15, lid 3, AVG verduidelijkt op welke wijze de op de verwerkingsverantwoordelijke rustende verplichting in de praktijk moet worden nagekomen, door met name in de eerste volzin te specificeren in welke vorm deze verantwoordelijke de ‘persoonsgegevens die worden verwerkt’ moet verstrekken, te weten in de vorm van een ‘kopie’. Voorts wordt in de derde volzin van dit lid bepaald dat de informatie in gangbare elektronische vorm wordt verstrekt wanneer het verzoek elektronisch wordt ingediend en de betrokkene niet om een andere regeling verzoekt.
32
Artikel 15 AVG kan dus niet worden uitgelegd als zou het in lid 3, eerste volzin, voorzien in een recht dat losstaat van het in lid 1 bedoelde recht. Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, verwijst de term ‘kopie’ bovendien niet naar een document als zodanig, maar naar de persoonsgegevens die het bevat en die volledig moeten zijn. De kopie moet dus alle persoonsgegevens bevatten die worden verwerkt.
33
Wat de door artikel 15 AVG nagestreefde doelstellingen betreft, moet worden opgemerkt dat de AVG, zoals overweging 11 ervan verduidelijkt, tot doel heeft de rechten van betrokkenen te versterken en nader te omschrijven. In dit verband voorziet artikel 15 van deze verordening in een recht om een kopie te verkrijgen, in tegenstelling tot artikel 12, onder a), tweede streepje, van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 31), dat enkel voorzag in een recht op ‘verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt’. Volgens overweging 63 AVG moet ‘[e]en betrokkene […] het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren’.
34
Het in artikel 15 AVG neergelegde recht van inzage moet de betrokkene dus in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de hem betreffende persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt [zie in die zin arrest van 12 januari 2023, Österreichische Post (Informatie over de ontvangers van persoonsgegevens), C-154/21, EU:C:2023:3, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35
Dit recht van inzage is met name noodzakelijk om de betrokkene toe te laten om in voorkomend geval een aantal rechten uit te oefenen, namelijk zijn recht op rectificatie van gegevens, op gegevenswissing (‘recht op vergetelheid’), en op beperking van de verwerking, die hem respectievelijk worden toegekend door de artikelen 16, 17 en 18 AVG, alsook zijn in artikel 21 AVG vastgestelde recht om bezwaar te maken tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens en zijn in de artikelen 79 en 82 AVG neergelegde recht om zich tot de rechter te wenden wanneer hij schade lijdt [arrest van 12 januari 2023, Österreichische Post (Informatie over de ontvangers van persoonsgegevens), C-154/21, EU:C:2023:3, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36
Tevens dient erop te worden gewezen dat in overweging 60 AVG staat te lezen dat overeenkomstig de beginselen van behoorlijke en transparante verwerking de betrokkene op de hoogte moet worden gesteld van het feit dat er verwerking plaatsvindt en van de doeleinden daarvan, waarbij moet worden benadrukt dat de verwerkingsverantwoordelijke de nadere informatie dient te verstrekken die noodzakelijk is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen, met inachtneming van de specifieke omstandigheden en de context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt.
37
Voorts moet overeenkomstig het door de verwijzende rechter genoemde transparantiebeginsel waarnaar overweging 58 AVG verwijst en dat uitdrukkelijk is neergelegd in artikel 12, lid 1, van deze verordening, alle informatie die bestemd is voor de betrokkene beknopt, eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk zijn en moet duidelijke en eenvoudige taal worden gebruikt.
38
Zoals de advocaat-generaal in de punten 54 en 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgt uit deze laatste bepaling dat de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen moet nemen opdat de betrokkene alle informatie, waaronder de in artikel 15 AVG bedoelde informatie, in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, en dat de informatie schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, moet worden verstrekt, tenzij de betrokkene erom verzoekt dat de informatie mondeling wordt meegedeeld. Deze bepaling, die uitdrukking geeft aan het transparantiebeginsel, beoogt te waarborgen dat de betrokkene de informatie die hem wordt verstrekt volledig kan begrijpen.
39
Hieruit volgt dat de kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt en die de verwerkingsverantwoordelijke krachtens artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG moet verstrekken, alle noodzakelijke kenmerken moet vertonen om de betrokkene in staat te stellen de rechten die hij aan deze verordening ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Deze kopie moet deze gegevens dus volledig en getrouw reproduceren.
40
Deze uitlegging strookt met de doelstelling van deze verordening die er — zoals uit overweging 10 ervan blijkt — met name in bestaat een consistent en hoog niveau van bescherming van natuurlijke personen binnen de Unie te waarborgen en te dien einde te zorgen voor een in de gehele Unie coherente en homogene toepassing van de regels inzake bescherming van de grondrechten en fundamentele vrijheden van die personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens (zie in die zin arrest van 9 februari 2023, X-FAB Dresden, C-453/21, EU:C:2023:79, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Om te waarborgen dat de aldus verstrekte informatie gemakkelijk te begrijpen is, zoals vereist in artikel 12, lid 1, AVG, gelezen in samenhang met overweging 58 van deze verordening, kan het immers onontbeerlijk zijn dat uittreksels uit documenten of zelfs volledige documenten of databankuittreksels die onder meer de persoonsgegevens bevatten die worden verwerkt, worden gereproduceerd wanneer, zoals de advocaat-generaal in de punten 57 en 58 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het in hun context plaatsen van de verwerkte gegevens noodzakelijk is om de begrijpelijkheid ervan te waarborgen.
42
Wanneer met name persoonsgegevens worden gegenereerd op basis van andere gegevens of wanneer dergelijke gegevens voortvloeien uit open tekstvelden, dit wil zeggen wanneer geen data over de betrokkene worden verstrekt en uit deze lacune informatie over de betrokkene valt af te leiden, is de context waarin deze gegevens worden verwerkt een onontbeerlijk element om de betrokkene in staat te stellen op transparante wijze inzage te krijgen in die gegevens en er een begrijpelijk beeld van te krijgen.
43
Daarnaast mag het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen krachtens artikel 15, lid 4, AVG, gelezen in samenhang met overweging 63 van deze verordening, geen afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van anderen, waaronder bedrijfsgeheimen of intellectuele eigendom, in het bijzonder het auteursrecht dat software beschermt.
44
Zoals de advocaat-generaal in punt 61 van zijn conclusie heeft benadrukt, moeten in geval van strijdigheid tussen enerzijds de volledige uitoefening van het recht van inzage van de persoonsgegevens en anderzijds de rechten of vrijheden van anderen de betrokken rechten tegen elkaar worden afgewogen. Voor zover mogelijk moet ervoor worden gekozen de persoonsgegevens te verstrekken op een wijze die geen afbreuk doet aan de rechten of vrijheden van anderen. Daarbij moet er rekening mee worden gehouden dat, zoals blijkt uit overweging 63 van de AVG, deze overwegingen er niet toe mogen ‘leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden’.
45
Gelet op een en ander moet op de eerste tot en met de derde prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG
aldus moet worden uitgelegd dat
het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt, inhoudt dat aan de betrokkene een getrouwe en begrijpelijke reproductie van al deze gegevens moet worden gegeven. Dit recht omvat het recht om een kopie te verkrijgen van uittreksels uit documenten of zelfs van volledige documenten of databankuittreksels die onder meer die gegevens bevatten, indien de verstrekking van een dergelijke kopie onontbeerlijk is om de betrokkene in staat te stellen de hem bij deze verordening verleende rechten daadwerkelijk uit te oefenen, waarbij moet worden benadrukt dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met de rechten en vrijheden van anderen.
Vierde prejudiciële vraag
46
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het daarin bedoelde begrip ‘informatie’ uitsluitend betrekking heeft op persoonsgegevens waarvan de verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig de eerste volzin van dat lid een kopie moet verstrekken, dan wel of het ook verwijst naar alle in lid 1 van dat artikel genoemde informatie, of zelfs meer gegevens omvat, zoals metagegevens.
47
Zoals in punt 19 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.
48
In dit verband bepaalt artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG weliswaar louter dat ‘[w]anneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, […] de informatie in een gangbare elektronische vorm [wordt] verstrekt’, zonder dat wordt verduidelijkt wat onder ‘informatie’ moet worden verstaan, maar de eerste volzin van dat lid geeft aan dat ‘[d]e verwerkingsverantwoordelijke […] de betrokkene een kopie [verstrekt] van de persoonsgegevens die worden verwerkt’.
49
Uit de context van artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG volgt dus dat de daarin bedoelde ‘informatie’ noodzakelijkerwijs betrekking heeft op persoonsgegevens waarvan de verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig de eerste volzin van dat lid een kopie moet verstrekken.
50
Een dergelijke uitlegging wordt bevestigd door de doelstelling van artikel 15, lid 3, AVG, die, zoals in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, erin bestaat vast te stellen op welke wijze de op de verwerkingsverantwoordelijke rustende verplichting om een kopie te verstrekken van de persoonsgegevens die worden verwerkt, moet worden uitgevoerd in de praktijk. Deze bepaling roept derhalve geen recht in het leven dat verschilt van het aan de betrokkene verleende recht om een getrouwe en begrijpelijke reproductie van die gegevens te verkrijgen dat hem in staat stelt de hem door die verordening toegekende rechten daadwerkelijk uit te oefenen.
51
Daarbij zij opgemerkt dat geen enkele bepaling van die verordening een verzoek verschillend behandelt naargelang de vorm waarin dit wordt ingediend, zodat de omvang van het recht om een kopie te verkrijgen niet kan verschillen naargelang van die vorm.
52
Bovendien moet er ook op worden gewezen dat artikel 12, lid 3, AVG bepaalt dat wanneer het verzoek elektronisch wordt ingediend, de in dat artikel 15 bedoelde informatie, met inbegrip van de in de punten a) tot en met h) van lid 1 van dit artikel bedoelde informatie, elektronisch wordt verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt.
53
Gelet op een en ander moet op de vierde prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het daarin bedoelde begrip ‘informatie’ uitsluitend betrekking heeft op persoonsgegevens waarvan de verwerkingsverantwoordelijke een kopie moet verstrekken op grond van de eerste volzin van dat lid.
Kosten
54
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 15, lid 3, eerste volzin, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)
moet aldus worden uitgelegd dat
het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt, inhoudt dat aan de betrokkene een getrouwe en begrijpelijke reproductie van al deze gegevens moet worden gegeven. Dit recht omvat het recht om een kopie te verkrijgen van uittreksels van documenten of zelfs van volledige documenten of databankuittreksels die onder meer die gegevens bevatten, indien de verstrekking van een dergelijke kopie onontbeerlijk is om de betrokkene in staat te stellen de hem bij deze verordening verleende rechten daadwerkelijk uit te oefenen, waarbij moet worden benadrukt dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met de rechten en vrijheden van anderen.
- 2)
Artikel 15, lid 3, derde volzin, van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
het daarin bedoelde begrip ‘informatie’ uitsluitend betrekking heeft op persoonsgegevens waarvan de verwerkingsverantwoordelijke een kopie moet verstrekken op grond van de eerste volzin van dat lid.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑05‑2023
Conclusie 15‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van persoonsgegevens — Verordening (EU) 2016/679 — Artikel 15, lid 3 — Recht van de betrokkene om inzage te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt — Recht om een kopie van de persoonsgegevens te verkrijgen — Begrip ‘kopie’ — Begrip ‘informatie’
G. Pitruzzella
Partij(en)
Zaak C-487/211.
F.F.
in tegenwoordigheid van:
Österreichische Datenschutzbehörde,
CRIF GmbH
[verzoek van het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
1.
Wat zijn de inhoud en de draagwijdte van het recht van een betrokkene die inzage verkrijgt van zijn persoonsgegevens die worden verwerkt, om een kopie van die gegevens te verkrijgen, zoals bepaald in artikel 15, lid 3, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming; hierna: ‘AVG’)2.? Wat is de betekenis van de term ‘kopie’ en hoe verhoudt dit recht om een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt, zich tot het recht van inzage in de zin van lid 1 van datzelfde artikel?
2.
Dat zijn in wezen de belangrijkste vragen die aan de orde zijn in de zaak waarop deze conclusie betrekking heeft. De zaak betreft een verzoek van het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 15, lid 3, AVG.
3.
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen F.F. en de Österreichische Datenschutzbehörde (autoriteit voor gegevensbescherming, Oostenrijk) over de rechtmatigheid van de afwijzing door deze autoriteit van het verzoek van F.F. om een bedrijfsadviesbureau dat hem betreffende persoonsgegevens had verwerkt, te verplichten documenten en databankuittreksels te verstrekken die deze persoonsgegevens bevatten.
4.
Deze zaak stelt het Hof voor het eerst in de gelegenheid om artikel 15, lid 3, AVG uit te leggen en verduidelijking te bieden over de regels voor de uitoefening van het recht van inzage van de eigen persoonsgegevens die worden verwerkt, in de zin van artikel 15 AVG.
I. Toepasselijke bepalingen
5.
Overweging 63 van de AVG luidt:
‘Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Dit houdt ook in dat betrokkenen het recht dienen te hebben op inzage in hun persoonsgegevens betreffende hun gezondheid, zoals de gegevens in hun medisch dossier, dat informatie bevat over bijvoorbeeld diagnosen, onderzoeksresultaten, beoordelingen door behandelende artsen en verrichte behandelingen of ingrepen. Elke betrokkene dient dan ook het recht te hebben, te weten en te worden meegedeeld voor welke doeleinden de persoonsgegevens worden verwerkt, indien mogelijk hoelang zij worden bewaard, wie de persoonsgegevens ontvangt, welke logica er ten grondslag ligt aan een eventuele automatische verwerking van de persoonsgegevens en, ten minste wanneer de verwerking op profilering is gebaseerd, wat de gevolgen van een dergelijke verwerking zijn. Indien mogelijk moet de verwerkingsverantwoordelijke op afstand toegang kunnen geven tot een beveiligd systeem waarop de betrokkene direct zijn persoonsgegevens kan inzien. Dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt. Die overwegingen mogen echter niet ertoe leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden. […]’
6.
Artikel 4, punten 1 en 2, AVG bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
- 1)
‘persoonsgegevens’: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (‘de betrokkene’); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
- 2)
‘verwerking’: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens.’
7.
Artikel 12, lid 1, AVG, met het opschrift ‘Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene’, bepaalt:
‘De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is.’
8.
Artikel 15 AVG, met het opschrift ‘Recht van inzage van de betrokkene’, bepaalt:
- ‘1.
De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
- a)
de verwerkingsdoeleinden;
- b)
de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
- c)
de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
- d)
indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
- e)
dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
- f)
dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
- g)
wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
- h)
het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
[…]
- 3.
De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.
- 4.
Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.’
II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
9.
CRIF GmbH is een bedrijfsadviesbureau dat, op verzoek van haar klanten, informatie verstrekt over de solvabiliteit van derden. Daartoe heeft zij de persoonsgegevens van verzoeker in het hoofdgeding verwerkt.
10.
Op 20 december 2018 heeft deze laatste dit bureau op grond van artikel 15 AVG onder meer verzocht om inzage van de hem betreffende persoonsgegevens die worden verwerkt, en in het bijzonder om toezending van een kopie van die gegevens in een gangbaar technisch formaat.
11.
In antwoord op dit verzoek heeft het bureau de gevraagde informatie gedeeltelijk verstrekt in geaggregeerde vorm, waarbij de ten aanzien van de persoon van verzoeker opgeslagen gegevens werden weergegeven in een op naam, geboortedatum, straat, postcode en plaats gerangschikte tabel en voorts in een overzicht betreffende ondernemingsfuncties en vertegenwoordigingsbevoegdheden. Andere bescheiden, zoals e-mails of databankuittreksels, werden niet verstrekt.
12.
Op 16 januari 2019 heeft verzoeker in het hoofdgeding bij de Österreichische Datenschutzbehörde een klacht ingediend waarin hij aanvoerde dat het antwoord op zijn verzoek onvolledig was en in het bijzonder dat de verwerkingsverantwoordelijke hem een kopie had moeten verstrekken van alle documenten, met inbegrip van e-mails en databankuittreksels die zijn persoonsgegevens bevatten.
13.
Bij besluit van 11 september 2019 heeft deze autoriteit de klacht afgewezen op grond dat de verwerkingsverantwoordelijke zijn recht om inzage te verkrijgen van de hem betreffende persoonsgegevens op geen enkele wijze had geschonden.
14.
De verwijzende rechter bij wie tegen dit besluit beroep werd ingesteld, heeft twijfel over de draagwijdte van het recht van de betrokkene om een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt, zoals gewaarborgd door artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG.
15.
Die rechter moet beoordelen of de verstrekking van de persoonsgegevens van verzoeker in het hoofdgeding in de vorm van een tabel en een overzicht in het antwoord van het bedrijfsadviesbureau op het verzoek om inzage beantwoordde aan de voorschriften van artikel 15, lid 3, AVG, dan wel of verzoeker op grond van die bepaling recht heeft op de verstrekking van een kopie van de ten aanzien van zijn persoon verwerkte gegevens, niet in geïsoleerde vorm, maar in de vorm van kopieën of uittreksels van eventuele correspondentie en van de inhoud van databankbestanden en dergelijke.
16.
In deze context verzoekt de verwijzende rechter in de eerste plaats om verduidelijking van wat precies wordt bedoeld met het begrip ‘kopie’ van de persoonsgegevens die worden verwerkt in artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG.
17.
In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 15, lid 3, AVG een verduidelijking is van het algemene inzagerecht in de zin van artikel 15, lid 1, AVG, waarin wordt vastgesteld hoe de betrokkene inzage dient te verkrijgen van zijn persoonsgegevens die worden verwerkt, of dat voornoemde bepaling voorziet in een eigen, autonoom recht op een fotokopie, facsimile of (elektronisch) databankuittreksel of op een kopie van volledige documenten en bescheiden waarin persoonsgegevens van de betrokkene voorkomen, dat verder gaat dan het in artikel 15, lid 1, AVG bedoelde recht.
18.
In de derde plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of, in het geval van een restrictieve uitlegging van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG, in die zin dat met ‘kopie’ niet een recht op verstrekking van fotokopieën, documenten of databankuittreksels wordt bedoeld, gelet op de soorten gegevens die kunnen worden verwerkt en het transparantiegebod van artikel 12, lid 1, AVG, er in individuele gevallen, afhankelijk van de soorten verwerkte gegevens, niettemin sprake kan zijn van een verplichting van een verwerkingsverantwoordelijke om tekstdelen of kopieën van documenten ter beschikking te stellen.
19.
In de vierde plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of het begrip ‘informatie’, dat wordt gebruikt in artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG, enkel betrekking heeft op de in artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG bedoelde ‘persoonsgegevens die worden verwerkt’, dan wel zich ook uitstrekt tot de informatie bedoeld in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG of zelfs nog verder gaat en bijvoorbeeld ook ziet op bij deze gegevens behorende metagegevens.
20.
Tegen deze achtergrond heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Moet het begrip ‘kopie’ in artikel 15, lid 3, [AVG] aldus worden uitgelegd dat daarmee een fotokopie, een facsimile of een elektronische kopie van een (elektronisch) gegeven wordt bedoeld, of valt daar, uitgaande van de omschrijving van dit begrip in Duitse, Franse en Engelse woordenboeken, ook een ‘Abschrift’, een ‘double’ (‘duplicata’) of een ‘transcript’ onder?
- 2)
Moet artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG, waarin is bepaald dat ‘[d]e verwerkingsverantwoordelijke […] een kopie [verstrekt] van de persoonsgegevens die worden verwerkt’, aldus worden uitgelegd dat deze bepaling voorziet in een algemeen recht van een betrokkene op verstrekking van een kopie van — ook — volledige documenten waarin persoonsgegevens van de betrokkene zijn verwerkt, of, voor zover van toepassing, op verstrekking van een kopie van een uittreksel uit een databank waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt, of houdt die bepaling in dat de betrokkene — alleen — recht heeft op een getrouwe reproductie van de op grond van artikel 15, lid 1, AVG mede te delen persoonsgegevens?
- 3)
Moet, indien de tweede vraag aldus wordt beantwoord dat de betrokkene slechts recht heeft op een getrouwe reproductie van de op grond van artikel 15, lid 1, AVG mede te delen persoonsgegevens, artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG aldus worden uitgelegd dat het, gelet op de aard van de verwerkte gegevens (bijvoorbeeld met betrekking tot de in overweging 63 [van de AVG] genoemde diagnosen, onderzoeksresultaten, beoordelingen, of ook bescheiden in verband met een toetsing in de zin van het arrest van het Hof [in de zaak Nowak3.]) en het transparantiegebod van artikel 12, lid 1, AVG, in individuele gevallen niettemin noodzakelijk kan zijn om ook tekstpassages of hele documenten aan de betrokkene te verstrekken?
- 4)
Moet het begrip ‘informatie’ die volgens artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG ‘in een gangbare elektronische vorm’ aan de betrokkene moet worden verstrekt, wanneer deze zijn verzoek elektronisch indient ‘en niet om een andere regeling verzoekt’, aldus worden uitgelegd dat daarmee enkel de in artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG bedoelde ‘persoonsgegevens die worden verwerkt’ worden bedoeld?
- a)
Indien de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord, moet het begrip ‘informatie’ die volgens artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG ‘in een gangbare elektronische vorm’ aan de betrokkene moet worden verstrekt, wanneer deze zijn verzoek elektronisch indient en ‘niet om een andere regeling verzoekt’, dan aldus worden uitgelegd dat daarmee ook de informatie waarnaar wordt verwezen in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG wordt bedoeld?
- b)
Indien ook de vierde vraag, onder a), ontkennend wordt beantwoord, moet het begrip ‘informatie’ die volgens artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG, ‘in een gangbare elektronische vorm’ aan de betrokkene moet worden verstrekt, wanneer deze zijn verzoek elektronisch indient en ‘niet om een andere regeling verzoekt’, dan aldus worden uitgelegd dat daarmee niet alleen ‘persoonsgegevens die worden verwerkt’ en de informatie bedoeld in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG worden bedoeld, maar bijvoorbeeld ook bijbehorende metagegevens?’
III. Juridische analyse
A. Eerste, tweede en derde prejudiciële vraag
21.
Met zijn eerste drie prejudiciële vragen, die mijns inziens samen moeten worden behandeld, stelt de verwijzende rechter het Hof drie vragen over de draagwijdte van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG, volgens welke bepaling ‘[d]e verwerkingsverantwoordelijke […] de betrokkene een kopie [verstrekt] van de persoonsgegevens die worden verwerkt’.
22.
Met de eerste vraag wordt beoogd te vernemen wat precies wordt bedoeld met het in deze bepaling gebruikte begrip ‘kopie’. De tweede vraag strekt ertoe duidelijkheid te verkrijgen over de draagwijdte van het recht dat door deze bepaling aan de betrokkene wordt verleend. De verwijzende rechter vraagt zich met name af of deze bepaling voorziet in het recht op verstrekking van een kopie van ook de documenten — of databankuittreksels — waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt, dan wel de betrokkene alleen het recht verleent op een getrouwe reproductie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. In dit laatste geval wenst hij met de derde vraag te vernemen of het, gelet op de aard van de verwerkte gegevens en het transparantiegebod, in bepaalde gevallen niettemin noodzakelijk kan zijn om ook tekstdelen of hele documenten te verstrekken.
23.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de draagwijdte van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG een controversiële kwestie is, zowel in de rechtsleer als in de rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties, althans in Oostenrijk en Duitsland.4. Uit die beslissing blijkt namelijk dat er in dit verband twee tegengestelde theorieën bestaan: enerzijds een restrictieve opvatting volgens welke de in het geding zijnde bepaling alleen de wijze van uitoefening van het inzagerecht omschrijft en niet voorziet in een autonoom recht om de documenten of vergelijkbare bescheiden te verkrijgen, en anderzijds een extensieve opvatting volgens welke deze bepaling het recht verleent om een kopie te verkrijgen van de documenten of de andere media waarin de persoonsgegevens worden verwerkt. In deze laatste opvatting vormt het recht om een kopie van de documenten te verkrijgen een autonoom recht, los van het inzagerecht dat wordt gewaarborgd door artikel 15, lid 1, AVG. Dat de draagwijdte van de in het geding zijnde bepaling een controversiële kwestie is, wordt bevestigd door het feit dat ook de partijen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, er verschillende visies opna houden.5.
24.
Om de eerste drie prejudiciële vragen van de verwijzende rechter te kunnen beantwoorden, moet artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG worden uitgelegd.
25.
In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt.6.
26.
Omdat de AVG een regeling treft in verband met de verwerking van persoonsgegevens die afbreuk kan doen aan de fundamentele vrijheden, en inzonderheid aan het recht op eerbiediging van het privéleven, moet zij bovendien noodzakelijkerwijs worden uitgelegd in het licht van de grondrechten die worden gewaarborgd door het Handvest.7.
1. Letterlijke analyse
27.
Wat om te beginnen de bewoordingen van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG betreft, moet worden opgemerkt dat zij aan de betrokkene het recht verlenen om van de verwerkingsverantwoordelijke ‘een kopie [te verkrijgen] van de persoonsgegevens die worden verwerkt’. Vanuit letterlijk oogpunt verwijzen deze bewoordingen naar drie afzonderlijke begrippen, te weten het begrip ‘kopie’, het begrip ‘persoonsgegevens’ en het begrip ‘die worden verwerkt’.
28.
Wat in de eerste plaats het begrip ‘kopie’ betreft, waarvan de draagwijdte specifiek in de eerste prejudiciële vraag aan de orde wordt gesteld, moet worden vastgesteld dat de AVG geen enkele specifieke definitie van dit begrip bevat, zoals ook is opgemerkt door meerdere belanghebbenden die opmerkingen hebben ingediend bij het Hof.
29.
In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak de betekenis en de draagwijdte van begrippen waarvoor het Unierecht geen definitie geeft, worden bepaald in overeenstemming met hun in de omgangstaal gebruikelijke betekenis, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden die worden beoogd door de regeling waarvan zij deel uitmaken.8.
30.
Vanuit louter terminologisch oogpunt, wordt de term ‘kopie’ in de omgangstaal gebruikt om de getrouwe reproductie of transcriptie van een origineel aan te duiden.9. Bovendien blijkt uit een analyse van de verschillende taalversies van de AVG dat in de meeste andere officiële talen van de Europese Unie een term wordt gebruikt die overeenkomt met de Italiaanse term ‘copia’, bijvoorbeeld ‘copy’ in het Engels, ‘Kopie’ in het Duits, ‘copie’ in het Frans of ‘copia’ in het Spaans.10.
31.
In de in het geding zijnde bepaling wordt overigens verduidelijkt dat de kopie die de verwerkingsverantwoordelijke aan de betrokkene moet verstrekken een kopie is van de ‘persoonsgegevens’ die worden verwerkt.
32.
Dienaangaande moet in de tweede plaats worden opgemerkt dat, anders dan voor de term ‘kopie’ het geval is, de AVG in artikel 4, punt 1, een uitdrukkelijke definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ bevat, volgens welke ‘alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon’ persoonsgegevens zijn.
33.
Uit die definitie blijkt dat de strekking van het begrip ‘persoonsgegevens’ heel ruim is. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, wijst het gebruik van de woorden ‘alle informatie’ in de definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’ er immers op dat het de bedoeling van de Uniewetgever was om een ruime betekenis te geven aan dit begrip.11.
34.
Uit de rechtspraak volgt ook dat het begrip persoonsgegevens niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt tot elke soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie onder de vorm van meningen of beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene ‘betreft’. Deze laatste voorwaarde is vervuld wanneer die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon.12.
35.
Een ruime betekenis van het begrip ‘persoonsgegevens’ blijkt overigens noodzakelijk gelet op de diverse aard en de vele vormen die informatie over een persoon kan aannemen en die voor bescherming in aanmerking komt, alsook gelet op de verscheidenheid van media waarin deze informatie kan worden opgenomen.
36.
Uit de analyse van de rechtspraak blijkt dat het Hof heeft geoordeeld dat diverse soorten informatie over een natuurlijke geïdentificeerde of identificeerbare persoon onder het begrip ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 4, punt 1, AVG vallen. Naast de informatie die de Commissie in haar opmerkingen ‘gebruikelijke gegevens’ heeft genoemd, te weten gegevens die betrekking hebben op de identiteit van personen zoals naam en familienaam13., geboortedatum, nationaliteit, geslacht, etniciteit, religie en taal van een persoon die identificeerbaar is door zijn naam14., zijn er volgens het Hof nog andere soorten informatie die onder het begrip ‘persoonsgegevens’ vallen, zoals informatie betreffende een te koop aangeboden voertuig, alsook het telefoonnummer van de verkoper van dat voertuig15., of gegevens in een arbeidstijdregister die betrekking hebben op de dagelijkse arbeidstijdvakken en de rusttijden voor elke werknemer16., een door een camera vastgelegde afbeelding van een persoon, voor zover de betrokken persoon hierdoor kan worden geïdentificeerd17., de door een kandidaat op een beroepsexamen geformuleerde schriftelijke antwoorden en de opmerkingen van de examinator18. en ook informatie over strafpunten, die betrekking heeft op een geïdentificeerde natuurlijke persoon19..
37.
De ruime betekenis van het begrip ‘persoonsgegevens’, die blijkt uit de definitie in artikel 4, punt 1, AVG, door de rechtspraak is erkend en verband houdt met de met de AVG nagestreefde doelstelling om een hoog niveau van bescherming te bieden aan natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens20., houdt in dat dit begrip, en dus ook het recht om inzage en een kopie te verkrijgen van die gegevens, niet louter beperkt blijft tot de gegevens die eventueel worden verkregen, bijgehouden en verwerkt door de verwerkingsverantwoordelijke, maar ook alle andere gegevens omvat die eventueel door de verwerkingsverantwoordelijke worden gegenereerd ten gevolge van de verwerking, indien zij zelf ook worden verwerkt.
38.
Als derhalve ten gevolge van de verwerking van een reeks persoonsgegevens nieuwe informatie wordt gegenereerd die het resultaat is van die verwerking en een geïdentificeerde of identificeerbare persoon betreft en als deze informatie kan worden aangemerkt als persoonsgegevens in de zin van artikel 4, punt 1, AVG, moet het recht om inzage en een kopie van de persoonsgegevens te verkrijgen waarin artikel 15, respectievelijk lid 1 en lid 3, eerste volzin, AVG voorziet, mijns inziens ook die gegenereerde gegevens omvatten, mits deze zelf ook worden verwerkt. Het recht om inzage en een kopie te verkrijgen slaat namelijk op alle persoonsgegevens van de betrokkene die worden verwerkt.
39.
Deze overwegingen zijn relevant in een zaak als die welke aanhangig is bij de verwijzende rechter en waarin het bedrijfsadviesbureau op basis van gegevens uit verschillende bronnen een aanbeveling blijkt te hebben geformuleerd betreffende de solvabiliteit en de betalingsbereidheid van de betrokkene, op basis van statistische waarschijnlijkheid gekoppeld aan een aantal parameters. Een dergelijke aanbeveling vormt mijns inziens informatie over een geïdentificeerde persoon, die dus valt onder de ruime betekenis van het begrip ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 4, punt 1, AVG, en bijgevolg ook binnen het toepassingsgebied van het inzagerecht als bedoeld in artikel 15, lid 1 en lid 3, eerste volzin, AVG.21.
40.
Wat in de derde plaats de woorden ‘die worden verwerkt’ in artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG betreft, moet worden opgemerkt dat ook het begrip ‘verwerking’ uitdrukkelijk wordt gedefinieerd in artikel 4, punt 2, AVG.
41.
Overeenkomstig die bepaling vormen het verzamelen, raadplegen, verstrekken door middel van doorzending of op andere wijze ter beschikking stellen van persoonsgegevens ‘verwerkingen’ in de zin van deze verordening. Volgens de rechtspraak blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling, met name uit de uitdrukking ‘een bewerking’, dat de Uniewetgever ook aan het begrip ‘verwerking’ een ruime strekking heeft willen geven. Deze uitlegging vindt steun in het feit dat de in die bepaling genoemde handelingen niet exhaustief zijn, wat tot uitdrukking komt in het woord ‘zoals’.22.
42.
In deze context volgt uit de ruime strekking van het begrip ‘verwerking’ dat artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG aan de betrokkene het recht verleent om een kopie te verkrijgen van zijn persoonsgegevens die worden bewerkt op een manier die als ‘verwerking’ kan worden aangemerkt. Zoals in punt 52 hieronder nader zal worden uiteengezet, verleent deze bepaling als zodanig echter niet het recht om andere specifieke informatie over de verwerking zelf van de persoonsgegevens te ontvangen dan de informatie waarnaar artikel 15, lid 1, AVG verwijst.
43.
Samenvattend kan worden gesteld dat uit de letterlijke analyse van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG blijkt dat deze bepaling aan de betrokkene het recht verleent om een kopie te verkrijgen van de hem betreffende persoonsgegevens, in de ruime betekenis van dat woord, die door de verwerkingsverantwoordelijke zijn bewerkt op een manier die als verwerking kan worden aangemerkt.
44.
Uit deze letterlijke analyse kan worden afgeleid dat de ‘kopie van de persoonsgegevens’ een getrouwe reproductie van die gegevens moet zijn. De verscheidenheid van soorten gegevens die kunnen worden verwerkt, zorgt er echter voor dat een kopie van die gegevens, gelet op de aard van de verwerkte gegevens en het soort verwerking, verschillende vormen kan aannemen, zoals een papieren document, een geluids- of beeldopname, een elektronische vorm of nog andere vormen. Belangrijk is dat de kopie van die gegevens een getrouwe kopie is aan de hand waarvan de betrokkene volledig kennis kan nemen van alle gegevens die worden verwerkt. Bij een eventuele bundeling van de persoonsgegevens die worden verwerkt, moeten die gegevens op een getrouwe en begrijpelijke manier worden gereproduceerd. Het bundelen mag bovendien geen enkele invloed hebben op de inhoud van de gegevens die moeten worden verstrekt. De keuze van de verwerkingsverantwoordelijke om, indien mogelijk, een bundeling te verstrekken van de persoonsgegevens die worden verwerkt, kan echter nooit rechtvaardigen dat bepaalde gegevens worden weggelaten, slechts gedeeltelijk worden verstrekt of niet in overeenstemming zijn met de reële verwerking.
45.
Bovendien geeft de in het geding zijnde bepaling de betrokkene het recht om een kopie te ontvangen van alle hem betreffende persoonsgegevens die worden verwerkt en dus niet alleen van de reeds verzamelde gegevens, maar ook van eventuele persoonsgegevens die door de verwerkingsverantwoordelijke worden gegenereerd en eveneens worden verwerkt. Voor zover deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op de kopie van de persoonsgegevens, kan zij echter niet ten grondslag liggen aan een recht van inzage van gegevens die niet als zodanig kunnen worden aangemerkt en verleent zij voorts niet noodzakelijkerwijs een recht op het verkrijgen van een kopie van documenten of andere media die persoonsgegevens bevatten.
46.
Deze overwegingen moeten echter worden aangevuld met een analyse van de context van deze bepaling en van de doelstellingen die met het door artikel 15 AVG gewaarborgde inzagerecht worden nagestreefd.
2. Contextuele en teleologische analyse
47.
Wat de context van de in het geding zijnde bepaling betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat deze bepaling is opgenomen in artikel 15 AVG, dat het recht van de betrokkene regelt om van de verwerkingsverantwoordelijke inzage te verkrijgen in de hem betreffende persoonsgegevens die worden verwerkt. Dit artikel concretiseert en specificeert het recht van inzage van eenieder in de over hem verzamelde gegevens, zoals neergelegd in artikel 8, lid 2, tweede zin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.23.
48.
Wat de structuur van artikel 15 AVG betreft, voorziet lid 1 ervan in het recht van de betrokkene om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de onder a) tot en met h) genoemde informatie. Deze bepaling geeft dus concrete invulling aan het recht van inzage van de persoonsgegevens en van de ermee verband houdende informatie, en bakent ook het voorwerp en het toepassingsgebied van dit inzagerecht af.
49.
Artikel 15, lid 3, AVG daarentegen verduidelijkt de wijze waarop dit recht kan worden uitgeoefend en specificeert daarbij met name de vorm waarin de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens aan de betrokkene moet verstrekken, te weten in de vorm van een kopie, dus een getrouwe reproductie van de gegevens.
50.
Uit de zojuist geschetste structuur van artikel 15 AVG en uit het vereiste dat de leden 1 en 3 ervan coherent moeten worden uitgelegd, volgt dat lid 3 het voorwerp en het toepassingsgebied van het in lid 1 geconcretiseerde inzagerecht niet bepaalt, en het dit dus evenmin kan wijzigen of uitbreiden. Lid 3 kan de draagwijdte van de op de verwerkingsverantwoordelijke rustende verplichting om inzage van informatie te verlenen derhalve niet uitbreiden. De structuur van het betrokken artikel bevestigt aldus dat lid 3 niet ten grondslag kan liggen aan een eventueel autonoom recht van de betrokkene om informatie te verkrijgen die meer omvat dan de in artikel 15, lid 1, genoemde informatie.
51.
In dit opzicht ben ik het eens met het argument van de Österreichische Datenschutzbehörde dat een uitlegging van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG volgens welke deze bepaling een betrokkene inzage geeft van meer informatie dan alleen de informatie die betrekking heeft op zijn persoonsgegevens, in strijd zou zijn met artikel 8, lid 2, van het Handvest.
52.
De voorgaande analyse bevestigt ten eerste de in punt 44 hierboven geformuleerde bevinding dat artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG aan de betrokkene geen autonoom recht verleent om een kopie te verkrijgen van documenten of andere media die zijn persoonsgegevens bevatten. Ten tweede bevestigt zij ook de analyse die is verricht in punt 42 hierboven en volgens welke deze bepaling aan de betrokkene niet het recht verleent om andere — dan de in artikel 15, lid 1, AVG genoemde24. — informatie betreffende de verwerking zelf van de persoonsgegevens te verkrijgen, zoals informatie over de criteria, modellen, regels en interne (berekenings- of andere) procedures die bij de verwerking van de persoonsgegevens worden gebruikt. Deze informatie valt overigens vaak onder intellectuele-eigendomsrechten, die in deze context moeten worden beschermd zoals uitdrukkelijk blijkt uit de vijfde volzin van overweging 63. Dit neemt echter niet weg — zoals uit overweging 60 van de AVG blijkt — dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene alle nadere informatie dient te verstrekken die noodzakelijk is om een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen, met inachtneming van de specifieke omstandigheden en de context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt. Verder moet er ook aan worden herinnerd dat er specifieke regels bestaan met betrekking tot gevallen van geautomatiseerde besluitvorming, daaronder begrepen profilering.25.
53.
Nog steeds vanuit contextueel oogpunt moet artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG worden gelezen in het licht van de andere relevante bepalingen van de AVG. Naast de definities in artikel 4, punten 1 en 2, AVG die in de punten 32 tot en met 41 hierboven zijn geanalyseerd, is met name artikel 12, lid 1, AVG, waarnaar de verwijzende rechter in zijn derde prejudiciële vraag verwijst, relevant.
54.
Uit deze laatste bepaling volgt dat de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen moet nemen opdat de betrokkene alle informatie, waaronder de in artikel 15 AVG bedoelde informatie, in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, en dat de informatie schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, moet worden verstrekt, tenzij de betrokkene erom verzoekt dat de informatie mondeling wordt meegedeeld.
55.
Deze bepaling, die uitdrukking geeft aan het transparantiegebod26., beoogt te waarborgen dat de betrokkene de informatie die hem wordt verstrekt, volledig kan begrijpen. Deze informatie moet om te beginnen volledig begrijpelijk zijn opdat het door artikel 15 AVG gewaarborgde inzagerecht effectief kan worden uitgeoefend, en voorts ook omdat deze goede verstaanbaarheid een voorwaarde vormt om de andere door de AVG gewaarborgde rechten, die worden vermeld in de punten 64 en 65 van deze conclusie en die volgen op de uitoefening van het inzagerecht, ten volle te kunnen uitoefenen.27. Uit overweging 63 van de AVG blijkt overigens dat een betrokkene het recht van inzage van zijn persoonsgegevens eenvoudig en zonder problemen moet kunnen uitoefenen.
56.
Het Hof heeft zich in zijn rechtspraak betreffende richtlijn 95/46 trouwens reeds uitgesproken over de noodzaak om de gegevens op een begrijpelijke wijze mee te delen zodat de betrokkene kennis kan nemen van die gegevens en kan controleren of deze juist zijn en of zij werden verwerkt in overeenstemming met het Unierecht, teneinde hem in staat te stellen de hem bij het Unierecht verleende rechten uit te oefenen.28.
57.
Dit vereiste om de in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG genoemde gegevens en informatie op een begrijpelijke wijze mee te delen, houdt in dat het niet is uitgesloten dat het in sommige gevallen noodzakelijk is om aan de betrokkene tekstdelen of zelfs hele documenten of databankuittreksels te verstrekken om te waarborgen dat hij de verstrekte informatie volledig kan begrijpen. De noodzaak om documenten of uittreksels te verstrekken teneinde de begrijpelijkheid van de verstrekte informatie te waarborgen, moet echter per geval worden onderzocht naargelang van de aard van de gegevens waarom wordt verzocht en van het verzoek zelf.
58.
In dit verband moet echter worden benadrukt dat de eventuele verstrekking van documenten of uittreksels ervan geen uitoefening van een autonoom recht vormt — los van het inzagerecht — dat wordt gewaarborgd door artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG, maar slechts een wijze van verstrekking van de kopie van de persoonsgegevens betreft die moet waarborgen dat deze gegevens volledig begrepen kunnen worden. Zoals ook is vastgesteld door enkele belanghebbenden die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, merk ik in dit kader op dat het in sommige situaties inderdaad noodzakelijk is om de context te kennen waarin de betrokken persoonsgegevens zijn verwerkt om deze volledig te kunnen begrijpen. Die vaststelling is echter niet van dien aard dat aan de betrokkene op basis van voornoemde bepaling een algemeen recht van inzage van kopieën van documenten of databankuittreksels wordt verleend.
59.
Bovendien wordt het recht om een kopie van de persoonsgegevens te verkrijgen beperkt door het in artikel 15, lid 4, AVG uitdrukkelijk vermelde vereiste om geen ‘afbreuk te doen aan de rechten en vrijheden van anderen’. Uit deze bepaling volgt dat de noodzaak om de betrokkene volledige inzage te geven van zijn persoonsgegevens door een kopie ervan te verstrekken, niet zover mag gaan dat inbreuk wordt gemaakt op de rechten en vrijheden van anderen.
60.
Ik wijs er dienaangaande op dat lid 4 vrij algemeen is geformuleerd en in het midden laat welke rechten en vrijheden ‘van anderen’ de uitoefening van het recht van volledige inzage door middel van de verstrekking van een kopie van persoonsgegevens kunnen inperken. Zoals uitdrukkelijk blijkt uit overweging 63 van de AVG omvatten deze rechten echter zeker ‘het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name […] het auteursrecht dat de software beschermt’, evenals het recht van bescherming van de persoonsgegevens van derden, bijvoorbeeld wanneer een medium naast de persoonsgegevens van de betrokkene ook persoonsgegevens van derden bevat.
61.
In geval van strijdigheid tussen enerzijds de volledige uitoefening van het recht van inzage van de persoonsgegevens en anderzijds de rechten of vrijheden van anderen moeten de betrokken rechten tegen elkaar worden afgewogen. Waar mogelijk moet ervoor worden gekozen de persoonsgegevens te verstrekken op een wijze die geen afbreuk doet aan de rechten of vrijheden van anderen, ermee rekening houdend dat, zoals blijkt uit overweging 63 van de AVG, dergelijke overwegingen er echter niet toe mogen ‘leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden’.
62.
Nog steeds vanuit contextueel oogpunt moet vervolgens worden opgemerkt dat een uitlegging van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG volgens welke die bepaling geen algemeen recht verleent om kopieën van documenten of databankuittreksels te verkrijgen, tenzij dit noodzakelijk is om de begrijpelijkheid van de verstrekte gegevens en informatie te waarborgen, ook steun vindt in het feit dat het recht van inzage van documenten, in het bijzonder administratieve documenten, uitdrukkelijk wordt geregeld door andere Unierechtelijke29. of nationale handelingen, die andere doelstellingen nastreven dan het waarborgen van de bescherming van persoonsgegevens.30.
63.
De in het vorige punt aan artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG gegeven uitlegging wordt bovendien bevestigd door een analyse van de doelstellingen die met deze bepaling in het kader van het door artikel 15 AVG gewaarborgde recht van inzage van de betrokkene worden nagestreefd.
64.
Zoals blijkt uit overweging 63 van de AVG, en in het bijzonder uit de eerste volzin ervan, heeft dit recht van inzage van de eigen persoonsgegevens en van de andere in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG genoemde informatie in de eerste plaats tot doel de betrokkene in staat te stellen zich van de verwerking van zijn gegevens op de hoogte te stellen en de rechtmatigheid ervan te controleren.31.
65.
Zoals het Hof overigens reeds heeft verklaard, is dit recht van inzage noodzakelijk opdat de betrokkene een reeks door de AVG aan hem verleende rechten kan uitoefenen, waaronder het recht op rectificatie, het recht op gegevenswissing (‘recht op vergetelheid’) en het recht op beperking van de verwerking, zoals deze rechten worden verleend door respectievelijk de artikelen 16, 17 en 18 AVG.32. Het Hof heeft eveneens verduidelijkt dat het recht van inzage ook noodzakelijk is om de betrokkene de mogelijkheid te bieden tot uitoefening van het in artikel 21 AVG bedoelde recht om zich tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens te verzetten of van het in de artikelen 79 en 82 AVG neergelegde recht om zich tot de rechter te wenden wanneer hij schade lijdt en om schadevergoeding te ontvangen.33.
66.
Het is in het kader van de doelstellingen van het recht van inzage van de eigen persoonsgegevens en van andere informatie dat de grondgedachte achter de bepaling die het recht verleent om een kopie van persoonsgegevens te verkrijgen, moet worden begrepen. Zij heeft tot doel uitdrukkelijk te bepalen in welke vorm de effectieve uitoefening van dit recht wordt gewaarborgd aan de betrokkene zodat deze zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking kan vergewissen en hij in voorkomend geval de andere, in punt 65 hierboven genoemde rechten kan uitoefenen. Die bepaling moet ervoor zorgen dat de persoonsgegevens in een zo nauwkeurig en begrijpelijk mogelijke vorm aan de betrokkene worden verstrekt zodat hij die rechten kan uitoefenen, te weten in de vorm van een kopie, dus van een getrouwe reproductie, van die gegevens.
67.
Vanuit dit oogpunt lijkt de verstrekking van een kopie van het document dat deze gegevens bevat of van een databankuittreksel niet altijd en in alle gevallen absoluut noodzakelijk om de door de wetgever nagestreefde doelstelling te bereiken.
68.
Alleen wanneer de verstrekking van een dergelijke kopie absoluut noodzakelijk is om te waarborgen dat de persoonsgegevens die worden verwerkt, volledig begrijpelijk zijn, kan de betrokkene, binnen de in de punten 58 tot en met 61 hierboven uiteengezette grenzen, tekstdelen of eventueel hele documenten of databankuittreksels verkrijgen.
69.
In dit verband merk ik ook op dat de AVG, anders dan de regelgeving in richtlijn 95/46, waar zij voorziet in het recht om daadwerkelijk een kopie te verkrijgen van de gegevens, de positie van de betrokkene heeft willen versterken.34. Dit is effectief een wezenlijk verschil ten opzichte van de daarvóór geldende regeling, waar artikel 12, onder a), tweede streepje, louter voorzag in de ‘verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt’ en het zo aan de lidstaten overliet om te bepalen welke concrete materiële vorm die verstrekking moest krijgen, mits deze ‘begrijpelijk’ was.35. Doordat thans bij artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG, aan de verwerkingsverantwoordelijken de verplichting wordt opgelegd om een ‘kopie’ van de gegevens te verstrekken, staat ook vast welke vorm deze verstrekking moet aannemen, te weten de vorm van een ‘kopie’ van de gegevens.
3. Conclusie betreffende de eerste drie prejudiciële vragen
70.
Gelet op het voorgaande moet mijns inziens op de eerste drie door de verwijzende rechter gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG aldus dient te worden uitgelegd dat:
- —
het begrip ‘kopie’ in deze bepaling moet worden opgevat als een getrouwe reproductie in begrijpelijke vorm van de door de betrokkene gevraagde persoonsgegevens, in een gematerialiseerde en duurzame vorm, die de betrokkene in staat stelt het recht van inzage van de hem betreffende persoonsgegevens op een effectieve manier uit te oefenen, met volledige kennis van alle persoonsgegevens die worden verwerkt — met inbegrip van verdere gegevens die eventueel worden gegenereerd ten gevolge van de verwerking, mits deze ook worden verwerkt —, zodat hij de juistheid ervan kan controleren en zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen en, in voorkomend geval, de verdere rechten kan uitoefenen die hem uit hoofde van de AVG zijn verleend; de exacte vorm van de kopie wordt per geval bepaald op basis van de bijzonderheden ervan en met name van de aard van de persoonsgegevens waarvan om inzage wordt verzocht en van hetgeen de betrokkene nodig heeft;
- —
die bepaling aan de betrokkene geen algemeen recht verleent om een gedeeltelijke of volledige kopie te verkrijgen van het document dat de persoonsgegevens van de betrokkene bevat of, indien de persoonsgegevens worden verwerkt in een databank, van een uittreksel uit die databank;
- —
die bepaling echter niet uitsluit dat tekstdelen of hele documenten of databankuittreksels aan de betrokkene moeten worden verstrekt indien dit noodzakelijk is om te waarborgen dat de persoonsgegevens die worden verwerkt en waarvan om inzage wordt verzocht, volledig begrijpelijk zijn.
B. Vierde prejudiciële vraag
71.
Met zijn vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of het begrip ‘informatie’ in artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG enkel ziet op de in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG bedoelde ‘persoonsgegevens die worden verwerkt’ [vierde vraag, onder a)] of ook op andere informatie, bijvoorbeeld de bij deze gegevens behorende metagegevens [vierde vraag, onder b)].
72.
Om deze vraag te beantwoorden, moet de term ‘informatie’ in artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG worden uitgelegd aan de hand van de methode die voortvloeit uit de in punt 25 hierboven aangehaalde rechtspraak.
73.
Vanuit letterlijk oogpunt lijkt de term ‘informatie’ te algemeen om te kunnen verduidelijken of daarmee enkel de persoonsgegevens in artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG worden bedoeld dan wel of de term ook andere soorten informatie omvat.
74.
Vanuit contextueel oogpunt moet echter worden opgemerkt dat voornoemde derde volzin deel uitmaakt van artikel 15, lid 3, AVG dat betrekking heeft op de verplichting van de verwerkingsverantwoordelijke om, op verzoek van de betrokkene, een ‘kopie [te verstrekken] van de persoonsgegevens die worden verwerkt’. Uit de structuur van lid 3 blijkt dat met de term ‘informatie’ de informatie wordt bedoeld waarop het verzoek betrekking heeft waaraan moet worden voldaan in de zin van de eerste volzin van lid 3 en dat daarmee dus wordt verwezen naar het verzoek om een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt.
75.
Deze uitlegging lijkt ook in overeenstemming te zijn met de doelstelling van lid 3 zelf om, zoals blijkt uit de punten 61 en volgende hierboven en in het bijzonder uit punt 69, vast te leggen in welke vorm de persoonsgegevens die worden verwerkt moeten worden verstrekt, te weten in de vorm van een ‘kopie’ van de gegevens. In die optiek dient de derde volzin van lid 3 ertoe het specifieke geval te regelen waarin het verzoek om een kopie van die gegevens elektronisch wordt ingediend.
76.
Niettemin moet er volgens mij ook op worden gewezen dat het transparantiegebod in artikel 12, lid 1, AVG, zoals vermeld in de punten 54 en 55 hierboven, dat tot doel heeft te waarborgen dat de betrokkene in staat is de informatie die hem onder meer op grond van artikel 15 AVG — in zijn geheel beschouwd — wordt verstrekt, volledig te begrijpen, vereist dat wanneer een verzoek om inzage als bedoeld in artikel 15, lid 1, AVG elektronisch wordt ingediend, ook de informatie waarnaar wordt verwezen in artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG in een gangbare elektronische vorm wordt verstrekt die de betrokkene in staat stelt zich volledig, gemakkelijk en zonder problemen op de hoogte te stellen van die informatie. Indien deze informatie in een niet-gangbare elektronische vorm wordt verstrekt, kan het uitermate moeilijk of duur worden om kennis te nemen van deze informatie, wat in strijd zou zijn met voornoemd transparantiegebod.
77.
Wat tot slot specifiek de vierde vraag, onder b), betreft, blijkt uit het feit dat artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG refereert aan het ‘verzoek’ van de betrokkene dat het begrip ‘informatie’ in die bepaling niet méér kan omvatten dan hetgeen waarom wordt verzocht, te weten een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Hieruit volgt dat met de daarin gebruikte term ‘informatie’ uitsluitend de desbetreffende gegevens worden bedoeld en dat deze term geen betrekking kan hebben op andere informatie dan die gegevens, laat staan op andere informatie dan die waarvan artikel 15, lid 1, onder a) tot en met h), AVG gewaagt. Anders zou de draagwijdte van het recht van inzage worden verruimd, waarvoor — zoals in de punten 48 tot en met 51 hierboven reeds is vastgesteld — er in de AVG geen enkele grondslag is.
78.
Uit al het voorgaande volgt dat de vierde prejudiciële vraag van de verwijzende rechter mijns inziens aldus dient te worden beantwoord dat het begrip ‘informatie’ in artikel 15, lid 3, derde volzin, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het uitsluitend verwijst naar de ‘kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt’ als bedoeld in de eerste volzin van lid 3.
IV. Conclusie
79.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesverwaltungsgericht te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 15, lid 3, eerste volzin, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)
moet aldus worden uitgelegd dat:
het begrip ‘kopie’ in deze bepaling moet worden opgevat als een getrouwe reproductie in begrijpelijke vorm van de door de betrokkene gevraagde persoonsgegevens, in een gematerialiseerde en duurzame vorm, die de betrokkene in staat stelt het recht van inzage van de hem betreffende persoonsgegevens op een effectieve manier uit te oefenen, met volledige kennis van alle persoonsgegevens die worden verwerkt — met inbegrip van verdere gegevens die eventueel worden gegenereerd ten gevolge van de verwerking, mits deze ook worden verwerkt —, zodat hij de juistheid ervan kan controleren en zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen en, in voorkomend geval, de verdere rechten kan uitoefenen die hem uit hoofde van verordening 2016/679 zijn verleend; de exacte vorm van de kopie wordt per geval bepaald op basis van de bijzonderheden ervan en met name van de aard van de persoonsgegevens waarvan om inzage wordt verzocht en van hetgeen de betrokkene nodig heeft;
die bepaling aan de betrokkene geen algemeen recht verleent om een gedeeltelijke of volledige kopie te verkrijgen van het document dat de persoonsgegevens van de betrokkene bevat of, indien de persoonsgegevens worden verwerkt in een databank, van een uittreksel uit die databank;
die bepaling echter niet uitsluit dat tekstdelen of hele documenten of databankuittreksels aan de betrokkene moeten worden verstrekt indien dit noodzakelijk is om te waarborgen dat de persoonsgegevens die worden verwerkt en waarvan om inzage wordt verzocht, volledig begrijpelijk zijn.
Het begrip ‘informatie’ in artikel 15, lid 3, derde volzin, van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat:
het uitsluitend verwijst naar de ‘kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt’ als bedoeld in de eerste volzin van lid 3.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑12‑2022
Oorspronkelijke taal: Italiaans.
PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificatie in PB 2018, L 127, blz. 2.
Arrest van 20 december 2017, Nowak (C-434/16, EU:C:2017:994).
Zie de verwijzingen naar de rechtsleer en naar de Oostenrijkse en de Duitse rechtspraak in respectievelijk de punten 1 en 2 van de verwijzingsbeslissing.
De Oostenrijkse autoriteit voor gegevensbescherming, CRIF, de Italiaanse en de Tsjechische regering en de Europese Commissie opteren in wezen voor de restrictieve opvatting, terwijl de Oostenrijkse regering en F.F. veeleer voorstander zijn van de extensieve opvatting van de bepaling.
Zie onder meer arrest van 1 augustus 2022, Vyriausioji tarnybinės etikos komisija (C-184/20, EU:C:2022:601, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met betrekking tot richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31) arrest van 9 maart 2017, Manni (C-398/15, EU:C:2017:197, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie onder meer arrest van 1 augustus 2022, Navitours (C-294/21, EU:C:2022:608, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie het woordenboek Treccani, via de website https://www.treccani.it
Zonder uitputtend te willen zijn, wijs ik er overigens op dat ook in de volgende taalversies een term is gebruikt die overeenkomt met de Italiaanse term: ‘cópia’ in het Portugees, ‘kopie’ in het Nederlands, ‘kopi’ in het Deens, ‘kopiją’ in het Litouws, ‘kopiju’ in het Lets en het Kroatisch, ‘koopia’ in het Ests, ‘kopię’ in het Pools, ‘kopii’ in het Tsjechisch, ‘kopja’ in het Maltees, ‘copie’ in het Roemeens, ‘kópiu’ in het Slowaaks, ‘kopijo’ in het Sloveens, ‘kopia’ in het Zweeds.
Zie met betrekking tot richtlijn 95/46 arrest van 20 december 2017, Nowak (C-434/16, EU:C:2017:994, punt 34). In dit verband wijs ik eveneens op zaak C-579/21, Pankki S, die momenteel hangende is en betrekking heeft op de strekking van het begrip ‘persoonsgegevens’ in de zin van artikel 4, punt 1, AVG.
Zie arrest van 20 december 2017, Nowak (C-434/16, EU:C:2017:994, punten 34 en 35).
Zie onder meer arrest van 9 maart 2017, Manni (C-398/15, EU:C:2017:197, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 17 juli 2014, Y S en Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (C-141/12 en C-372/12, EU:C:2014:2081, punt 38).
Zie arrest van 24 februari 2022, Valsts ieņēmumu dienests (Verwerking van persoonsgegevens voor fiscale doeleinden) (C-175/20, EU:C:2022:124, punten 18 en 34).
Zie arrest van 30 mei 2013, Worten (C-342/12, EU:C:2013:355, punt 19).
Zie arresten van 14 februari 2019, Buivids (C-345/17, EU:C:2019:122, punt 31), en 11 december 2014, Ryneš (C-212/13, EU:C:2014:2428, punt 22).
Zie arrest van 20 december 2017, Nowak (C-434/16, EU:C:2017:994, punten 36 en 42).
Zie arrest van 22 juni 2021, B (Strafpunten) (C-439/19, EU:C:2021:504, punt 60).
Uit de opmerkingen van CRIF blijkt overigens dat aan de betrokkene zijn ‘solvabiliteitsratio’ is meegedeeld, die 100 % bedroeg (zie met name punt 8 van haar opmerkingen). Het staat echter aan de verwijzende rechter om concreet vast te stellen welke informatie aan de betrokkene is verstrekt en of de inzage van deze informatie in overeenstemming is met artikel 15 AVG.
Zie arrest van 24 februari 2022, Valsts ieņēmumu dienests (Verwerking van persoonsgegevens voor fiscale doeleinden) (C-175/20, EU:C:2022:124, punt 35).
Zie in die zin mijn conclusie in de zaak Österreichische Post (Informatie over de ontvangers van persoonsgegevens) (C-154/21, EU:C:2022:452, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Onverminderd eventueel andere bepalingen van de AVG, zoals artikel 13 of 14.
Zie in het bijzonder artikel 15, lid 1, onder h), met betrekking tot artikel 22 AVG. Zie in dit verband ook zaak C-643/21, SCHUFA Holding, momenteel aanhangig bij het Hof.
Zie in die zin overweging 58 van de AVG volgens welke ‘overeenkomstig het transparantiebeginsel […] informatie die bestemd is voor het publiek of voor de betrokkene beknopt, eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk [moet] zijn en […] duidelijke en eenvoudige taal en, in voorkomend geval, aanvullend visualisatie [moet] worden gebruikt’.
Zie arrest van 17 juli 2014, Y S en Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (C-141/12 en C-372/12, EU:C:2014:2081, punten 57 en 60).
De toegang tot documenten wordt geregeld door verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43), terwijl de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen wordt geregeld door verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39).
Zie met betrekking tot richtlijn 95/46 arrest van 17 juli 2014, Y S en Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (C-141/12 en C-372/12, EU:C:2014:2081, punten 46 en 47 in fine).
Zie met betrekking tot richtlijn 95/46 de arresten van 17 juli 2014, Y S en Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (C-141/12 en C-372/12, EU:C:2014:2081, punt 44), en 20 december 2017, Nowak (C-434/16, EU:C:2017:994, punt 57). Zie in die zin ook mijn recente conclusie in de zaak Österreichische Post (Informatie over de ontvangers van persoonsgegevens) (C-154/21, EU:C:2022:452, punten 26 en 28). De vraag of het recht op toegang tot gegevens en in het bijzonder het recht op een kopie van eigen persoonsgegevens op grond van artikel 15, lid 3, eerste volzin, AVG ook kan worden uitgeoefend wanneer de betrokkene wel een legitiem doel nastreeft maar niet met betrekking tot gegevensbescherming, is aan de orde in de prejudiciële vragen in de zaken C-307/22, FT (betreffende het onderzoek naar het bestaan van rechten die voortvloeien uit medische aansprakelijkheid), en C-672/22, DKV (betreffende het onderzoek naar de geldigheid van verhogingen van bijdragen aan de particuliere ziektekostenverzekering).
Zie met betrekking tot de overeenkomstige bepalingen van richtlijn 95/46 arresten van 7 mei 2009, Rijkeboer (C-553/07, EU:C:2009:293, punten 51 en 52); 17 juli 2014, Y S en Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (C-141/12 en C-372/12, EU:C:2014:2081, punt 44), en 20 december 2017, Nowak (C-434/16, EU:C:2017:994, punt 57).
Zie in die zin met betrekking tot de overeenkomstige bepalingen van richtlijn 95/46 arrest van 7 mei 2009, Rijkeboer (C-553/07, EU:C:2009:293, punt 52).
Zie arrest van 17 juli 2014, Y S en Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (C-141/12 en C-372/12, EU:C:2014:2081, punt 57).