De onderhavige zaak hangt eveneens samen met de zaak tegen [medeverdachte 3] (13/00223) waarin de Hoge Raad bij arrest van 2 april 2013 de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank heeft vernietigd en de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging wegens het overlijden van de verdachte op 11 november 2012.
HR, 08-04-2014, nr. 13/00222
ECLI:NL:HR:2014:868
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-04-2014
- Zaaknummer
13/00222
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:868, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑04‑2014; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:269, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:269, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:868, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑04‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
8 april 2014
Strafkamer
nr. 13/00222
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 april 2012, nummer 20/000490-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Stad, advocaat te Boxmeer, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014.
Conclusie 11‑02‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 81.1 RO.
Nr. 13/00222 Zitting: 11 februari 2014 | Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 4 april 2012 de verdachte wegens “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (12/01780) en [medeverdachte 2] (12/02024), waarin ik heden eveneens concludeer.1.
3. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.M. Stad, advocaat te Boxmeer, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel is kansloos, nu – anders dan de steller van het middel van mening is – aan de bewijsminimumregel zoals bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv is voldaan. Het Hof heeft immers het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan geenszins uitsluitend aangenomen op de verklaring van één getuige, maar allereerst in het arrest een overweging aan het bewijs gewijd en blijkens de aanvulling op het arrest de volgende bewijsmiddelen gebruikt: verklaringen van verdachte (nrs. 26 en 27), verklaringen van getuigen (nrs. 11 en 28), verslagen van telefoongesprekken (nrs. 2 t/m 7, 12 t/m 15, 18, 20 t/m 22, 24, 25), weergave van sms-berichten (nrs. 16,17 en 23), een proces-verbaal bevindingen (nr. 19), een proces-verbaal van testen en wegen (nr. 10) en een proces-verbaal van observatie (nr. 8). Ook overigens heeft het Hof de bewezenverklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen in combinatie met de in het arrest vervatte nadere bewijsoverweging kunnen afleiden.
5. Ook het tweede middel faalt, nu het Hof hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard geenszins behoefde op te vatten als een zogenaamd Meer en Vaart-verweer (dan wel enig ander uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv). De verdachte heeft immers niet een met de bewezenverklaring onverenigbare, maar door de bewijsmiddelen niet uitgesloten alternatief scenario naar voren gebracht, maar slecht een mogelijkheid geopperd (“Misschien moest ik toen een auto-onderdeel ophalen”).
6. Het derde middel faalt eveneens, nu het Hof de in het middel bedoelde verklaring van de verdachte geenszins heeft gedenatureerd. Dat de verdachte zich niet meer kan herinneren waarom hij op 6 november 2008 voor [betrokkene 1] bij [betrokkene 2] is geweest, maakt niet dat het Hof aan bedoelde verklaring een wezenlijk andere betekenis heeft toegekend. Daar komt bij dat bedoelde verklaring in ieder geval in zoverre redengevend voor het bewijs is, dat de verdachte beide bedoelde personen kende en op de bewezenverklaarde datum voor de één bij de ander is geweest.
7. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2014