Rb. Overijssel, 04-09-2024, nr. C/08/281372 / HA ZA 22-179
ECLI:NL:RBOVE:2024:4700
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
04-09-2024
- Zaaknummer
C/08/281372 / HA ZA 22-179
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2024:4700, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 04‑09‑2024; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBOVE:2023:2805, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 12‑07‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBOVE:2023:880, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 01‑03‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
JERF Actueel 2024/406
ERF-Updates.nl 2024-0443
VEAN-ERF-Updates.nl 2024-0443
JERF Actueel 2023/288
JERF Actueel 2023/114
ERF-Updates.nl 2023-0162
Uitspraak 04‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Erfrecht. Vaststellen wijze van verdeling nalatenschap.
Partij(en)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/281372 / HA ZA 22-179
Vonnis van 4 september 2024
in de zaak van
[partij A] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. A.J. Boer te Doetinchem,
tegen
[partij B] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. B.P.G. Dijkers te Twello.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 juli 2023
- akte [partij A] van 26 juli 2023
- taxatierapport van [bedrijf 1] van 29 november 2023
- conclusie na deskundigenbericht/ vermeerdering van eis [partij A] van 17 januari 2024
- akte houdende uitlating deskundigenbericht [partij B] van 17 januari 2024
- antwoordconclusie na deskundigenbericht [partij A] van 14 februari 2024
- akte houdende antwoordconclusie na deskundigenbericht [partij B] van 14 februari 2024.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2. Waar de zaak over gaat
2.1.
Partijen zijn familie van elkaar: [partij A] is de zus van [partij B] . De ouders van partijen zijn beiden in [datum] overleden. De nalatenschap van de ouders is positief. Uit hoofde van de nalatenschap van hun moeder [erflaatster] (hierna: moeder of erflaatster) hebben partijen destijds een vordering op hun vader [erflater] (hierna: vader of erflater) gekregen. Partijen hebben de nalatenschap van vader zuiver aanvaard. Het is partijen niet gelukt om de nalatenschap van hun ouders in onderling overleg te verdelen. In deze procedure hebben partijen over en weer vorderingen ingesteld, die ertoe moeten leiden dat de verdeling van de nalatenschap van vader tot stand komt. Partijen zijn het erover eens dat daarmee indirect de nalatenschap van hun moeder wordt verdeeld.
2.2.
De rechtbank heeft in deze procedure twee inhoudelijke tussenvonnissen gewezen. Na een deskundigenonderzoek waarbij de waarde van de panden in de nalatenschap is vastgesteld, zal de rechtbank nu een eindvonnis wijzen waarbij de wijze van verdeling wordt gelast. De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt.
3. Het taxatierapport
3.1.
[bedrijf 1] heeft als deskundige van de rechtbank op 29 november 2023 een taxatierapport opgesteld. Daarbij heeft hij de waarde van de panden aan de [adres 1] en [adres 2] vastgesteld, omdat die panden tot de nalatenschap van vader behoren.
3.2.
[partij A] heeft de bevindingen van de deskundige onderschreven. [partij B] heeft wel inhoudelijk kritiek geleverd op het rapport en heeft betoogd dat het rapport op onderdelen niet voldoet. De rechtbank zal het rapport inhoudelijk bij de beoordeling betrekken. Op de specifieke bezwaren van [partij B] zal de rechtbank in het navolgende ingaan als de betreffende onderdelen van het rapport worden besproken.
3.3.
Overigens heeft [partij B] in de processtukken na het deskundigenbericht nog opgemerkt dat de bij het deskundigenbericht gevoegde verklaring van erfrecht niet juist is. Dit is echter al in r.o. 3.5 van het tussenvonnis van 1 maart 2023 vastgesteld. Die opmerking van [partij B] over de verklaring van erfrecht is voor de verdere beoordeling van deze zaak ook niet relevant en [partij B] heeft daar geen juridische gevolgen aan verbonden, zodat de rechtbank die opmerking buiten beschouwing zal laten.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
De rechtbank zal hierna eerst de omvang van de nalatenschap van vader vaststellen. Daarna zal de rechtbank ingaan op de vraag hoe de nalatenschap moet worden verdeeld.
Omvang van de nalatenschap: de baten
4.2.
Partijen zijn het ten aanzien van de baten eens over het saldo op de ervenrekening van in totaal € 454.038,38. De omvang van de overige baten van de nalatenschap zal de rechtbank hierna bespreken en vaststellen.
Winkelvoorraad
4.3.
Aan het begin van de procedure waren partijen het niet eens over de waarde van de winkelvoorraad. Na het eerdere tussenvonnis is de winkelvoorraad echter alsnog in overleg tussen partijen verkocht aan een derde. De opbrengst van € 1.000,00 is op de ervenrekening gestort, zoals ook blijkt uit productie 63 bij de conclusie na deskundigenbericht van [partij A] . Die opbrengst van de verkoop zal via de verdeling van het saldo op de ervenrekening in de verdeling worden betrokken. Dat betekent dat de rechtbank geen afzonderlijke beslissing meer hoeft te nemen over de winkelvoorraad en [partij A] geen belang meer heeft bij de vordering onder I.
Panden aan de [adres 1] en [adres 2]
4.4.
Tot de nalatenschap behoren twee woon-, winkelpanden in [plaats] . Het gaat om de panden aan [adres 1] en [adres 2] . De panden vormen op dit moment nog één geheel, maar partijen willen graag dat het pand aan [adres 1] aan [partij B] wordt toebedeeld en het pand aan [adres 2] aan [partij A] . Uit het deskundigenrapport blijkt dat splitsing van de panden feitelijk mogelijk is en inmiddels heeft [partij B] zich in zijn laatste akte op het standpunt gesteld dat splitsing ook juridisch mogelijk is. Nu beide partijen willen dat de panden afzonderlijk in de verdeling worden betrokken, zal de rechtbank daar van uit gaan. Om die reden zal de rechtbank ook de waarde van de panden afzonderlijk vaststellen.
4.5.
Allereerst het pand aan [adres 1] . De deskundige heeft de actuele waarde getaxeerd op € 267.000,00. [partij B] maakt bezwaar tegen deze waarde, omdat de deskundige volgens [partij B] onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat het dak van het pand [adres 1] mogelijk asbesthoudend materiaal bevat. [partij B] heeft de deskundige daar naar aanleiding van het conceptrapport op gewezen en een aanvullende vraag geformuleerd:
“Kunt u duidelijkheid verschaffen over de – mogelijke – aanwezigheid van asbest in het dakbeschot en/of in andere gedeeltes/ruimtes in het pand [adres 1] en wat is de invloed van de authentieke kap c.q. nadien vernieuwd constructie voor de respectieve waardes?”
De deskundige heeft daar als volgt op gereageerd:
“De platen in de kap van [adres 1] lijken inderdaad van een recenter datum dan het bouwjaar. Of deze asbesthoudend zijn is een mogelijkheid maar dient door een expert nader vastgesteld te worden. Gezien de staat van het geheel en de verbouwings-/renovatie opgave die er is zal de aanwezigheid van asbest niet van invloed zijn. Wanneer het deze platen betreft is er sprake van hecht gebonden asbest welke in de basis weinig gevaar op zal leveren. In het definitieve rapport is hier een opmerking over gemaakt.”
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige hiermee voldoende uitgelegd dat in de taxatie van het pand al rekening is gehouden met de noodzaak van een grondige renovatie en dat het op het geheel van dat bedrag niet uitmaakt of er eventueel nog asbesthoudende platen zouden moeten worden verwijderd. Het bezwaar van [partij B] tegen deze redenering en de door de deskundige vastgestelde waarde is vervolgens te algemeen. [partij B] heeft bijvoorbeeld niet toegelicht of en in welke mate asbest aanwezig is in het pand. Ook heeft [partij B] niet een eigen deskundige geraadpleegd. [partij B] heeft alleen gesteld dat de mogelijkheid bestaat dat asbesthoudend materiaal aanwezig is en dat vanwege die mogelijkheid rekening moet worden gehouden met een waardevermindering van € 17.000 in verband met eventuele asbestsanering. [partij B] heeft dat bedrag vervolgens echter ook niet verder onderbouwd of toegelicht. De bezwaren van [partij B] tegen het taxatiebedrag zullen worden gepasseerd, omdat de deskundige de waarde vanuit zijn expertise en deskundigheid heeft vastgesteld en het bezwaar van [partij B] onvoldoende concreet en gemotiveerd is.
4.7.
De waarde van het pand aan de [adres 1] wordt vastgesteld op € 267.000,00.
4.8.
Dan moet de waarde van het pand aan de [adres 2] worden beoordeeld. De deskundige heeft dit pand gewaardeerd op een bedrag van € 183.000,00. Partijen hebben daar geen bezwaar tegen gericht. Nu de deskundige deze waarde heeft gemotiveerd, zal de rechtbank deze waarde dan ook volgen. Het pand aan [adres 2] wordt gewaardeerd op € 183.000.00.
Vordering op [partij A] in verband met gebruiksvergoeding oogmeetkamer
4.9.
Aanvankelijk hebben partijen in deze procedure over en weer betoogd dat zij gebruiksvergoedingen moesten betalen voor uiteenlopend gebruik van de panden. In het tussenvonnis van 1 maart 2023 heeft de rechtbank in r.o. 5.14 geoordeeld dat alleen [partij A] een gebruiksvergoeding verschuldigd is en uitsluitend voor het gebruik van de oogmeetkamer. [partij A] heeft namelijk ten behoeve van haar eigen winkel aan [adres 3] een oogmeetkamer in gebruik die oorspronkelijk onderdeel uitmaakt van het tot de nalatenschap behorende pand aan de [adres 2] . Daarom heeft de rechtbank aan de deskundige gevraagd vast te stellen wat een gebruiksvergoeding/huurprijs in het economisch verkeer per maand/per m2 is van het pand op nummer [adres 2] . De deskundige heeft die vraag als volgt beantwoord:
“Voorop gesteld dat deze ruimte niet separaat aan derden is te verhuren gezien het ontbreken van een eigen entree/ontsluiting heeft deze ruimte als onderdeel van het geheel een markthuur van € 135/m2 zijnde € 225/mnd.”
4.10.
In reactie op het deskundigenbericht betoogt [partij B] dat dit een onjuiste waarde is, omdat zou moeten worden uitgegaan van een commerciële huurprijs aan derden. [partij B] heeft dit argument ook voorgelegd aan de deskundige naar aanleiding van het conceptrapport. De deskundige heeft in reactie daarop uitgelegd dat de ruimte niet apart aan derden te verhuren is, omdat de oogmeetkamer feitelijk bij het bedrijfspand aan [adres 3] is betrokken en niet apart bereikbaar is. Daardoor kan de oogmeetkamer ook niet apart worden verhuurd en is de door hem vastgestelde gebruiksvergoeding juist. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige de gebruiksvergoeding voldoende heeft gemotiveerd. Omdat volgens de deskundige relevant is dat de oogmeetkamer niet apart kan worden verhuurd, kon de deskundige bij het vaststellen van de gebruiksvergoeding rekening houden met die omstandigheid. De rechtbank volgt [partij B] niet in de stelling dat de deskundige daarmee buiten zijn opdracht is getreden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat moet worden uitgegaan van de gebruiksvergoeding zoals door de deskundige is becijferd en gemotiveerd. [partij B] heeft daar ook onvoldoende gemotiveerd verweer tegen gevoerd. In de akte van 17 januari 2024 heeft [partij B] namelijk alleen de argumenten genoemd die ook al naar aanleiding van het conceptrapport aan de deskundige zijn voorgelegd en waar de deskundige al gemotiveerd op heeft gereageerd. [partij B] heeft bijvoorbeeld zijn stellingen niet onderbouwd met (gemotiveerde) bevindingen van een andere taxateur. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de deskundige op dit punt nader onderzoek te laten doen zoals [partij B] heeft gevraagd en stelt de gebruiksvergoeding voor de oogmeetkamer vast op € 225,00 per maand.
4.11.
[partij A] is dit maandbedrag van € 225,00 verschuldigd voor het gebruik van de oogmeetkamer over de periode vanaf 6 september 2019 tot aan het moment van verdeling van de panden. [partij A] heeft de gebruiksvergoeding in de producties bij de akte van 17 januari 2024 al berekend tot 6 december 2023. Uitgaande van de vonnisdatum komt deze schuld op dit moment afgerond tot aan 6 september 2024 neer op 60 maanden vermenigvuldigd met € 225,00, te weten een bedrag van € 13.500,00. Dit is een vordering van de nalatenschap op [partij A] . Omdat na dit vonnis nog splitsing en verdeling van de panden moet plaatsvinden, kan hiervoor nog geen volledige berekening worden gemaakt. De rechtbank zal een ‘P.M.-post opnemen, voor de gebruiksvergoeding over de periode van gebruik van de oogmeetkamer vanaf 6 september 2024 tot aan het moment van verdeling. Partijen kunnen deze schuld toerekenen aan [partij A] en zo verrekenen bij de verdeling.
Vordering op [partij B] in verband met overeenkomst van geldlening
4.12.
In een eerder tussenvonnis heeft de rechtbank al geoordeeld dat [partij B] een schuld aan de nalatenschap heeft in verband met een overeenkomst van geldlening. Naar aanleiding van een later door [partij B] ingediende productie, moest alleen de omvang van het openstaande bedrag nog worden vastgesteld. Gelet op r.o. 2.8. van het tussenvonnis van 12 juli 2023 en de daarop volgende instemmende akte van [partij A] van 26 juli 2023, zal de rechtbank de vordering van de nalatenschap in verband met de geldlening vaststellen op een bedrag van € 59.476,00.
4.13.
De rente van 6% is door [partij A] in productie 65 bij de akte van 17 januari 2024 becijferd tot medio december 2023 op een bedrag van € 14.913,88. Tegen die manier van berekenen heeft [partij B] geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank daar ook van uit zal gaan. De rente van 6% is een doorlopende post en moet worden berekend tot aan het moment dat [partij B] het in verband met de overeenkomst van geldlening verschuldigde bedrag aan de nalatenschap heeft betaald, dan wel tot aan het moment dat dit bedrag bij de verdeling is verrekend door toerekening van de schuld aan [partij B] . Op de vonnisdatum bedraagt de door [partij B] verschuldigde rente € 18.085,26. Dit bedrag is een schuld van [partij B] aan de nalatenschap. De 6% rente die [partij B] na vonnisdatum tot aan het moment van betalen of toerekenen bij de verdeling verschuldigd is, wordt als ‘P.M.-post’ opgenomen. Deze rente kunnen partijen door middel van toerekening als verrekenpost bij de verdeling betrekken.
Auto’s
4.14.
Ten aanzien van de auto’s heeft de rechtbank in r.o. 5.28. van het tussenvonnis van 1 maart 2023 al geoordeeld dat deze niet tot de nalatenschap behoren. De rechtbank wijst daarom de vordering in reconventie van [partij B] onder C toe.
Omvang van de nalatenschap: de schulden
Schuld aan [partij B] vanwege schenkingsakte € 15.882,31 te vermeerderen met de wettelijke rente
4.15.
[partij B] heeft een vordering op de nalatenschap van € 15.882,31 uit hoofde van de schenkingsakte van 8 december 1995. Dit volgt uit r.o. 5.25 in het tussenvonnis van 1 maart 2023.
4.16.
[partij B] heeft daarbij ook recht op vergoeding van de rente. De rente is door [partij A] in productie 65 bij de akte van 17 februari 2017 berekend tot 18 december 2023 op een bedrag van € 2.816,28. [partij A] is daarbij uitgegaan van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. Tegen deze manier van berekenen heeft [partij B] geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom ook uitgaan van de wettelijke rente met een ingangsdatum van 17 februari 2017. [partij B] heeft vervolgens recht op vergoeding van de wettelijke rente over dit bedrag van € 15.882,31 tot het moment dat [partij B] dit bedrag heeft ontvangen. Tot aan de vonnisdatum bedraagt de wettelijke rente over dit bedrag € 3.742,26. Dit bedrag heeft [partij B] als vordering op de nalatenschap. [partij B] heeft recht op vergoeding van de wettelijke rente tot aan het moment van ontvangst van het bedrag van € 15.882,31. Daarom zal ook hiervoor een ‘P.M.-post’ worden opgenomen voor de periode vanaf 5 september 2024 tot aan het moment van ontvangst door [partij B] van het bedrag uit hoofde van de schenkingsakte.
Schuld aan [partij A] in verband met voorschoten energiekosten
4.17.
[partij A] vordert vergoeding van door haar ten behoeve van de panden aan [adres 1] en [adres 2] voorgeschoten energiekosten. Omdat die panden behoren tot de nalatenschap, heeft [partij A] in beginsel recht op die voorgeschoten bedragen.
4.18.
[partij B] heeft onder G in reconventie echter gevorderd te bepalen dat de energielasten voor rekening van [partij A] moeten blijven. [partij B] heeft in dat kader aangevoerd dat hij betwist dat de energielasten alleen voor de panden op nummers [adres 1] en [adres 2] waren. De energielasten hielden volgens [partij B] waarschijnlijk (ook) verband met het pand van [partij A] aan [adres 3] .
4.19.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis al voorshands geoordeeld dat de optiek van [partij A] aan [adres 3] alleen gebruik maakt van haar eigen cv-installatie in het pand aan [adres 3] . Het is in het vervolg daarop aan [partij B] te stellen en te onderbouwen dat dit voorshands oordeel niet juist is. Mede in dat kader zijn aan de deskundige vragen gesteld over de cv-ketel in de panden aan [adres 1] en [adres 2] . De deskundige schrijft daarover:
“Op de 1e etage van [adres 2] hangt een CV ketel welke het gehele pand (exclusief de oogmeetkamer) verwarmt. De gasmeter is aanwezig in de kelder van [adres 1] . (…) De winkelruimte wordt via deze ketel verwarmd. Op de etages zijn geen radiatoren waargenomen. (…) De oogmeetkamer wordt gevoed vanuit de ketel op [adres 3] . Het leidingwerk voor de radiator in de oogmeetkamer loopt omhoog en over de vloer van 1e etage naar een gat in de muur met [adres 3] . Het leidingwerk van de CV ketel van [adres 2] loopt nog deels parallel aan deze leidingen waardoor enige verwarring kan ontstaan. 3d. Heeft de CV ketel in het pand op [adres 2] een aftakking naar de optiekonderneming op [adres 3] en/of de oogmeetkamer behorende bij die onderneming. Nee, zoals hiervoor vermeld wordt de oogmeetkamer verwarmd middels een CV ketel in het pand van [adres 3] .”
[partij B] heeft hierover opmerkingen gemaakt naar aanleiding van het conceptrapport. De deskundige heeft vervolgens zijn bevindingen in reactie daarop in genuanceerde bewoordingen herhaald. Uit de hiervoor geciteerde passage blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de panden nummer [adres 1] en [adres 2] vanuit een eigen cv-ketel worden verwarmd en dat de oogmeetkamer via een vertakking door de cv-ketel in nummer [adres 3] wordt verwarmd. Dit neemt de rechtbank dan ook als vaststaand aan. De betwisting van [partij B] is op dit punt onvoldoende. Daarbij weegt mee dat [partij A] haar stelling eerder al had onderbouwd met het emailbericht van [bedrijf 2] van 16 februari 2022 (productie 22 bij dagvaarding). Op basis daarvan heeft de rechtbank al voorshands geoordeeld dat [partij A] recht heeft op vergoeding van de energiekosten. Zie daartoe het voorshands oordeel in r.o. 5.15. van het tussenvonnis van 1 maart 2023 en de toelichting daarop in r.o. 2.4.5. van het tussenvonnis van 12 juli 2023. Gelet op dat voorshands oordeel had [partij B] meer moeten aanvoeren, dan alleen de stelling dat het mogelijk anders is, enkel omdat de deskundige niet in het pand op nummer [adres 3] is geweest. De rechtbank gaat daarom ook voorbij aan het verzoek van [partij B] om nader onderzoek te laten verrichten op dit punt.
4.20.
Dit betekent dat de nalatenschap een schuld heeft aan [partij A] met betrekking tot de ten behoeve van de panden [adres 1] en [adres 2] voorgeschoten energiekosten. [partij A] heeft de voorgeschoten bedragen tot en met december 2023 begroot op € 9.642,86. Omdat [partij A] dit bedrag heeft onderbouwd en [partij B] daar vervolgens geen specifiek verweer tegen heeft gevoerd, neemt de rechtbank dit bedrag als vaststaand aan. [partij B] heeft eerder in de procedure nog betoogd dat niet alle bedragen voor vergoeding in aanmerking komen, omdat niet over alle uitgaven specifiek overleg is gevoerd met [partij B] . De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij, nu uit de stellingen van [partij A] voldoende blijkt dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt voor de (bestanddelen in de) nalatenschap en het gaat om gebruikelijke kosten. Ook dit is een doorlopende post, zolang [partij A] ten behoeve van de panden bedragen aan de energiemaatschappij moet betalen. [partij A] heeft recht op vergoeding van de door haar ten behoeve van panden [adres 1] en [adres 2] betaalde energiekosten tot aan het moment van verdeling. Vanwege de akte van [partij A] van 17 januari 2024 met producties, zal de rechtbank dit bedrag tot en met december 2023 vaststellen op € 9.642,86. Voor de periode daarna wordt een ‘P.M.-post’ opgenomen.
Schuld aan [partij B] in verband met voor de nalatenschap voorgeschoten bedragen
4.21.
[partij B] stelt dat hij een bedrag van € 3.331,37 heeft voorgeschoten ten behoeve van betalingen voor de nalatenschap. [partij A] heeft dit bedrag vervolgens in de akte van 26 juli 2023 erkend, zodat de rechtbank dit bedrag ook als vaststaand aanneemt.
Vordering accountant
4.22.
[partij A] heeft in haar overzicht van de nalatenschap ook een ‘P.M.-post’ opgenomen voor de kosten van [bedrijf 3] . Tijdens de mondelinge behandeling is namens [partij A] toegelicht dat er nog een factuur van [bedrijf 3] zal volgen in verband met door [bedrijf 3] verrichte werkzaamheden zoals ten aanzien van de aangifte erfbelasting. Tussen partijen is echter in geschil of en in hoeverre [bedrijf 3] in gezamenlijk belang van de erfgenamen is opgetreden. Tegen die achtergrond heeft [partij A] onvoldoende gesteld om ten laste van de nalatenschap een post op te nemen in verband met kosten van de accountant. Deze kosten staan ook niet in artikel 4:7 BW genoemd als schulden van de nalatenschap en [partij A] heeft deze post– uitgaande van de discussie tussen partijen – onvoldoende onderbouwd.
Omvang van de nalatenschap – conclusie
4.23.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de omvang van de nalatenschap als volgt vaststellen:
Activa | Passiva | ||
[adres 1] (r.o. 4.7) | € 267.000,00 | schuld aan [partij B] (r.o. 4.15) | € 15.882,31 |
[adres 2] (r.o. 4.8) | € 183.000,00 | rente over schuld aan [partij B] tot 4 september 2024 (r.o. 4.16) | € 3.742,26 |
vordering op [partij A] vanwege gebruik oogmeetkamer tot 6 september 2024 (r.o. 4.11) | € 13.500,00 | doorlopende rente over schuld aan [partij B] van 5 september 2024 tot aan moment van betalen van de hoofdsom van € 15.882,31 (r.o. 4.16) | P.M. |
vordering op [partij A] vanwege doorlopend gebruik oogmeetkamer vanaf 7 september 2024 tot aan datum verdeling (r.o. 4.11) | P.M. | schuld aan [partij A] in verband met energielasten tot en met december 2023 (r.o. 4.20) | € 9.642,86 |
vordering op [partij B] vanwege de lening (r.o. 4.12) | € 59.476,00 | doorlopende schuld aan [partij A] vanwege door haar betaalde energielasten vanaf januari 2024 tot aan moment verdelen (r.o. 4.20) | P.M. |
vordering op [partij B] vanwege rente op lening tot 4 september 2024 (r.o. 4.13) | € 18.085,26 | schuld aan [partij B] (r.o. 4.21) | € 3.331,37 |
vordering op [partij B] vanwege doorlopende rente op lening vanaf 5 september 2024 tot aan datum aflossing/verdeling (r.o. 4.13) | P.M. | ||
saldo ervenrekening (r.o. 4.2) | € 454.038,38 | ||
Totaal | € 995.099,64 | Totaal | € 32.598,80 |
4.24.
[partij A] en [partij B] hebben recht op vergoeding van hun vorderingen op de nalatenschap zoals weergegeven onder de passiva hierboven. Deze bedragen kunnen worden voldaan van het saldo van de ervenrekening, waarna een saldo op de ervenrekening zal resteren van € 421.439,58 (€ 454.038,38 – € 32.598,80).
4.25.
Het saldo van de nalatenschap bedraagt op de datum van dit vonnis € 962.500,84 (€ 995.099,64 minus € 32.598,80) te vermeerderen/verminderen met de doorlopende rente- en kostenposten (weergegeven als ‘P.M.-posten). [partij A] en [partij B] zijn beiden voor de helft erfgenaam. Dat betekent dat hun erfdeel is € 481.250,42 te vermeerderen/verminderen met de doorlopende rente- en kostenposten.
Verdeling nalatenschap
4.26.
[partij A] heeft gevorderd dat de rechtbank de verdeling vaststelt en [partij B] heeft in reconventie gevorderd dat de rechtbank alleen de wijze van verdeling gelast. Gelet op artikel 3:185 lid 1 BW zijn in beginsel beide routes mogelijk nu partijen zelf geen overeenstemming bereiken over de verdeling. Voordat in deze zaak tot verdeling van de panden kan worden overgegaan, moeten de panden echter nog juridisch en feitelijk worden gesplitst. Daarom zal de rechtbank de verdeling niet in dit vonnis vaststellen. Wel kan gelet op het voorgaande inhoudelijk een beslissing worden genomen over de wijze van verdeling. De rechtbank zal dan ook de wijze van verdeling gelasten.
4.27.
Tussen partijen is niet in geschil dat de panden aan [adres 1] en [adres 2] verticaal kunnen worden gesplitst. Bovendien zijn partijen het erover eens dat [adres 1] kadastraal bekend gemeente [gemeente] E 9080 aan [partij B] moet worden toebedeeld. Ook zijn partijen het erover eens dat het pand aan de [adres 2] , kadastraal bekend bij de gemeente [gemeente] E 9081 moet worden toebedeeld aan [partij A] . De rechtbank zal deze wijze van verdeling gelasten, waarbij het pand aan [adres 1] dus aan [partij B] moet worden toebedeeld uitgaande van een waarde van € 267.000,00 en het pand aan [adres 2] aan [partij A] moet worden toebedeeld uitgaande van een waarde van € 183.000,00. Partijen dienen hun medewerking te verlenen aan het verlijden van de daarvoor benodigde splitsing en notariële (leverings)akte tot tenaamstelling van de panden. De kosten in verband met deze toedeling komen zoals te doen gebruikelijk voor gelijke delen voor rekening van ieder van de erfgenamen.
4.28.
[partij A] heeft recht op de helft van het saldo van de nalatenschap. Dat komt neer op een erfdeel van € 481.250,42 te vermeerderen/verminderen met de doorlopende rente- en kostenposten (in r.o. 4.23 weergegeven als ‘P.M.-posten’). Zij krijgt het pand aan de [adres 2] toebedeeld ter waarde van € 183.000,00. Deze toedeling vindt plaats onder verrekening van de waarde van € 183.000,00 zodat deze waarde moet worden afgetrokken van haar erfdeel. De schuld die [partij A] aan de nalatenschap heeft, in verband met het gebruik van de oogmeetkamer moet worden toegerekend op haar erfdeel (€ 13.500,00) in de zin van artikel 3:184 lid 1 BW. Uitgaande van de stand van de nalatenschap op de vonnisdatum, betekent dit dat [partij A] recht heeft op een bedrag van € 284.750,42 (€ 481.250,42 minus € 183.000,00 en € 13.500,00). Dit bedrag – nog te vermeerderen/verminderen met de PM-posten – kan worden voldaan uit het resterende saldo van de ervenrekening zoals weergegeven in r.o. 4.24 hiervoor.
4.29.
[partij B] heeft eveneens recht op de helft van het saldo van de nalatenschap. Dat is dus net als bij [partij A] een erfdeel van € 481.250,42 te vermeerderen/verminderen met de doorlopende rente- en kostenposten (in r.o. 4.23 weergegeven als ‘P.M.-posten’). Hij krijgt het pand aan de [adres 1] toebedeeld ter waarde van € 267.000,00. Deze toedeling vindt ook plaats onder verrekening van de waarde van € 267.000,00 zodat deze waarde moet worden afgetrokken van zijn erfdeel. Op het resterende bedrag van zijn erfdeel moeten de schulden van [partij B] aan de nalatenschap worden toegerekend. Dat betreft de schuld van zijn lening van € 59.476,00 en de berekende wettelijke rente daarover van € 18.085,26, in totaal op de vonnisdatum een schuld van € 77.561,26. Uitgaande van de stand van de nalatenschap op de vonnisdatum, betekent dit dat [partij B] recht heeft op een bedrag van € 136.689,16 (€ 481.250,42 minus € 267.000,00 en € 77.561,26). Dit bedrag – nog te vermeerderen/verminderen met de PM-posten – kan worden voldaan uit het resterende saldo van de ervenrekening zoals weergegeven in r.o. 4.24 hiervoor.
4.30.
Nu de wijze van verdeling op de hiervoor genoemde manier is gelast, zijn de overige vorderingen van partijen ten aanzien van bestanddelen van de nalatenschap niet meer relevant. Die vorderingen zullen vanwege een gebrek aan belang worden afgewezen.
4.31.
[partij A] heeft gevorderd dat dit vonnis in de plaats zal treden van een notariële akte. Gelet op het feit dat de panden nog eerst moeten worden gesplitst en beide partijen willen dat de panden worden verdeeld zoals in dit vonnis is opgenomen, ziet de rechtbank daarin onvoldoende grond daarvoor.
Kosten deskundige
4.32.
De kosten van de deskundige zijn al door beide partijen bij helfte voorgeschoten. Die verdeling handhaaft de rechtbank gelet op de aard van het geschil.
Proceskosten
4.33.
Gelet op de familierechtelijke verhouding tussen partijen zullen de proceskosten in deze procedure worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
in reconventie
5.1.
verklaart voor recht dat de 2 personenauto’s, te weten de Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 1] en de Mini met kenteken [kenteken 2] niet tot de nalatenschap behoren van vader;
in conventie en in reconventie
5.2.
gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflater zoals weergegeven
in r.o. 4.27 tot en met r.o. 4.31 van dit vonnis;
5.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2024.
Uitspraak 12‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Benoeming deskundige (taxateur) voor de waardebepaling van twee panden uit de nalatenschap die in de procedure centraal staat. Dit vonnis volgt op het tussenvonnis van 1 maart 2023.
Partij(en)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/281372 / HA ZA 22-179
Vonnis van 12 juli 2023
in de zaak van
[partij A] ,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie,verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
advocaat: mr. A.J. Boer te Doetinchem,
tegen
[partij B] ,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie,verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
advocaat: mr. B.P.G. Dijkers te Twello.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 maart 2023;- de akte na tussenvonnis van [partij A], met vermeerdering van eis in conventie en overlegging van producties genummerd 58 t/m 62;- de akte na tussenvonnis van [partij B], met vermeerdering van eis in reconventie en overlegging van producties genummerd 53 t/m 61;- de antwoordakte van [partij A];- de antwoordakte van [partij B].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling, in conventie en in reconventie
Inleiding
2.1.
Op 1 maart 2023 is in deze procedure een inhoudelijk tussenvonnis gewezen. Voorafgaand aan dat tussenvonnis hebben partijen over en weer hun conclusies van eis en antwoord in zowel conventie als in reconventie kunnen nemen. Er heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden en in de aanloop daar naar toe zijn nog eiswijzigingen en aktes ingediend. De kern van het debat van partijen is in dat gedeelte van de procedure gevoerd. Vervolgens heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 1 maart 2023 al op verschillende onderdelen van het geschil van partijen eindbeslissingen opgenomen die echter nog niet in een einduitspraak zijn vervat. Op onderdelen waarover nog niet is beslist, heeft de rechtbank behoefte aan de input van een deskundige (een taxateur, in verband met de vaststelling van de waarde van de betreffende onroerende zaken) en aan een nadere toelichting van partijen. Dat blijkt wel uit de samenvatting die onder 5.30 en verder van het tussenvonnis is opgenomen.
2.2.
De rechtbank heeft kennis genomen van de aktewisseling die na het tussenvonnis heeft plaatsgehad. Naar aanleiding daarvan zal hierna in dit tussenvonnis een deskundige worden benoemd.
2.3.
De rechtbank heeft verder geconstateerd dat het geschil, ondanks de kaders die in het tussenvonnis zijn neergelegd, op bepaalde onderdelen niet kleiner maar juist groter lijkt te worden. Dat laatste kan gelet op het eerdere verloop van de procedure en de noodzaak tot concentratie van het verweer in strijd zijn met een goede procesorde. [partij A] heeft bezwaar gemaakt tegen hoofdstuk IV en volgende van de akte van [partij B] en verzocht om een reactiemogelijkheid voor zover de rechtbank een deel van de stellingen van [partij B] betrekt in de besluitvorming. Hierna zal de rechtbank aangeven op welke onderdelen van het geschil dit aan de orde is en welke gevolgen dat naar het oordeel van de rechtbank moet hebben.
Benoeming deskundige
2.4.
Partijen hebben geen bezwaren tegen de benoeming van de bij tussenvonnis genoemde deskundige - J. Julius RT van Rodenburg makelaars – om de waarde te bepalen van de panden aan de [adres 1] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in [woonplaats 2]. Ook hebben partijen geen bezwaar gemaakt tegen het voorschot. De rechtbank zal daarom in dit vonnis over gaan tot benoeming van deze deskundige.
De aanwezigen bij het deskundigenonderzoek
2.4.1.
[partij B] heeft de rechtbank gevraagd om een beslissing te nemen over de vraag wie aanwezig mag zijn bij het deskundigenonderzoek. De rechtbank stelt voorop dat de rondgang van de deskundige door de panden niet is bedoeld om tegelijkertijd het debat tussen partijen voort te zetten. De bezichtiging van de panden door de deskundige heeft als doel dat hij ter plaatse de panden kan zien om aan de hand van zijn waarnemingen de hierna te formuleren vragen te beantwoorden en met name de waarde vast te stellen. Die beantwoording zal plaatsvinden in de schriftelijke rapportage van de deskundige. Het is daarom niet nodig dat de advocaten van partijen bij het bezoek/onderzoek van de deskundige aan de panden aanwezig zijn. De rechtbank bepaalt dat alleen partijen zelf, dat wil zeggen [partij A] in persoon en [partij B] in persoon, desgewenst bij het onderzoek ter plaatse aanwezig zijn. Voor zover zij dat wensen, mogen zij zich ieder ook laten vergezellen door één ander familielid.
De vragen aan de deskundige
2.4.2.
In het tussenvonnis van 1 maart 2023 heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 5.10 vier vragen geformuleerd. Partijen hebben in de aktewisseling daarna schriftelijk gedebatteerd over de vraagstelling. De rechtbank zal hierna ingaan op de discussie van partijen over die vragen om ten slotte de vragen te formuleren onder 2.4.7 van dit vonnis.
2.4.3.
Onder 5.8 van het tussenvonnis van 1 maart 2023 is al opgenomen dat bij de verdeling van de nalatenschap moet worden uitgegaan van de huidige waarde van de panden in het economisch verkeer. Het gaat dus om de actuele waarde van de panden. De rechtbank formuleert vraag 1 aan de deskundige als volgt: Wat is de actuele waarde in het economisch verkeer van de panden aan de [adres 1] [huisnummer 1] en [huisnummer 2]?
2.4.4.
Met betrekking tot de mogelijke splitsing van de panden zal de rechtbank de vraagstelling beperken tot de mogelijkheid van verticale splitsing van de panden op [huisnummer 1] en [huisnummer 2]. De rechtbank gaat voorbij aan de wens van [partij B] om ook de mogelijkheid van horizontale splitsing aan de deskundige voor te leggen. Horizontale splitsing is in het eerdere debat van partijen namelijk niet aan de orde geweest. Partijen hebben bij de formulering van hun vorderingen in conventie en reconventie expliciet naar voren gebracht dat het pand op [huisnummer 1] moet worden toebedeeld aan [partij B] en dat het pand op [huisnummer 2] moet worden toebedeeld aan [partij A]. In verband daarmee moet de waarde van de panden worden vastgesteld. De rechtbank formuleert daarom vraag 2 aan de deskundige als volgt: Kunnen de panden [huisnummer 1] en [huisnummer 2] verticaal gesplitst worden?
2.4.5.
De rechtbank zal geen vraag opnemen over de eventuele aanwezigheid van een boiler in één van de panden zoals [partij B] heeft voorgesteld. De aan- of afwezigheid van een boiler is namelijk geen onderdeel geweest van het eerdere debat van partijen. Er is wel een debat gevoerd over de verwarming van de panden op [huisnummer 1], [huisnummer 2] en [huisnummer 3]. In dat kader is door partijen zelf aangevoerd dat er een cv-ketel aanwezig is in het pand van [huisnummer 2]. Verder is door [partij B] in dat debat naar voren gebracht dat hij vermoedt dat de optiek van [partij A], gevestigd op [huisnummer 3] en met een oogmeetkamer in het pand van [huisnummer 2], voor de verwarming energie gebruikt vanuit de cv-ketel in het pand op [huisnummer 2]. [partij A] heeft gemotiveerd betwist dat zij met haar optiekwinkel energie betrekt uit het pand op [huisnummer 2]. De rechtbank heeft onder 5.15 van het tussenvonnis van 1 maart 2023 voorshands geoordeeld dat de optiek alleen energie gebruikt vanuit haar eigen installatie op [huisnummer 3] en dat de rechtbank de feitelijke situatie zal laten verifiëren door de deskundige. In de oorspronkelijke vraagstelling lag dit al besloten, de rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding de e-mail van [bedrijf 1] voor te leggen, zoals [partij A] heeft gevraagd. De rechtbank zal bij de vraagstelling ook geen rekening houden met de ongefundeerde veronderstelling van [partij B] (in zijn laatste antwoordakte onder randnummer 7) dat [partij A] bij werkzaamheden aan de elektrische installatie in oktober 2022 mogelijk opdracht heeft gegeven om bestaande aftakkingen aan de cv ketel weg te halen. [partij B] heeft immers geen enkele feitelijke onderbouwing voor die veronderstelling aangevoerd. Een concreet aanknopingspunt daarvoor is in elk geval niet te vinden in de factuur van 19 oktober 2022 van [bedrijf 2] (overgelegd door [partij A] als productie 56 bij haar akte van 31 oktober 2022). Die factuur betreft herstelkosten na NEN-keuring en [partij A] heeft in haar processtukken uitgelegd waar die kosten betrekking op hebben. Daarom zal de vraagstelling (vraag 3) van de rechtbank gericht zijn op de bestaande situatie die de deskundige gaat onderzoeken. De rechtbank handhaaft de oorspronkelijke vraagstelling naar de cv-ketel in pand [huisnummer 2]: ‘Kunt u aangeven of het klopt dat er een cv-ketel is in het pand op [huisnummer 2]? Welke ruimtes worden vanuit die cv-ketel verwarmd?’ De vraag ‘kunt u daarbij ook ingaan op de oogmeetkamer’ zal in het licht van het partijdebat worden gespecificeerd als: ‘Kunt u daarbij ook specifiek ingaan op de vraag of voor de oogmeetkamer gebruik wordt gemaakt van die cv-ketel? Heeft de cv-ketel in het pand op [huisnummer 2] een aftakking naar de optiekonderneming op [huisnummer 3] en/of de oogmeetkamer behorend bij die onderneming?’
2.4.6.
Tussen partijen staat vast dat [partij A] een deel van het pand van [huisnummer 2] in gebruik heeft als oogmeetkamer. [partij A] heeft in dat verband ook zelf aangevoerd dat zij voor dat gebruik een gebruiksvergoeding verschuldigd is aan de nalatenschap, zoals is overwogen in het eerdere tussenvonnis onder 5.12. De hoogte daarvan moet nog worden vastgesteld. Bij die vaststelling behoeft niet betrokken te worden de manier waarop die ruimte wordt gebruikt (dat is als oogmeetkamer voor de optiek gevestigd op [huisnummer 3]). Het gaat er bij het bepalen van een gebruiksvergoeding alleen om dat een deel van de oppervlakte (en inhoud) van het pand van [huisnummer 2] wordt gebruikt. De nader te bepalen gebruiksvergoeding sluit aan bij de huurprijs van het pand op [huisnummer 2] in het economisch verkeer per maand per vierkante meter. Aangezien in het eerdere tussenvonnis onder 5.13 en 5.14 al door de rechtbank is geoordeeld dat alleen voor de oppervlakte van de oogmeetkamer in het pand op [huisnummer 2] een gebruiksvergoeding moet worden bepaald, zal de vraagstelling aan de deskundige daarover zich ook beperken tot het pand op [huisnummer 2]. De rechtbank zal vraag 4 formuleren als volgt: [partij A] heeft een gedeelte van pand [huisnummer 2] in gebruik als oogmeetkamer. Wat is de gebruiksvergoeding c.q. huurprijs in het economisch verkeer per maand per vierkante meter van het pand op [huisnummer 2]?
Samenvatting van de vragen
2.4.7.
Samengevat luiden de vragen aan de deskundige als volgt:
- 1.
Wat is de actuele waarde in het economisch verkeer van de panden aan de [adres 1] [huisnummer 1] en [huisnummer 2]?
- 2.
Kunnen de panden [huisnummer 1] en [huisnummer 2] verticaal gesplitst worden?
- 3.
a) Kunt u aangeven of het klopt dat er een cv-ketel is in het pand op [huisnummer 2]?
b) Welke ruimtes worden vanuit die cv-ketel verwarmd?
c) Kunt u daarbij ook specifiek ingaan op de vraag of voor de oogmeetkamer gebruik wordt gemaakt van die cv-ketel?
d) Heeft de cv-ketel in het pand op [huisnummer 2] een aftakking naar de optiekonderneming op [huisnummer 3] en/of de oogmeetkamer behorend bij die onderneming?
4. [partij A] heeft een gedeelte van pand [huisnummer 2] in gebruik als oogmeetkamer. Wat is de gebruiksvergoeding c.q. huurprijs in het economisch verkeer per maand per vierkante meter van het pand op [huisnummer 2]?
Vaststelling en betaling van het voorschot
2.4.8.
In het tussenvonnis van 1 maart 2023 is al neergelegd (onder 5.9 en 5.11) dat het voorschot van de deskundige een bedrag van € 1.750,00 exclusief BTW bedraagt en dat ieder van partijen voorafgaand aan het onderzoek de helft van het voorschot moet betalen. Tegen de hoogte van het voorschot en de wijze van betaling daarvan zijn geen bezwaren gerezen. Daarom stelt de rechtbank de betaling van het voorschot op deze manier vast. Voor de deskundige is van belang dat hij zijn onderzoek niet eerder mag beginnen, dan na het bericht van de rechtbank dat het voorschot in depot is ontvangen.
Medewerkingsplicht partijen
2.4.9.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan één van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
Geen tussentijds hoger beroep
2.4.10.
De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij wijst partijen op het arrest van 22 januari 2010 (LJN BK1639), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de beslissing over de partij die het voorschot moet betalen, moet worden aangemerkt als een beslissing in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak waartegen geen appel mogelijk is.
Winkelvoorraad
2.5.
Op aangeven van de rechtbank in het tussenvonnis van 1 maart 2023 (onder 5.18 en 5.19) heeft [partij A] in haar akte na tussenvonnis een beschrijving gegeven, aangevuld met foto’s, van de inventaris van de handwerkwinkel. [partij B] heeft geen opmerkingen naar aanleiding van dit overzicht. In het kader van de verdeling van de nalatenschap(pen) is het van belang om de waarde van de winkelvoorraad vast te kunnen stellen. [partij A] heeft reeds bij dagvaarding verzocht te bevelen dat de winkelvoorraad zal worden verkocht aan de hoogstbiedende opkoper. De rechtbank draagt in verband hiermee aan partijen op om ieder een opkoper te benaderen om een bod uit te brengen op de inventaris/handelsvoorraad van de handwerkwinkel zoals weergegeven in het overzicht en de foto’s. Het zal dus gaan om twee opkopers die ieder een bod mogen doen. Daarna kan verkoop plaatsvinden aan de hoogste bieder van deze twee opkopers. De opbrengst komt toe aan de nalatenschap. Om de voortgang te bewaken verbindt de rechtbank hieraan een termijn van 8 weken. Vervolgens kunnen partijen desgewenst de opbrengst in onderling overleg verdelen. Als partijen onderling geen overeenstemming kunnen bereiken over de verdeling van de opbrengst en hierover een beslissing van de rechtbank wensen, dan moeten zij in de conclusie na deskundigenbericht ook toelichten wat de opbrengst is (geworden) van deze verkoop en hoe deze opbrengst moet worden betrokken in de verdeling.
Andere punten
2.6.
Dan de andere stellingen van [partij B]. Zoals weergegeven in r.o. 2.3. kan de uitbreiding van het procesdebat met nieuwe punten in dit stadium van de procedure in strijd zijn met de goede procesorde. [partij A] heeft daarom in het geheel niet gereageerd op die onderdelen van de akte van [partij B] en verzocht de akte van [partij B] vanaf hoofdstuk IV buiten beschouwing te laten. De rechtbank heeft de standpunten van partijen in de aktewisseling gefilterd en komt tot de beslissing dat twee onderdelen uit de akte van [partij B] nader moeten worden beoordeeld. Het betreft het standpunt over de hoogte van de openstaande lening en de voorgeschoten kosten. De rechtbank motiveert dat oordeel als volgt.
Lening aan [partij B]
2.7.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 1 maart 2023 onder de rechtsoverwegingen 5.20 t/m 5.24 de geldlening aan [partij B] besproken. Onderdeel daarvan is het oordeel van de rechtbank dat er sprake is geweest van een geldlening met een verplichting tot terugbetaling. De rechtbank begrijpt dat [partij B] wil dat de rechtbank terugkomt op dit oordeel. Hij verzoekt in verband daarmee om een aanhouding van deze procedure voor de duur van 6 maanden, om hem in de gelegenheid te stellen om nader stukken te verkrijgen, mogelijk langs de weg van een te voeren kortgeding procedure tegen accountant [naam 1]. De rechtbank ziet omwille van een goede procesorde geen aanleiding om terug te komen op het oordeel uit het tussenvonnis. Er is immers uitvoerig door partijen gedebatteerd en daarna heeft de rechtbank daarover een oordeel gegeven. [partij B] herhaalt eerder aangevoerde argumenten en daarom bestaat onvoldoende grond om terug te komen op deze bindende eindbeslissing. In het verlengde daarvan zal de rechtbank ook het verzoek om een aanhouding van 6 maanden niet honoreren.
2.8.
Het standpunt van [partij B] ten aanzien van het restbedrag van de lening zal wel ter beoordeling worden toegelaten in deze procedure. Ten aanzien van de lening heeft de rechtbank in het tussenvonnis ook beslist over het restbedrag van die lening. Onder rechtsoverweging 5.23 staat dat naar voorlopig oordeel van de rechtbank moet worden uitgegaan van een restsaldo van € 61.357,=. Die beslissing over het restsaldo is gebaseerd op de stellingen van partijen met betrekking tot de renteberekeningen. [partij B] heeft bij zijn akte na tussenvonnis onder producties 59 en 60 nieuwe meer specifieke stukken overgelegd. Het gaat met betrekking tot het restsaldo van de lening met name om de akte van kwijtschelding van zijn vader van 10 april 2019, waarin is vastgesteld dat de lening nog een bedrag van € 59.476,= bedraagt. Hoewel het op de weg van [partij B] had gelegen om dit stuk uit 2019 al eerder in het geding te brengen, zal de rechtbank deze productie toch in de procedure toelaten. De hoogte van het restbedrag van de lening is in het tussenvonnis immers expliciet als een voorlopig oordeel opgenomen. Daarmee geeft de rechtbank aan dat het oordeel over dat bedrag nog kan worden bijgesteld. De rechtbank ziet aanleiding de akte van kwijtschelding wel te betrekken bij de oordeelsvorming, omdat dit een meer concreet document is dan de algemene stellingen van partijen over de renteberekening zoals weergegeven in r.o. 5.23 van het tussenvonnis. Dit document ligt bovendien in het verlengde van het partijdebat en het is een overzichtelijk stuk. Alvorens dat te doen zal de rechtbank [partij A] in de gelegenheid stellen om zich hierover nog uit te laten. [partij A] mag bij antwoordakte reageren op de producties 59 en 60.
Voorgeschoten kosten en wijzigingen van eis
2.9.
In het tussenvonnis van 1 maart 2023 is onder rechtsoverweging 5.16 overwogen dat [partij A] moest toelichten hoe de verrekening van de voorgeschoten energiekosten volgens haar moet gebeuren. Ten aanzien van kosten die door [partij B] ten behoeve van de panden zijn betaald is hetzelfde bepaald onder 5.17 van het tussenvonnis.
2.10.
Voor zover [partij B] na het tussenvonnis in zijn akte (onder randnummers 12 t/m 20) en zijn antwoordakte (onder randnummers 15 t/m 22) dit oordeel van de rechtbank ter discussie wil stellen, gaat de rechtbank aan het betoog van [partij B] voorbij. Over deze geschilpunten is reeds gedebatteerd in de processtukken voorafgaand aan het tussenvonnis van 1 maart 2023 en daarover heeft de rechtbank vervolgens in het tussenvonnis een beslissing genomen. Het strookt niet met de goede procesorde om deze beslissing nogmaals aan een beoordeling te onderwerpen en er is ook geen grondslag om terug te komen op deze bindende eindbeslissingen.
2.11.
Beide partijen hebben hun eis gewijzigd/vermeerderd in verband met kosten van de nalatenschap die door [partij A] of door [partij B] zijn voorgeschoten. [partij A] heeft haar vordering gewijzigd omdat de kosten ten behoeve van de panden doorlopen tijdens de periode dat de onderhavige procedure bij de rechtbank voortduurt. Deze doorlopende kosten vallen binnen de reikwijdte van de eerdere vorderingen en beslissingen. De rechtbank zal deze opgave van kosten te zijner tijd betrekken in het nog te wijzen eindvonnis. [partij B] heeft zijn eis gewijzigd omdat hij na tussenvonnis zijn administratie nogmaals heeft bestudeerd en daarbij tot de conclusie kwam dat hij meer kosten heeft gemaakt dan hij aanvankelijk in de procedure heeft genoemd. De bewijsstukken heeft [partij B] bij akte van 29 maart 2023 bijgevoegd in productie 58. Abusievelijk staat in de akte van [partij B] onder randnummer 27 vermeld dat de bewijsstukken in productie 57 zijn overgelegd. Verderop in zijn conclusie, onder randnummer 31 wijst [partij B] wel de juiste productie aan. Aangezien over de door [partij B] betaalde gemeentelijke heffingen al bij vonnis van 1 maart 2023 is geoordeeld dat deze voor rekening van de nalatenschap komen, kan dat naar het oordeel van de rechtbank ook voor het gecorrigeerde en met stukken onderbouwde bedrag van deze kosten gelden. [partij B] heeft toegelicht dat is gebleken dat hij voor de beoordeelde posten in plaats van € 2.603,01 een bedrag van € 3.331,37 heeft voorgeschoten. [partij A] mag op productie 58 reageren voordat de rechtbank hierover een beslissing geeft.
Rente over de schenking aan [partij B] uit 1995
2.12.
Deze schenking is besproken in het tussenvonnis van 1 maart 2023 (onder 5.27 en 5.28). Daarin is de hoogte van het aan [partij B] toekomende bedrag vastgesteld, namelijk een bedrag van € 15.882,31. Verder is overwogen dat [partij B] recht heeft op een rentevergoeding daarover over een periode van vijf jaar. Die periode van vijf jaar is namelijk in overeenstemming met het standpunt van [partij A] hierover, zoals opgenomen in de dagvaarding en met de vordering van [partij B] in reconventie onder [naam 2] is in de eerdere processtukken niet verder ingegaan op de renteperiode van vijf jaar.
2.13.
[partij B] heeft in zijn akte na het tussenvonnis van 1 maart 2023 zijn eis ten aanzien van de rente over het schenkingsbedrag vermeerderd, in die zin dat hij aanspraak maakt op wettelijke rente over het geschonken bedrag vanaf 31 december 1998. De rechtbank wijst de vermeerdering van eis af. Dat doet de rechtbank op grond van het volgende.
2.14.
De goede procesorde brengt mee dat de rechtbank niet snel zal terugkomen op dat oordeel. Zonder verdere toelichting en zonder verdere onderbouwing met bewijsstukken maakt [partij B] nu aanspraak op rente over een langere periode. De combinatie van de beslissing bij tussenvonnis op basis van de eerdere processtukken voor het tussenvonnis en het ontbreken van een verdere onderbouwing na het tussenvonnis, maken dat er nu geen grond is voor de vermeerdering van eis van [partij B].
Saldo ervenrekening
2.15.
De rechtbank heeft kennis genomen van hetgeen partijen al dan niet na tussenvonnis hebben toegelicht over de verdeling van het saldo op de ervenrekening. De beslissing over de verdeling van het saldo op de ervenrekening wordt aangehouden.
Verdere beslissingen
2.16.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.
3. De beslissing
De rechtbank,
In conventie en in reconventie,
met betrekking tot de benoeming van een deskundige:
3.1.
benoemt tot deskundige:
Jorrit Julius RT, taxateur,werkzaam bij Rodenburg Bedrijfsmakelaars,kantoorhoudende aan het adres Paslaan 20 te Apeldoorn,telefoon: 06-41528163
3.2.
de deskundige wordt gevraagd de volgende vragen te beantwoorden:
- 1.
Wat is de actuele waarde in het economisch verkeer van de panden aan de [adres 1] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] te [woonplaats 2]?
- 2.
Kunnen de panden [huisnummer 1] en [huisnummer 2] verticaal gesplitst worden?
- 3.
a) Kunt u aangeven of het klopt dat er een cv-ketel is in het pand van [huisnummer 2]?
b) Welke ruimtes worden vanuit die cv-ketel verwarmd?
c) Kunt u daarbij ook specifiek ingaan op de vraag of voor de oogmeetkamer gebruik wordt gemaakt van die cv-ketel?
d)Heeft de cv-ketel in het pand op [huisnummer 2] een aftakking naar de optiekonderneming op [huisnummer 3] en/of de oogmeetkamer behorend bij die onderneming?
4. [partij A] heeft een gedeelte van pand [huisnummer 2] in gebruik als oogmeetkamer. Wat is de gebruiksvergoeding c.q. huurprijs in het economisch verkeer per maand per vierkante meter van het pand op [huisnummer 2]?
3.3.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het bedrag van € 1.750,00 exclusief BTW (€ 2.117,50 inclusief BTW);
3.4.
bepaalt dat iedere partij de helft van het voorschot, dat wil zeggen een bedrag van € 875,00 exclusief BTW (€ 1.058,75 inclusief BTW) dient over te maken, binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;
3.5.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;
met betrekking tot het onderzoek van de deskundige:
3.6.
bepaalt dat de griffie dit vonnis in afschrift aan de deskundige zal doen toekomen,
3.7.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zal instellen op de door hem in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.8.
wijst de deskundige er op dat:
- het deskundigenonderzoek dient plaats te vinden met inachtneming van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Leidraad-deskundigen-WT.pdf) en onverminderd het bepaalde in de artikelen 194-200 Rv,
- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot mag starten,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk moet staken en contact moet opnemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
3.9.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
met betrekking tot de rapportage door de deskundige:
3.10.
wijst de deskundige er op dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken zijn oordeel is gebaseerd,
- de hij eerst een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, en dat partijen de gelegenheid krijgen om daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
3.11.
bepaalt dat partijen binnen twee weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit door hem aan partijen is toegezonden, en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
3.12.
draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot het definitieve rapport schriftelijk en ondertekend in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
procedure na ontvangst deskundigenbericht
3.13.
bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van woensdag 25 oktober 2023 voor het indienen van het deskundigenbericht, waarna de zaak opnieuw zal worden verwezen naar de rol voor conclusie na deskundigenbericht aan beide zijden op een termijn van vier weken,
3.14.
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken, of
- bij eventueel eerder ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van beide partijen op een termijn van vier weken;
3.15.
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
en voor het overige:
3.16.
stelt [partij A] in de gelegenheid zich voor of uiterlijk op de rolzitting van 26 juli 2023 uit te laten als hiervoor omschreven onder 2.8 en 2.11 van dit tussenvonnis over de producties 58 tot en met 60;
3.17.
draagt partijen op binnen 8 weken na vandaag opkopers te benaderen voor de verkoop van de inventaris van de handwerkwinkel en de verkoop aan de hoogste bieder, zoals weergegeven in r.o. 2.5. Partijen mogen zich in de conclusie na deskundigenbericht ook uitlaten over de verdeling van die opbrengst;
3.18.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2023.
Uitspraak 01‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Partijen zijn familie van elkaar. De ouders van partijen zijn beiden in 2019 overleden. De nalatenschap van de ouders is positief. Uit hoofde van de nalatenschap van moeder hebben partijen destijds een vordering op vader gekregen. Partijen hebben de nalatenschap van vader zuiver aanvaard. Het is partijen niet gelukt om de nalatenschap van hun ouders in onderling overleg te verdelen. In deze procedure hebben partijen over en weer vorderingen ingesteld, die ertoe moeten leiden dat de verdeling van de nalatenschap van vader tot stand komt. Het betreft hier een tussenvonnis met daarin het voornemen om een deskundige (taxateur) te benoemen, enkele (voorlopige) deelbeslissingen en de opdracht aan partijen om nadere inlichtingen te verschaffen.
Partij(en)
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/281372 / HA ZA 22-179
Vonnis van 1 maart 2023
in de zaak van
[A] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [A] ,
advocaat: mr. A.J. Boer te Doetinchem,
tegen
[B] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [B] ,
advocaat: mr. B.P.G. Dijkers te Twello.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 augustus 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte vermeerdering eis in conventie van [A] , met aanvullende producties (48 t/m 53);
- de akte houdende wijziging van eis in reconventie en gewijzigd petitum van [B] , met aanvullende producties (48 t/m 53);- de akte vermeerdering eis in conventie van [A] met aanvullende producties (54 t/m 57);- akte houdende aanvullende producties (55 en 56) van [B] ;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 31 oktober 2022 met de pleitnotities van beide partijen;
- de brief van mr. Boer van 21 november 2022 met opmerking ten aanzien van het proces-verbaal (deze brief is achter het proces-verbaal gevoegd);
- het emailbericht van mr. Dijkers van 29 november 2022 met opmerkingen ten aanzien van het proces-verbaal (dit stuk is achter het proces-verbaal gevoegd);
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2. Waar de zaak over gaat
Partijen zijn familie van elkaar: [A] is de zus van [B] . De ouders van partijen zijn beiden in 2019 overleden. De nalatenschap van de ouders is positief. Uit hoofde van de nalatenschap van moeder hebben partijen destijds een vordering op vader gekregen. Partijen hebben de nalatenschap van vader zuiver aanvaard. Het is partijen niet gelukt om de nalatenschap van hun ouders in onderling overleg te verdelen. In deze procedure hebben partijen over en weer vorderingen ingesteld, die ertoe moeten leiden dat de verdeling van de nalatenschap van vader tot stand komt.
3. De feiten
3.1.
[B] en [A] zijn broer en zus van elkaar. Hun beide ouders zijn in 2019 overleden. Hun moeder, [C] , geboren op [geboortedatum] , is overleden te [plaats] op [datum] . Hun vader, [D] , geboren [geboortedatum] , is overleden te [plaats] op [datum] . Vader en moeder waren in gemeenschap van goederen gehuwd en dit huwelijk is geëindigd door het overlijden van moeder.
3.2.
De ouders hebben ieder bij testament, opgemaakt op 12 september 2018, beschikt over hun nalatenschap. Moeder heeft haar echtgenoot en kinderen tot erfgenamen benoemd en zij heeft de wettelijke verdeling van artikel 4:13 BW op haar nalatenschap van toepassing verklaard. Als gevolg daarvan heeft vader na haar overlijden van rechtswege de goederen van haar nalatenschap verkregen. De beide kinderen hebben destijds een geldvordering verkregen ten laste van vader en overeenkomend met de waarde van ieders erfdeel minus ieders aandeel in de schulden en kosten van de nalatenschap.
3.3.
Vader heeft in zijn testament, voor het geval hij na zijn echtgenote kwam te overlijden, zijn beide kinderen tot erfgenamen benoemd, ieder voor gelijke delen.
3.4.
In de beide testamenten van de ouders is onder IV bepaald: Mijn afstammelingen zijn niet verplicht tot inbreng in mijn nalatenschap van giften die zij – in welke vorm ook – van mij hebben genoten, tenzij door mij bij het doen van een gift schriftelijk uitdrukkelijk het tegendeel mocht zijn bepaald.
3.5.
Op 15 oktober 2019 is een verklaring van erfrecht opgemaakt met betrekking tot de nalatenschap van vader. Nadien heeft de notaris bij brief van 23 september 2020 aan [B] meegedeeld dat in de verklaring van erfrecht ten onrechte is vermeld dat [A] zou zijn benoemd tot beheerexecuteur en afwikkelingsbewindvoerder en dat na het overlijden van vader (als langstlevende) heeft te gelden dat [B] en [A] gelijkelijk bevoegd zijn ten aanzien van de afwikkeling van de nalatenschap.
3.6.
[B] en [A] hebben beiden de nalatenschap van vader zuiver aanvaard.
3.7.
De voormalige woning van de ouders, gelegen te [plaats] aan [het adres] is door [B] en [A] in onderling overleg verkocht voor € 600.000,=. Na verkoop en levering op [het adres 3] april 2020 resteerde daarvan een bedrag van € 594.709,90. Dat bedrag is gestort op de ervenrekening.
3.8.
In het verleden, namelijk bij notariële akte van [het adres 3] december 1995, hebben de ouders samen aan hun zoon een schenking gedaan van vijfendertigduizend gulden (f. 35.000,=). Het betrof een schenking door schuldigerkenning en de schenkers hebben zich daarbij verbonden om jaarlijks over het schuldig erkende bedrag een in onderling overleg te bepalen rente te betalen. Verder is bepaald dat de hoofdsom (met de restant rente) voor het eerst opeisbaar is drie maanden na het overlijden van de langstlevende ouder.
3.9.
Eveneens in het verleden, namelijk op of omstreeks 15 januari 2001, is een overeenkomst genaamd ‘overeenkomst van geldlening’ opgemaakt tussen vader [D] en zoon ( [B] ). Het stuk is ondertekend door vader en moeder enerzijds en de zoon en diens echtgenote anderzijds. Op het moment van overlijden van vader resteerde van deze lening nog een niet afgelost bedrag. In de betreffende overeenkomst is onder meer opgenomen:
In aanmerking nemende dat:
- schuldeiser aan schuldenaar in 1998 een lening heeft verstrekt welke per 31 december 2000 een gezamenlijk bedrag van NLG 165.000/EURO 74.874 (…) bedraagt;
- de Lening is verstrekt ter financiering van de verwerving van een woonhuis met aangehorigheden van schuldenaar gelegen [het adres] te [plaats] ;
- schuldeiser aan schuldenaar de Lening nader wenst vast te leggen onder de in deze overeenkomst vervatte voorwaarden.
In artikel 5 van de overeenkomst is ten aanzien van rente bepaald:
Schuldenaar verplicht zich over het nog niet afgeloste nominale bedrag van de Lening rente te betalen welke jaarlijks in onderling overleg tussen partijen zal worden vastgesteld. Over het eerste jaar 2001 zal deze rente [het adres 2] % bedragen. Deze rente is bij nabetaling te voldoen in één termijn, uiterlijk op 31 december van ieder jaar. De eerste rentebetaling vindt uiterlijk plaats op 31 december 2001 over het alsdan verstreken tijdvak, te rekenen vanaf 1 januari 2001.
3.10.
De vader van partijen heeft in het verleden een [winkel] geëxploiteerd. [A] heeft met haar echtgenoot omstreeks 2006 de exploitatie daarvan overgenomen. De [winkel] is gevestigd in het pand aan [het adres 4] . Dit pand is eigendom van [A] en haar echtgenoot en dit pand ligt naast het pand van [het adres 3] en daarnaast ligt [het adres 2] . De panden aan [het adres 2] en [het adres 3] zijn eigendom van de erfgenamen. De [kamer] van de [winkel] betreft een ruimte in het pand van nummer [het adres 3] . Deze ruimte is toegankelijk vanuit de winkel op nummer 10 .
3.11.
De moeder van partijen had in het verleden een [winkel] op de begane grond van de panden aan [het adres 2] en [het adres 3] . De panden staan op de begane grond met elkaar in verbinding. Moeder heeft daarin gewerkt totdat zij in 2017 ziek werd.
3.12.
Als voorschot op de verdeling heeft [A] vanaf de ervenrekening zowel aan [B] als aan zichzelf een bedrag uitgekeerd van € 75.000,=.
3.13.
Op 28 september 2020 heeft [B] de ervenrekening bij de ING bank laten blokkeren.
4. Het geschil
in conventie
4.1.
[A] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- 1.
zal bevelen dat de winkelvoorraad dient te worden verkocht door uitnodiging van 3 opkopers, waarna verkoop aan de hoogstbiedende opkoper dient plaats te vinden;
- 2.
de nalatenschap van de vader van partijen, overleden op [datum] , zal verdelenen dat daarbij aan [A] wordt toebedeeld:- het registergoed staande en gelegen [het adres 3] , kadastraal bekend [nummer] ,- de vordering op [A] , wegens (gedeeltelijk) gebruik [het adres 3] ad € 5.491,70,- Mercedes Benz, type C180, [kenteken] , bouwjaar 2001,- uit de banksaldi een bedrag groot € 290.763,14,- de helft van de opbrengst van de winkelvoorraad,en dat daarbij aan [B] wordt toebedeeld:- het registergoed staande en gelegen te [plaats] aan de [het adres 2] , kadastraal bekend [nummer] ,- Mini, Type One, [kenteken] , bouwjaar 2004,- de vordering uit lening op [B] pro resto € 61.357 verminderd met de schuld aan [B] van € 15.882,31,- de vordering contractuele rente [het adres 2] % over de vordering gedurende 5 jaar ad € 7.585,10 verminderd met de renteschuld aan [B] van € 1.653,06,- de vordering op [B] , wegens gebruik van [het adres 3] van € 24.551,12,- uit de banksaldi een bedrag van € 140.781,68,- de helft van de opbrengst van de winkelvoorraad;
- 3.
zal bepalen dat de uitspraak van de rechtbank dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte tot levering van de registergoederen genoemd onder 2, althans dat die uitspraak in de plaats van deze akte zal treden,althans, gedaagde zal veroordelen om op eerste verzoek van de met de levering belaste notaris alle redelijkerwijs door deze verlangde medewerking te verlenen bij het opmaken van een akte van levering van voormelde registergoederen, zulks binnen 10 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 2.500 voor elke dag of gedeelte van een dag dat gedaagde na verloop van die termijn in gebreke blijft die medewerking te verlenen,
- 4.
[B] zal veroordelen in de kosten en de nakosten van de procedure en de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis voor zover die kosten niet binnen die termijn zijn voldaan.
4.2.
[A] heeft vervolgens tot twee maal toe haar eis vermeerderd: Zij wil aanvullend uit de nalatenschap vergoed krijgen een bedrag van € 530,86 (voorgeschoten energiekosten) en een bedrag van € 209,94 (kosten NEN keuring) alsmede een bedrag van € 1.729,19 (bestaande uit: energiekosten gemaakt in augustus, september, oktober 2022 van € 246,54; een factuur van Vitens € 45,61; een factuur voor werkzaamheden firma [H] , als gevolg van de NEN keuring, van € 1.437,04)
in reconventie
4.3.
[B] vordert in reconventie:
- A.
Verdeling van [het adres 2] en [het adres 3] , kadastraal bekend [nummer] respectievelijk [nummer] , te gelasten op volgende wijze:Primair: toedeling van pand [het adres 2] aan [B] en pand nummer [het adres 3] aan [A] onder gelijktijdige gehoudenheid van partijen de WOZ-waarde van € 85.000 van beide panden gezamenlijk te vergoeden aan de nalatenschap, oftewel de panden zonder verdere verrekening te verdelen;Subsidiair: alvorens de twee panden te verdelen een ter zake deskundige te benoemen om de waarde van de beide panden vast te stellen, en om daarna het pand van [het adres 2] toe te delen aan [B] en het pand van nummer [het adres 3] toe te delen aan [A] , onder gelijktijdige gehoudenheid de een te veroordelen tot betaling van een eventuele overwaarde aan de ander;Meer subsidiair: de twee (bedrijfs)panden te verdelen op een wijze die de rechtbank juist en redelijk voorkomt;
- B.
Veroordeling van [A] tot betaling aan [B] van een gebruiksvergoeding ten bedrage van € 29.076,45 per jaar (dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag) wegens het uitsluitend gebruik van de (bedrijfs)panden [het adres 2] en [het adres 3] , zulks met ingang van [datum] tot het moment waarop beide panden krachtens notariële eigendom zijn verdeeld (dan wel een door de rechtbank te bepalen andere datum en bedrag);
- C.
Verklaring voor recht dat de twee personenauto’s, te weten de Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] en de Mini met kenteken [kenteken] niet tot de nalatenschap van vader behoren, dan wel te verklaren voor recht dat beide auto’s feitelijk zijn verdeeld zonder dat in dat kader nog enige verrekening behoeft plaats te vinden, dan wel de beide auto’s te verdelen op een wijze die de rechtbank rechtens juist en redelijk voorkomt;
- D.
e verdeling van de bankrekeningen te gelasten aldus, dat partijen de bankrekeningen binnen twee weken na afgifte van het te wijzen eindvonnis dienen op te heffen onder gelijktijdige bepaling dat ieder van partijen is gerechtigd tot ontvangst van de exacte helft van het op het moment van verdeling batig saldo, dan wel (subsidiair) de bankrekeningen te verdelen onder gelijktijdige verrekening van de saldi op een datum, bedrag en wijze die de rechtbank rechtens juist en redelijk voorkomt;
- E.
Te bepalen (primair) dat de nalatenschap niets meer te vorderen heeft van [B] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst d.d. 15 januari 2001, dan wel (subsidiair) alvorens verder te beslissen, [A] te veroordelen alle jaarstukken van 1995 tot en met 2005 alsook de jaarstukken 2017 t/m 2019 in het geding te (doen) brengen, opdat de omvang kan worden vastgesteld van de door ouders aan [A] verstrekte gelden – hetzij ten titel van schenking dan wel geldleningsovereenkomst – onder gelijktijdige veroordeling tot terugbetaling door [A] aan de nalatenschap van de door ouders aan [A] verstrekte gelden dan wel (meer subsidiair ) een beslissing te nemen die de rechtbank rechtens juist voorkomt;
- F.
Te bepalen dat [B] gerechtigd is tot ontvangst van een bedrag van € 15.398,00 uit de nalatenschap, te vermeerderen met de wettelijke rente over de afgelopen 5 jaar;
- G.
Te bepalen dat [A] is gehouden de energielasten voor eigen rekening te houden onder gelijke veroordeling van [A] tot betaling van € 4.175 aan de nalatenschap, dan wel een door de rechtbank te bepalen ander bedrag;
- H.
[A] op grond van artikel 843a Rv te gelasten de jaarstukken van haar onderneming van de jaren 1995 tot en met 2005 als ook de jaarstukken 2017, 2018 en 2019 binnen twee weken na afgifte van het daartoe te wijzen tussenvonnis in het geding te brengen op straffe van een dwangsom van € 500 voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft (dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag daarvoor) nadat het daarover gewezen (tussen)vonnis rechtsgeldig aan haar is betekend;
- I.
Te bepalen dat [A] de abonnementskosten voor de Energiewachtgroep ten bedrage van € 149,33 voor eigen rekening dient te houden, onder gelijktijdige veroordeling van [A] tot betaling van het bedrag van € 149,33 aan de nalatenschap (dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag);
- J.
Te bepalen dat [B] is gerechtigd tot ontvangst van € 85,00 van de nalatenschap (dan wel een door de rechtbank te bepalen ander bedrag), in verband met het feit dat [B] de betaling van een bestuurlijke boete van € 170 heeft voorgeschoten, terwijl dit volgens hem een schuld van de nalatenschap is;
- K.
Te bepalen dat [B] is gerechtigd tot ontvangst van een bedrag van € 1.301,51 van de nalatenschap (dan wel een door de rechtbank te bepalen ander bedrag), in verband met het feit dat [B] de betaling van gemeentelijke heffingen heeft voorgeschoten terwijl dit volgens hem kosten van de nalatenschap zijn;
- L.
[A] te gelasten, op grond van artikel 843a Rv, alle bankafschriften van de ervenrekening, gehouden bij de ING-bank met IBAN kenmerk [rekeningnummer], over de periode van [datum] t/m heden in het geding te brengen binnen twee weken na afgifte van een hiertoe te wijzen tussenvonnis op straffe van een dwangsom van € 500 voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee na betekening van dat vonnis in gebreke blijft (dan wel een door de rechtbank vast te stellen ander bedrag daarvoor);na akte vermeerdering eis aangevuld met:
- M.
[A] te gelasten, op grond van artikel 843a Rv, de volgende stukken in het geding te brengen, namelijk (1) vermogensoverzicht 2005-2006 en de schuldenpositie, (2) het volledige memo d.d. 02.08.2006 van [E] aan [F] en (3) de koopovereenkomst aandelen [bedrijfsnaam] en een correcte berekening, dit alles binnen twee weken na afgifte van het te wijzen (tussen)vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500 voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft nadat het (tussen)vonnis aan haar is betekend (dan wel een door de rechtbank vast te stellen andere bedrag voor de dwangsom);
4.4.
Daarnaast vordert [B] , zowel in conventie als in reconventie, veroordeling van [A] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de datum van het instellen van de vordering, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum, tot aan de dag van volledige betaling, en veroordeling van [A] in de nakosten van de procedure te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de 16e dag na de dag dat de rechtbank het vonnis heeft gewezen tot aan de dag van volledige betaling, dan wel subsidiair te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In conventie en in reconventie
4.5.
Partijen hebben over en weer in conventie en in reconventie verweer gevoerd tegen de ingestelde vorderingen.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
in conventie en in reconventie
algemeen, over de procedure
5.1.
De vorderingen van partijen hebben betrekking op de verdeling van de nalatenschap van hun vader en daarmee indirect de nalatenschap van hun moeder. Partijen zijn het erover eens dat zij ieder een even grote vordering hebben op (de nalatenschap van) vader uit hoofde van de nalatenschap van moeder. Partijen hebben hun vorderingen uit de nalatenschap van hun moeder niet op een concreet bedrag bepaald. Zij gaan er vanuit dat de verdeling van de nalatenschap van hun moeder (indirect) tot stand komt tegelijk met de verdeling van de nalatenschap van vader, omdat hun erfdelen als broer en zus in beide nalatenschappen gelijke delen betreffen. Daarmee heeft de verdeling van de nalatenschap die vader als langstlevende heeft nagelaten, in wezen betrekking op de nalatenschappen van de beide ouders. De rechtbank volgt dit uitgangspunt van partijen. [B] en [A] zijn beiden deelgenoten van die tot nu toe onverdeelde nalatenschap van vader. Op de vordering tot verdeling daarvan is artikel 3:185 BW van toepassing.
5.2.
[A] wil dat de rechtbank tot verdeling van de nalatenschap van vader overgaat. Dat heeft zij zo gevorderd. [B] wil dat de rechtbank alleen de wijze van verdelen zal vaststellen en dat de feitelijke verdeling daarna met inachtneming van het vonnis van de rechtbank aan partijen wordt overgelaten. De vorderingen in conventie en in reconventie hangen weliswaar met elkaar samen maar zijn dus niet aan elkaar gelijk. De rechtbank gaat er vanuit dat ieder van partijen een eigen belang heeft bij zijn of haar vorderingen. De rechtbank zal daarom in deze procedure zowel in conventie als in reconventie beslissen over de vorderingen die zijn voorgelegd.
5.3.
De rechtbank benadrukt dat dit vonnis een tussenvonnis betreft. Het is namelijk in dit stadium van de procedure nog niet mogelijk om op alle geschilpunten te beslissen. Dat houdt onder andere verband met het feit dat er discussie bestaat over de waarde van bepaalde bestanddelen die tot de boedel van de nalatenschap behoren. Hierna volgt een verdere bespreking en een (gedeeltelijke) beoordeling van de vorderingen van partijen.
Vordering van [B] tot afgifte van stukken door [A] (843a Rv)
5.4.
[B] heeft in meerdere vorderingen gevraagd om afgifte van stukken door [A] . Het gaat om de volgende stukken:
a. a) de jaarstukken van de onderneming van [A] ( [winkel] ) over de jaren 1995 tot en met 2005 als ook de jaarstukken over 2017, 2018 en 2019 (gevorderd onder E en H in reconventie);
b) alle bankafschriften van de ervenrekening vanaf [datum] tot heden (gevorderd onder L in reconventie);
c) (1) vermogensoverzicht 2005-2006 en de schuldenpositie, (2) het volledige memo d.d. 02.08.2006 van [E] aan [F] en (3) de koopovereenkomst aandelen [bedrijfsnaam] en een correcte berekening (gevorderd onder M in reconventie).
Als redenen voor deze vorderingen heeft [B] aangevoerd dat uit die stukken kan blijken wat de omvang is van de in het verleden door de ouders aan [A] verstrekte gelden (schenkingen of leningen) en om na te kunnen gaan of er schenkingen aan [A] zijn verrekend binnen haar onderneming. Het doel van die informatie is dat bepaald kan worden wat [A] nog moet terugbetalen aan de nalatenschap.
5.5.
De rechtbank wijst de vorderingen met betrekking tot de stukken genoemd onder a en c (o.a. jaarstukken en vermogensoverzichten) af op grond van het volgende. In het testament van de ouders is opgenomen dat er geen inbrengverplichting bestaat. In algemene zin geldt dus dat de gevraagde informatie alleen relevant is, als daaruit blijkt dat aan [A] een lening is verstrekt, of een schenking met een schriftelijke inbrengverplichting. Voor zover het bij de afgifte van genoemde stukken zou gaan om duidelijkheid te verkrijgen over een al dan niet omstreeks 2004 aan [A] verstrekt bedrag van vijftigduizend euro merkt de rechtbank het volgende op. [B] heeft een kopie van de eerste pagina van een brief van [het adres 3] december 2004 gericht aan zijn vader overgelegd. In dat gedeelte van die brief staat iets geschreven over een bedrag (van € 50.000) dat aan [A] zou zijn verstrekt. Echter onduidelijk is van wie de brief afkomstig is en of het genoemde bedrag zou zijn verstrekt als schenking of als geldlening. Nu niet uit het stuk blijkt dat [A] een lening heeft ontvangen en er bovendien gebreken aan dit stuk kleven (geen ondertekening en geen afzender bekend) is dit stuk onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat vader een schenking of lening heeft verstrekt aan [A] . Daar komt bij dat [A] heeft betwist dat haar een dergelijk bedrag is verstrekt (niet als schenking en niet als lening). In de vermogensoverzichten van de ouders van 2003-2005 staat ook geen lening aan [A] vermeld, terwijl daar wel een lening aan [B] (‘lening aan de zoon’) is opgenomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat [B] ten aanzien van dit bedrag te weinig feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit zou kunnen volgen dat dit bedrag een rol zou kunnen spelen in de onderhavige verdelingskwestie. Deze stellingen zijn in het verlengde daarvan ook onvoldoende om de vordering met betrekking tot de afgifte van de genoemde stukken toe te wijzen. [B] heeft ook geen andere concrete feiten gesteld over mogelijke leningen of schenkingen aan [A] . Er bestaat daarom geen aanleiding om de door [B] onder a. en c. (zoals genoemd in r.o. 5.4.) gewenste stukken in de procedure te laten inbrengen door [A] . Daar komt bij dat als er uit de bedoelde stukken al informatie naar voren zou komen over bedragen die aan [A] zouden zijn geschonken, die informatie niet relevant is voor de verdeling van de nalatenschap van de ouders nu het testament geen inbrengverplichting bevat. Daarom valt niet in te zien waarom nu toch de bedoelde stukken moeten worden afgegeven om eventuele schenkingen aan [A] inzichtelijk te maken. In zoverre heeft [B] ook geen belang bij die vordering tot afgifte van de stukken in de zin van artikel 843a Rv.
5.6.
Ten aanzien van de bankafschriften van de ervenrekening vanaf [datum] (weergegeven onder b. in r.o. 5.4) is relevant dat deze al aan [B] zijn verstrekt. [A] heeft dat immers verklaard op de mondelinge behandeling. [B] heeft daarom bij afgifte daarvan geen belang meer.
De panden aan de [het adres 2] en nummer [het adres 3]
5.7.
Meerdere vorderingen van partijen houden verband met de panden die onderdeel uitmaken van de nalatenschap. De rechtbank zal die vorderingen hierna achtereenvolgens bespreken.
De waarde van de panden [het adres 2] en [het adres 3]
5.8.
[A] drijft, samen met haar echtgenoot, de [winkel] op [het adres 4] . De daarnaast gelegen panden op nummer [het adres 3] en [het adres 2] maken deel uit van de te verdelen nalatenschap. Partijen zijn het er inmiddels over eens dat bij de verdeling van de nalatenschap moet worden uitgegaan van de huidige waarde van de panden in het economisch verkeer. De waarde van de panden is onderdeel van de discussie tussen partijen. Om daarover duidelijkheid te verkrijgen heeft de rechtbank behoefte aan benoeming van een deskundige. De rechtbank zal een deskundigenbericht gelasten en niet een taxateur als schatter in de zin van artikel 679 Rv. aanwijzen (zoals [A] heeft voorgesteld). De rechtbank heeft namelijk ook behoefte aan ruimere voorlichting dan alleen de waarde van de panden. Dat wordt hierna verder uitgewerkt.
Benoeming deskundige
5.9.
Een deskundige zal worden benoemd. De rechtbank heeft als deskundige bereid gevonden taxateur J. Julius RT van Rodenburg makelaars. De deskundige acht zichzelf vrij en in staat om dit onderzoek te verrichten. De deskundige begroot de kosten voor zijn onderzoek en het opstellen van een taxatierapport op een bedrag van € 1.750,00 exclusief BTW.
5.10.
De rechtbank is voornemens de volgende vragen aan de deskundige voor te leggen:
- Wat is de waarde van de panden aan de [het adres 2] en [het adres 3] in het economisch verkeer?
- Kunnen de panden gesplitst worden?
- Kunt u aangeven of het klopt dat er een cv-ketel is in pand [het adres 3] ? Welke ruimtes worden vanuit die cv-ketel verwarmd? Kunt u daarbij ook ingaan op de [kamer] ?
- Wat is de gebruiksvergoeding c.q. huurprijs in het economische verkeer per maand per vierkante meter van de panden?
5.11.
Partijen konden gezamenlijk niet tot de benoeming van een deskundige komen en [B] heeft te kennen gegeven dat de voorkeur bestond voor een door de rechtbank te benoemen deskundige. De rechtbank is dan ook voornemens om tot benoeming van de voorgestelde taxateur Julius over te gaan en om te bepalen dat partijen ieder de helft van het voorschot voor de deskundige moeten betalen. Dit zal alleen anders zijn, als tegen de benoeming van die deskundige en/of de genoemde kosten gemotiveerde zwaarwegende bezwaren bestaan. Partijen mogen zich bij akte daarover uitlaten evenals over de voorgestelde vragen aan de deskundige.
Gebruik van de panden [het adres 2] en [het adres 3]
5.12.
Tussen partijen staat vast dat [A] met de [winkel] gebruik maakt van één ruimte gelegen in het pand van nummer [het adres 3] . Zij heeft die ruimte in gebruik als [kamer] . Volgens opgave van [A] heeft die ruimte een oppervlakte van 17 m2. Bij dagvaarding heeft [A] zelf gesteld dat zij voor het gebruik van die ruimte een gebruiksvergoeding is verschuldigd aan de nalatenschap. De rechtbank zal daar ook vanuit gaan, nu [A] daar exclusief gebruik van maakt. [A] heeft berekend dat zij over de periode van [datum] tot 1 maart 2022 een gebruiksvergoeding van € 5.491,70 aan de nalatenschap verschuldigd is. Zij heeft haar berekening gebaseerd op een waardebepaling en een huurwaarde bepaling van een door haar ingeschakelde [makelaar] . [B] heeft de juistheid van die waardebepalingen betwist. Het is mede daarom nodig om een deskundige te benoemen om de waarde van het pand op nummer [het adres 3] en daarmee samenhangend de gebruiksvergoeding voor de [kamer] vast te stellen.
5.13.
[A] heeft gesteld dat [B] gebruik maakt van de overige ruimte van de benedenverdieping van de panden op [het adres 2] en nummer [het adres 3] en dat hij daarvoor ook een gebruiksvergoeding zou moeten betalen aan de nalatenschap. Dit gebruik zou bestaan uit opslag van goederen. [B] heeft betwist dat er sprake is van gebruik, maar stelt op zijn beurt dat [A] een gebruiksvergoeding voor de beide panden verschuldigd is (los van het al besproken gebruik van de [kamer] ). De rechtbank is van oordeel dat een gebruiksvergoeding voor de ruimtes buiten de reeds besproken [kamer] niet aan de orde is. Dat geldt zowel ten aanzien van [B] als ten aanzien van [A] . Uit hetgeen partijen daarover in hun processtukken hebben aangevoerd en hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken volgt dat er op de benedenverdieping van de panden op nummer [het adres 3] en [het adres] spullen staan opgeslagen, afkomstig uit de nalatenschap van moeder. Het zou gaan om een tafel, een kast en één of enkele stoelen die voor [B] zijn bestemd en om een kast van moeder die voor [A] is bestemd. Verder is in die panden nog de resterende winkelvoorraad van de voormalige [winkel] van moeder [winkel] . Het enkele feit dat daar de genoemde spullen zijn opgeslagen, kan er niet toe leiden dat er sprake is van gebruik waarvoor door [B] en/of [A] een vergoeding moet worden betaald aan de nalatenschap. Beide partijen hebben spullen opgeslagen en er is geen sprake van een exclusief gebruik, zoals bij de [kamer] wel het geval is. Dat [B] zelf geen sleutel heeft om zich de toegang te verschaffen tot de beide panden en een sleutel moet ophalen bij [A] , maakt dit niet anders. [A] heeft namelijk toegelicht dat [B] altijd die sleutel mag ophalen als hij dat wil. Andere vormen van gebruik, waarvoor mogelijk wel een gebruiksvergoeding gerechtvaardigd zou zijn, zijn door partijen niet gesteld.
5.14.
De rechtbank komt dus tot de conclusie dat met betrekking tot de te verdelen nalatenschap alleen een gebruiksvergoeding voor de [kamer] aan de orde is. Dat betreft een nog nader vast te stellen vergoeding die [A] aan de nalatenschap verschuldigd is. Voor het overige zijn [A] en [B] geen gebruiksvergoedingen voor de panden verschuldigd aan de nalatenschap. Dat betekent in conventie dat de gebruiksvergoeding ten laste van [B] , die [A] in haar vordering onder 2) heeft opgenomen, wegvalt. Het betekent in reconventie dat de vordering van [B] onder B) niet toewijsbaar is.
Energieverbruik ten behoeve van de panden [het adres 2] en [het adres 3]
5.15.
[B] stelt dat [A] in de eerste periode na het overlijden van vader ten onrechte de energienota’s (voorschotnota’s) van Essent voor de verwarming van de panden van [het adres 2] en nummer [het adres 3] vanaf de ervenrekening heeft betaald. Volgens [B] moet [A] over de periode van september 2019 tot en met september 2021 een bedrag van € 4.175,= terugbetalen aan de nalatenschap. Hij stelt dat de panden [het adres 4] , [het adres 3] en [het adres] allemaal met elkaar in verbinding staan en dat er maar één cv-ketel aanwezig is - in het pand van nummer [het adres 3] - om alle panden te verwarmen. Volgens [B] heeft [A] daarmee de verwarmingskosten van de [winkel] in rekening gebracht bij de nalatenschap, zodat zij dat bedrag moet terugbetalen. [A] betwist deze stellingen van [B] . Volgens [A] beschikt de [winkel] op [het adres 4] over een eigen cv-ketel. Daarmee wordt de [winkel] , inclusief de [kamer] verwarmd en de kosten daarvan worden in rekening gebracht bij, en betaald door, de [winkel] . Ter onderbouwing van haar verweer in reconventie en haar stelling over de betaalde energienota’s in conventie heeft [A] een emailbericht van 16 februari 2022 overgelegd van de heer [G] van ‘ [G] Installatietechniek B.V.’. Daarin schrijft [G] : Wij hebben inmiddels uitgezocht dat de installaties in de [kamer] in het naastgelegen pand op nummer [het adres 3] afgetakt zijn van de bemeting op [het adres 4] . De verwarming is ook afgetakt van de CV ketel op [het adres 4] evenals het elektra en water. Er wordt dus in uw bedrijf geen energie gebruikt vanaf de aansluiting van huisnummer [het adres 3] . De rechtbank is van oordeel dat [A] daarmee voldoende heeft onderbouwd dat de [winkel] alleen energie gebruikt vanuit haar eigen installaties op [het adres 4] . Het verweer van [B] dat de verklaring van [G] ook zou kunnen betekenen dat er ten behoeve van de [winkel] op [het adres 4] is afgetakt van de cv- installatie op nummer [het adres 3] , passeert de rechtbank als onvoldoende aannemelijk. Voorshands is de rechtbank van oordeel dat de [winkel] alleen energie gebruikt vanuit haar eigen installatie op [het adres 4] . [B] heeft uitdrukkelijk (deskundigen)bewijs aangeboden op dit punt. De rechtbank is al voornemens een deskundige te benoemen voor de taxatie van de panden (r.o. 5.10). Die deskundige kan ook de feitelijke situatie ten aanzien van de cv-ketel onderzoeken. [B] krijgt daarmee de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands oordeel dat de [winkel] alleen energie gebruikt vanuit haar eigen installaties op [het adres 4] .
5.16.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de energiekosten aan. Daarop vooruitlopend wil de rechtbank wel een nadere toelichting van partijen ten aanzien van hun eis met betrekking tot eventuele voorgeschoten bedragen. [A] heeft betoogd dat zij de verwarmingskosten ten onrechte heeft voorgeschoten nadat [B] de automatische incasso van Essent beëindigde en dat zij ook andere kosten ten behoeve van de panden zoals kosten voor water en verzekering zelf heeft betaald. Door [A] is nog niet toegelicht hoe dat in het kader van de verdeling van de nalatenschap concreet moet gebeuren, als die vordering zou worden toegewezen. [A] heeft in de dagvaarding betoogd dat dit zou moeten gebeuren via verrekening met het saldo op de ervenrekening, maar heeft dat voor de daarna bij vermeerdering van eis gevorderde bedragen nog niet concreet toegelicht. De rechtbank verzoekt [A] dat concreet toe te lichten, waarna [B] daar op mag reageren.
5.17.
[B] heeft gesteld dat ook hij betalingen heeft gedaan van kosten die voor rekening van de nalatenschap komen. Het gaat om een door hem betaald bedrag van € 170,= voor een bestuurlijke boete en een bedrag van € 2.603,01 voor gemeentelijke heffingen. De rechtbank verzoekt ook [B] concreet toe te lichten hoe deze bedragen eventueel uit de nalatenschap aan hem moeten worden voldaan, waarna [A] daar op mag reageren.
Winkelvoorraad voormalige [winkel]
5.18.
De moeder van partijen heeft in het verleden een [winkel] gehad op de begane grond van de panden op [het adres 3] en [het adres 2] . Volgens [B] zou [A] zich de winkelvoorraad hebben toegeëigend, omdat zij (een deel van) die winkelvoorraad zou hebben verkocht. Dat zou volgen uit een briefje dat op de winkeldeur van nummer [het adres 3] is geplakt en waarop staat dat de [winkel] gesloten is en dat men voor [benodigdheden] navraag kan doen in de naastgelegen [winkel] . De rechtbank is van oordeel dat dit enkele briefje onvoldoende is om daaraan de conclusie te verbinden dat [A] zich de winkelvoorraad al heeft toegeëigend. [A] heeft namelijk op de mondelinge behandeling toegelicht dat de [winkel] in 2017 is gesloten toen haar moeder ziek werd. Daarna zou in eerste instantie haar vader nog contact hebben onderhouden met vaste klanten van die winkel. In die periode is het briefje op de deur geplakt. Verder heeft [A] verklaard dat zij na het overlijden van haar vader geen relevante verkoop meer heeft gedaan. Zij heeft hooguit nog een enkele keer [benodigdheden] verkocht aan een vaste klant en de opbrengst daarvan zit volgens [A] nog in de kassa, die zich nog in het pand bevindt. Uit de verklaring van [A] valt daarom niet af te leiden dat zij zich de winkelvoorraad heeft toegeëigend. Het gevolg is dat de winkelvoorraad en de eventuele opbrengst in de kassa, behoort tot de onverdeelde nalatenschap. Ten behoeve van de verdeling moet de waarde van de winkelvoorraad nog worden vastgesteld.
5.19.
[A] heeft in dat verband gevorderd te bevelen dat de winkelvoorraad dient te worden verkocht door uitnodiging van drie opkopers, waarna verkoop aan de hoogstbiedende opkoper dient plaats te vinden. Voordat de rechtbank daarover verder zal beslissen, wordt in dit tussenvonnis eerst aan [A] opgedragen om een beschrijving te maken van de winkelvoorraad en van de inhoud van de kassalade van de voormalige [winkel] . Het doel daarvan is om een meer concrete indruk te verkrijgen van de omvang van dit deel van de nalatenschap, ook al staat de waarde daarvan dan nog niet vast.
Lening of schenking aan [B]
5.20.
De vader van partijen heeft in het verleden (in 1998) een geldbedrag verstrekt aan [B] om [B] daarmee in de gelegenheid te stellen een woning te kunnen kopen. In 2001 is hierover een en ander op papier gezet met als opschrift “overeenkomst van geldlening”. Tussen partijen is nu in geschil of het betreffende geldbedrag destijds is verstrekt als een schenking (zonder terugbetalingsverplichting) of als een lening (met terugbetalingsverplichting). [B] bepleit dat het gaat om een schenking en hij voert daartoe het volgende aan. Toen vader het geld verstrekte was er geen enkele kwalificatie aan gegeven. Later moest er vanuit fiscaal oogpunt iets op papier worden gezet over dit geldbedrag. Er is toen gekozen voor een geldleningsovereenkomst. Vader heeft de te betalen rente weer aan [B] teruggegeven in de vorm van jaarlijkse belastingvrije schenkingen en wat er overbleef van het belastingvrij te schenken bedrag werd afgeboekt op de lening zelf. Het zou volgens [B] nooit de bedoeling zijn geweest dat hij het door vader verstrekte bedrag nog eens zou moeten terugbetalen. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van [B] en is van oordeel dat er sprake is geweest van geldlening met een verplichting tot terugbetaling. Dat oordeel is gebaseerd op het volgende.
5.21.
De overeenkomst van 15 januari 2001 draagt het opschrift “overeenkomst van geldlening” en is destijds door de ouders en door [B] en zijn echtgenote ondertekend. Er is wat dat betreft sprake van een onderhandse akte en de rechtbank gaat in beginsel uit van hetgeen daarin tussen die beide partijen is overeengekomen. Het uitgangspunt is daarom dat er een lening bestaat voor een bedrag van NLG 165.000/EURO 74.874. Als er in weerwil van hetgeen op schrift is gesteld toch iets anders tussen de betreffende partijen zou zijn overeengekomen, dan moeten daarvoor overtuigende argumenten worden aangedragen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die argumenten er niet. In de overeenkomst die op schrift staat, is bepaald dat de lening moet worden afgelost en dat er rente verschuldigd is. Die rente werd ook betaald en er is kennelijk tussentijds op de lening afgelost aangezien uit een kopie van de aangifte inkomstenbelasting 2017 van vader blijkt dat de lening aan de zoon begin 2017 nog een bedrag van € 67.774 bedraagt en eind 2017 betreft dat een bedrag van € 65.164. Het feit dat vader aan zijn zoon schenkingen heeft gedaan waarmee de rente van de lening kon worden betaald en waarmee deels werd afgelost op de lening, rechtvaardigt niet de conclusie dat het totaal ter leen verstrekte bedrag als een schenking moet worden aangemerkt. Het is eerder andersom. Het feit dat er door vader schenkingen zijn gedaan ten behoeve van de betaling van rente en aflossing betekent dat er een af te lossen geldlening bestond.
5.22.
[B] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt nog aangevoerd dat er in het verleden ook een bedrag aan [A] zou zijn verstrekt. Daaruit kan volgens [B] worden afgeleid dat [B] het aan hem verstrekte bedrag ook niet hoeft terug te betalen, omdat de ouders hun kinderen gelijk wilden behandelen. De rechtbank volgt deze redenering niet. Alleen ten aanzien van [B] is een overeenkomst van geldlening opgemaakt en die geldlening komt ook terug in vermogensoverzichten van de ouders uit 2003-2005. Het document waar [B] aan ontleent dat er een bedrag (van € 50.000,00) aan [A] zou zijn verstrekt, is ook onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Dit is gemotiveerd in r.o. 5.5. hiervoor. Bovendien komt het daarin genoemde bedrag van € 50.000,00 niet overeen met het bedrag dat [B] heeft geleend, zodat ook dit niet aansluit bij de redenering van een gelijke behandeling door de ouders.
5.23.
Omdat de geldlening bij het overlijden van vader nog niet geheel was afgelost, bestaat er sindsdien een vordering van de nalatenschap op [B] . De (primaire) vordering van [B] onder E in reconventie is wat dat betreft niet toewijsbaar. Ten aanzien van de hoogte van die vordering worden er in de processtukken verschillende bedragen genoemd: een bedrag van € 61.537 (volgens dagvaarding pg 4, productie 18 en conclusie van antwoord in reconventie) en een bedrag van € 61.357 (volgens dagvaarding pg [het adres 2] onderaan en pg 10 bovenaan en de renteberekening van productie 9 en in de conclusie van antwoord van [B] onder randnummer 80 en 87). Aangezien [A] bij de renteberekening is uitgegaan van een restsaldo van € 61.357,= en [B] dit bedrag niet heeft weersproken, moet naar het voorlopig oordeel van de rechtbank van dit restsaldo worden uitgegaan. Dat betekent dat de renteberekening uit productie 9 bij dagvaarding in stand kan blijven.
5.24.
[A] heeft in haar vordering ook de overeengekomen rente van [het adres 2] % over het nog openstaande bedrag van de lening meegerekend. Bij die berekening (in haar productie 9) gaat zij uit van een restant van de lening van € 61.357,=. Weliswaar staat in het petitum van de dagvaarding dat de berekende rente van € 7.585,10 betrekking heeft op een periode van vijf jaar, maar uit de bijbehorende renteberekening van productie 9 volgt dat het in die berekening gaat om twee jaren en in de conclusie van antwoord in reconventie sluit [A] daar ook bij aan. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er in het petitum sprake is van een kennelijke verschrijving ten aanzien van de renteperiode en dat bedoeld is het rentebedrag van € 7.585,10 te vorderen zoals is berekend in productie 9.
De schenking aan [B] uit 1995
5.25.
Tussen partijen staat vast dat de ouders bij leven aan [B] een schenking hebben gedaan bij wijze van schuldigerkenning. Deze schenking is door de notaris vastgelegd in een akte van [het adres 3] december 1995 (productie [het adres 2] bij dagvaarding). Volgens de akte gaat het om een bedrag in guldens van fl. 35.000,-- en dat bedrag is opeisbaar vanaf drie maanden na het overlijden van de langstlevende schuldenaar. Omgerekend in euro’s betreft deze schenking een bedrag van € 15.882,31. Bij dagvaarding gaat [A] uit van dat bedrag en in zijn conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie gaat [B] daar ook vanuit. [B] noemt in zijn vordering onder F bij akte wijziging van eis, opeens en zonder verdere toelichting, een bedrag van € 15.398,=. Dit gewijzigde bedrag is gelet op het voorgaande zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en onvoldoende onderbouwd. Mede, omdat [B] in de spreekaantekeningen van de mondelinge behandeling ook weer uitgaat van het bedrag uit de akte van schenking van (omgerekend) € 15.882,31. De rechtbank gaat er daarom voorlopig van uit dat [B] uit hoofde van de schenkingsakte van [het adres 3] december 1995 een vordering op de nalatenschap heeft van € 15.882,31.
5.26.
Bij dagvaarding heeft [A] becijferd dat [B] in verband met voornoemde schenking recht heeft op een rentevergoeding daarover, gerekend van 17 februari 2017 tot en met 17 februari 2022, van € 1.653,06. [B] heeft in reconventie de wettelijke rente ook gevorderd over een periode van vijf jaar. [B] heeft geen verweren aangevoerd tegen de renteberekening. De rechtbank zal daarom vooralsnog uitgaan van de juistheid van de renteberekening bij dagvaarding (productie 16 bij dagvaarding).
Auto’s
5.27.
Partijen hebben gediscussieerd over twee auto’s namelijk een Mercedes en een Mini. Volgens [A] hebben haar ouders al bij leven een auto, type Mercedes geschonken aan de zoon van [A] . Aanvankelijk stelde zij in deze procedure dat de Mercedes behoort tot de nalatenschap en dat de waarde daarvan € 500,= zou bedragen, maar bij antwoord in reconventie (onder [het adres 3] ) heeft zij deze stelling en de daarbij behorende vordering ingetrokken. Verder stelt zij dat de Mini een waarde van € 3.300,= zou vertegenwoordigen en dat deze door [B] aan de nalatenschap is onttrokken. [B] zou daarmee zijn aandeel in dit goed hebben verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW. Daartegen heeft [B] gemotiveerd verweer gevoerd en hij heeft in reconventie onder C) een verklaring voor recht gevorderd dat de beide auto’s niet tot de nalatenschap van vader behoren.
5.28.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [B] onder C) in reconventie toewijsbaar is. De rechtbank gaat er namelijk vanuit dat de beide auto’s niet tot de nalatenschap behoren, omdat deze al bij leven door de grootouders aan hun kleinkinderen – namelijk aan de zoon van [A] (de Mercedes) en aan de dochter van [B] (de Mini) – zijn geschonken. De auto’s zijn daarom geen onderdeel meer van de nalatenschap en van de verdeling, waar het in deze procedure over gaat. Er is immers geen sprake van inbreng van giften. Een verdere discussie over de eventuele waarde van de auto’s hoeft daarom niet gevoerd te worden.
Verdeling van het saldo op de ervenrekening
5.29.
De rechtbank houdt de beslissing over de verdeling van het saldo op de ervenrekening aan. De verdeling daarvan kan pas worden vastgesteld als de waarde en de verdeling van de overige onderdelen van de nalatenschap zijn vastgesteld.
Samenvatting
5.30.
De rechtbank geeft de partijen de gelegenheid voor het nemen van een akte. Partijen moeten daarbij op het volgende ingaan.
5.31.
[A] mag over 4 weken een akte nemen over:
- de benoeming van een deskundige en de vaststelling van het voorschot (r.o. 5.9 – 5.11)
- toelichting op haar vermeerdering van eis in verband met voorgeschoten kosten (r.o. 5.16)
- een beschrijving van de winkelvoorraad (r.o. 5.19)
5.32.
[B] mag over 4 weken een akte nemen over:
- de benoeming van een deskundige en de vaststelling van het voorschot (r.o. 5.9 – 5.11)
- toelichting op voorgeschoten kosten (r.o. 5.17)
5.33.
Op een termijn van 4 weken daarna mogen partijen met een antwoordakte reageren op elkaars akte.
5.34.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
6. De beslissing
De rechtbank,
in conventie en in reconventie
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van 29 maart 2023 voor akte aan de zijde van [A] over de onderwerpen die hiervoor in de samenvatting onder 5.31 zijn genoemd en voor een akte aan de zijde van [B] over de onderwerpen die hiervoor in de samenvatting onder 5.32. zijn genoemd;
6.2.
stelt partijen daarna op een termijn van vier weken in de gelegenheid om te reageren op elkaars akte in een door ieder te nemen antwoordakte;
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2023. (ap)