Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/14.4
14.4 Eindconclusie
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90850:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 2.
Hoofdstukken 3 tot en met 13 en hoofdstuk 14, paragraaf 14.2.
Hoofdstuk 2, paragrafen 2.2, 2.3.2, 2.4.4, 2.5.4.
Dit is niet in strijd met de beginselen die ten grondslag liggen aan de bovengenoemde bepalingen. Zie hierover hoofdstuk 14, paragraaf 14.5. Voorzichtig: Verstijlen, TPR 2006/2, p. 1191.
Hoofdstuk 14, paragraaf 14.3.2.2 sub a.
Hoofdstuk 14, paragraaf 14.3.2.2 sub b.
Hoofdstuk 14, paragraaf 14.3.2.4.
Hoofdstuk 14, paragraaf 14.3.2.2 sub b en 14.3.2.3 sub b.
Hoofdstuk 14, paragraaf 14.3.2.2 sub a.
Hoofdstuk 14, paragraaf 14.3.2.3 sub a.
Hoofdstuk 14, paragraaf 14.3.2.2 sub c en 14.3.2.1.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388. Recent: Antwoord op vragen van de leden Van Nispenen Leijten over de sterke rechtspositie van banken in het geval van insolventie,Kamerstukken II 2017/18, 3010, p. 4.
HR 3 februari 2012, NJ 2012, 261 (Dix q.q./ING),r.o. 4.9.4.
De vier onderzochte rechtsstelsels kennen een voorrangspositie voor leverancierskrediet, evenals het DCFR en de UNCITRAL Model Law on Secured Transactions. Er is sprake van een algemeen onderschreven rechtsnorm die op vergelijkbare gronden wordt gerechtvaardigd.1 De uitwerking van de voorrangspositie voor leverancierskrediet in de vier rechtsstelsels vertoont zowel overeenkomsten als verschillen, zowel op detail- als op totaalbeeldniveau. Deze zijn uiteengezet in de hoofdstukken 3 tot en met 13.
Op grond van de rechtsvergelijking kan worden geconcludeerd dat er een tweedeling bestaat tussen de rechtsstelsels. Aan de ene kant staat het Nederlandse recht en aan de andere kant het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht. Het Nederlandse recht laat namelijk een tweeledig beeld zien, in tegenstelling tot de andere rechtsstelsels. Het Nederlandse recht biedt enerzijds een ruime voorrangspositie voor leverancierskrediet op de oorspronkelijke zaken, maar anderzijds verlengt deze voorrangspositie zich niet tot het surrogaat van deze zaken bij natrekking en vermenging met een hoofdzaak, oneigenlijke vermenging, zaaksvorming en doorverkoop.2 De andere drie betrokken rechtsstelsels kennen zowel een voorrangspositie voor leverancierskrediet op de oorspronkelijke zaken, als op de surrogaten in geval van de bewerking of doorverkoop van de geleverde zaken.
Dit is opvallend. Voor de rechtvaardiging van de voorrangspositie op de oorspronkelijke zaken en de verlenging van de voorrangspositie worden in drie rechtsstelsels de drie argumenten aangevoerd die ook ten grondslag liggen aan de rechtvaardiging van de voorrangspositie met betrekking tot de oorspronkelijke zaken in het Nederlandse recht.3 Aan het ontbreken van deze verlenging van de voorrangspositie in het Nederlandse recht lijkt geen normatieve keuze ten grondslag te liggen. In het Nederlandse recht lijkt de gedachte te bestaan dat de voorrangspositie voor leverancierskrediet vervalt als gevolg van de regels van eigendomstoewijzing bij natrekking, eigenlijke vermenging en zaaksvorming, de regels van overdracht en derdenbescherming bij doorverkoop, regels van het bewijsrecht bij oneigenlijke vermenging en de prioriteitsregel in art. 3:97 lid 2 BW.
De andere rechtstelsels laten naar mijn mening echter zien dat deze gedachte niet juist is en geen verklaring vormt door dit resultaat. Het is een rechtspolitieke keuze van de wetgever en rechter om de voorrangspositie wel of niet te verlengen in deze gevallen. De Nederlandse wetgever of rechter kan dus kiezen om het recht tot een ander resultaat te laten komen.4
Deze uitzonderingspositie van het Nederlandse recht is echter minder uitzonderlijk dan zij op het eerste gezicht lijkt. Op een aantal punten bestaat namelijk een verlengingsmogelijkheid in het Nederlandse recht en lijkt de Hoge Raad of wetgever ook gekozen te hebben voor de bescherming van de oorspronkelijke gerechtigden en daarmee voor de verlenging van de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Art. 5:14 lid 2 (jo. 5:15) BW en het Zalco-arrest tonen bijvoorbeeld dat naar geldend recht de voorrangspositie zich verlengt bij natrekking en vermenging zonder een hoofdzaak op grond van substitutie. De Hoge Raad komt tot een resultaat dat geënt is op de bescherming van de belangen van de oorspronkelijke eigenaren en pandhouders.5 Ook in geval van zaaksvorming ex art. 5:16 lid 1 BW verlengt de voorrangspositie zich tot de nieuw gevormde zaak op grond van substitutie.6
Daarnaast kan op een aantal plaatsen niet uitgesloten worden dat een verlengingsmogelijkheid bestaat naar geldend Nederlands recht, al is dit nog niet de heersende leer. Zo is de rekkelijke benadering bij oneigenlijke vermenging mogelijk al het geldende recht, waardoor de leverancier in veel gevallen beschermd is tegen het verlies van de voorrangspositie door oneigenlijke vermenging.7 Ook is verdedigbaar dat de eigendom bij zaaksvorming in beginsel op grond van de hoofdregel moet worden toegewezen aan de oorspronkelijke eigenaar(s) op grond van art. 5:16 lid 1 BW. Wil de vormer of degene die doet vormen in afwijking van de hoofdregel de eigendom toegewezen krijgen op grond van art. 5:16 lid 2 BW, dan moet hij bewijzen dat hij zodanig het economische risico draagt van de productie dat het gerechtvaardigd is om de eigendom van de nieuwe zaak aan hem toe te wijzen in plaats van aan de oorspronkelijke gerechtigden. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van ‘hetgeen in het licht van de daarop betrekking hebbende verkeersopvattingen uit de rechtsverhouding tussen partijen voortvloeit’.8 Bij deze verlengingsmogelijkheden kan de rechtsvergelijking als argument dienen. In de andere drie onderzochte rechtsstelsels wordt namelijk een resultaat bereikt dat vergelijkbaar
is. Het Nederlandse recht ontwikkelt zich dan in lijn met de andere rechtsstelsels. Daarnaast volgt uit de rechtsvergelijking dat aan deze verlengingsmogelijkheden de drie argumenten die uiteen zijn gezet in hoofdstuk 2 ten grondslag kunnen worden gelegd.
Ten derde bestaan er aanknopingspunten voor dergelijke verlengingsmogelijkheden en worden deze bepleit in de literatuur als wenselijk recht, maar is dit nog niet het geldende recht. Voor deze gevallen biedt de rechtsvergelijking opnieuw een argument; het Nederlandse recht loopt dan in de pas met de andere rechtsstelsels. Daarnaast bieden de andere rechtsstelsels argumenten voor de rechtvaardiging van de keuze voor een verlengingsmogelijkheid. Tot slot biedt de rechtsvergelijking inspiratie voor de vormgeving van deze wijzigingen, nadere invullingen en ontwikkelingen van het Nederlandse recht.
Een eerste voorbeeld is een restrictieve invulling van het begrip hoofdzaak in navolging van het Duitse recht waardoor slechts in uitzonderingsgevallen een hoofdzaak wordt aangewezen bij natrekking en ver- menging. Eigendoms- en zekerheidsrechten zetten zich in beginsel voort op de eenheidszaak.9 Daarmee samen hangt de mogelijkheid voor een restrictievere invulling van het begrip bestanddeel, waardoor een door de leverancier geleverde zaak een zelfstandige zaak blijft, ondanks dat deze wordt vastgemaakt aan een andere zaak. De zaak van de leverancier wordt dus geen bestanddeel en de voorrangspositie blijft behouden.10 Ik merk wel op dat deze mogelijkheden op sommige punten op gespannen voet kunnen staan met de beginselen die aan de leerstukken van bestanddeelvorming en natrekking ten grondslag liggen. Andere verlengingsmogelijkheden die geen geldend recht zijn, zijn substitutie bij doorverkoop en de uitzondering art. 3:97 lid 2 BW ten gunste van het pandrecht van de leverancier. Ook deze wijzen zijn geïnspireerd op het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht. In beide gevallen is wettelijk ingrijpen vereist om deze verlenging mogelijk te maken in het huidige recht en wordt als bezwaar aangevoerd dat complexe situaties kunnen ontstaan.11
De in hoofdstuk 1 in de probleemstelling weergegeven veronderstelling van de wetgever dat de leverancier in het Nederlandse recht een voorrangspositie heeft en daarmee gewapend is tegen zekerheidsrechten van andere schuldeisers van de koper is dus gedeeltelijk waar.12 De leverancier heeft een voorrangspositie met betrekking tot de geleverde zaken en deze verlengt zich in een beperkt aantal gevallen tot het surrogaat ervan. In de meeste gevallen vervalt de voorrangspositie voor leverancierskrediet echter en kan de leverancier doorgaans hoogstens een tweede pandrecht op het surrogaat verkrijgen. In dat geval kan niet worden gezegd dat de door de minister beoogde bescherming wordt bereikt, anders dan de Hoge Raad overweegt in het arrest Dixq.q./ING.13 Er bestaat echter een aantal mogelijkheden om de voorrangspositie voor leverancierskrediet te verlengen in deze gevallen. Sommige mogelijkheden zijn reeds mogelijk in het huidige recht en voor andere mogelijkheden is wettelijk of rechterlijk ingrijpen vereist. Voor alle besproken reeds bestaande en bepleite verlengingsmogelijkheden geldt dat de rechtsvergelijking inspiratie biedt voor de vormgeving en (steun)argumenten geeft ter rechtvaardiging van het resultaat.