Hof Arnhem-Leeuwarden, 21-02-2023, nr. 200.263.578/01
ECLI:NL:GHARL:2023:1598
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
21-02-2023
- Zaaknummer
200.263.578/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2023:1598, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 21‑02‑2023; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2021:10635, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 16‑11‑2021; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2023-0124
PS-Updates.nl 2021-0900
Uitspraak 21‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Vervolg op ECLI:NL:GHARL:2021:10635. Letselschade na mishandeling door ex-partner.. Bewijswaardering na deskundigenbericht. Begroting diverse schadeposten.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.263.578/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland NL18.12109)
arrest van 21 februari 2023
in de zaak van
[appellante] ,
die woont op een geheim adres,
appellante,
bij de rechtbank: eiseres,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. K.R. Stephan, die kantoor houdt te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde] ,
die woont in [woonplaats1] ,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. G.E. de Zeeuw, die kantoor houdt te Bussum.
1. De verdere procedure bij het hof
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 november 2021 hier over.
1.2
In dat tussenarrest heeft het hof twee deskundigen benoemd, de KNO-arts[de deskundige1] en de psychiater [de deskundige2] .
1.3
Beide deskundigen hebben een rapport uitgebracht, [de deskundige1] op 8 juli 2022 en [de deskundige2] op 8 oktober 2022.
1.4
Vervolgens zijn nog de volgende processtukken gewisseld:- een memorie na deskundigenbericht van de zijde van [appellante] ;- een antwoord-memorie na deskundigenbericht van de zijde van [geïntimeerde] .
1.5
Ten slotte hebben beide partijen de aanvullende processtukken bij het hof ingediend en heeft het hof een datum bepaald waarop arrest zal worden gewezen.2. Waar gaat het in deze zaak over
2.1
[appellante] en [geïntimeerde] hebben een relatie gehad. [geïntimeerde] is door de politierechter veroordeeld voor mishandeling van [appellante] . Volgens [appellante] heeft zij door deze mishandeling blijvend letsel (gehoorschade en psychisch letsel) opgelopen. Zij vordert schadevergoeding van [geïntimeerde] . In het tussenarrest van 16 november 20211.heeft het hof beslist dat [geïntimeerde] [appellante] heeft mishandeld en dat hij de daardoor geleden schade van [appellante] moet betalen. Omdat onduidelijk is of [appellante] (blijvend) letsel heeft opgelopen door de mishandeling heeft het hof twee deskundigen benoemd, een KNO-arts en een psychiater. Deze deskundigen hebben gerapporteerd. Het hof gaat er op basis van hun rapporten vanuit dat [appellante] geen gehoorschade heeft opgelopen door de mishandeling, maar er wel een post traumatische stress stoornis aan heeft overgehouden. Het hof komt op een aanzienlijk hoger schadebedrag uit dan de rechtbank heeft toegewezen.
2.2
Het hof zal deze beslissing hierna uitleggen.
3. 3. De verdere beoordeling van het geschilHet is niet bewezen dat [appellante] door de mishandeling gehoorverlies heeft opgelopen3.1 [appellante] is onderzocht door [de deskundige1] . Hij heeft zijn bevindingen vastgelegd in een rapport, waarin hij verslag doet van de medische stukken die hij heeft ontvangen en van het door hem bij [appellante] verrichte onderzoek. In de paragraaf ‘Overwegingen’ van zijn rapport (paragraaf 3.2) schrijft hij het volgende:
‘3.2.1 De gehoorstoornis
Bij de interpretatie van de onderzoeken naar de gehoorstoornis is het hiernavolgende van
belang.
- Het audiogram van Schoonenberg is kwalitatief ernstig onder de maat. Er is niet
gemaskeerd en op alle gemeten frequenties ligt het interaurale verschil op 70-80 dB. Dit is
onmogelijk. Bovendien zijn de drempels slordig aangegeven.
- Op 03-07-2017 is de hoge Fletcher Index links (gemeten bij een KNO-arts) 15 dB en
Schoonenberg (een audiciensbedrijf) meet 2½ maand later 38 dB terwijl er in die
tussenliggende tijd geen enkele oorzaak aanwijsbaar is waardoor het gehoor achteruit zou
kunnen zijn gegaan. Dit is een reden temeer om er vanuit te gaan dat het audiogram van
Schoonenberg niet klopt en dat van de KNO-arts wel. Naar alle waarschijnlijkheid was en
is het gehoor links (sub)normaal.
- Bij het afnemen van de anamnese waren er geen aanwijzingen dat betrokkene het
gesprokene minder goed verstond.
- Bij het hier vervaardigde audiogram was er links een discrepantie tussen het
toonaudiogram en het spraakaudiogram in die zin dat het spraakverstaan disproportioneel
beter was. Dit wijst op aggravatie bij het meten van de drempels in het toonaudiogram: de
feitelijke gehoordrempels moeten beter zijn dan is weergegeven in het toonaudiogram.
- Bij de anamnese geeft betrokkene aan dat zij met het linkeroor goed hoort.
- Betrokkene stelt dat zij geen baat had van het hoortoestel op haar linkeroor. Als het
gehoorverlies zou liggen op het niveau dat in het audiogram is aangegeven dan zou zij wel
beter kunnen horen met een hoortoestel. Ook dit wijst erop dat het gehoor links beter is dan
is weergegeven in het audiogram.
3.2.2
De relatie tussen de gehoorstoornis en het incident
Voor wat betreft een eventuele relatie tussen het incident en de gehoorstoornis zijn de
volgende zaken van belang.
- Er is een evidente mismatch tussen de ernst van de geweldsinwerking en de vastgestelde
gehoorverliezen. Met name is het vrijwel onmogelijk dat enkele vuistslagen, hoe krachtig ook, op (of rond?) het oor resulteren in volledige doofheid aan het rechteroor.
- Aan de linkerzijde is er geen hoge tonen verlies. Dit maakt dat een traumatische oorzaak ook aan het linkeroor zeer onwaarschijnlijk is.
- Als er al sprake was van een doofheid veroorzakend trauma capitis dan was te verwachten dat op de CT-scan afwijkingen te zien zouden zijn. Dit was niet het geval, met name was er geen fractuur van het mastoïd, zelfs geen sluiering van de mastoïdcellen als gevolg van bloedophoping.
-Tinnitus is een welhaast obligaat verschijnsel bij een posttraumatische gehoorstoornis en deze neemt bij in het klachtenpatroon meestal een prominente, allesoverheersende plaats in. Daarom ondergaan de patiënten met tinnitus meestal tal van onderzoeken en behandelingen. Betrokkene klaagt niet over tinnitus behalve een piepend geluid in haar oren direct na het incident. Zij is daarvoor niet onderzocht of behandeld en In het dossier wordt deze klacht evenmin vermeld.
- Betrokkene geeft aan dat er ontstekingen zijn ontstaan door de vuistslagen op haar oren. Dit is een vrijwel onmogelijk pathogenetisch scenario. In het dossier is hier niets van terug te vinden. Bij het KNO-heelkundig onderzoek (kort na het ongeval en ook hier) was het trommelvliesbeeld normaal, dus zonder tekenen van een doorgemaakte infectie. - Drie dagen na het ongeval zag de huisarts geen tekenen van bloed uit het oor. Bij een ernstig trauma is dat vaak wel te verwachten.
3.2.3
Conclusies
Wanneer we bovenstaande observaties en overwegingen beschouwen, elk afzonderlijk en ook in onderlinge samenhang kunnen de conclusies in de hiernavolgende twee punten worden samengevat.
1. De aan- of afwezigheid van een gehoorverlies en ook de mate daarvan zijn onduidelijk. Aan de linkerzijde is naar alle waarschijnlijkheid sprake van een (sub)normaal gehoor. Het is weliswaar mogelijk dat er een gehoorverlies is aan het rechteroor, maar op grond van de voorliggende gegevens is het niet mogelijk de ernst ervan vast te stellen
2. Als er al sprake is van een gehoorverlies dan is dit in ieder geval niet het gevolg van een traumatische inwerking in het kader van het onderhavige incident. Dit geldt zowel voor het rechter- als het linkeroor.’
3.2
In zijn reactie op het concept-rapport van [de deskundige1] schreef de advocaat van [appellante] dat het onderzoek bij [de deskundige1] niet soepel was verlopen en dat zijn cliënte ‘zich niet aan de indruk kon onttrekken dat er gelet op de irritatie die bij aanvang van de anamnese ontstond niet objectief en onbevooroordeeld onderzoek heeft plaatsgevonden.’[de deskundige1] heeft daarop gereageerd met de opmerking dat hij zich niet herkent in de stelling dat tijdens het onderzoek bij hem sprake zou zijn geweest van irritatie. De suggestie dat het onderzoek daarom niet objectief en onbevooroordeeld was, is dan ook ongegrond, schrijft hij. Op de stelling van de advocaat van [appellante] dat vuistslagen wel tot gehoorverlies kunnen leiden, waarbij de advocaat verwees naar een vonnis van de rechtbank Zeeland-West Brabant, reageerde [de deskundige1] als volgt:‘Vuistslagen kunnen inderdaad wel enig gehoorverlies veroorzaken, maar bij betrokkene is dit niet het geval geweest. Dit is omstandig toegelicht en onderbouwd in paragraaf 3.2.2. De door u genoemde zaak uit Zeeland-West Brabant uit 2015 is niet vergelijkbaar. Daar werd het slachtoffer op het hoofd geschopt met een "trommelvliesperforatie, een licht geleidingsverlies en tinnitus" tot gevolg. Bij betrokkene was er geen trommelvliesperforatie en geen tinnitus; überhaupt waren er geen tekenen van traumatische schade. Het is onmogelijk dat het gehoor volledig uitvalt zonder dat er ook maar enig teken van geweldsinwerking is in en rond het oor, het rotsbeen en de schedelbasis. Simpel
gezegd: als na een aanrijding de carrosserie van de auto gaaf is kan door deze aanrijding geen schade aan de motor zijn ontstaan.’
3.3
[geïntimeerde] is het eens met het rapport van [de deskundige1] , [appellante] juist niet. Volgens haar heeft [de deskundige1] niet onderbouwd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van gehoorverlies. De eigen metingen van [de deskundige1] komen overeen met die van de audioloog en van KNO-arts [naam1] . Al die metingen wijzen op gehoorverlies, zodat niet overtuigend is dat [de deskundige1] schrijft dat dit gehoorverlies niet is vast te stellen. De verklaring die [de deskundige1] daarvoor geeft, aggravatie, is niet behoorlijk onderbouwd en alleen om die reden al niet overtuigend, meent [appellante] .is het ook niet eens met het oordeel van [de deskundige1] over het causaal verband. Dat is volgens haar nauwelijks onderbouwd.Verder merkt zij op dat [de deskundige1] gezien de irritaties bij het begin van de anamnese niet objectief en onbevooroordeeld was bij zijn onderzoek. Bovendien is het rapport van [de deskundige1] onzorgvuldig. Het lijkt erop dat het rapport voor een deel bestaat uit knip- en plakwerk; [appellante] wordt een aantal keren met ‘hij’ aangeduid.
3.4
Het hof volgt [appellante] niet in het betoog dat het onderzoek van [de deskundige1] door ontstane irritaties niet onbevooroordeeld en objectief was. [de deskundige1] heeft dat uitdrukkelijk ontkend en het rapport biedt geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van het door [appellante] gemaakte verwijt. Bovendien licht [appellante] niet toe waarom zij indien zij tijdens het onderzoek al twijfels had over de objectiviteit en onbevooroordeeldheid van [de deskundige1] dat niet kort na het onderzoek via haar advocaat kenbaar heeft gemaakt aan [de deskundige1] en/of aan de raadsheer-commissaris, maar pas nadat zij kennis nam van het haar niet welgevallige rapport.Ook de suggestie dat sprake is van knip- en plakwerk, omdat [appellante] in het rapport enkele malen als ‘hij’ wordt aangeduid, is ongegrond. [appellante] heeft gelijk dat dat tweemaal is gebeurd, maar in de zinnen waarin dat het geval is, worden ook de woorden ‘zij’ en ‘haar’ voor [appellante] gebruikt. Het ligt dan ook niet voor de hand dat deze zinnen zijn overgenomen uit een ander rapport. Waarschijnlijk heeft [de deskundige1] een tikfout gemaakt. Dat maakt zijn rapport nog niet onzorgvuldig.
3.5
[de deskundige1] heeft niet alleen geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van gehoorverlies, maar ook dat indien al sprake is van gehoorverlies dat niet veroorzaakt kan zijn door de mishandeling. Die conclusie heeft hij in paragraaf 3.2.2 van zijn rapport onderbouwd en in zijn reactie op het commentaar van de advocaat van [appellante] op zijn concept-rapport nog toegelicht. Het hof volgt [appellante] niet in het betoog dat [de deskundige1] zijn conclusie over het causaal verband tussen de mishandeling en het (gestelde) gehoorverlies onvoldoende heeft onderbouwd. Integendeel, in de genoemde onderdelen van het rapport zet [de deskundige1] helder uiteen waarom van dat causaal verband geen sprake kan zijn. Hij gebruikt daarvoor een aantal argumenten - de mismatch tussen de geweldsinwerking en het gehoorverlies waardoor gehoorverlies onwaarschijnlijk is in combinatie met de door [appellante] gepresenteerde klachten en verschijnselen en het daadwerkelijk bij haar vastgestelde letsel - die [appellante] niet inhoudelijk heeft weersproken.3.6 De deskundigheid van [de deskundige1] staat niet ter discussie. Het hof gaat er ook vanuit dat [de deskundige1] zijn werk objectief en onbevooroordeeld heeft gedaan. Bovendien is de procedure van het onderzoek correct verlopen: [appellante] is onderzocht, is in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van haar blokkeringsrecht en heeft de gelegenheid gehad om op het concept-rapport te reageren, waarna [de deskundige1] op die reactie is ingegaan. De conclusies van [de deskundige1] op het punt van het causaal verband zijn, zoals hiervoor is overwogen, onderbouwd met argumenten die die conclusie kunnen dragen. Bovendien zijn deze argumenten niet in strijd met andere bevindingen van het onderzoek van [de deskundige1] of met andere gegevens in deze zaak. [appellante] heeft dat ook niet aangevoerd. [appellante] heeft ook geen rapport van een andere deskundige overgelegd, waarin de conclusies van [de deskundige1] worden weerlegd. In het licht hiervan zal het hof de conclusies van [de deskundige1] over het causaal verband tussen de mishandeling en de gestelde gehoorproblemen van [appellante] volgen.
3.7
Dat betekent dat [appellante] niet heeft bewezen dat indien zij al gehoorverlies heeft dat gehoorverlies in causaal verband staan tot de mishandeling. Voor de schade die het gevolg is van dit gehoorverlies is [geïntimeerde] dan ook niet aansprakelijk2.. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of sprake is van gehoorverlies.
Het is bewezen dat [appellante] door de mishandeling PTSS heeft opgelopen 3.8 [appellante] is ook onderzocht door de psychiater [de deskundige2] . Na een inleiding, een beschrijving van de anamnese en van het door hem verrichte psychiatrisch onderzoek, volgt in het rapport van [de deskundige2] het hoofdstuk ‘Bespreking’. Dat hoofdstuk bevat een paragraaf ‘Diagnose’, waarin [de deskundige2] onder meer schrijft: ‘De voornaamste psychische klacht van betrokkene is dat ze zich in contact niet anderen niet op haar gemak voelt. Ze zegt steeds angstig te zijn dat die agressief zouden kunnen worden. Hoewel de mishandeling inmiddels al vijf jaar geleden is, is die angst volgens haar niet afgenomen. Als gevolg daarvan beschrijft ze een teruggetrokken leven, waarin ze niet gelukkig voelt. Daarnaast heeft ze nog af en toe bij spanning een gevoel van druk op de borst. Dat komt blijkens haar relaas echter niet meer zo vaak voor, dat dit een klacht is die met haar dagelijks leven interfereert. Gedachten aan de mishandeling komen nog wel terug. Zo vertelt zij dat ze niet durft te bidden, omdat daarmee herinneringen aan de mishandeling worden opgeroepen. Nachtmerries hebben daarop echter niet meer direct betrekking.
Haar behandeling, met name de EMDR, heeft wat dat betreft een goed resultaat gehad.
Voor wat betreft haar stemming beschrijft betrokkene zich als verdrietig. Ze had zich naar eigen zeggen na eerdere negatieve ervaringen herpakt. Toen ze haar ex-partner leerde kennen, had ze de wens met hem een gezin te stichten. Doordat zij in een pathologische relatie met hem terechtkwam, is dat allemaal niet doorgegaan. Ze heeft het gevoel dat goede jaren haar daarmee zijn afgenomen. Dat verdriet is invoelbaar en past bij de omstandigheden. Het heeft niet het karakter van pathologische somberheid, zoals die hij een depressieve stoornis hoort.
Betrokkene's klachten passen het beste hij een posttraumatische stressstoornis die inmiddels deels in remissie is. Vooral de klachten van vermijding staan nog op de voorgrond.’
3.9
In de paragraaf ‘Causaal verband’ schrijft [de deskundige2] : ‘De vraag is dan of er tussen de restklachten van PTSS en de mishandeling die in deze zaak in geding is, een causaal verband bestaat. In eerste plaats moet dan worden overwogen dat PTSS per definitie wordt veroorzaakt door traumatische ervaringen. Daarbij kan het zowel om een enkele ervaring gaan als om een lange reeks daarvan. Naar ik begrijp gaat het in deze zaak vooral om de mishandelingen die bewezen zijn geacht voor de data van 4 en 11 juni 2017. Deze kunnen echter moeilijk los worden gezien van wat daar in die relatie aan vooraf is gegaan. Wat betrokkene beschrijft is een klassiek patroon in relaties waarin vrouwen worden mishandeld. Door eigen (pathologisch) schuldgevoel, door behoefte aan bevestiging door de agressieve partner en door verlatingsangst ontstaat een sadomasochistische interactie, die ook voor hulpverleners moeilijk te doorbreken is. Ik merk hierbij op dat ik afga op betrokkene's eigen verhaal, en dat ik niet in staat ben een eventuele andere visie hierop van die ex-partner mee te wegen. Dat neemt echter niet weg dat het beschreven patroon welbekend is, en dat ook betrokkene dit onderkent. In ieder geval is de uitkomst van zo’n pathologische relatie voor degene die mishandeld wordt, dikwijls een posttraumatische stressstoornis, met als complicatie gevoelens van twijfel aan zichzelf. Ook wanneer ik betrokkene’s traumatische ervaringen over een ruimere periode beschouw dan alleen voor wat betreft de beide data in geding, is er dus een causaal verband met mishandelingen die zij heeft ondergaan.
Dat zij in die pathologische relatie ook een eigen aandeel had, roept wel de vraag op of zij niet ook vergelijkbare klachten zou hebben gekregen, wanneer die mishandeling door de ex-partner niet had plaatsgevonden. Immers, ze was naar eigen zeggen al eerder door anderen seksueel misbruikt. Betrokkene zegt daarover zelf dat ze zich na die eerdere ervaringen goed had hersteld, en dat zij een eigen en zelfstandig leven had opgebouwd. Ze werkte naar eigen zeggen als gids voor toeristen. Of dat allemaal feitelijk juist is, kan ik niet controleren. Niettemin is dat op zichzelf niet onmogelijk. Wanneer betrokkene niet opnieuw in een pathologische relatie terecht was gekomen, had het theoretisch beter met haar kunnen gaan, en was zij mogelijk ook zoveel weerbaarder geworden dat zij zich aan de verleiding door zo'n relatie had kunnen onttrekken. Daarbij komt dat de pathologische relatie met de ex-partner lang genoeg heeft geduurd om alleen al daaraan een ziekmakend effect toe te kennen, ook als dat effect bestaat uit de versterking van een tendens die bij betrokkene mogelijk al aanwezig was.’
3.10
In de beantwoording van de aan hem voorgelegde vragen heeft [de deskundige2] de vraag of [appellante] voor de mishandeling al klachten had die zij nu nog heeft, als volgt beantwoord: ‘Betrokkene vertelt dat zij na een eerdere problematische relatie weer normaal functioneerde, totdat zij de relatie met haar ex-partner kreeg. In dat geval is er geen continue pre-existente psychiatrische ziekte aan de orde. Ik kan dat niet nagaan overigens, maar stel wel vast dat ik in het dossier geen gegevens heb aangetroffen die daar tegen pleiten.’ De vraag of de door hem vastgestelde klachten en afwijkingen er ook zouden zijn geweest of op enig moment hadden kunnen ontstaan, als de mishandeling niet was gebeurd, heeft [de deskundige2] als volgt beantwoord:‘Zoals ik hierboven heb besproken heeft betrokkene ook voor de relatie met de ex-partner traumatische ervaringen in contacten met anderen gehad. Ze stelt echter dat zij daarvan weer voldoende was hersteld. Ik vind geen objectieve gegevens die daartegen pleiten.’
3.11
In de paragraaf ‘Beperkingen’ gaat [de deskundige2] in op de gevolgen van de door hem gediagnosticeerde PTSS. Volgens [de deskundige2] is er een discrepantie tussen het eigen verhaal van [appellante] en zijn observaties. [de deskundige2] ziet geen volledig en absoluut onvermogen tot contact met anderen, in het bijzonder mannen. Er is wel sprake van een minder verstrekkende beperking, die erop neerkomt dat [appellante] in werk of andere sociale situaties niet in één op één situaties, zonder toezicht, met mannen verkeert.In de paragraaf ‘Prognose’ geeft [de deskundige2] aan dat de prognose niet ongunstig is. Er is wel behandeling nodig, gericht op actieve re-integratie in sociale situaties. Die behandeling moet goed mogelijk zijn met technieken van cognitieve gedragstherapie. Verder zal in therapie met [appellante] moeten worden nagegaan hoe zij in de toekomst kan voorkomen dat zij in pathologische, voor haar schadelijke relaties terechtkomt. Deze therapie kan volgens [de deskundige2] heel goed samengaan met re-integratie.
3.12
De conclusie van [de deskundige2] luidt als volgt: ‘Concluderend vind ik bij betrokkene nog restklachten van een posttraumatische stressstoornis. Deze staan in causaal verband met de mishandeling door haar ex-partner. Daaruit vloeien beperkingen voort. De prognose lijkt mij op termijn niet ongunstig.’
3.13
In reactie op het commentaar van de advocaat van [appellante] op het concept-rapport geeft [de deskundige2] de volgende toelichting op zijn conclusie dat sprake is van een remissie van de klachten: ‘Voorts vraagt mr. Stephan zich af hoe er sprake kan zijn van een remissie van de klachten, terwijl betrokkene’s situatie nu juist in jaren niet is verbeterd. In de eerste plaats wijs ik erop dat ik niet heb gesproken van een volledige, maar van een gedeeltelijke remissie van de klachten die bij een posttraumatische stressstoornis horen. Ik heb dat op pagina 9 uitgebreid toegelicht. Bij PTSS is sprake van verschillende soorten klachten, die in principe alle aan de orde moeten zijn, wil men tot de desbetreffende DSM-5 classificatie kunnen komen. Eén van die klachten betreft het vermijden van omstandigheden, die de traumatische herinneringen weer kunnen activeren. Hoewel betrokkene baat lijkt te hebben gehad van een EMDR-behandeling, is het vermijdingsgedrag nog steeds aanwezig. Dat vormt dan ook de grondslag voor de beperkingen die ik heb geformuleerd. Echter, dit betekent dat niet meer van een volledig aanwezige posttraumatische stressstoornis mag worden gesproken, maar alleen van een PTSS die deels in remissie is. Daarmee ontken ik dus allerminst, dat betrokkene daarvan nog altijd serieus te nemen klachten kan ondervinden.’
3.14
[geïntimeerde] kan zich niet vinden in de conclusie van [de deskundige2] dat sprake is van causaal verband tussen de PTSS en de mishandeling. Hij wijst erop dat [appellante] ook al psychische klachten had voor zij een relatie met hem kreeg. Bovendien wordt uit het rapport niet duidelijk wie [de deskundige2] bedoelt met de ex-partner van [appellante] . [appellante] heeft meerdere partners gehad, aldus [geïntimeerde] .
3.15
Het hof stelt bij de bespreking van deze kritiek voorop dat ook voor [de deskundige2] geldt dat zijn deskundigheid niet ter discussie staat. Zijn objectiviteit en onpartijdigheid is door partijen (terecht) niet ter discussie gesteld en partijen hebben niet aangevoerd dat het onderzoek van [appellante] door [de deskundige2] onzorgvuldig is geweest of procedurele tekortkomingen kent. In zijn rapport beschrijft [de deskundige2] uitvoerig wat hij heeft besproken met [appellante] , wat zijn onderzoeksbevindingen zijn en van welke informatie hij is uitgegaan. Zijn conclusies zijn helder gemotiveerd en gebaseerd op de in het rapport vermelde bevindingen. Het rapport is ook begrijpelijk en consistent.
3.16
Gezien het voorgaande mag van [geïntimeerde] verwacht worden dat hij zijn kritiek op het rapport behoorlijk onderbouwt. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft zijn kritiek niet gebaseerd op de visie van een eigen deskundige. Bovendien berust de kritiek van [geïntimeerde] op een onjuiste en onvolledige lezing van het rapport.[de deskundige2] geeft in het rapport duidelijk aan dat hij onderzoekt of sprake is van causaal verband tussen de mishandeling door [geïntimeerde] en de door hem vastgestelde psychische klachten van [appellante] . Het is dan ook duidelijk dat hij [geïntimeerde] bedoelt als hij in zijn rapport de omschrijving ‘ex-partner’ gebruikt voor degene met wie [appellante] de problematische relatie heeft gehad, in het kader waarvan de mishandeling heeft plaatsgevonden.Verder blijkt uit het rapport dat [de deskundige2] zich er rekenschap van heeft gegeven dat [appellante] al voorafgaand aan de relatie met [geïntimeerde] bekend was met psychische klachten. Hij heeft die klachten en de behandelingen die [appellante] vanwege die klachten heeft gehad in zijn rapport beschreven. In de beoordeling van het causaal verband heeft [de deskundige2] ook uitdrukkelijk meegewogen dat [appellante] al eerder klachten had, zoals ook blijkt uit de in 3.9 geciteerde antwoorden op de hem gestelde vragen. Het hof overweegt in dit verband dat [de deskundige2] is uitgegaan van wat [appellante] hem heeft verteld over haar functioneren en dat heeft getoetst aan de hem ter beschikking staande ‘objectieve gegevens’, zoals de medische informatie van [appellante] . [geïntimeerde] heeft geen objectieve gegevens aangevoerd die dit oordeel van [de deskundige2] weerleggen.
3.17
De conclusie is dat het hof uitgaat van de bevindingen en de conclusies van [de deskundige2] . Op grond daarvan is voldoende aannemelijk dat [appellante] door de mishandeling een PTSS heeft opgelopen, die inmiddels deels in remissie is.
De vordering van [appellante] tot vergoeding van schade wegens verlies verdienvermogen is gedeeltelijk toewijsbaar 3.18 [appellante] heeft € 21.417,- schadevergoeding gevorderd vanwege verlies verdienvermogen, € 14.967,- voor de periode juni 2017 tot en met mei 2018 en € 6.450,- voor de periode juni tot en met december 2018. [appellante] is daarbij uitgegaan van € 2.067,- over de maand juni 2017 en € 1.075,- per maand vanaf juli 2017. De rechtbank is ervan uitgegaan dat [appellante] door de mishandeling in juni 2017 niet kon werken en heeft de daardoor veroorzaakte schade vastgesteld op € 2.067,-, het door [appellante] berekende bedrag. Volgens de rechtbank ontbreekt het causaal verband tussen de door [geïntimeerde] gepleegde onrechtmatige daad en de gestelde schade vanwege verlies verdienvermogen vanaf juli 2017. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de door [appellante] verstrekte gegevens blijkt dat zij in juli 2017 nog heeft gewerkt.
3.19
[appellante] heeft gesteld dat zij haar werk niet meer kon verrichten vanwege beperkingen door de doofheid en de psychische klachten. Zoals hiervoor is overwogen is geen sprake van causaal verband tussen de gestelde doofheid en de mishandeling. Voor de psychische klachten ligt dat anders. Daaraan doet niet af dat [appellante] ook voor de mishandeling al bekend was met psychische klachten. Die stonden er niet aan in de weg dat [appellante] toen werkzaamheden verrichtte. Dat [appellante] door de psychische klachten ten gevolge van de mishandeling enige tijd niet heeft kunnen werken, vindt het hof aannemelijk. Maar dat zij door deze klachten in het geheel niet meer heeft kunnen werken, heeft [appellante] niet onderbouwd. Het hof gaat er op basis van de bekende gegevens vanuit dat [appellante] door de psychische klachten ten gevolge van de mishandeling tot en met december 2017 nauwelijks heeft kunnen werken. Uit de door haar overgelegde aangiftes omzetbelasting volgt dat zij in de tweede helft van 2017 nauwelijks omzet heeft gerealiseerd. Het is aannemelijk dat de - geringe - omzet gedurende deze periode is verrekend met haar uitkering, zoals zij heeft gesteld.
3.20
[appellante] heeft haar stelling over haar inkomen onderbouwd met aangiftes inkomsten- en omzetbelasting. [geïntimeerde] heeft deze stelling niet gemotiveerd betwist, zodat het hof zal uitgaan van de door [appellante] verstrekte gegevens. Daarvan uitgaande komt het hof uit op een schade van 6 maanden à € 1.075,- = € 6.450,-. Daar komt de door de rechtbank over juni toegewezen schade van € 2.067,- nog bij, zodat de totale schade € 8.517,- bedraagt. Over € 2.067,- van dit bedrag is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 juli 2017, de eerste dag na afloop van de maand waarop de schade betrekking heeft. Over het restant van€ 6.450,- zal het hof de wettelijke rente gemakshalve toewijzen vanaf 1 oktober 2017, precies op de helft van de periode waarop de schade betrekking heeft3..
De vordering van [appellante] betreffende de medische kosten is gedeeltelijk toewijsbaar 3.21 De rechtbank heeft aan medische kosten het eigen risico van de zorgverzekering in het jaar 2017 van € 385,- (€ 291,01 + € 93,99) en huisartskosten van € 55,30 toegewezen. De verschuldigdheid van die bedragen staat niet ter discussie. [appellante] vordert daarnaast € 50,39 vanwege het eigen risico voor 2018 en, naar het hof begrijpt, € 770,- (waarvan € 220,- voor de huur van een paard) voor paardencoaching, een door haar gevolgde therapie. Die post heeft de rechtbank afgewezen, omdat [appellante] het betoog van [geïntimeerde] niet heeft weersproken, dat zij deze vorm van therapie al lange tijd, dus ook al voor de mishandeling, wilde.
3.22
Het hof stelt vast dat [appellante] dit betoog van [geïntimeerde] ook in de procedure bij het hof nog niet heeft weersproken. Gelet hierop heeft [appellante] het causaal verband tussen de kosten betreffende de paardencoaching en de mishandeling onvoldoende onderbouwd, ook wanneer - zoals zij stelt - haar psychische klachten door de mishandeling zijn verergerd. [appellante] heeft niet onderbouwd dat indien de mishandeling niet zou hebben plaatsgevonden zij haar wens om deze therapie te volgen niet zou hebben gerealiseerd, en zij deze kosten in dat geval dus niet zou hebben gemaakt.
3.23
Gelet op wat uit de medische stukken blijkt over de medische behandeling van [appellante] is wel aannemelijk dat het gevorderde eigen risico over 2018 betrekking heeft op medische behandelingen en verstrekte geneesmiddelen in verband met de mishandeling. Het bedrag van € 50,39 is dan ook toewijsbaar.
3.24
In de procedure bij het hof vordert [appellante] ook de kosten van behandelingen door een acupuncturist. [appellante] heeft de wenselijkheid van deze behandelingen en het verband met de mishandeling onvoldoende onderbouwd, zodat deze vordering niet toewijsbaar is.
3.25
De conclusie is dat in totaal een bedrag van € 490,69 aan medische kosten toewijsbaar is. Over deze kosten is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 19 februari 2018, de datum waarop het grootste deel van dit bedrag door [appellante] betaald diende te worden4..
Het hof vindt een smartengeld van € 7.500,- op zijn plaats 3.26 De rechtbank heeft het smartengeld begroot op € 1.700,- (na aftrek van het al door de politierecht toegekende smartengeld van € 300,-). [appellante] heeft € 9.700,- (€ 10.000,- -/- € 300,-) gevorderd.
3.27
Het hof gaat er bij dit oordeel vanuit dat sprake is van een forse mishandeling. Het is aannemelijk dat [appellante] door de mishandeling zelf pijn heeft geleden. Bovendien heeft ze er enige tijd gehavend uitgezien. Belangrijker is dat het hof ervan uitgaat dat [appellante] door de mishandeling een PTSS heeft opgelopen en dat ze in verband daarmee geruime tijd aanzienlijke psychische klachten heeft ondervonden en nu in mindere mate nog ondervindt. Die klachten hebben haar beperkt in haar functioneren en haar welbevinden fors aangetast. Daarvan uitgaande en rekening houdend met de aard van de aansprakelijkheid en uitspraken van Nederlandse rechters in vergelijkbare situaties, vindt het hof een bedrag van€ 7.500,- op zijn plaats. Partijen zijn het erover eens dat van dit bedrag € 300,- moet worden afgetrokken, zodat € 7.200,- resteert. Over dit bedrag is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 11 juni 20165..
Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en een hoger bedrag toewijzen 3.28 De conclusie is dat [geïntimeerde] aan [appellante] moet betalen:
- € 8.517,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.067,- vanaf 1 juli 2017 tot en met 30 september 2017 en over € 8.517,- vanaf 1 oktober 2017;- € 490,69, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 februari 2018;- € 7.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juni 2017.Op dit bedrag komt uiteraard het door [geïntimeerde] al betaalde bedrag (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling) in mindering.
3.29
Omdat de rechtbank een aanzienlijk lager totaalbedrag heeft toegewezen, zal het hof vonnis van de rechtbank op praktische overwegingen vernietigen, behalve op het punt van de proceskostenveroordeling.
3.30
In de procedure bij het hof is [appellante] in het merendeel in het gelijk gesteld. Het hof zal [geïntimeerde] dan ook in de proceskosten veroordelen (salaris advocaat: 3 punten, tarief II – uitgaande van het toegewezen bedrag), met uitzondering van de kosten van de deskundigen. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen om de kosten van de beide deskundigen te betalen. De reden daarvan is dat het onderzoek door de deskundigen noodzakelijk was om de schade te kunnen begroten die het gevolg is van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] .
4. 4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 23 januari 2019 op het punt van de proceskostenveroordeling;
vernietigt het vonnis voor het overige,en beslist in zoverre als volgt:
- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] te betalen:- € 8.517,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.067,- vanaf 1 juli 2017 tot enmet 30 september 2017 en over € 8.517,- vanaf 1 oktober 2017;- € 490,69, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 februari 2018;- € 7.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juni 2017;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure bij het hof en stelt deze kosten vast op€ 101,40 aan dagvaardingskosten, € 324,- aan griffiegeld en € 3.549,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;
veroordeelt [geïntimeerde] om aan de griffier de door de griffier voorgeschoten kosten van deskundige [de deskundige2] van € 6.806,25 en van deskundige [de deskundige1] van€ 4.973,70 te betalen;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M.M.A. Wind en M. Willemse en is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2023 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.
Uitspraak 16‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Mishandeling door ex-partner. Ex-partner is strafrechtelijk veroordeeld. Het hof gelast een deskundigenbericht door een kno-arts en een psychiater over de omvang van de klachten en het causaal verband tussen de klachten en de mishandeling.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.263.578/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland NL18.12109)
arrest van 16 november 2021
in de zaak van
[appellante] ,
wonende op een geheim adres,
appellante,bij de rechtbank: eiseres,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. K.R. Stephan, die kantoor houdt te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. G.E. de Zeeuw, die kantoor houdt te Bussum.
1. Het verdere verloop van de procedure bij het hof
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 30 juni 2020 hier over.
1.2
Op grond van dat tussenarrest heeft op 25 juni 2021 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.
1.3
Daarna hebben beide partijen zich in een akte uitgelaten over de benoeming van een of meer deskundigen.
1.4
Vervolgens zijn de stukken opnieuw overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof een datum voor arrest vastgesteld.
2
Waar gaat het in deze zaak om?2.1 Partijen hebben een relatie gehad en hebben samengewoond. [geïntimeerde] is door de politierechter veroordeeld voor de mishandeling van [appellante] . [appellante] stelt dat zij ernstige gehoorschade en psychische schade heeft opgelopen door de mishandeling en maakt aanspraak op de schade die zij daardoor heeft geleden. 2.2 Omdat partijen verschillen over de aard en de ernst van het letsel dat [appellante] heeft opgelopen en de medische informatie op dit punt niet eenduidig is, zal het hof twee deskundigen - een KNO-arts en een psychiater - benoemen.3. De relevante feiten3.1 [appellante] en [geïntimeerde] hebben een relatie gehad en samengewoond. 3.2 [appellante] is op 14 juni 2017 naar de huisarts geweest. De huisarts heeft in een bericht aan de politie het volgende gemeld:“Klacht, Afgelopen zondagochtend in elkaar geslagen door ex-partner. Met met een vuist op haar re oor/kaak en links op het hoofd. Het re oor is erg pijnlijk, re kaak erg pijnlijk, kan mond niet goed openen. Tanden lijken scheef op elkaar. Geen bloed uit het oor. Heeft een draaiduizeligheid. Door de pijn soms misselijk. Ex vriend heeft week eerder in linker ringvinger gebeten vorige week zaterdag In knijpen is pijnlijk. Dan pijnlijke tintelingen hele vinger. Re oor; erg pijnlijke gehoorgang TV intact, geen bloed of hematoom. Re kaak; forse drukpijn kaakkopje, minimale zwelling, geen hematoom, stand kaak lijkt intact. Hals: geen hematomen. Li dig 4 hand: geen zwelling of hematoom. Intacte functie, drukpijn basisfalanx, neurovasculair intact.1. Contusie oor2. Contusie rechter onderkaak, dd fractuur3. Contusie linker ringvingerUitdraai mee. X-kaak ter uitsluiting fractuur.”3.3 [appellante] heeft zich onder behandeling gesteld van onder meer een KNO-arts en een psycholoog.3.4 Op 5 oktober 2017 heeft de politierechter aan [geïntimeerde] een taakstraf opgelegd voor de duur van 60 uren voor mishandeling van [appellante] op 4 en 11 juni 2017. Daarnaast is hij veroordeeld tot betaling van € 300,- aan immateriële schade. [appellante] is in het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaard. Dit strafvonnis is onherroepelijk geworden.3.5 De advocaat van [appellante] heeft [geïntimeerde] in een brief van 21 mei 2018 gesommeerd tot betaling van € 47.856,- schadevergoeding. [geïntimeerde] heeft niet aan deze sommatie voldaan.
4. 4. De bespreking van de geschilpunten tussen partijen
Inleiding
4.1
De rechtbank heeft [geïntimeerde] veroordeeld om € 4.207,30, te vermeerderen met rente en kosten, aan [appellante] te betalen. Dat is aanzienlijk minder dan [appellante] heeft gevorderd. Met het hoger beroep wil [appellante] bereiken dat haar oorspronkelijke vordering alsnog geheel wordt toegewezen. Haar bezwaren (‘grieven’) tegen het oordeel van de rechtbank betreffen dan ook wat de rechtbank heeft overwogen over de door [appellante] gevorderde schade en het causaal verband tussen deze schade en het handelen van [geïntimeerde] .
4.2
[geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld, maar heeft in hoger beroep wel herhaald dat hij meent dat hij [appellante] niet mishandeld heeft - volgens hem was sprake van een vechtpartij tussen hem en [appellante] waarbij [appellante] hem ook sloeg - en niet onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld. Verder heeft hij ook in hoger beroep verweer gevoerd tegen de omvang van de door [appellante] gevorderde schade. Indien het hof [appellante] (gedeeltelijk) zou volgen in haar stellingen, zou het opnieuw de door de rechtbank verworpen verweren van [geïntimeerde] moeten beoordelen (vanwege de zogenaamde devolutieve werking van het hoger beroep). Het is daarom zinvol om eerst die verweren te bespreken. Indien die alsnog blijken te slagen, heeft [appellante] in het geheel geen aanspraak op schadevergoeding. In dat geval kan onbesproken blijven hoe hoog die schade is en of er causaal verband bestaat tussen die schade en de door haar gestelde mishandeling. Het hof zal daarom eerst ingaan op de vraag of [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] door haar te mishandelen.
Heeft [geïntimeerde] [appellante] mishandeld? 4.3 Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] hem op 4 juni 2017 aangevallen. Hij heeft haar toen beetgepakt bij de keel om zich te verdedigen en om te voorkomen dat zij zich zou verwonden. Dat laatste had zij volgens [geïntimeerde] in het verleden vaker gedaan. Op 11 juni 2017 is hij gaan slapen en toen hij wakker werd stonden er vier agenten in huis. Hij kan zich niet herinneren [appellante] toen te hebben geslagen en vermoedt dat [appellante] zichzelf heeft toegetakeld.
4.4
Het hof passeert dit verweer van [geïntimeerde] . Met het onherroepelijke strafvonnis heeft [appellante] dwingend bewijs geleverd dat [geïntimeerde] haar op 4 en 11 juni 2017 heeft mishandeld (vgl. artikel 161 Rv). Dwingend bewijs houdt in dat het hof verplicht is om als waar aan te nemen dat [geïntimeerde] [appellante] op 4 en 11 juni 2017 heeft mishandeld (vgl. artikel 151 lid 1 Rv). [geïntimeerde] mag daartegen tegenbewijs leveren, door het met het strafvonnis geleverde bewijs te ontzenuwen, indien hij zijn stellingen voldoende heeft onderbouwd. Dat is, zoals het hof hierna uiteen zal zetten, niet het geval.
4.5
[geïntimeerde] heeft, allereerst, niet bestreden dat hij [appellante] op 4 juni 2017 hardhandig bij de keel heeft gepakt. Zijn stelling dat hij dat uit zelfverdediging heeft gedaan, heeft hij in het licht van de betwisting daarvan door [appellante] onvoldoende onderbouwd.
4.6
Dat geldt zeker ook voor zijn verklaring over de gebeurtenissen op 11 juni 2017. Volgens [geïntimeerde] sliep hij toen er agenten bij hem in huis stonden. Hij betwist dat de, door de agenten toen vastgestelde, verwondingen die [appellante] toen had door hem zijn veroorzaakt. [appellante] heeft zichzelf waarschijnlijk verwond, meent hij. Dat had ze eerder ook al gedaan.[geïntimeerde] ziet eraan voorbij dat uit het proces-verbaal dat is opgemaakt over de gebeurtenissen van 11 juni 2017 volgt dat de agenten [geïntimeerde] onder invloed van alcohol (in bed) in zijn woning hebben aangetroffen. In het verhoor van [geïntimeerde] dat laatste ook erkend. Hij heeft toen ook aangegeven dat hij zich niet kon herinneren of hij [appellante] op 11 juni 2017 had mishandeld. Dat hij [appellante] toen mishandeld had, heeft hij uitdrukkelijk ook niet ontkend, maar in het midden gelaten. In het licht daarvan heeft [geïntimeerde] , mede gelet op de
gedetailleerde verklaring van [appellante] over de mishandeling, die ook wordt onderbouwd door de overgelegde medische gegevens, zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Aan het leveren van tegenbewijs komt het hof dan ook niet toe.
Benoeming deskundigen 4.7 [appellante] stelt dat zij door de mishandelingen naast schrammen en blauwe plekken en dergelijke ook ernstige gehoorschade heeft opgelopen. Aan haar rechteroor is zij geheel doof geworden, het gehoor aan het linkeroor is sterk verminderd. Zij heeft links een gehoorapparaat. [geïntimeerde] stelt dat [appellante] rechts al een gehoorprobleem had toen hij haar leerde kennen en bestrijdt dat zij door de mishandeling gehoorschade links (en rechts) heeft opgelopen.
4.8
Het hof acht een deskundigenonderzoek naar de aard en de ernst van de gehoorproblemen en naar de oorzaak ervan aangewezen. Beide partijen hebben voorstellen gedaan voor de benoeming van een deskundige en voor de aan de deskundige te stellen vragen. Het hof zal een deskundige benoemen die ervaring heeft als gerechtelijk deskundige en om die reden de KNO-arts prof. dr. [naam1] benoemen. Het zal voor de vraagstelling aansluiten bij de IWMD-vraagstelling.
4.9
Partijen verschillen ook van mening over de vraag of [appellante] ten gevolge van het ongeval psychisch letsel heeft opgelopen (en daardoor niet meer kon werken). Volgens [appellante] is dat het geval, [geïntimeerde] heeft dat bestreden. Hij heeft erop gewezen dat [appellante] al voor hun relatie forse psychische problemen had. Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat uit het dossier volgt dat [appellante] inderdaad een zeer ‘belaste’ voorgeschiedenis heeft met diverse heftige life-events. Indien zij psychische klachten heeft, speelt die voorgeschiedenis daarbij mogelijk een rol. Of en in hoeverre die voorgeschiedenis de klachten, indien die kunnen worden vastgesteld, alleen kan verklaren en of en in hoeverre de mishandelingen daarbij een rol hebben gespeeld, is het hof niet duidelijk. Om die reden zal ook op dit punt een deskundige worden benoemd. Het hof zal de psychiater prof. dr. [naam2] , net als prof. dr. [naam1] een ervaren gerechtelijk deskundige, tot deskundige benoemen. Ook bij de vragen aan hem zal het hof uitgaan van de IWMD-vraagstelling.
4.10
Het hof legt de deskundigen de volgende vragen voor:1. DE SITUATIE MET ONGEVAL
Anamnese a. Hoe luidt de anamnese voor wat betreft de aard en de ernst van het letsel, het verloop van de klachten, de toegepaste behandelingen en het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten en beperkingen op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u in uw anamnese vermelden welke beperkingen op uw vakgebied de onderzochte aangeeft in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), loonvormende arbeid en het uitoefenen van hobby’s, bezigheden in recreatieve sfeer en zelfwerkzaamheid?
Aanbeveling 2.2.4. RMSR:
De beschrijving van de anamnese is deugdelijk en compleet, en beperkt zich tot de relevante gegevens. De beschrijving van de anamnese bevat uitsluitend het verhaal van de onderzochte in diens bewoordingen. Er worden daarbij geen termen gebezigd of feiten vermeld die uitsluitend kunnen zijn ontleend aan aangeleverde of verkregen medische gegevens of een interpretatie daarvan. Als hieraan wordt voldaan, dan verwoordt de anamnese per definitie het subjectieve verhaal van de onderzochte. Termen als “betrokkene zou (…)” worden
vermeden. Ook voegt de expert bij de beschrijving van de anamnese geen voorlopige conclusies of eigen interpretaties toe. Auto-anamnese en hetero-anamnese worden gescheiden en als zodanig genoemd weergegeven.
Medische gegevens b. Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van: - de medische voorgeschiedenis van de onderzochte op uw vakgebied; - de medische behandeling van het letsel van de onderzochte en het resultaat daarvan.
Aanbeveling 2.2.6 RMSR:
Uit het rapport blijkt van welke van de meegestuurde gegevens kennis werd genomen en op welke wijze de daaraan ontleende feiten zijn meegewogen in het eindoordeel. Bij voorkeur wordt in het rapport een samenvatting opgenomen van de aan de meegestuurde gegevens ontleende feiten.
Medisch onderzoek c. Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?
Aanbeveling 2.2.5 RMSR:
Er wordt een adequaat lichamelijk en/of psychiatrisch onderzoek verricht, maar slechts voor zover dat relevant is voor de beantwoording van de vraagstelling. Niet relevant onderzoek blijft uitdrukkelijk achterwege. Indien mogelijk worden de resultaten in kwantitatieve vorm weergegeven. Bij de beschrijving van de onderzoeksresultaten kan medisch jargon uiteraard niet worden vermeden.
Aanbeveling 2.2.7 RMSR:
Indien de expert aanvullend hulponderzoek (radiologisch, neuropsychologisch of anderszins) laat verrichten en de uitkomsten daarvan in zijn conclusies betrekt, dan dienen de verslagleggingen van deze onderzoeken bij het expertiserapport gevoegd te worden.
Consistentie d. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? e. Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt?
Aanbeveling 2.2.8 RMSR:
Als de anamnese niet overeenkomt met de feiten zoals die uit de stukken naar voren komen, dan dient uit het rapport te blijken dat de onderzochte, voor zover dat medisch verantwoord is, met deze discrepantie werd geconfronteerd. Vermeld wordt, wat zijn reactie daarop was en wat daaruit kan worden geconcludeerd.
Diagnose f. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?
Aanbeveling 2.2.15 RMSR:
Waar nodig wordt een differentiaaldiagnostische overweging gegeven.
Beperkingen g. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in haar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Aanbeveling 2.2.17 RMSR :
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.
Aanbeveling 2.2.18 RMSR:
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).
Medische eindsituatie h. Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het ongeval mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel, al dan niet na het volgen van een (para)medische behandeling of therapie? i. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u? j. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht? k. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?
Aanbeveling 2.2.14 RMSR:
Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest. l. Indien verbetering kan intreden na het volgen van een medische behandeling of therapie, welke behandeling en/of therapie betreft het, acht u betrokkene tot het ondergaan van de behandeling / volgen van de therapie in staat en hoe groot is de kans op verbetering, en op welke termijn?
2. DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL
Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c - 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.
Aanbeveling 2.2.14 RMSR:
Als de expert om een inschatting wordt gevraagd en hij zich competent acht deze inschatting te maken, dan zorgt hij ervoor dat duidelijk wordt op welke wijze deze inschatting tot stand is gekomen. Hij geeft aan wat daarbij heeft meegewogen en wat van doorslaggevende betekenis is geweest.
Aanbeveling 2.2.16 RMSR:
Een eventuele causaliteitsvraag wordt uitsluitend beantwoord vanuit de medische causaliteitsgedachte, dat wil zeggen op grond van datgene wat bekend en herkenbaar is met betrekking tot het ontstaan en het beloop van de onderhavige klachten en verschijnselen. Deze vraagstelling geschiedt in overeenstemming met de gangbare inzichten dan wel richtlijnen van de desbetreffende wetenschappelijke vereniging. De expert zal nimmer klachten aan een ongeval “toerekenen” of de causaliteit ervan louter baseren op het feit dat ze pas na het ongeval debuteerden.
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval a. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte nu nog steeds heeft? b. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en afwijkingen voortvloeiden en nu nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?
Aanbeveling 2.2.17 RMSR :
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.
Aanbeveling 2.2.18 RMSR:
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval c. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte niet was overkomen? d. Zo ja (dus zonder ongeval ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan? e. Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?
f. Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet ongevalgerelateerde klachten en afwijkingen?g. Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?h. Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?i. Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?
Aanbeveling 2.2.17 RMSR :
Uit het rapport blijkt dat de expert de beperkingen van de onderzochte baseert op zijn eigen professionele oordeel en dat hij niet klakkeloos de door de onderzochte genoemde beperkingen heeft overgenomen.
Aanbeveling 2.2.18 RMSR:
De eventuele beperkingen van de onderzochte worden zo nauwkeurig mogelijk beschreven en slechts in semi-kwantitatieve vorm weergegeven. De expert zal zelf geen gekwantificeerde belastbaarheidsprofielen opstellen (bijvoorbeeld volgens de FIS- of FML-methodiek).
3. OVERIG
Aanbeveling 2.2.11 RMSR:Indien de expert bevindingen doet waar niet naar wordt gevraagd maar die hij terzake relevant vindt, dan vermeldt hij deze in het rapport.
a. Kunt u vanuit uw vakgebied een verklaring geven voor het ontstaan en voortbestaan van de door u vastgestelde klachten?
b. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
4.11
De beide te benoemen deskundigen hebben een inschatting gemaakt van de door hen te maken kosten. Ervan uitgaande dat zij niet meer dan de voor een deskundigenonderzoek gebruikelijke tijd zullen hoeven te besteden komt prof. [naam1] uit op een bedrag van€ 2.000,- en prof. [naam2] op een bedrag van € 4.500,-.In dit geval zal ten laste van [appellante] geen voorschot worden opgelegd in verband met art. 195 derde en vierde volzin Rv. Het ten laste van 's Rijks kas door de griffier aan de deskundige betaalde voorschot zal hangende het geding voorlopig in debet worden gesteld.
4.12
Indien partijen zich niet kunnen verenigen met deze kostenbegroting, kunnen zij hun bezwaren daartegen binnen twee weken na de datum van dit arrest aan het hof melden, waarna het hof nader zal beslissen.
4.13
Het hof gaat ervan uit dat [appellante] er voor zorgdraagt dat bij het door de deskundigen te verrichten onderzoek een tolk aanwezig is.
5. 5. De beslissing
Het hof:
benoemt tot deskundigen:- prof. dr. [naam1] , [adres1] , [plaats1] , info@ [naam1] .nl- prof. dr. [naam2] , [adres2] , [plaats2] , [naam2] @xs4all.nl
om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de hiervoor onder 4.10 vermelde vragen;
bepaalt dat de deskundigen tijdens het onderzoek partijen in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat daarvan uit het schriftelijk bericht zal blijken;
bepaalt dat de deskundigen, indien [appellante] geen gebruik maakt van haar blokkeringsrecht, een concept-deskundigenbericht aan partijen zullen sturen en partijen in de gelegenheid zullen stellen op dat concept te reageren alvorens een definitief bericht uit te brengen. In het definitieve deskundigenbericht zullen de deskundigen de reacties van partijen op het concept bespreken;
bepaalt dat [appellante] aan de deskundigen een kopie van het volledige procesdossier ter beschikking zal stellen;
beveelt partijen om aan de deskundigen alle door hen gewenste inlichtingen te verstrekken;
bepaalt dat de deskundigen het ondertekende deskundigenbericht vóór 31 maart 2022 toesturen aan de griffie van dit hof (Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden);
bepaalt dat geen voorschot wordt opgelegd in verband met artikel 195 derde en vierde volzin Rv en bepaalt dat het ten laste van 's Rijks kas aan de deskundige door de griffier betaalde voorschot hangende het geding voorlopig in debet wordt gesteld;bepaalt dat indien partijen zich niet kunnen verenigen met de kostenbegroting door de deskundigen, zij hun bezwaren daartegen binnen twee weken na de datum van dit arrest aan het hof kunnen melden, waarna het hof nader zal beslissen.
bepaalt dat de deskundigen zich - door tussenkomst van de griffie - met vragen en opmerkingen zullen wenden tot mr. H. de Hek, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris;
draagt de griffier op om nadat twee weken na de datum van dit arrest is verstreken, dan wel nadat het hof op de bezwaren van (een van) partijen over de kostenbegroting heeft beslist een afschrift van dit arrest aan de deskundigen te verzenden;
verwijst de zaak naar de roldatum van vier weken na de datum waarop het laatste van de beide definitieve deskundigenberichten ter griffie is ingeleverd voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellante] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, M.M.A. Wind en M. Willemse en is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2021 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.