NJB 2017/492:Strafbaarheid van het ter verspreiding in voorraad hebben van ‘Mein Kampf’, art. 137e Sr en art. 10 EVRM. De Hoge Raad overweegt dat de vrijheid van meningsuiting een van de pijlers is van een democratische samenleving en een van de voorwaarden voor de ontwikkeling daarvan alsmede voor de zelfontplooiing van ieder individu, maar dat dit recht niet onbegrensd is. Bij de beoordeling van de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting ‘in een democratische samenleving noodzakelijk’ is in de zin van art. 10 lid 2 EVRM, zijn de bijzondere omstandigheden van het geval van belang. Bij die beoordeling kan gewicht worden toegekend aan de wisselwerking tussen de aard van de uitlating/informatie en het mogelijke effect dat die uitlating/informatie sorteert alsmede aan de context waarbinnen de uitlating/informatie is verstrekt. In casu heeft het hof kunnen oordelen dat geen sprake is van een zodanig dwingende behoefte als bedoeld in art. 10 lid 2 EVRM, dat de verdachte voor het in voorraad hebben van het boek Mein Kampf veroordeeld dient te worden; dat oordeel is, ondanks het antisemitische karakter van het boek, op grond van de door het hof in aanmerking genomen overige feiten en omstandigheden en mede gelet op de context waarbinnen de gedraging van de verdachte plaatsvond, niet onbegrijpelijk