Bijv. HR 28 november 2003, LJN AN8489, NJ 2005, 465 m.nt. Asser.
HR, 18-11-2011, nr. 11/03252
ECLI:NL:HR:2011:BU4965
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
18-11-2011
- Zaaknummer
11/03252
- Conclusie
Mr. L. Timmerman
- LJN
BU4965
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BU4965, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 18‑11‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BU4965
ECLI:NL:PHR:2011:BU4965, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑08‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BU4965
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑11‑2011
Inhoudsindicatie
Cassatie. Niet-ontvankelijkheid in verband met verstrijken cassatietermijn; art. 292 lid 5 in verbinding met lid 3 F.
18 november 2011
Eerste Kamer
nr. 11/03252
DV/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.W. de Water.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 391984/FT-RK 11-1030 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 mei 2011,
b. het arrest in de zaak 200.088.114/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 juli 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Ingevolge art. 292 lid 5 in verbinding met lid 3 F. kan tegen het onder 2 aangeduide arrest beroep in cassatie worden ingesteld binnen acht dagen, te rekenen van de dag van de uitspraak. De cassatietermijn verstreek in het onderhavige geval op 13 juli 2011. Het verzoekschrift is op 19 juli 2011 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, zodat het cassatieberoep te laat is ingesteld. [Verzoeker] zal derhalve in zijn beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 18 november 2011.
Conclusie 23‑08‑2011
Mr. L. Timmerman
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
1. Feiten en procesverloop
1.1
Bij vonnis van 19 mei 2011 heeft de rechtbank te 's‑Gravenhage het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest.
1.2
[Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te 's‑Gravenhage. Bij arrest van 5 juli 2011 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelt dat niet aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van nieuwe schulden en het onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is geweest. Daarnaast is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
1.3
Tegen dit arrest heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld middels op 19 juli 2011 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift. De termijn voor het instellen van cassatieberoep verliep overeenkomstig art. 292 lid 5 Fw binnen acht dagen na de datum van 's hofs arrest. 's Hofs arrest dateert van 5 juli 2011, zodat de cassatietermijn op 13 juli 2011 is verstreken. Mij is niet gebleken van omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat in dit geval niet strikt de hand zou moeten worden gehouden aan de in art. 292 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn, althans namens [verzoeker] is niets van die strekking aangevoerd.1. Het cassatieverzoekschrift is aldus te laat ingediend, zodat [verzoeker] in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2. Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑08‑2011