HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215, NJ 2020/410, m.nt. Jörg.
HR, 12-11-2024, nr. 22/03289
ECLI:NL:HR:2024:1640
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-11-2024
- Zaaknummer
22/03289
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1640, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1061
ECLI:NL:PHR:2024:1061, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1640
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
(Medeplegen) diefstal (meermalen gepleegd), art. 310 jo. 311.1.4 Sr. Strafmotivering, oplegging meldplicht bij reclassering en verplichting mee te werken aan schuldhulpverlening als bijzondere voorwaarden die zijn verbonden aan voorwaardelijk deel van opgelegde gevangenisstraf a.b.i. art. 14c.2.14 Sr. Zijn verplichting om medewerking te verlenen aan afnemen van SCIL en/of methodiek “Stap voor Stap” en verplichting om mee te werken aan het voorkomen van het maken van nieuwe schulden voldoende precies? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03289
Datum 12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 september 2022, nummer 21-002940-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en drie weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2024.
Conclusie 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Bijzondere voorwaarden bij voorwaardelijke veroordeling voldoende concreet? AG meent van wel, mede omdat raadsvrouw in aanwezigheid van de verdachte heeft verzocht bijzondere voorwaarden op te leggen zoals door de reclassering geadviseerd en het hof deze door de reclassering geadviseerde voorwaarden in gelijke bewoordingen in het arrest heeft opgenomen. Ambtshalve: schending redelijke termijn. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest en verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03289
Zitting 15 oktober 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
- 1.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 5 september 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder de algemene en de vier bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het arrest, wegens in de zaak met parketnummer 05-306772-19 onder 1 “diefstal” en in de zaak met parketnummer 08-050855-20 onder 1 “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd” en onder 2 “diefstal”. Daarnaast heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van twee gevangenisstraffen voor zover destijds voorwaardelijk opgelegd.
- 2.
Namens de verdachte hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
II. Het cassatiemiddel en de bespreking daarvan
3. Het middel keert zich tegen twee bijzondere voorwaarden die door het hof aan het voorwaardelijk deel van de in de onderhavige zaak opgelegde gevangenisstraf zijn verbonden.
4. Het betreft de volgende twee bijzondere voorwaarden:
“dat de veroordeelde verplicht is zich te melden bij Reclassering IrisZorg op het volgende adres, Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Hij dient zich te houden aan de afspraken en aanwijzingen van Reclassering IrisZorg, ook als dat inhoudt dat hij zijn medewerking moet verlenen aan de uitvoering van huisbezoeken, het afnemen van de SCIL, de methodiek ‘Stap voor Stap’ en/of urinecontroles”
en
“dat de veroordeelde, die al onder bewind staat, verplicht is mee te werken aan het aflossen van zijn schulden, het treffen van afbetalingsregelingen en het voorkomen van het maken van nieuwe schulden”, waarbij de verdachte “de reclassering inzicht [geeft] in zijn financiën en schulden.”
5. Het hof heeft met betrekking tot de aan de verdachte op te leggen straf onder meer het volgende overwogen:
“Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier, in het bijzonder het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 7 juli 2022, en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Het bovengenoemde rapport ziet op een andere verdenking, maar betreft gelijksoortige feiten en is recentelijk uitgebracht en derhalve ook in onderhavige zaak relevant.
Van belang is dat de reclassering schrijft dat de financiële situatie van verdachte zeer problematisch is en de bewindvoerder aangeeft, omdat er telkens opnieuw schulden bijkomen, niet meer te kunnen betekenen dan ervoor te zorgen dat de woning behouden wordt en dat nutsbedrijven betaald worden. De reclassering beschouwt zowel het sociale netwerk van verdachte als de financiële situatie als belangrijke criminogene factoren. Op dit moment signaleert de reclassering geen beschermende factoren in het leven van verdachte. Daarnaast schat de reclassering het risico op recidive als hoog en het risico op onttrekking (aan voorwaarden) als laag. Ten aanzien van de strafoplegging adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf waaraan verschillende bijzondere voorwaarden zijn verbonden. Tot slot ziet de reclassering geen zwaarwegende negatieve consequenties van een gevangenisstraf.”
6. Het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 7 juli 2022 houdt, voor zover hier relevant, als ‘advies over bijzondere voorwaarden’ het volgende in:
“1. Conclusie
[…]
De financiële situatie van betrokkene is zeer problematisch en omdat er telkens opnieuw schulden
bijkomen, zegt de bewindvoerder niet meer te kunnen betekenen dan ervoor te zorgen dat de woning behouden wordt en dat nutsbedrijven betaald worden. Indien betrokkene schuldig wordt bevonden, dan zien wij, naast het sociale netwerk van betrokkene, de financiële situatie als belangrijke criminogene factor.
[…]
Meldplicht bij reclassering
Betrokkene moet zich melden bij Reclassering IrisZorg op het volgende adres, Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem. Hierna moet hij zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Hij dient zich te houden aan de afspraken en aanwijzingen van Reclassering IrisZorg, ook als dat inhoudt dat hij zijn medewerking moet verlenen aan de uitvoering van huisbezoeken, het afnemen van de SCIL, de methodiek 'Stap voor Stap' en/of urinecontroles.
[…]
Meewerken aan schuldhulpverlening
Betrokkene staat al onder bewind en blijft verplicht meewerken aan het aflossen van zijn schulden, het treffen van afbetalingsregelingen en het voorkomen van het maken van nieuwe schulden. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.”
7. Art. 14c Sr luidt voor zover hier van belang:
“2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld […]:
[…];
8° een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie;
[…];
14° andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien bij de toepassing van artikel 14a een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:
[…]
b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
[…]
6. De rechter kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.”
8. Het middel klaagt ten eerste over de eerstgenoemde bijzondere voorwaarde voor zover deze inhoudt dat de verdachte verplicht is om medewerking te verlenen aan het afnemen van de SCIL en/of de methodiek ‘Stap voor Stap’ en brengt daarmee het bepaalde in art. 14c lid 2 onder 14° Sr in beeld. De klacht betreft dus niet de verplichting voor de veroordeelde om zich te melden bij Reclassering IrisZorg zolang de reclassering dit noodzakelijk acht (vgl. de bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c lid 2 onder 8° Sr).
9. Volgens de stellers van het middel heeft het hof verzuimd uiteen te zetten wat de SCIL en de methodiek ‘Stap voor Stap’ behelzen en wat de inhoud van deze programma’s zijn, zodat deze bijzondere voorwaarden niet voldoende precies zijn gespecificeerd en geformuleerd. Derhalve, aldus de stellers van het middel, is ook niet duidelijk of het hier gaat om voorwaarden die strekken tot het voorkomen van strafbaar gedrag van de verdachte respectievelijk die een gedraging betreft waartoe de verdachte naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden is.
10. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c lid 2, aanhef en onder 14°, Sr betrekking moet hebben op het gedrag van de veroordeelde. Als zodanig kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken tot bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. Ook dient zo’n voorwaarde voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift te formuleren. Zij mag echter niet gedrag van de verdachte omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen.1.Een bijzondere voorwaarde waarvan de naleving niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de veroordeelde, kan niet worden gesteld.2.
11. De zinsnede dat de verdachte eventueel zijn medewerking moet verlenen aan het afnemen van de SCIL en/of de methodiek ‘Stap voor Stap’ is een nadere uitwerking van de onderhavige voorwaarde dat hij zich dient te houden aan de afspraken en aanwijzingen van Reclassering IrisZorg. Deze concretisering betreft een specifiek instrument (de SCIL) en een specifieke training (Stap voor Stap). Ik meen dat in dit geval daarmee voor de verdachte voldoende duidelijk is gemaakt wat er van hem wordt verlangd. Ik neem daarbij in ogenschouw dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 augustus 2022 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte in diens aanwezigheid het hof heeft gevraagd een taakstraf op te leggen “al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd”. Dit advies van de reclassering is op het onderdeel van het medewerking verlenen aan het afnemen van de SCIL en de methodiek ‘Stap voor Stap’ letterlijk door het hof overgenomen in de formulering van de onderhavige bijzondere voorwaarde in het dictum van het arrest. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de verdachte toen over dit advies geen uitleg gevraagd, zodat het er mijns inziens voor kan worden gehouden dat de verdachte heel wel wist waar het toen over ging. En als de inhoud of betekenis daarvan hem na afloop van de zitting toch nog enigszins troebel was, had een geringe inspanning van zijn kant duidelijkheid kunnen verschaffen met een simpele zoekslag op internet.3.Naar het mij voorkomt voldoet deze bijzondere voorwaarde aan de eisen die aan de bijzondere voorwaarden worden gesteld.
12. Ten tweede klaagt het middel over de andere door mij aangehaalde bijzondere voorwaarde voor zover deze inhoudt dat de verdachte verplicht is mee te werken aan het voorkomen van het maken van nieuwe schulden. Ook deze voorwaarde is volgens de stellers van het middel onvoldoende precies omschreven, nu niet is afgebakend wat volgens het hof precies onder ‘nieuwe schulden’ en het ‘voorkomen’ daarvan valt. Bovendien, zo vervolgen de stellers van het middel, is de naleving van deze voorwaarde niet onder alle omstandigheden afhankelijk van het gedrag van de verdachte en is zonder nadere motivering van het hof, die ontbreekt, niet duidelijk in welk opzicht dit een gedraging is waaraan hij naar aanleiding van het bewezenverklaarde feit uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden is.
13. Zoals de stellers van het middel zelf (en terecht) opmerken gaat het bij deze voorwaarde in de kern om een ‘meewerkplicht’ en is deze voorwaarde niet automatisch geschonden wanneer er nieuwe schulden ontstaan. Daarmee is, denk ik, voldoende ondervangen dat schulden die buiten de invloedsfeer van de verdachte zijn ontstaan4.niet zullen leiden tot (een vordering tot) tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel. Voor zover nog wordt geklaagd dat zonder nadere motivering niet valt in te zien hoe de voorwaarde strekt tot het voorkomen van strafbaar gedrag, wijs ik op de overweging van het hof waarin wordt verwezen naar de beschouwing van de reclassering dat onder meer de financiële situatie van de verdachte een belangrijke criminogene factor is. Voorts wijs ik ook in dit verband op het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, waarin, zoals hierboven opgemerkt bij de daar genoemde bijzondere voorwaarde, is opgenomen dat de raadsvrouw in aanwezigheid van de verdachte heeft verzocht bijzondere voorwaarden op te leggen zoals door de reclassering geadviseerd, indien naast een taakstraf een voorwaardelijke straf wordt opgelegd. Ook gelet daarop neem ik aan dat de inhoud van de voorwaarden ook voor de verdachte wel helder is.
14. Geen van de klachten treft doel.
III. Ambtshalve opmerking
15. Het cassatieberoep is ingesteld op 6 september 2022. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van dat cassatieberoep zijn verstreken. Dat dient te leiden tot vermindering van de opgelegde straf volgens de gebruikelijke maatstaf.
IV. Slotsom
16. Het middel faalt.
17. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑10‑2024
Zie onder meer: HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215, NJ 2020/410, m.nt. Jörg; HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, NJ 2022/250, m.nt. Ten Voorde; HR 29 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1763, NJ 2023/364, m.nt. Mevis.
Zo’n korte zoekslag op internet geeft direct antwoord op de vraag wat de SCIL is: “De SCIL is een korte lijst vragen. Daarmee kan snel worden bepaald of iemand misschien een licht verstandelijke beperking (LVB) heeft. Het resultaat van de SCIL geeft aan of er wel of geen vermoeden van een licht verstandelijke beperking is.” (https://www.reclassering.nl/naar-de-reclassering/advies/risc/). Hetzelfde geldt voor de methodiek Stap voor Stap: “Stap voor Stap is een korte, geprotocolleerde en laagdrempelige training, bedoeld om de motivatie op gedragsverandering te vergroten. Onder begeleiding doorloopt de cliënt opdrachten en vragen uit de module, die is onderverdeeld in zeven stappen. Dit biedt hem inzicht in zijn strafbare gedrag en de rol die middelengebruik hier in speelt. Op basis hiervan draagt de toezichthouder opties en alternatieven voor de toekomst aan.” (https://svg.nl/wat-doen-wij/stap-voor-stap/).
In de toelichting op het middel wordt het voorbeeld gegeven van stijgende elektriciteitsprijzen waardoor de verdachte de rekening niet meer kan voldoen.