Procestaal: Lets.
HvJ EU, 04-09-2014, nr. C-575/12
ECLI:EU:C:2014:2155
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-09-2014
- Magistraten
L. Bay Larsen, M. Safjan, J. Malenovský, A. Prechal, K. Jürimäe
- Zaaknummer
C-575/12
- Conclusie
P. Mengozzi
- Roepnaam
Air Baltic Corporation
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2014:2155, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑09‑2014
ECLI:EU:C:2014:346, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 21‑05‑2014
Uitspraak 04‑09‑2014
L. Bay Larsen, M. Safjan, J. Malenovský, A. Prechal, K. Jürimäe
Partij(en)
In zaak C-575/12*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administratīvā apgabaltiesa (Letland) bij beslissing van 4 december 2012, ingekomen bij het Hof op 7 december 2012, in de procedure
Air Baltic Corporation AS
tegen
Valsts robežsardze,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen (rapporteur), kamerpresident, M. Safjan, J. Malenovský, A. Prechal en K. Jürimäe, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 maart 2014,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Air Baltic Corporation AS, vertegenwoordigd door I. Jansons en M. Freimane, juridische adviseurs,
- —
de Letse regering, vertegenwoordigd door I. Kalniņš en D. Pelše als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Palatiello, avvocato dello Stato,
- —
de Finse regering, vertegenwoordigd door J. Heliskoski en J. Leppo als gemachtigden,
- —
de Zwitserse regering, vertegenwoordigd door D. Klingele als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Wils en A. Sauka als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 mei 2014,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 105, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 265/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 (PB L 85, blz. 1; hierna: ‘Schengengrenscode’), en van verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de luchtvaartmaatschappij Air Baltic Corporation AS (hierna: ‘Air Baltic’) en de Valsts robežsardze (grenswacht) over de beslissing van laatstgenoemde om Air Baltic een administratieve geldboete op te leggen voor het vervoer naar Letland van een persoon die niet over de vereiste reisdocumenten beschikte om de grens te overschrijden.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Schengengrenscode
3
De punten 4, 6, 7, 8 en 19 van de Schengengrenscode luiden als volgt:
- ‘(4)
Wat het grenstoezicht aan de buitengrenzen betreft, is de totstandbrenging van een gemeenschappelijk geheel van wetgevingsinstrumenten, met name door consolidatie en ontwikkeling van het acquis, een van de essentiële onderdelen van het gemeenschappelijk beleid inzake het beheer van de buitengrenzen. […]
[…]
- (6)
Grenstoezicht is in het belang van niet alleen de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend maar van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft. Het grenstoezicht moet helpen de illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te voorkomen.
- (7)
De grenscontroles moeten zodanig worden uitgevoerd dat de menselijke waardigheid volledig wordt geëerbiedigd. Het grenstoezicht moet professioneel en respectvol worden uitgeoefend en in verhouding staan tot de beoogde doelstellingen.
- (8)
Grenstoezicht omvat niet alleen de personencontrole aan de grensdoorlaatposten en de grensbewaking tussen deze grensdoorlaatposten, maar ook een analyse van de gevaren voor de binnenlandse veiligheid en de analyse van de bedreigingen die de veiligheid van de buitengrenzen in het gedrang kunnen brengen. Zowel voor de controle aan de grensdoorlaatposten als voor de grensbewaking moeten dus voorwaarden, criteria en procedures worden vastgesteld.
[…]
- (19)
Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van regels betreffende de overschrijding van de grenzen door personen, niet in voldoende mate door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 [VEU]. […]’
4
In artikel 1 van die code, met als opschrift ‘Doel en beginselen’, is bepaald:
‘Deze verordening voorziet in de afwezigheid van grenstoezicht ten aanzien van personen die de binnengrenzen tussen de lidstaten van de Europese Unie overschrijden.
Zij stelt de maatregelen vast die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie overschrijden.’
5
Volgens artikel 2, punt 10, van die code wordt onder ‘grenscontroles’ verstaan ‘de controles die aan de grensdoorlaatposten worden verricht om na te gaan of de betrokken personen, hun vervoermiddelen en de voorwerpen in hun bezit het grondgebied van de lidstaten mogen binnenkomen dan wel verlaten’.
6
Artikel 5 van die code, met als opschrift ‘Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen’, bepaalt in lid 1 ervan:
‘Voor onderdanen van derde landen gelden de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:
- a)
in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding;
- b)
indien vereist op grond van verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld [PB L 81, blz. 1], in het bezit zijn van een geldig visum […];
- c)
het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;
- d)
niet met het oog op weigering van toegang in het SIS [Schengeninformatiesysteem] gesignaleerd zijn;
- e)
niet worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staan in de nationale databanken van de lidstaten.’
7
Artikel 5, lid 4, van de Schengengrenscode bepaalt dat in specifieke situaties aan onderdanen van derde landen die niet aan alle van de in lid 1 gestelde voorwaarden voldoen, in afwijking van lid 1 van dat artikel, toegang tot het grondgebied van de lidstaten wordt of kan worden verleend.
8
Artikel 6, lid 1, tweede alinea, van de Schengengrenscode preciseert dat de maatregelen die de grenswachters nemen in de uitoefening van hun taken in verhouding staan tot de nagestreefde doelstellingen.
9
Artikel 7 van die code, met als opschrift ‘Grenscontrole op personen’, bepaalt in de leden 1 en 3 ervan:
- ‘1.
Het grensoverschrijdende verkeer aan de buitengrenzen wordt gecontroleerd door de grenswachters. De controle wordt verricht overeenkomstig dit hoofdstuk.
[…]
- 3.
Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen aan een grondige controle onderworpen.
- a)
De grondige controles bij binnenkomst behelzen de verificatie van de in artikel 5, lid 1, vermelde voorwaarden voor toegang, alsmede, eventueel, van de verblijfs- en werkvergunningen. In dat verband wordt nauwgezet onderzocht:
- i)
of de onderdaan van een derde land in het bezit is van een document dat geldig is voor grensoverschrijding en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken en dat, in voorkomend geval, vergezeld gaat van het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning;
[…]
- iii)
aan de hand van de in- en uitreisstempels in het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land, en met name door vergelijking van de data van in- en uitreis, of de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten reeds heeft overschreden;
[…]’
10
Artikel 8 van die code preciseert in lid 1 ervan dat de grenscontroles in buitengewone en onvoorziene omstandigheden kunnen worden versoepeld.
11
Artikel 10 van de Schengengrenscode bepaalt in de leden 1 en 3 ervan:
- ‘1.
De reisdocumenten van onderdanen van derde landen worden bij inreis en bij uitreis systematisch afgestempeld. Er wordt met name een inreis-, respectievelijk uitreisstempel aangebracht in:
- a)
de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen die voorzien zijn van een geldig visum;
[…]
- 3.
Op verzoek van een onderdaan van een derde land kan bij wijze van uitzondering worden afgezien van een in- of uitreisstempel, wanneer de afstempeling voor deze onderdaan tot ernstige moeilijkheden zou kunnen leiden. In deze gevallen wordt de in- of uitreis op een afzonderlijk blad geregistreerd met vermelding van de naam en het paspoortnummer. Dat blad wordt de betrokken onderdaan van een derde land ter hand gesteld.’
12
Artikel 13 van de Schengengrenscode bepaalt:
- ‘1.
Indien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 5, lid 1, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, en niet tot de in artikel 5, lid 4, genoemde categorieën personen behoort, wordt hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd. Dit laat de toepassing van de bijzondere bepalingen inzake asielrecht en internationale bescherming of inzake afgifte van een visum voor een verblijf van langere duur onverlet.
- 2.
De toegang kan alleen worden geweigerd in een met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd. De beslissing wordt genomen door een naar nationaal recht bevoegde instantie. Zij is onmiddellijk van toepassing.
De met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd, wordt meegedeeld door middel van het standaardformulier in bijlage V, deel B, dat wordt ingevuld door de naar nationaal recht voor de weigering van toegang bevoegde autoriteit. Het ingevulde standaardformulier wordt verstrekt aan de betrokken onderdaan van een derde land, die met behulp van dit formulier de ontvangst van de beslissing tot weigering van toegang bevestigt.
- 3.
Personen die de toegang wordt geweigerd, hebben het recht daartegen beroep in te stellen. Het beroep wordt ingesteld overeenkomstig de nationale wetgeving.
[…]
[…]
- 6.
Gedetailleerde voorschriften inzake weigering van toegang zijn opgenomen in bijlage V, deel A.’
13
Overeenkomstig bijlage V, deel A, punt 1, sub b, bij die code moet de bevoegde grenswachter bij weigering van toegang in onuitwisbare inkt de letters aanbrengen die overeenkomen met de redenen voor toegangsweigering en waarvan de lijst in het standaardformulier voor toegangsweigering is opgenomen.
14
Het in bijlage V, deel B, van die code opgenomen formulier bevat met name een reeks van negen vakjes waarmee de bevoegde autoriteiten de precieze redenen voor toegangsweigering aan de grens kunnen aangeven.
Visumcode
15
Punt 3 van de considerans van de visumcode luidt als volgt:
‘Met betrekking tot het visumbeleid is de totstandbrenging van een ‘gemeenschappelijk wetgevingsinstrumentarium’, met name door de consolidering en ontwikkeling van het acquis [de relevante bepalingen van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 [tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19), die op 19 juni 1990 te Schengen is ondertekend], en de Gemeenschappelijke Visuminstructies één van de wezenlijke onderdelen van een ‘verdere ontwikkeling van het gemeenschappelijk visumbeleid door verdere harmonisatie van de nationale wetgeving en van de uitvoeringspraktijken van de plaatselijke consulaire vertegenwoordigingen, als onderdeel van een gelaagd systeem dat erop is gericht legaal reizen te bevorderen en illegale immigratie te bestrijden’ […]’
16
Artikel 24, lid 1, eerste en tweede alinea, van die code luidt als volgt:
‘De geldigheidsduur van een visum en de lengte van het toegestane verblijf worden gebaseerd op het onderzoek als bedoeld in artikel 21.
Een visum kan worden afgegeven voor één, twee of meer binnenkomsten. De geldigheidsduur is niet langer dan vijf jaar.’
17
Artikel 29 van die code bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:
- ‘1.
De geprinte visumsticker […] wordt in het reisdocument aangebracht […]
- 2.
Indien de lidstaat van afgifte het reisdocument van de aanvrager niet erkent, wordt gebruikgemaakt van het afzonderlijke blad voor het aanbrengen van een visum.’
18
Artikel 30 van die code preciseert dat ‘[a]an het bezit van een eenvormig visum […] als zodanig geen automatisch recht op binnenkomst [kan] worden ontleend’.
19
Overeenkomstig artikel 33 van de visumcode kan de geldigheidsduur van en/of de duur van het verblijf met een afgegeven visum in bepaalde bijzondere omstandigheden worden verlengd.
20
Artikel 34 van die code bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:
- ‘1.
Een visum wordt nietig verklaard indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden voldaan was, met name indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het visum op onrechtmatige wijze is verkregen. Een visum wordt in beginsel nietig verklaard door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat nietig worden verklaard […]
- 2.
Een visum wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan de afgiftevoorwaarden voldaan wordt. Een visum wordt in beginsel ingetrokken door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat worden ingetrokken […].’
Lets recht
21
De Letse Imigrācijas likums (immigratiewet) van 20 november 2002 (Latvijas Vēstnesis, 2000, nr. 169), bepaalt in artikel 4, lid 1:
- ‘1.
Een vreemdeling heeft het recht om het grondgebied van de Republiek Letland binnen te komen en er te verblijven als hij gelijktijdig beschikt over:
- 1)
een geldig reisdocument […]
- 2)
een geldig visum in een geldig reisdocument […]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
22
Op 8 oktober 2010 heeft Air Baltic op een vlucht Moskou-Riga een Indiaas staatsburger naar de Republiek Letland vervoerd, die bij de grenscontrole op de luchthaven van Riga een geldig Indiaas paspoort zonder eenvormig visum heeft overgelegd, alsook een nietig verklaard Indiaas paspoort met een door de Italiaanse Republiek afgegeven meervoudig eenvormig visum dat geldig was van 25 mei 2009 tot en met 25 mei 2014. In het nietig verklaarde paspoort was het volgende aangetekend: ‘Nietig verklaard paspoort. De geldige visa in het paspoort zijn niet nietig verklaard.’
23
Die Indiase staatsburger werd de toegang tot het Letse grondgebied ontzegd op grond dat hij niet over een geldig visum beschikte.
24
Bij besluit van 14 oktober 2010 heeft de Valsts robežsardze Air Baltic een administratieve geldboete van 2000 Letse lats (LVL) opgelegd op grond dat Air Baltic, door die Indiase staatsburger te vervoeren, een administratieve inbreuk had begaan door een persoon die niet over de vereiste reisdocumenten beschikte om de staatsgrens te overschrijden, naar Letland te vervoeren.
25
Bij beslissing van 9 december 2010 heeft het hoofd van de Valsts robežsardze het bezwaar van Air Baltic tegen voornoemd besluit afgewezen.
26
Tegen die beslissing heeft Air Baltic vervolgens beroep ingesteld bij de administratīvā rajona tiesa (administratieve districtsrechtbank). Bij vonnis van 12 augustus 2011 heeft die rechtbank dat beroep verworpen.
27
Tegen dit vonnis heeft Air Baltic hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
28
Daarop heeft de Administratīvā apgabaltiesa (regionaal administratief hof), van oordeel dat de uitlegging van de Schengengrenscode en de visumcode noodzakelijk is voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 5 van de [Schengengrenscode] aldus worden uitgelegd dat het bezit van een geldig visum dat in een geldig reisdocument is aangebracht, een dwingende voorafgaande voorwaarde is voor de toegang van een onderdaan van een derde land?
- 2)
Leidt de nietigverklaring van een reisdocument waarin een visumsticker is aangebracht, krachtens het bepaalde in de [visumcode] tevens tot ongeldigheid van het afgegeven visum?
- 3)
Zijn nationale bepalingen die het bezit van een geldig visum dat in een geldig reisdocument is aangebracht, als dwingende voorafgaande voorwaarde stellen voor de toegang van onderdanen van derde landen, verenigbaar met de bepalingen van de [Schengengrenscode] en de [visumcode]?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede vraag
29
Met zijn tweede vraag, die eerst moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 24, lid 1, en 34 van de visumcode aldus moeten worden uitgelegd dat de nietigverklaring van een reisdocument door een autoriteit van een derde land, van rechtswege leidt tot ongeldigheid van een in dat document aangebracht eenvormig visum.
30
Dienaangaande zij erop gewezen dat de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 24, lid 1, van de visumcode de geldigheidsduur van het eenvormig visum bij de afgifte bepaalt. Daarnaast kan die periode in bepaalde bijzondere omstandigheden op grond van artikel 33 van die code worden verlengd.
31
Een visum wordt overeenkomstig artikel 34, leden 1 en 2, van die code echter nietig verklaard indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden was voldaan en wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan die voorwaarden wordt voldaan.
32
Een eenvormig visum blijft, in geval van afgifte ervan door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van afgifte, dus op zijn minst geldig tot het verstrijken van de vastgestelde geldigheidsperiode, tenzij het op grond van artikel 34 van de visumcode voor het verstrijken van die periode wordt nietig verklaard of ingetrokken.
33
Uit de leden 1 en 2 van dat artikel blijkt echter dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van afgifte of van een andere lidstaat voor de nietigverklaring of intrekking van een eenvormig visum een specifiek besluit moeten vaststellen. Een autoriteit van een derde land is bijgevolg niet bevoegd om een eenvormig visum nietig te verklaren.
34
De door een dergelijke autoriteit genomen beslissing om een reisdocument met een eenvormig visum nietig te verklaren kan dan ook niet worden geacht van rechtswege te leiden tot nietigverklaring of intrekking van dat visum.
35
Voorts blijkt uit artikel 34 van de visumcode dat een bevoegde autoriteit een eenvormig visum slechts nietig kan verklaren om redenen die stroken met de in de artikelen 32, lid 1, en 35, lid 6, van die code bedoelde weigeringsgronden (zie in die zin arrest Koushkaki, C-84/12, EU:C:2013:862, punten 42 en 43). Bijgevolg ziet de enige grond tot nietigverklaring van een visum die rechtstreeks betrekking heeft op het reisdocument, overeenkomstig artikel 32, lid 1, sub a-i, van die code op de situatie waarin het overgelegde reisdocument ten tijde van de afgifte van het visum vals of vervalst was. Hieruit volgt dat de nietigverklaring van het reisdocument waarop het visum na afgifte van dit visum wordt aangebracht, niet behoort tot de gronden voor nietigverklaring ervan door een bevoegde autoriteit.
36
Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de artikelen 24, lid 1, en 34, van de visumcode aldus moeten worden uitgelegd dat de nietigverklaring van een reisdocument door een autoriteit van een derde land, niet van rechtswege leidt tot ongeldigheid van een in dat document aangebracht eenvormig visum.
Eerste vraag
37
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het bij de grenscontrole overgelegde geldige visum in een geldig reisdocument is aangebracht.
38
Dienaangaande zij erop gewezen dat in artikel 13, lid 1, van de Schengengrenscode is bepaald dat een onderdaan van een derde land die niet aan alle in artikel 5, lid 1, van die code vermelde toegangsvoorwaarden voldoet en niet tot de in lid 4 van dat artikel genoemde categorieën personen behoort, de toegang tot het grondgebied van de lidstaten wordt geweigerd.
39
Krachtens artikel 5, lid 1, van die code zijn de eerste twee voorwaarden voor de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten, ten eerste, het bezit van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding en, ten tweede, voor zover vereist op grond van verordening nr. 539/2001, het bezit van een geldig visum.
40
De tekst van die bepaling maakt dus een onderscheid tussen de toegangsvoorwaarde van het bezit van een reisdocument, zoals gesteld in artikel 5, lid 1, sub a, van de Schengengrenscode, en de toegangsvoorwaarde van het bezit van een visum, zoals gesteld in artikel 5, lid 1, sub b, van deze code, zonder op enigerlei wijze aan te geven dat het feit dat het visum op de datum van de grensoverschrijding in een geldig reisdocument is aangebracht, een toegangsvoorwaarde vormt.
41
Zoals de Letse en de Finse regering hebben benadrukt, geven bepaalde taalversies van artikel 7, lid 3, sub a-i, van de Schengengrenscode, zoals de Spaanse, de Estse, de Italiaanse en de Letse taalversie, uiting aan de gedachte dat de bevoegde autoriteiten bij de grenscontroles moeten nagaan of de onderdaan van het derde land beschikt over een geldig reisdocument waarin een visum is aangebracht.
42
Niettemin zijn de meeste andere taalversies van die bepaling van de Schengengrenscode — te weten de Deense, de Duitse, de Griekse, de Engelse, de Franse, de Litouwse, de Hongaarse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense en de Zweedse taalversie — in bewoordingen gesteld waaruit niet kan worden opgemaakt dat het visum bij de grensoverschrijding noodzakelijkerwijs in een geldig reisdocument moet zijn aangebracht, terwijl andere taalversies, zoals de Tsjechische en de Finse taalversie, op dit punt enigszins dubbelzinnig zijn.
43
De noodzaak van een eenvormige uitlegging van Unierechtelijke bepalingen vereist dat wanneer verschillen bestaan tussen diverse taalversies van de betrokken bepaling, bij de uitlegging van die bepaling wordt gelet op de context en de doelstelling van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arresten DR en TV2 Danmark, C-510/10, EU:C:2012:244, punt 45, alsook Bark, C-89/12, EU:C:2013:276, punt 40).
44
Wat in de eerste plaats de context van de artikelen 5, lid 1, en 7, lid 3, sub a-i, van de Schengengrenscode betreft, zij erop gewezen dat artikel 7 van die code is opgenomen in het tot titel II behorende hoofdstuk II van die code, met als opschrift ‘Toezicht aan de buitengrenzen en weigering van toegang’, terwijl artikel 5 van die code deel uitmaakt van het eveneens tot die titel II behorende hoofdstuk I, met als opschrift ‘Overschrijden van de buitengrenzen en toegangsvoorwaarden’.
45
Uit zowel het opschrift van artikel 7 van de Schengengrenscode als de bewoordingen van lid 3, sub a, van dat artikel blijkt overigens dat die bepaling niet beoogt toegangsvoorwaarden vast te stellen voor onderdanen van derde landen, maar ertoe strekt de verschillende aspecten te preciseren van de grondige controle die de bevoegde autoriteiten moeten verrichten om na te gaan of zij voldoen aan de in artikel 5, lid 1, van die code gestelde toegangsvoorwaarden.
46
Daarnaast zij erop gewezen dat artikel 13, lid 2, van die code bepaalt dat de precieze gronden van een beslissing tot weigering van toegang aan de onderdaan van een derde land moeten worden meegedeeld door middel van het standaardformulier in bijlage V, deel B, van die code.
47
De negen vakjes van dat formulier, die de bevoegde autoriteiten aankruisen om de gronden van een beslissing tot weigering van toegang mee te delen, bevatten meerdere verschillende vakjes die zien op respectievelijk het overgelegde reisdocument en het overgelegde visum. Dat formulier bevat echter geen enkel vakje om de toegangsweigering aldus te motiveren dat het overgelegde geldige visum op de datum van de grensoverschrijding niet in een geldig reisdocument is aangebracht.
48
Voorts volgt uit artikel 29, lid 2, van de visumcode dat de Uniewetgever niet heeft beoogd elke mogelijkheid uit te sluiten om het grondgebied van de lidstaten binnen te komen zonder op een geldig reisdocument aangebracht visum, aangezien hij uitdrukkelijk heeft voorzien in de mogelijkheid om een visum aan te brengen op een afzonderlijk blad wanneer de lidstaat van afgifte het overgelegde reisdocument niet erkent.
49
Bovendien zou een visum waarvan de geldigheidsperiode niet is verstreken en dat is aangebracht in een na de afgifte van dat visum nietig verklaard reisdocument, geen gevolgen hebben na een dergelijke nietigverklaring indien het niet meer zou kunnen worden overgelegd om het grondgebied van de lidstaten binnen te komen, zelfs wanneer dat visum vergezeld zou gaan van een geldig reisdocument. Een dergelijke uitlegging van de Schengengrenscode zou de geldigheid van een dergelijk visum, die voortvloeit uit de artikelen 24, lid 1, en 34, van de visumcode, zoals uitgelegd in punt 36 van dit arrest, echter de facto uithollen.
50
Wat in de tweede plaats de door de Schengengrenscode nagestreefde doelstellingen betreft, blijkt uit punt 6 van de considerans van die code dat de grenscontrole moet helpen de illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te voorkomen. Verder preciseert artikel 2, punt 10 van die code dat met de grenscontroles wordt beoogd na te gaan of de betrokken personen het grondgebied van de lidstaten mogen binnenkomen dan wel verlaten.
51
Met het oog op de verwezenlijking van die doelstellingen bepaalt artikel 7, lid 3, van die code dat de onderdanen van derde landen bij binnenkomst en uitreis aan een grondige controle worden onderworpen, waarbij met name de in- en uitreisstempels in het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land worden onderzocht om na te gaan of de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten niet reeds heeft overschreden.
52
Het is juist, zoals de Letse en de Finse regering hebben opgemerkt, dat dit onderzoek moeilijker is wanneer tegelijkertijd een nietig verklaard reisdocument met een geldig visum en een geldig reisdocument worden overgelegd.
53
De overlegging van twee verschillende reisdocumenten maakt het de bevoegde autoriteiten, zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie heeft opgemerkt, echter niet onmogelijk om onder redelijke omstandigheden de in artikel 7, lid 3, van de Schengengrenscode bedoelde controles te verrichten op basis van de informatie die blijkt uit de twee reisdocumenten die hun worden overgelegd.
54
Die autoriteiten zien zich overigens met soortgelijke moeilijkheden geconfronteerd in het uitdrukkelijk door de Uniewetgever beoogde geval waarin het aanbrengen van de in- of uitreisstempel op het reisdocument overeenkomstig artikel 10, lid 3, tweede alinea, van de Schengengrenscode wordt vervangen door de registratie van de in- of uitreis op een afzonderlijk blad.
55
Voorts zou de opvatting dat de praktische moeilijkheden die samenhangen met de overlegging van twee verschillende reisdocumenten zoals de documenten in het hoofdgeding volstaan om de toegang te weigeren aan onderdanen van derde landen van wie het eenvormig visum is aangebracht op een nietig verklaard reisdocument, leiden tot schending van het in artikel 6, lid 1, tweede alinea, juncto punt 7 van de considerans van de Schengengrenscode neergelegde vereiste dat de grenscontroles in verhouding staan tot de nagestreefde doelstellingen.
56
Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het bij de grenscontrole overgelegde geldige visum in een geldig reisdocument is aangebracht.
Derde vraag
57
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de betrokken lidstaat afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het overgelegde geldige visum bij de grenscontrole noodzakelijkerwijs in een geldig reisdocument is aangebracht.
58
Gelet op het antwoord op de eerste vraag blijkt dat de derde vraag enkel ontkennend kan worden beantwoord indien een lidstaat beschikt over een beoordelingsmarge die hem in staat stelt de toegang van een onderdaan van een derde land tot zijn grondgebied te weigeren op grond van een niet in de Schengengrenscode gestelde toegangsvoorwaarde.
59
In dit verband blijkt uit de tekst van artikel 5, lid 1, van die code dat deze code een lijst vaststelt van voorwaarden voor de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten en geen minimumlijst van gronden op basis waarvan de toegang van die onderdanen van derde landen tot dat grondgebied moet worden geweigerd.
60
Voorts preciseert artikel 7, lid 1, van de Schengengrenscode dat de grenscontroles overeenkomstig hoofdstuk II van titel II van deze code worden verricht.
61
Hoewel de artikelen 7, lid 3, en 8, van die code, die deel uitmaken van dat hoofdstuk II, respectievelijk voorzien in de verplichting van de bevoegde autoriteiten om na te gaan of is voldaan aan de in artikel 5, lid 1, van die code gestelde voorwaarden en in de mogelijkheid om de grenscontroles te versoepelen, maakt geen enkele bepaling van dat hoofdstuk melding van de mogelijkheid voor die autoriteiten om die controles uit te breiden door te vereisen dat aan andere toegangsvoorwaarden wordt voldaan dan die welke in laatstgenoemde bepaling zijn vermeld.
62
Bovendien pleit het feit dat artikel 13 van de Schengengrenscode in lid 1 bepaalt dat een onderdaan van een derde land die niet aan alle in artikel 5, lid 1, van die code vermelde toegangsvoorwaarden voldoet en niet tot de in lid 4 van dat artikel genoemde categorieën personen behoort, de toegang tot het grondgebied van de lidstaten wordt geweigerd, en in lid 2, tweede alinea, bepaalt dat de precieze weigeringsgronden moeten worden meegedeeld door middel van het standaardformulier in bijlage V, deel B, bij die code, voor de uitlegging dat de lijst van in dat artikel 5, lid 1, opgesomde toegangsvoorwaarden uitputtend is (zie naar analogie arrest Koushkaki, EU:C:2013:862, punt 38).
63
Het in bijlage V, deel B, vastgestelde standaardformulier bevat overigens negen vakjes die de bevoegde autoriteiten aankruisen om onderdanen van derde landen in kennis te stellen van de gronden voor toegangsweigering. Het zesde vakje komt overeen met de in artikel 5, lid 1, eerste zinsdeel, van de Schengengrenscode bedoelde verblijfsduur, terwijl de andere vakjes verwijzen naar de voorwaarden van dat lid 1, sub a tot en met e.
64
Evenzo is in bijlage V, deel A, van de Schengengrenscode gepreciseerd dat de bevoegde grenswachter bij weigering van toegang in het paspoort de letters moet aanbrengen die overeenkomen met de redenen voor toegangsweigering en waarvan de lijst in het standaardformulier voor toegangsweigering is opgenomen.
65
Daarenboven blijkt uit artikel 1 en de punten 4, 8 en 19 van de considerans van die code dat deze code beoogt de voorwaarden, de criteria en de nadere regels vast te stellen voor het toezicht aan de buitengrenzen van de Unie, wat niet in voldoende mate door de lidstaten kan worden verwezenlijkt. Punt 6 van de considerans van die code preciseert voorts dat het grenstoezicht niet alleen in het belang is van de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend, maar van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft, wat een gemeenschappelijke definitie van de toegangsvoorwaarden impliceert.
66
De uitlegging volgens welke de Schengengrenscode ertoe beperkt blijft de lidstaten te verplichten in een aantal nauwkeurig bepaalde situaties de toegang tot hun grondgebied te weigeren, zonder evenwel geharmoniseerde voorwaarden voor toegang tot dat grondgebied vast te stellen, is derhalve onverenigbaar met de doelstelling van deze code (zie naar analogie arrest Koushkaki, EU:C:2013:862, punt 50).
67
Het Hof heeft overigens reeds geoordeeld dat de bij het Schengenakkoord van 14 juni 1985 ingevoerde regeling, als logisch gevolg van de vrije overschrijding van de binnengrenzen van de Schengenruimte, beoogt een verhoogd eenvormig niveau van toezicht en bewaking van de buitengrenzen te waarborgen (arrest Commissie/Spanje, C-503/03, EU:C:2006:74, punt 37), dankzij de naleving van de geharmoniseerde voorschriften inzake controles aan de buitengrenzen, die zijn vastgesteld in de artikelen 6 tot en met 13 van de Schengengrenscode (zie in die zin arrest ANAFE, C-606/10, EU:C:2012:348, punten 26 en 29).
68
Bovendien zou de in punt 3 van de considerans van de visumcode genoemde doelstelling van de bevordering van het legaal reizen, ook al kan krachtens artikel 30 van de visumcode aan het bezit van een eenvormig visum als zodanig geen onherroepelijk recht op binnenkomst worden ontleend, in het gedrang komen indien de lidstaten op discretionaire wijze zouden kunnen beslissen om de toegang te weigeren aan onderdanen van derde landen die beschikken over een eenvormig visum, door een toegangsvoorwaarde toe te voegen aan die welke in artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode zijn vermeld, ofschoon de Uniewetgever niet de bedoeling had een dergelijke voorwaarde te stellen aan de toegang tot het grondgebied van de lidstaten (zie naar analogie arrest Koushkaki, EU:C:2013:862, punt 52).
69
Bijgevolg beschikken lidstaten niet over een beoordelingsmarge om onderdanen van derde landen de toegang tot hun grondgebied te weigeren op grond van voorwaarden waarin de Schengengrenscode niet voorziet.
70
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de betrokken lidstaat afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het overgelegde geldige visum bij de grenscontrole in een geldig reisdocument is aangebracht.
Kosten
71
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
De artikelen 24, lid 1, en 34, van verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) moeten aldus worden uitgelegd dat de nietigverklaring van een reisdocument door een autoriteit van een derde land, niet van rechtswege leidt tot ongeldigheid van een in dat document aangebracht eenvormig visum.
- 2)
Artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 265/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, van die verordening, moet aldus worden uitgelegd dat het de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten niet afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het bij de grenscontrole overgelegde geldige visum in een geldig reisdocument is aangebracht.
- 3)
Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 562/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 265/2010, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, van die verordening, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, die de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de betrokken lidstaat afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het overgelegde geldige visum bij de grenscontrole in een geldig reisdocument is aangebracht.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑09‑2014
Conclusie 21‑05‑2014
P. Mengozzi
Partij(en)
Zaak C-575/121.
AS Air Baltic Corporation
tegen
Valsts robežsardze
[verzoek van de administratīvā apgabaltiesa (Letland) om een prejudiciële beslissing]
1.
Kan aan een visumplichtige onderdaan van een derde land toegang worden verleend tot het grondgebied van de Europese Unie wanneer hij zich aan de buitengrens meldt met een geldig visum in een ongeldig reisdocument en een geldig reisdocument zonder visum? Dat is de inzet van de onderhavige prejudiciële verwijzing.
I — Toepasselijke bepalingen
A — Unierecht
1. De Schengengrenscode
2.
Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)2. heeft volgens artikel 1 tot doel ‘de maatregelen’ vast te stellen ‘die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie overschrijden’.
3.
Artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode somt de toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen op:
‘Voor onderdanen van derde landen gelden de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:
- a)
in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding;
- b)
indien vereist […] in het bezit zijn van een geldig visum […]
[…]’
4.
Artikel 5, lid 4, sub b, van de Schengengrenscode bepaalt:
‘In afwijking van lid 1:
[…]
- b)
kan onderdanen van derde landen die aan de in lid 1 genoemde voorwaarden, met uitzondering van [de voorwaarde] sub b, voldoen en zich aan de grens aanbieden, toegang tot het grondgebied van de lidstaten worden verleend, indien aan de grens een visum wordt afgegeven […]
[…]
Indien het niet mogelijk is op het document een visum aan te brengen, wordt het visum, bij wijze van uitzondering, op een apart blad aangebracht dat aan het document wordt gehecht. […]’
5.
Artikel 7, lid 3, van de Schengengrenscode luidt:
‘Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen aan een grondige controle onderworpen.
- a)
De grondige controles bij binnenkomst behelzen de verificatie van de in artikel 5, lid 1, vermelde voorwaarden voor toegang, alsmede, eventueel, van de verblijfs- en werkvergunningen. In dat verband wordt nauwgezet onderzocht:
- i)
of de onderdaan van een derde land in het bezit is van een document dat geldig is voor grensoverschrijding en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken en dat, in voorkomend geval, vergezeld gaat van het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning;
- ii)
of het reisdocument eventuele tekenen van namaak of vervalsing vertoont;
- iii)
aan de hand van de in- en uitreisstempels in het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land, en met name door vergelijking van de data van in- en uitreis, of de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten reeds heeft overschreden;
[…]’
6.
Artikel 10, lid 1, sub b, van de Schengengrenscode bepaalt dat ‘[d]e reisdocumenten van onderdanen van derde landen […] bij inreis en bij uitreis systematisch [worden] afgestempeld. Er wordt met name een in-, respectievelijk uitreisstempel aangebracht in […] de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen aan wie aan de grens een visum wordt afgegeven door een lidstaat.’
7.
Artikel 13, lid 1, van de Schengengrenscode vermeldt dat ‘[i]ndien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 5, lid 1, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, […] hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten [wordt] geweigerd.’
2. De Visumcode
8.
Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode)3. heeft volgens artikel 1, lid 1, tot doel ‘de procedures en voorwaarden’ vast te stellen ‘voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden’.
9.
Artikel 12 van de Visumcode, dat is gewijd aan het reisdocument, luidt als volgt:
‘De aanvrager legt een geldig reisdocument over dat aan de volgende criteria voldoet:
- a)
de geldigheid van het reisdocument verstrijkt niet eerder dan drie maanden na de voorgenomen datum van vertrek uit het grondgebied van de lidstaten of, in het geval van herhaalde bezoeken, na de voorgenomen datum van het laatste vertrek uit het grondgebied van de lidstaten. […]
- b)
het bevat ten minste twee blanco pagina's;
- c)
het is afgegeven in de voorafgaande tien jaar.’
10.
Artikel 21, lid 3, van de Visumcode preciseert: ‘Wanneer het consulaat controleert of de aanvrager voldoet aan de inreisvoorwaarden, gaat het na […] of het overgelegde reisdocument niet vals, nagemaakt of vervalst is’.
11.
Artikel 34 van de Visumcode luidt als volgt:
- ‘1.
Een visum wordt nietig verklaard indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden voldaan was […]. Een visum wordt in beginsel nietig verklaard door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat nietig worden verklaard; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de nietigverklaring in kennis gesteld.
- 2.
Een visum wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan de afgiftevoorwaarden voldaan wordt. Een visum wordt in beginsel ingetrokken door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat worden ingetrokken; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de intrekking in kennis gesteld.
[…]
- 5.
Indien een visum wordt nietig verklaard of ingetrokken, wordt daarop het stempel ‘NIETIG VERKLAARD’ of ‘INGETROKKEN’ aangebracht […].
- 6.
De beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een visum en de gronden waarop deze is gebaseerd, wordt aan de aanvrager kenbaar gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI.
- 7.
Visumhouders van wie het visum is nietig verklaard of ingetrokken, hebben een recht van beroep […]’
B — Lets recht
12.
Artikel 4, lid 1, punten 1 en 2, van de Letse immigratiewet (Imigrācijas likums) luidt als volgt:
- ‘1.
Een vreemdeling heeft het recht om het grondgebied van de Republiek Letland binnen te komen en er te verblijven als hij gelijktijdig beschikt over:
- 1)
een geldig reisdocument […]
- 2)
een geldig visum in een geldig reisdocument […]’4.
13.
Artikel 21, lid 1, van de Letse immigratiewet bepaalt dat de vervoerder de plicht heeft om na te gaan of de door hem vervoerde vreemdeling over alle documenten beschikt die voor de toegang tot het grondgebied van de Republiek Letland zijn vereist. Bij schending van deze verplichting wordt een administratieve boete opgelegd.
II — Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14.
Tijdens een vlucht van Moskou (Rusland) naar Riga (Letland) op 8 oktober 2010 vervoerde de luchtvaartmaatschappij AS Air Baltic Corporation (hierna: ‘Air Baltic Corporation’) een Indiaas onderdaan die tijdens het bij aankomst uitgevoerde grenstoezicht een geldig Indiaas paspoort zonder Schengenvisum heeft overgelegd, alsook een nietig verklaard Indiaas paspoort met een meervoudig Schengenvisum van het type ‘C’, afgegeven door de Italiaanse Republiek en geldig van 25 mei 2009 tot en met 25 mei 2014. Het nietig verklaarde paspoort bevatte de vermelding: ‘Paspoort nietig verklaard. De geldige visa in dit paspoort zijn niet nietig verklaard’.
15.
De Letse autoriteiten, verantwoordelijk voor de controle of onderdanen van derde landen aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van de Unie voldoen, weigerden de Indiaas onderdaan de toegang omdat hij niet beschikt over een geldig visum in een geldig reisdocument.
16.
Bovendien stelden de Letse grenswachters zich op het standpunt dat de luchtvaartmaatschappij inbreuk had gemaakt op de nationale immigratiewetgeving door een reiziger naar Letland te vervoeren die niet beschikte over de vereiste documenten voor toegang tot het grondgebied van Letland. Daarom hebben zij de maatschappij bij besluit van 14 oktober 2010 een administratieve boete opgelegd ter hoogte van 2 000 Letse lats (LVL).
17.
Air Baltic Corporation maakte daartegen bezwaar bij het hoofd van de nationale grenswacht, die bij besluit van 9 december 2010 de boete bekrachtigde. Air Baltic Corporation maakte de zaak daarna aanhangig bij de rechter van eerste aanleg, alwaar haar vordering op 12 augustus 2011 wordt afgewezen.
18.
Air Baltic Corporation stelde vervolgens hoger beroep in bij de administratīvā apgabaltiesa (Letland) en vorderde nietigverklaring van het besluit waarbij de administratieve boete was opgelegd.
19.
Volgens de verwijzende rechter staat het weliswaar vast dat volgens de Letse wetgeving aan de grens een geldig visum in een geldig reisdocument moet worden overgelegd, maar is het niet duidelijk of het Unierecht eveneens aan visumplichtige onderdanen van derde landen5. voorschrijft dat zij op het moment van overschrijding van de buitengrenzen van de Unie in het bezit moeten zijn van een geldig visum in een eveneens geldig reisdocument, en ook niet of de nietigverklaring van het reisdocument waarin het visum is aangebracht de geldigheid van het daarin aangebrachte visum aantast. De verwijzende rechter vraagt zich derhalve af of de grenswachters zich op het standpunt konden stellen dat de Indiaas onderdaan niet beschikte over de voor het overschrijden van de grens vereiste reisdocumenten. Tot slot merkt hij op dat, zoals de partijen in het geding naar voren hebben gebracht, de autoriteiten van de lidstaten verschillend omgaan met gevallen waarin onderdanen van derde landen zich bij de buitengrenzen melden in het bezit van zowel een geldig visum in een ongeldig reisdocument als een geldig reisdocument zonder visum.
20.
Aldus geconfronteerd met een moeilijkheid bij de uitlegging van het Unierecht heeft de administratīvā apgabaltiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof, bij verwijzingsbeslissing ingekomen ter griffie van het Hof op 7 december 2012, op basis van artikel 267 VWEU verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 5 van de [Schengengrenscode] aldus worden uitgelegd dat het bezit van een geldig visum dat in een geldig reisdocument is aangebracht, een dwingende voorafgaande voorwaarde is voor de toegang van een onderdaan van een derde land?
- 2)
Leidt de nietigverklaring van een reisdocument waarin een visumsticker is aangebracht, krachtens het bepaalde in de [Visumcode] tevens tot ongeldigheid van het afgegeven visum?
- 3)
Zijn nationale bepalingen die het bezit van een geldig visum dat in een geldig reisdocument is aangebracht, als dwingende voorafgaande voorwaarde stellen voor de toegang van onderdanen van derde landen, verenigbaar met de bepalingen van de [Schengengrenscode] en de [Visumcode]?’
III — Procedure voor het Hof
21.
Air Baltic Corporation, de Letse, de Italiaanse en de Finse regering, de Zwitserse Bondsstaat6. en de Europese Commissie hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.
22.
Ter terechtzitting van 19 maart 2014 hebben Air Baltic Corporation, de Letse en de Finse regering, en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
IV — Juridische analyse
23.
Als de ongeldigheid van het reisdocument waarin het visum is aangebracht tevens de geldigheid van het visum zelf zou aantasten zou de vraag of aan een derdelander toegang tot het grondgebied van de Unie kan worden verleend indien hij in het bezit is van een ongeldig reisdocument met daarin een visum alsmede een geldig reisdocument, niet aan de orde zijn.
24.
Ik moet derhalve de door de verwijzende rechter gestelde vragen enigszins aanpassen en zal beginnen met de bespreking van de tweede vraag. Daarna onderzoek ik de vraag of de Schengengrenscode voorschrijft dat het geldige visum zich op het moment van overschrijding van de buitengrens van de Unie moet bevinden in een geldig reisdocument. En ten slotte, indien het antwoord daarop ontkennend is, zal ik bezien of de lidstaten binnen het kader van de Schengengrenscode en de Visumcode bevoegd zijn om naast de daarin opgenomen toegangsvoorwaarden een aanvullende voorwaarde voor toegang op te leggen.
A — Tast het verlies van geldigheid van het reisdocument waarin het visum is aangebracht ook de geldigheid van het visum zelf aan?
25.
Om te beginnen wijs ik erop dat artikel 34 van de Visumcode bepaalt onder welke voorwaarden een visum nietig wordt verklaard of ingetrokken. Zo wordt het visum nietig verklaard wanneer blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden was voldaan7. of ingetrokken wanneer blijkt dat niet langer aan de afgiftevoorwaarden wordt voldaan8..
26.
In beide gevallen preciseert de Visumcode dat de beslissing om het visum nietig te verklaren of in te trekken wordt genomen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven, dan wel de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat.9. De bevoegdheid om te beslissen over de geldigheid van een visum komt dus uitsluitend toe aan de autoriteiten van de lidstaten.
27.
De nietigverklaring of intrekking wordt op het visum zelf vermeld.10. De beslissing tot nietigverklaring of intrekking van het visum en de gronden waarop deze is gebaseerd moeten vervolgens aan de aanvrager kenbaar worden gemaakt door middel van een standaardformulier.11.
28.
Uit dit formulier blijkt dat het verlies van de geldigheid van het reisdocument dat is overgelegd op het moment van de visumaanvraag geen deel uitmaakt van de gronden die de nietigverklaring of intrekking van het visum kunnen rechtvaardigen. De enige grond die blijkens het formulier rechtstreeks het reisdocument betreft is de constatering dat het overgelegde reisdocument ‘vals, vervalst of nagemaakt’ is.
29.
Omdat niet is betwist dat de Indiaas onderdaan van wie in het hoofdgeding sprake is op het moment van de aanvraag voldeed aan de afgiftevoorwaarden voor het visum, rijst de vraag of het verlies van geldigheid van het paspoort waarin het visum is aangebracht, had kunnen leiden tot de intrekking van dat visum.
30.
Op het moment van de visumaanvraag moet de betrokken persoon natuurlijk een geldig reisdocument overleggen. Uit een gecombineerde lezing van artikel 34 en bijlage VI van de Visumcode blijkt echter dat het verlies van geldigheid van dat document na de afgifte van het visum, mits de genoemde persoon tevens een nieuw geldig reisdocument kan overleggen, niet betekent dat niet meer aan de afgiftevoorwaarden voor het visum wordt voldaan.
31.
Benadrukt moet eveneens worden dat de Visumcode een recht van beroep garandeert voor diegenen van wie het visum nietig is verklaard of ingetrokken. Dit beroep wordt ingesteld tegen de lidstaat die de beslissing tot nietigverklaring of intrekking heeft genomen, en de genoemde personen moeten worden geïnformeerd over deze beroepsmogelijkheid. De nietigverklaring of intrekking moet ten slotte worden vermeld in het visuminformatiesysteem (VIS).12. Dit informatie- en beroepsrecht zou niet kunnen worden gegarandeerd als de geldigheid van een Schengenvisum afhankelijk zou zijn van een beslissing van een derde land.
32.
De regeling van nietigverklaring en intrekking in de Visumcode lijkt dus te zijn gebaseerd op het postulaat dat het de autoriteiten van de lidstaten zijn die over nietigverklaring of intrekking beslissen. In die zin wordt een zekere formele parallellie in acht genomen, want het zijn diezelfde autoriteiten die de visa afgeven.13.
33.
Het afgegeven visum werkt immers voor alle lidstaten. Het is van belang dat de bevoegdheid om een visum af te geven of te weigeren niet wordt omzeild door beslissingen die worden genomen door autoriteiten van derde landen. Anders gezegd, het beginsel van wederzijdse erkenning moet prevaleren totdat de grenswachters van de Unie in voorkomend geval een zodanige aanzienlijke wijziging in de situatie van de betrokken derdelander constateren dat de afweging die de autoriteit van afgifte heeft gemaakt, in heroverweging moet worden genomen.
34.
Ik deel derhalve niet het door de Letse regering ter terechtzitting naar voren gebrachte standpunt dat als het paspoort waarin het visum is aangebracht ongeldig is geworden, het gehele paspoort — dat wil zeggen met inbegrip van het Schengenvisum — niet meer waard is dan een simpel stuk papier.
35.
Gezien het voorgaande moet worden geconstateerd dat de beslissing over de ongeldigheid van een Schengenvisum slechts kan worden genomen onder de in artikel 34 van de Visumcode beschreven voorwaarden en in ieder geval behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de autoriteiten van de lidstaten. Aldus kan het enkele feit dat het reisdocument waarin het Schengenvisum is aangebracht niet meer geldig is, niet de geldigheid van het visum zelf aantasten, hetgeen ook werd erkend door de autoriteiten die het betrokken paspoort hebben afgegeven toen ze op het paspoort aantekenden dat hoewel het paspoort nietig was verklaard, dat niet het geval was voor de daarin aangebrachte geldige visa.
B — Bestaat er een verplichting tot overlegging van een geldig visum in een geldig reisdocument?
36.
Nu de toegang tot het grondgebied van de Unie niet aan de Indiaas onderdaan kon worden geweigerd om de enkele reden dat het paspoort waarin het Schengenvisum was aangebracht nietig was verklaard — de enkele ongeldigheid van het paspoort heeft immers geen invloed op de geldigheid van het visum — moet nog worden vastgesteld of de Schengengrenscode het bezit van een geldig visum in een geldig reisdocument als toegangsvoorwaarde voorschrijft.
37.
Daartoe zal ik eerst aantonen dat een letterlijke uitlegging ontoereikend is vanwege taalkundige verschillen en dat derhalve gebruik moet worden gemaakt van een systematische analyse. Vervolgens ga ik na of de teleologische uitlegging de uit die systematische analyse getrokken conclusies staaft, voordat ik nog enkele slotopmerkingen formuleer.
1. Ontoereikendheid van de letterlijke uitlegging en taalkundige verschillen
38.
Artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode somt de vijf cumulatieve voorwaarden op waaraan onderdanen van derde landen moeten voldoen om toegang te krijgen tot het grondgebied van de Unie. Volgens artikel 5, lid 1, sub a, moet een derdelander ‘in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten […] die recht geven op grensoverschrijding’, en artikel 5, lid 1, sub b, bepaalt dat die onderdaan, indien vereist, ‘in het bezit [moet] zijn van een geldig visum’.
39.
Een strikt letterlijke uitlegging van dit artikel 5, lid 1, laat al zien dat er enerzijds onderscheid wordt gemaakt tussen bezit van een geldig reisdocument en bezit van een visum en dat anderzijds de wetgever niets naders heeft bepaald ten aanzien van de ‘fysieke’ overlegging van die twee documenten.
40.
Ik ben echter, in het licht van hetgeen de Finse regering heeft aangevoerd, van mening dat artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, hoewel het niet de uitdrukkelijke verplichting bevat om op het moment van overschrijding van de buitengrenzen van de Unie een geldig visum in een geldig reisdocument over te leggen, rekening houdend met het systeem waar het deel van uitmaakt niet afzonderlijk kan worden beoordeeld. Artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode moet dus zowel in samenhang met de andere bepalingen van de Schengengrenscode worden gelezen, als in samenhang met de relevante bepalingen van de Visumcode waar de Schengengrenscode nauw mee is verbonden.14.
41.
Zoals te doen gebruikelijk zal de letterlijke uitlegging dus worden aangevuld met een systematische en een teleologische analyse. Dat is des te meer noodzakelijk nu de belanghebbende partijen die in de onderhavige procedure hebben geïntervenieerd, hebben gerefereerd aan artikel 7, lid 3, sub a-i, van de Schengengrenscode in hun discussie over de vraag of het geldige visum zich, zowel in de zin van artikel 5, lid 1, van die code als in de zin van de Visumcode, moet bevinden in een geldig reisdocument. Voor de Finse regering brengt artikel 7, lid 3, sub a-i, van de Schengengrenscode, waarin staat dat het reisdocument ‘vergezeld gaat’ van het geldige visum, met zich dat aan de grens alleen een geldig visum in een geldig reisdocument mag worden overgelegd.
42.
Verzoekster in het hoofdgeding merkt op dit punt op dat, hoewel de Letse versie van artikel 7, lid 3, sub a-i, van de Schengengrenscode expliciet vermeldt dat het visum in een geldig reisdocument moet zijn aangebracht, dat in andere taalversies niet het geval zou zijn. De Deense de Engelse, de Franse en de Zweedse versies zouden slechts eisen dat het reisdocument ‘vergezeld gaat’ van het visum, hetgeen niet noodzakelijk betekent dat het visum in het reisdocument moet zijn aangebracht.
43.
Hoewel de gestelde vraag gaat over de uitlegging van artikel 5 van de Schengengrenscode, in verband waarmee niet is aangevoerd dat er verschillen tussen de taalversies zouden bestaan, meen ik dat artikel 7 van diezelfde code een essentiële bepaling is voor het gezamenlijke toezicht aan de buitengrenzen van de Unie en dat die bepaling van nut kan zijn bij het ophelderen van de uitlegging die aan artikel 5 moet worden gegeven.
44.
Dienaangaande wil ik in herinnering roepen dat het vereiste van uniforme toepassing en uitlegging van een Uniehandeling gebiedt dat een tekst niet op zichzelf in een van zijn versies wordt beschouwd, maar wordt uitgelegd zowel naar de werkelijke bedoeling van de auteur ervan als naar het door hem nagestreefde doel, gelet op onder meer de in alle talen geredigeerde versies.15. De in een van die taalversies van een bepaling gebruikte formulering kan niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen of in zoverre voorrang hebben boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht.16.
45.
Zowel de noodzaak om de eerste conclusie te bevestigen die uit de letterlijke uitlegging van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode is getrokken, als de noodzaak om de uitleggingsmoeilijkheid te overwinnen die samenhangt met de verschillen in taalversies van artikel 7, lid 3, sub a-i, van die code, vereisen dat de redenering wordt aangevuld door een systematische en een teleologische analyse.
2. Systematische analyse
46.
Omdat de afgifte van het visum voorafgaat aan het toezicht dat wordt uitgevoerd aan de buitengrenzen van de Unie, begin ik met de analyse van de Visumcode.
47.
De derdelander mag, kort gezegd, zijn visumaanvraag ten hoogste drie maanden voor het begin van de voorgenomen reis bij het bevoegde consulaat indienen.17. Hij moet met name een standaard aanvraagformulier overleggen18. en een reisdocument19. waarvan de geldigheid niet eerder dan drie maanden na de voorgenomen datum van het laatste vertrek uit het grondgebied van de lidstaten verstrijkt20., welk document ten minste twee blanco pagina's bevat en in de voorafgaande tien jaar is afgegeven21.. De vakjes 12 tot en met 16 van het standaard aanvraagformulier moeten bovendien informatie bevatten over het type reisdocument dat door de aanvrager wordt overgelegd, het nummer ervan en de data van afgifte en verval ervan, alsmede de autoriteit die het heeft afgegeven.
48.
Nadat de visumaanvraag is ingevuld en ingediend bij de bevoegde autoriteit, moet deze nagaan of ‘de aanvrager aan de inreisvoorwaarden als omschreven in artikel 5, lid 1, sub a, c, d en e, van de Schengengrenscode voldoet’22., en in het bijzonder of ‘het overgelegde reisdocument niet vals, nagemaakt of vervalst is’23.. Een meervoudig visum, zoals het visum dat aan de orde is in het hoofdgeding, heeft een geldigheidsduur tussen zes maanden en vijf jaar.24.
49.
Vervolgens wordt de visumsticker ingevuld overeenkomstig de voorwaarden van artikel 27 en bijlage VII van de Visumcode. De sticker vermeldt de periode gedurende welke de visumhouder tot verblijf gerechtigd is en, tenzij het visum is aangebracht op een afzonderlijk blad, het nummer van het reisdocument waarin de visumsticker wordt aangebracht.25. De sticker wordt vervolgens aangebracht overeenkomstig de voorschriften van artikel 29 en bijlage VIII van de Visumcode. Dit geschiedt in beginsel ‘op de eerste bladzijde van het reisdocument waarop geen vermeldingen of stempels staan’26., tenzij het visum is aangebracht op een afzonderlijk blad27..
50.
Het moment van afgifte van het visum valt niet samen met het moment van overschrijding van de buitengrens van de Unie28., en dat vooral omdat een meervoudig visum, zoals we gezien hebben, een geldigheidsduur tussen zes maanden en vijf jaar kan hebben. De Visumcode beperkt zich tot de eis dat de geldigheidsduur van het op het moment van de visumaanvraag overgelegde reisdocument niet eerder dan drie maanden na de voorgenomen datum van het laatste vertrek uit het grondgebied van de Unie verstrijkt.29. Ik herhaal dat deze precisering alleen geldt voor de voorwaarden waaraan op het moment van de visumaanvraag moet worden voldaan, want de consulaire autoriteiten hebben hoe dan ook geen vat op wat er met het reisdocument gebeurt tussen het moment van indiening van de visumaanvraag en het daadwerkelijke moment van overschrijding van de Uniegrenzen.
51.
Als het visum eenmaal is afgegeven en nadat de consulaire autoriteiten met name de geldigheid van het overgelegde reisdocument hebben gecontroleerd, vormt het grenstoezicht een volgende fase.30.
52.
Wat betreft de Schengengrenscode merk ik om te beginnen op dat deze tot doel heeft ‘de maatregelen […] die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten […] overschrijden’ vast te stellen.31. Het lijkt essentieel dat die maatregelen op uniforme wijze worden toegepast, en ik deel in dit opzicht de zorgen die verzoekster in het hoofdgeding heeft geuit toen zij verslag deed van het verschil in nationale praktijken.
53.
Zoals gezegd omvatten de toegangsvoorwaarden van artikel 5 van de Schengengrenscode een verplichting om in het bezit te zijn van één of meer geldige reisdocumenten die recht geven op grensoverschrijding, alsmede een verplichting om, indien vereist, in het bezit te zijn van een geldig visum. Ik merk op dat in deze lijst van toegangsvoorwaarden geen verplichting voorkomt om het geldige reisdocument met het daarin aangebrachte geldige visum over te leggen.
54.
De derdelander wordt op het moment van grensoverschrijding onderworpen aan een grondige controle van de toegangsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode en in dat verband wordt nauwgezet onderzocht of de betrokken derdelander in het bezit is van een reisdocument dat ‘geldig is […] en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken’ en tevens ‘vergezeld’ gaat van het vereiste visum.32. De in- en uitreisstempels ‘in het reisdocument’ worden eveneens onderzocht teneinde door vergelijking van de data van in- en uitreis vast te stellen of de onderdaan de maximumduur van het toegestane verblijf in de Unie nog niet heeft overschreden.
55.
Bij de grondige controle krachtens artikel 7, lid 3, van de Schengengrenscode moeten twee fasen worden onderscheiden. Eerst wordt het enkele bezit geverifieerd — beschikt de derdelander over een geldig reisdocument en een geldig visum — waarna het echte onderzoek volgt, dat wil zeggen een diepgaande verificatie bestaande uit het zoeken naar eventuele tekenen van namaak of vervalsing, vergelijking van data van in- en uitreis, verificatie of de onderdaan voor de terugreis over voldoende middelen van bestaan beschikt, etc.33.
56.
De ontkoppeling van de verplichting tot overlegging van een geldig reisdocument en de verplichting tot overlegging van een geldig visum die wij al vermoedden bij lezing van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, wordt derhalve bevestigd.
57.
Zodra deze controle heeft plaatsgevonden, wordt toegang verleend of geweigerd. Bij het verlenen van toegang wordt door de autoriteiten systematisch een stempel aanbracht34. in de door de derdelander bij de in- en uitreis overgelegde grensoverschrijdingsdocumenten die ‘voorzien’ zijn van een geldig visum.35. Het geldigheidsvereiste wordt alleen genoemd voor het visum en niet voor het reisdocument.
58.
Als daarentegen de inreis wordt geweigerd omdat de derdelander niet aan alle toegangsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode voldoet, geschiedt dat in een met redenen omklede beslissing die wordt medegedeeld door middel van een standaardformulier.36. Onder de weigeringsgronden op het formulier bevindt zich enerzijds de omstandigheid dat de betrokken persoon niet in het bezit is van geldige reisdocumenten37., en anderzijds de omstandigheid dat de betrokkene niet in het bezit is van een geldig visum38..
59.
Uit de voorgaande analyse blijkt dat de wetgever niet uitdrukkelijk de eis heeft gesteld dat het geldige visum in een geldig reisdocument moet zijn aangebracht. De twee genoemde toegangsvoorwaarden worden niet alleen los van elkaar genoemd in artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, maar dit onderscheid vloeit ook voort uit de structuur van andere bepalingen.39.
60.
Uit zowel letterlijk als systematisch oogpunt verzet zich dan ook niets tegen een uitlegging van dit artikel 5 in die zin dat een visumplichtige derdelander voor toegang tot het grondgebied van de Unie niet in het bezit hoeft te zijn van een geldig visum in een geldig reisdocument.
61.
Wel moet nog worden nagegaan of een dergelijke uitlegging de door de Visumcode en de Schengencode nagestreefde doelen niet in gevaar brengt.
3. Teleologische uitlegging
62.
De Schengengrenscode heeft een grensbewakingssysteem in het leven geroepen dat beoogt onrechtmatige grensoverschrijding te voorkomen, grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden, en maatregelen tegen illegaal binnengekomen personen te nemen en deze personen aan te houden.40. Punt 6 van de considerans van de Schengengrenscode vermeldt bovendien dat het grenstoezicht ‘in het belang [is] van niet alleen de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend maar van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft’ en dat het moet helpen ‘de illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te voorkomen’.41.
63.
De Schengengrenscode past volgens het Hof ‘in de ruimere context van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit […] De bij het Schengenakkoord ingevoerde regeling berust dus op de naleving van de geharmoniseerde voorschriften inzake controles aan de buitengrenzen en, in casu, op de strikte naleving van de bij de [Schengengrenscode] vastgestelde voorwaarden voor de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten die partij zijn bij dit akkoord. Iedere lidstaat waarvan het grondgebied tot de Schengenruimte behoort, moet er namelijk op kunnen vertrouwen dat iedere andere lidstaat van die ruimte de controles op een doeltreffende en strikte wijze verricht’.42. Het Hof is tevens van mening dat ‘met de grenscontroles [wordt] beoogd, zekerheid te verkrijgen dat de personen het grondgebied van de lidstaat mogen binnenkomen dan wel verlaten, en voorts te voorkomen dat personen zich aan de grenscontroles onttrekken’.43.
64.
De vaststelling van de Visumcode maakt ook deel uit van de algemene doelstelling om geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te creëren, en de Visumcode zelf streeft het tweeledige doel na om een gelaagd systeem tot stand te brengen dat erop is gericht legaal reizen te bevorderen en illegale immigratie te bestrijden door verdere harmonisatie van de nationale wetgevingen en van de uitvoeringspraktijken voor de afgifte van visa.44. Bij de uitlegging van de Visumcode waakt het Hof er aldus voor dat noch de doelstelling van het bevorderen van legaal reizen, noch de doelstelling van het voorkomen van ongelijke behandeling van visumaanvragers in het gedrang komt.45.
65.
De Finse regering stelt dat de realisatie van de doelstellingen van veiligheid, de vlotte doorstroming aan de grenzen, het voorkomen van bedreigingen van de openbare orde, de veiligheid of de volksgezondheid, en de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, illegale immigratie en mensenhandel, wordt vergemakkelijkt als het geldige visum is aangebracht in een eveneens geldig reisdocument.
66.
De betekenis van deze stelling moet niet overschat worden, en zij is hoe dan ook niet doorslaggevend.
67.
Bij mijn eerdere beschrijving van het door de Schengengrenscode in samenhang met de Visumcode ingevoerde systeem heb ik gewezen op het bestaan van een aantal waarborgen voor de doeltreffendheid van het grenstoezicht die het onmogelijk maken om de stelling van de Finse regering te ondersteunen. Aan de met het toezicht aan de buitengrenzen belaste autoriteiten werd in het kader van het hoofdgeding zowel het reisdocument op basis waarvan het visum was afgegeven, als het ‘nieuwe’ reisdocument overgelegd. Daardoor waren zij in staat zich te vergewissen van de ‘overeenstemming’ tussen het bij de visumaanvraag overgelegde document — dat daadwerkelijk was onderzocht door de bevoegde consulaire autoriteiten — en het reisdocument met het geldige visum dat werd overgelegd bij het overschrijden van de buitengrens van de Unie. De overlegging van het geldige reisdocument maakte het hen bovendien mogelijk om de identiteit van de betrokken derdelander vast te stellen en om na te gaan of aan de eerste toegangsvoorwaarde was voldaan. De gelijktijdige overlegging van de twee reisdocumenten, die elkaar chronologisch opvolgden, maakte ten slotte een afdoende controle van de in- en uitreisstempels mogelijk, op basis waarvan de autoriteiten verifiëren of de maximumduur van het toegestane verblijf niet is overschreden.
68.
Hoewel moet worden erkend dat een daadwerkelijk en doeltreffend toezicht aan de buitengrenzen van de Unie voor de betrokken lidstaten van essentieel belang is, en ook dat de overlegging van twee afzonderlijke reisdocumenten, het een geldig en het ander ongeldig — misschien — de taak van de met het toezicht aan de buitengrenzen belaste autoriteiten enigszins bemoeilijkt46., is evenwel niet aangetoond dat in het onderhavige geval de veiligheidsdoelstelling van de Schengengrenscode in bijzondere mate in gevaar is of zou zijn gebracht.
69.
In dit verband merk ik op dat er een significant verschil is tussen het onderhavige geval en de terugkerende praktische moeilijkheden bij het grenstoezicht die de Finse regering ter sprake heeft gebracht, welke moeilijkheden voortkomen uit het feit dat sommige onderdanen van derde landen zich bij de grenscontroles melden met veel meer dan twee reisdocumenten, zowel geldige als ongeldige.
4. Slotopmerkingen
70.
Het verlenen van toegang aan een derdelander die tijdens het aan de buitengrenzen van de Unie uitgevoerde toezicht zowel een ongeldig reisdocument met een voor de toegang tot het grondgebied van de Unie vereist visum als een geldig reisdocument overlegt, lijkt ten slotte in lijn te liggen met de internationale standaard. Air Baltic Corporation en de Letse regering hebben zelf onweersproken aangevoerd dat punt 3.53 van bijlage 9 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944, aanbeveelt om, indien de geldigheid van een reisdocument is verlopen terwijl het een geldig visum bevat, het visum als geldig te blijven beschouwen tot aan zijn vervaldatum, mits het vergezeld gaat van een geldig reisdocument.
71.
De Letse regering twijfelt er niettemin aan of deze praktijk ook in de context van de Schengengrenscode toepassing zou kunnen vinden, omdat genoemd verdrag die praktijk aanbeveelt in een context waarin het visum de derdelander slechts toegang verleent tot het grondgebied van het land dat het heeft afgegeven. Geconstateerd moet echter worden dat de Unie, hoewel zij geen partij bij genoemd verdrag is, zich die internationale standaard op zekere wijze al heeft eigen gemaakt, want aan de handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa47. is bij uitvoeringsbesluit van de Commissie C(2011) 5501 definitief van 4 augustus 2011 een nieuwe alinea toegevoegd aan punt 4.1.1, volgens hetwelk ‘[e]en reiziger […] in beginsel in het bezit [moet] zijn van een geldig visum dat is aangebracht in een geldig reisdocument. Wanneer alle blanco pagina's van het reisdocument van de houder van het Schengenvisum echter zijn gebruikt voor het aanbrengen van visa of in- en uitreisstempels, mag die visumhouder reizen met het ‘volle’ maar ongeldig gemaakte reisdocument waarin het geldige visum is aangebracht, en een nieuw reisdocument’.48.
72.
Hiermee geeft de Commissie dus aan van mening te zijn dat het overleggen van twee afzonderlijke reisdocumenten, het ene ongeldig maar met een geldig visum, en het andere zonder visum, de doeltreffendheid van het toezicht aan de buitengrenzen van de Unie niet in gevaar brengt. De Letse regering preciseerde ter terechtzitting dat zij de genoemde aanbeveling heeft geïmplementeerd bij een hervorming van de nationale wetgeving.
73.
Natuurlijk heeft punt 4.1.1 van de handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa alleen het specifieke geval voor ogen waarin het document met het daarin aangebrachte visum ongeldig is wegens het niet beschikbaar zijn van blanco pagina's, en bovendien gaat het slechts om een aanbeveling. Het is evenwel van belang dat de realisatie van alle doelstellingen van de Visumcode wordt gewaarborgd, met inbegrip van het voorkomen van visumshopping en ongelijke behandeling van visumaanvragers.49.
74.
In dit opzicht zijn de verschillen in nationale praktijken die door de verwijzende rechter, verzoekster in het hoofdgeding en de Letse regering worden benadrukt verontrustend, want daardoor zijn de buitengrenzen van de Unie min of meer doorlatend. Er bestaat dus een wezenlijk risico, waar Air Baltic Corporation op heeft gewezen, dat de vrijheid van handelen die de nationale autoriteiten hebben om toegang tot het grondgebied te verlenen of te weigeren in het geval dat er twee reisdocumenten worden overgelegd, het ene ongeldig met daarin het visum en het andere geldig maar zonder visum, een criterium wordt voor de selectie van de lidstaat via welke de derdelander het grondgebied van de Unie wil binnenkomen. Het lijkt derhalve noodzakelijk om de praktijken van de grenswachters verder te harmoniseren dan alleen in het geval dat het reisdocument geen blanco pagina's meer bevat.
75.
Bovendien zijn de redenen die de autoriteit van het derde land van afgifte van het reisdocument heeft gehad voor het ongeldig verklaren ervan meestal niet bekend bij de autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met het toezicht aan de buitengrenzen. Ook in het hoofdgeding blijven die redenen onbekend. Maar voor zover de ongeldigheid wordt ‘gecorrigeerd’ door de overlegging van een reisdocument waarvan de geldigheidsduur de maximumduur van het toegestane verblijf in de Unie dekt, en nadat de noodzakelijke controles van de authenticiteit van het nieuwe document dat is overgelegd zijn uitgevoerd, is er volgens mij geen reden om het verlenen van toegang aan de derdelander die een ongeldig en een geldig reisdocument overlegt te beperken tot het enkele geval waarin de ongeldigheid voortkomt uit het ontbreken van blanco pagina's.
76.
Nu de Commissie en de lidstaten die haar aanbeveling hebben opgevolgd, zich in dat laatste geval niet op het standpunt hebben gesteld dat de controle van de verblijfsduur wordt bemoeilijkt door de overlegging van afzonderlijke documenten, begrijp ik niet waarom dat in de onderhavige situatie wel het geval zou moeten zijn. Zoals ik immers al heb benadrukt stelde de chronologische opeenvolging van de twee door de Indiaas onderdaan overgelegde reisdocumenten de grenswachters in staat zich ervan te vergewissen dat het toegestane aantal verblijfsdagen op het grondgebied van de Unie niet was overschreden. Ten slotte preciseer ik dat een dergelijke mogelijkheid de toepassing van artikel 11 van de Schengengrenscode onverlet laat, waarin wordt bepaald dat ‘[w]anneer in het reisdocument van een onderdaan van een derde land geen inreisstempel is aangebracht, […] de bevoegde autoriteiten hier het vermoeden aan [mogen] verbinden dat de houder niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden inzake verblijfsduur die in de betrokken lidstaat van toepassing zijn’, welk vermoeden weerlegbaar is.
77.
Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode aldus moet worden uitgelegd dat het geldige visum dat van de visumplichtige derdelander wordt verlangd op het moment dat hij de buitengrenzen van de Unie overschrijdt, zich niet noodzakelijkerwijs hoeft te bevinden in een geldig reisdocument en dat de toegangsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, sub a en b, van die code los van elkaar kunnen worden gezien, mits de genoemde onderdaan op het moment van overschrijding van de buitengrenzen een rechtsgeldig reisdocument overlegt waarvan de geldigheidsduur de maximaal toegestane verblijfsduur van het Schengenvisum dekt, welk visum zelf is aangebracht in een reisdocument waarvan de geldigheid is vervallen.
C — Derde prejudiciële vraag
78.
Uitgaande van de veronderstelling dat de Schengengrenscode en de Visumcode de visumplichtige derdelander niet verplichten tot het overleggen van een visum dat zich bevindt in een geldig reisdocument, vraagt de verwijzende rechter in essentie of de lidstaten de bevoegdheid bezitten om nieuwe toegangsvoorwaarden toe te voegen aan de voorwaarden die al in de bovenbedoelde twee codes zijn opgenomen.
79.
Hoewel de toegangsvoorwaarden zijn opgesomd in artikel 5 van de Schengengrenscode, moet dit artikel noodzakelijkerwijs worden gelezen in samenhang met artikel 13 van die code, welk artikel betrekking heeft op die gevallen waarin de toegang wordt geweigerd.
80.
Zo wordt ‘een onderdaan van een derde land [die] niet aan alle in artikel 5, lid 1, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet’ de toegang geweigerd. De derdelander wordt van de weigeringsbeslissing in kennis gesteld door middel van een standaardformulier.50. Dit formulier bevat negen weigeringsgronden. Acht daarvan sluiten aan bij de toegangsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode.51.
81.
Een van de weigeringsgronden heeft geen rechtstreeks verband met dat artikel 5, te weten de weigeringsgrond die betrekking heeft op het overschrijden van de maximumduur van het toegestane verblijf.
82.
Maar het standaardformulier voorziet hoe dan ook niet in de mogelijkheid dat de grenswachters een aanvullende weigeringsgrond toevoegen aan de erin opgenomen lijst.
83.
In het licht van de uitspraak van het Hof in het arrest Koushkaki52. met betrekking tot artikel 32 van de Visumcode, vormt de omstandigheid dat artikel 13 van de Schengengrenscode, onder verwijzing naar artikel 5 van diezelfde code, een lijst geeft van gronden op basis waarvan een beslissing tot weigering van de toegang wordt genomen — welke grond vervolgens nauwkeurig aan de aanvrager kenbaar moet worden gemaakt door middel van het formulier van bijlage V van de Schengengrenscode — ‘een gegeven dat pleit voor de uitlegging dat de lijst van […] weigeringsgronden uitputtend is’.
84.
Verder zou de bevordering van het legaal reizen, een doelstelling van de Visumcode die het Hof in punt 52 van het arrest Koushkaki in herinnering roept, in het gedrang komen als de autoriteiten van een lidstaat een derdelander de toegang zouden kunnen weigeren terwijl hij voldoet aan alle in artikel 5 van de Schengengrenscode opgesomde toegangsvoorwaarden en de maximumduur van het toegestane verblijf niet heeft overschreden.
85.
Bovendien vereist de bestrijding van visumshopping dat een geharmoniseerde toepassing van de toegangsvoorwaarden en, als uitvloeisel daarvan, van de weigeringsgronden wordt gegarandeerd.53.
86.
Ik voeg daar nog aan toe dat, anders dan in de zaak Koushkaki, de aanvullende voorwaarde die de nationale wetgever heeft gesteld niet valt binnen de marge die de wetgever volgens het Hof opzettelijk aan de lidstaten heeft gelaten bij de beoordeling in concreto van bepaalde weigeringsgronden voor het afgeven van visa, welke beoordeling complexe evaluaties van individuele situaties impliceert.54.
87.
Zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft gesignaleerd, kan met betrekking tot de eerste twee meer technische toegangsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode geen sprake zijn van een beoordelingsbevoegdheid zoals geconstateerd in het arrest Koushkaki. Derhalve beschikt de nationale wetgever niet alleen niet over de bevoegdheid om een aanvullende voorwaarde aan die toegangsvoorwaarden toe te voegen, maar evenmin kan in het onderhavige geval worden gesteld dat die wetgever gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsmarge voor de uitlegging van de twee eerste voorwaarden, welke zodanig met elkaar zijn verbonden dat aan de eerste slechts gelijktijdig met de andere kan worden voldaan.
88.
Artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode moet derhalve in samenhang met artikel 13 van diezelfde code aldus worden uitgelegd dat de lidstaten aan derdelanders geen aanvullende voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van de Unie mogen opleggen.
V — Conclusie
89.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de administratīvā apgabaltiesa — zoals door mij aangepast —, te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
De beslissing waarbij de ongeldigheid van een Schengenvisum wordt vastgesteld mag uitsluitend worden genomen onder de voorwaarden die zijn beschreven in artikel 34 van verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode), en valt in ieder geval onder de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten. Zo kan het enkele verlies van de geldigheid van een reisdocument waarin een Schengenvisum is aangebracht, de geldigheid van het visum zelf niet aantasten.
- 2)
Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) moet aldus worden uitgelegd dat een visumplichtige onderdaan van een derde land die zich aan de buitengrens van de Unie meldt met een ongeldig reisdocument dat een geldig visum bevat, en een geldig reisdocument zonder visum, voldoet aan de in artikel 5, lid 1, sub a, en in artikel 5, lid 1, sub b, van die code vastgestelde toegangsvoorwaarden, mits de geldigheidsduur van het nieuwe reisdocument daadwerkelijk de door het Schengenvisum toegestane maximumduur van het verblijf dekt.
- 3)
Artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 13 van die code, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten geen aanvullende voorwaarden voor het verlenen van toegang tot het grondgebied van de Europese Unie mogen opleggen aan onderdanen van derde landen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑05‑2014
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB L 105, blz. 1.
PB L 243, blz. 1.
Deze bepaling moet aldus worden opgevat dat de visumplichtige derdelander voor de verkrijging van toegang een geldig reisdocument moet overleggen met daarin een geldig visum.
Zie verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81, blz. 1), en de latere wijzigingen.
Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB 2008, L 53, blz. 52).
Artikel 34, lid 1, van de Visumcode. Zie ook bijlage V, deel A, punt 2, van de Schengengrenscode.
Artikel 34, lid 2, van de Visumcode.
Zie over de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat dan die welke het visum heeft afgegeven om visa nietig te verklaren, arrest Vo (C-83/12 PPU, EU:C:2012:202, punt 39). Wanneer de autoriteiten van een andere lidstaat dan die welke het visum heeft afgegeven het visum nietig verklaren of intrekken, moeten die autoriteiten de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven daarvan in kennis stellen (zie artikel 34, leden 1 en 2, in fine, van de Visumcode).
Artikel 34, lid 5, van de Visumcode.
Artikel 34, lid 6, en bijlage VI van de Visumcode.
Artikel 34, leden 6–8, van de Visumcode.
Het is dan ook begrijpelijk dat verzoekster in het hoofdgeding op de enkele grond dat het overgelegde paspoort niet geldig was, niet heeft kunnen anticiperen op wat de grenswachters van de Unie met het visum zouden doen, en dat zij de passagier niet bij het aan boord gaan in Moskou al had kunnen weigeren omdat, ten eerste, in het paspoort uitdrukkelijk stond vermeld dat de daarin aangebrachte visa geldig bleven en, ten tweede, de Visumcode de bevoegdheid om het visum in te trekken hoe dan ook aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toekent. Als de maatschappij anders had gehandeld, als zij het visum ongeldig had geacht enkel en alleen omdat het paspoort niet meer geldig was en daarom de passagier in Moskou bij het aan boord gaan had geweigerd, zouden de waarborgen van artikel 34 van de Visumcode geen enkel nuttig effect hebben gehad.
Zie bijvoorbeeld artikel 21, lid 1, van de Visumcode.
Arrest Zurita García en Choque Cabrera (C-261/08 en C-348/08, EU:C:2009:648, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest Zurita García en Choque Cabrera (EU:C:2009:648, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Artikel 9, lid 1, van de Visumcode.
Artikel 10, lid 3, sub b, van de Visumcode.
Indien sprake is van herhaalde bezoeken, zoals ook in het hoofdgeding het geval is, zie artikel 12, sub a, van de Visumcode.
Respectievelijk artikel 12, sub b en sub c, van de Visumcode.
Artikel 21 van de Visumcode.
Artikel 21, lid 3, sub a, van de Visumcode.
Artikel 24, lid 2, van de Visumcode.
Zie punt 6 van bijlage VII van de Visumcode.
Punt 1 van bijlage VIII van de Visumcode.
Zie artikel 29, leden 2, 3, en 5, van de Visumcode.
Behoudens uitzonderingen: zie hoofdstuk VI van de Visumcode.
Artikel 12, sub a, van de Visumcode.
Artikel 30 van de Visumcode preciseert dat aan het bezit van een visum als zodanig geen automatisch recht op binnenkomst kan worden ontleend.
Artikel 7, lid 3, sub a-i, van de Schengengrenscode. De cursivering is van mij.
Artikel 7, lid 3, sub a-ii tot en met a-vi, van de Schengengrenscode. Bij het vertrek van de derdelander uit het nationale grondgebied maakt de Schengengrenscode opnieuw een zeker onderscheid door te bepalen dat de grondige controles bij uitreis de verificatie behelzen dat de onderdaan in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument (artikel 7, lid 3, sub b-i, van de Schengengrenscode) en ‘ook [kunnen] behelzen dat de betrokkene in het bezit is van een geldig visum, indien zulks […] vereist is’ (artikel 7, lid 3, sub c-i, van die code).
Artikel 10, lid 1, van de Schengengrenscode.
Artikel 10, lid 1, sub a, van de Schengengrenscode. Cursivering van mij.
Zie artikel 13, lid 2, van de Schengengrenscode.
Deze conclusie lijkt overigens te worden bevestigd in punt 6.1 van het Praktisch handboek voor grenswachters (Schengenhandboek) dat door de Commissie is vastgesteld [C(2006) 5186 definitief van 6 november 2006].
Artikel 12, lid 1, van de Schengengrenscode en arrest Parlement/Raad (C-355/10, EU:C:2012:516, punt 70).
Arresten Parlement/Raad (EU:C:2012:516, punt 70) en ANAFE (C-606/10, EU:C:2012:348, punt 24).
Arrest ANAFE (EU:C:2012:348, punten 25 en 26).
Arrest Adil (C-278/12 PPU, EU:C:2012:508, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punt 3 van de considerans van de Visumcode en arrest Vo (EU:C:2012:202, punten 34 en 35).
Arrest Koushkaki (C-84/12, EU:C:2013:862, punten 52 en 54).
In ieder geval is die taak niet zwaarder dan in het uitzonderlijke geval waarin artikel 10, lid 3, tweede alinea, van de Schengengrenscode voorziet, krachtens hetwelk op verzoek van de betrokken derdelander kan worden afgezien van een in- of uitreisstempel. De in- of uitreis wordt dan met een aantal vermeldingen geregistreerd op een afzonderlijk blad dat aan de derdelander ter hand wordt gesteld. In een dergelijk geval moeten de autoriteiten om de maximaal toegestane verblijfsduur te kunnen controleren ook minimaal twee afzonderlijke documenten verifiëren, enerzijds het afzonderlijke blad en anderzijds het reisdocument dat, in voorkomend geval, het geldige visum bevat. De visumsticker kan onder bepaalde voorwaarden ook op een afzonderlijk blad worden aangebracht (zie artikel 29, leden 2, 3, en 5 van de Visumcode).
Besluit C(2010) 1620 definitief van 19 maart 2010.
Het Schengenhandboek gaf al aan dat het ontbreken van blanco pagina's in een paspoort op zichzelf geen geldige en voldoende reden is om een persoon de toegang te weigeren (zie punt 4.5 van dat handboek).
Zie punt 18 van de considerans van de Visumcode. De Indiaas onderdaan die aanleiding was voor het geschil in het hoofdgeding had immers, blijkens de opmerkingen van de Letse regering, onder dezelfde omstandigheden wel toegang gekregen tot het grondgebied van andere lidstaten dan Letland.
De weigeringsgronden A en B hebben betrekking op artikel 5, lid 1, sub a, van de Schengengrenscode. De weigeringsgronden C en D zijn vergelijkbaar met artikel 5, lid 1, sub b, van de genoemde code. De weigeringsgronden E en G hebben betrekking op artikel 5, lid 1, sub c, van die code. Weigeringsgrond H is vergelijkbaar met artikel 5, lid 1, sub d en e, van diezelfde code, terwijl weigeringsgrond I ook betrekking heeft op artikel 5, lid 1, sub e, van die code.
EU:C:2013:862, punt 38.
Zie naar analogie arrest Koushkaki (EU:C:2013:862, punt 53).
Zie arrest Koushkaki (EU:C:2013:862, punten 56 e.v.).