HR, 19-07-2019, nr. 18/03648
ECLI:NL:HR:2019:1253
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-07-2019
- Zaaknummer
18/03648
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1253, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑07‑2019; (Cassatie)
- Vindplaatsen
FutD 2019-1925
Viditax (FutD) 2019071906
Uitspraak 19‑07‑2019
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/03648
Datum 19 juli 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], België, (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 juli 2018, nr. 17/00412, betreffende een aan belanghebbende over het jaar 1999 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het eerste geding in cassatie
Bij arrest van de Hoge Raad van 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:673, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (nr. BK-09/00406), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Namens belanghebbende is de zaak toegelicht door I. de Roos, advocaat te Amsterdam.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag tussen dezelfde partijen heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/03647. Hetgeen in dat arrest is overwogen met betrekking tot het Belastingverdrag Nederland – België van 5 juni 2001 geldt evenzeer met betrekking tot het voor het onderhavige jaar van toepassing zijnde Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970.
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2019.