Procestaal: Bulgaars.
HvJ EU, 16-02-2023, nr. C-349/21
ECLI:EU:C:2023:102
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-02-2023
- Magistraten
K. Jürimäe, M. Safjan, N. Piçarra, N. Jääskinen, M. Gavalec
- Zaaknummer
C-349/21
- Conclusie
A. m. collins
- Roepnaam
HYA e.a. (Motivation des autorisations des écoutes téléphoniques)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:102, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑02‑2023
ECLI:EU:C:2022:779, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑10‑2022
Uitspraak 16‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Telecommunicatiesector — Verwerking van persoonsgegevens en bescherming van de persoonlijke levenssfeer — Richtlijn 2002/58/EG — Artikel 15, lid 1 — Beperking van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie — Rechterlijke beslissing waarbij machtiging wordt verleend tot het onderscheppen, opnemen en opslaan van telefoongesprekken van personen die worden verdacht van het plegen van een ernstig, opzettelijk gepleegd strafbaar feit — Praktijk waarbij de beslissing wordt opgesteld volgens een vooraf opgestelde standaardtekst die geen geïndividualiseerde motivering bevat — Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Motiveringsplicht
K. Jürimäe, M. Safjan, N. Piçarra, N. Jääskinen, M. Gavalec
Partij(en)
In zaak C-349/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) bij beslissing van 3 juni 2021, ingekomen bij het Hof op 4 juni 2021, in de procedure
HYA,
IP,
DD,
ZI,
SS,
in tegenwoordigheid van:
Spetsializirana prokuratura,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, M. Safjan (rapporteur), N. Piçarra, N. Jääskinen en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 juli 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
IP, vertegenwoordigd door H. Georgiev, advokat,
- —
DD, vertegenwoordigd door V. Vasilev, advokat,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door O. Serdula, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Ierse regering, vertegenwoordigd door M. Browne, D. Fennelly, Barrister-at-Law, A. Joyce en M. Lane als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Georgieva, H. Kranenborg, P.-J. Loewenthal en F. Wilman als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 oktober 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen HYA, IP, DD, ZI en SS wegens deelneming aan een criminele organisatie.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2002/58
3
Overweging 11 van richtlijn 2002/58 luidt als volgt:
‘Deze richtlijn is evenmin [als] richtlijn 95/46/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31)] van toepassing op vraagstukken met betrekking tot de bescherming van fundamentele rechten en vrijheden in verband met niet onder het gemeenschapsrecht vallende activiteiten. Zij verandert bijgevolg niets aan het bestaande evenwicht tussen het recht van personen op persoonlijke levenssfeer en de mogelijkheid voor de lidstaten om de in artikel 15, lid 1, van deze richtlijn bedoelde maatregelen te nemen, die nodig zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid, defensie, staatsveiligheid (met inbegrip van het economisch welzijn van de staat wanneer de activiteit verband houdt met de staatsveiligheid) en de wetshandhaving op strafrechtelijk gebied. Bijgevolg doet deze richtlijn geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de lidstaten om wettelijk toegestane interceptie van elektronische communicatie uit te voeren of andere maatregelen vast te stellen, wanneer dat voor een van voornoemde doeleinden noodzakelijk is, mits zij daarbij het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [(hierna: ‘EVRM’)], zoals geïnterpreteerd in de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens, in acht nemen. Zulke maatregelen dienen passend te zijn voor, en strikt evenredig met, het beoogde doel en noodzakelijk in een democratische samenleving en moeten adequate waarborgen bevatten overeenkomstig het [EVRM].’
4
Artikel 2, eerste alinea, van deze richtlijn luidt:
‘Tenzij anders is bepaald, zijn de definities van richtlijn [95/46] en richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) [(PB 2002, L 108, blz. 33)] van toepassing.’
5
Artikel 5, lid 1, van die richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten garanderen via nationale wetgeving het vertrouwelijke karakter van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens via openbare communicatienetwerken en via openbare elektronische-communicatiediensten. Zij verbieden met name het afluisteren, aftappen, opslaan of anderszins onderscheppen of controleren van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens door anderen dan de gebruikers, indien de betrokken gebruikers daarin niet hebben toegestemd, tenzij dat bij wet is toegestaan overeenkomstig artikel 15, lid 1. Dit lid laat de technische opslag die nodig is voor het overbrengen van informatie onverlet, onverminderd het vertrouwelijkheidsbeginsel.’
6
Artikel 15, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:
‘De lidstaten kunnen wettelijke maatregelen treffen ter beperking van de reikwijdte van de in de artikelen 5 en 6, artikel 8, leden 1, 2, 3 en 4, en artikel 9 van deze richtlijn bedoelde rechten en plichten, indien dat in een democratische samenleving noodzakelijk, redelijk en proportioneel is ter waarborging van de nationale, d.w.z. de staatsveiligheid, de landsverdediging, de openbare veiligheid, of het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten of van onbevoegd gebruik van het elektronische-communicatiesysteem als bedoeld in artikel 13, lid 1, van richtlijn [95/46]. Daartoe kunnen de lidstaten o.a. wetgevingsmaatregelen treffen om gegevens gedurende een beperkte periode te bewaren om de redenen die in dit lid worden genoemd. Alle in dit lid bedoelde maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, met inbegrip van de beginselen als bedoeld in artikel 6, leden 1 en 2, [VEU].’
Verordening 2016/679
7
Artikel 4, punt 2, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (PB 2016, L 119, blz. 1) luidt:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- 2)
‘verwerking’: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens’.
8
Artikel 94, lid 2, van deze verordening bepaalt:
‘Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn [95/46] gelden als verwijzingen naar deze verordening. Verwijzingen naar de groep voor de bescherming van personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens, die bij artikel 29 van richtlijn [95/46] is opgericht, gelden als verwijzingen naar het bij deze verordening opgerichte Europees Comité voor gegevensbescherming.’
Bulgaars recht
9
Artikel 121, lid 4, van de Bulgaarse grondwet bepaalt dat ‘gerechtelijke handelingen […] met redenen [zijn] omkleed’.
10
Artikel 34 van de Nakazatelno protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘NPK’), bepaalt dat ‘elke handeling van de rechter […] een motivering bevat’.
11
Artikel 172 NPK is als volgt verwoord:
- ‘(1)
De autoriteiten die belast zijn met het vooronderzoek kunnen gebruikmaken van bijzondere inlichtingentechnieken […] die dienen om de activiteiten van de gecontroleerde personen vast te stellen […].
- (2)
Bijzondere inlichtingentechnieken worden gebruikt wanneer dat noodzakelijk is voor het onderzoek naar ernstige opzettelijk gepleegde strafbare feiten als bedoeld in het eerste hoofdstuk, het tweede hoofdstuk, afdelingen I, II, IV, V, VIII en IX, het derde hoofdstuk, afdeling III, het vijfde hoofdstuk, afdelingen I tot en met VII, het zesde hoofdstuk, afdelingen II tot en met IV, het achtste hoofdstuk, het achtste hoofdstuk ‘a’, het negende hoofdstuk ‘a’, het elfde hoofdstuk, afdelingen I tot en met IV, het twaalfde hoofdstuk, het dertiende hoofdstuk en het veertiende hoofdstuk, alsook voor strafbare feiten als bedoeld in artikel 219, lid 4, tweede hypothese, artikel 220, lid 2, artikel 253, artikel 308, leden 2 en 3 en lid 5, tweede volzin, artikel 321, artikel 321 bis, artikel 356k, artikel 393 en de bijzondere bepalingen van de Nakazatelen kodeks [(wetboek van strafvordering)], wanneer de vaststelling van de omstandigheden in kwestie op geen enkele andere wijze mogelijk is, of buitengewoon moeilijk is.’
12
Artikel 173 NPK luidt als volgt:
- ‘(1)
Voor het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken tijdens het vooronderzoek dient de openbaar aanklager die het onderzoek leidt vooraf een schriftelijk, met redenen omkleed verzoek in bij de rechtbank. Vóór de indiening van het verzoek stelt hij het administratieve hoofd van het betrokken parket daarvan in kennis.
- (2)
Het verzoek omvat:
- 1.
informatie over het strafbare feit waarvan het onderzoek het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken vereist;
- 2.
een beschrijving van de ondernomen actie en het resultaat daarvan;
- 3.
informatie over de personen of ruimten waarop de bijzondere inlichtingentechnieken zullen worden toegepast;
- 4.
de werkwijzen die moeten worden toegepast;
- 5.
de duur van het gevraagde gebruik en de redenen waarom deze duur wordt aangevraagd;
- 6.
de redenen waarom de benodigde gegevens niet op een andere wijze, of slechts uiterst moeizaam kunnen worden verkregen.’
13
Artikel 174, punten 3 en 4, NPK luidt:
- ‘(3)
Machtigingen tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken in procedures die onder de bevoegdheid van de Spetsializiran nakazatelen sad [(bijzondere strafrechter, Bulgarije)] vallen, worden vooraf door de president ervan verleend […].
- (4)
De in de leden 2 en 3 bedoelde autoriteit beslist bij met redenen omklede beschikking […].’
14
Artikel 175 NPK is als volgt geformuleerd:
‘[…]
- (3)
De termijn waarin de bijzondere inlichtingentechnieken kunnen worden toegepast, duurt niet langer dan:
- 1.
twintig dagen in de gevallen van artikel 12, lid 1, punt 4, van de zakon za spetsialnite razuznavatelni sredstva [(wet inzake de bijzondere inlichtingentechnieken)];
- 2.
twee maanden in andere gevallen.
- (4)
Indien nodig kan de in lid 1 bedoelde termijn overeenkomstig artikel 174 worden verlengd:
- 1.
met twintig dagen, zonder in totaal zestig dagen te kunnen overschrijden, in de gevallen als bedoeld in lid 3, punt 1;
- 2.
zonder evenwel een duur van in totaal zes maanden te overschrijden in de gevallen als bedoeld in lid 3, punt 2.’
15
Artikel 3, lid 1, van de zakon za spetsialnite razuznavatelni sredstva (wet inzake de bijzondere inlichtingentechnieken) van 8 oktober 1997 (DV nr. 95 van 21 oktober 1997, blz. 2), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘ZSRS’), bepaalt:
‘De bijzondere inlichtingentechnieken worden, indien nodig, gebruikt om ernstige, opzettelijk gepleegde strafbare feiten als bedoeld in het eerste hoofdstuk, het tweede hoofdstuk, afdelingen I, II, IV, V, VIII en IX, het derde hoofdstuk, afdeling III, het vijfde hoofdstuk, afdelingen I tot en met VII, het zesde hoofdstuk, afdelingen II tot en met IV, het achtste hoofdstuk, het achtste hoofdstuk ‘a’, het negende hoofdstuk ‘a’, het elfde hoofdstuk, afdelingen I tot en met IV, het twaalfde hoofdstuk, het dertiende hoofdstuk en het veertiende hoofdstuk, te voorkomen en op te sporen, alsook voor strafbare feiten als bedoeld in artikel 219, lid 4, tweede hypothese, artikel 220, lid 2, artikel 253, artikel 308, leden 2 en 3 en lid 5, tweede volzin, artikel 321, artikel 321 bis, artikel 356k en artikel 393 uit het bijzondere deel van [het wetboek van strafvordering], wanneer het verzamelen van de nodige informatie geen enkele andere wijze mogelijk is, of buitengewoon moeilijk is.’
16
Artikel 6 ZSRS bepaalt:
‘In geval van afluisteren, door het gebruik van technische middelen, op auditieve wijze of anderszins, worden de […] telefoongesprekken […] van de gecontroleerde personen onderschept.’
17
Artikel 11 ZSRS is als volgt geformuleerd:
‘Bij de toepassing van de werkwijzen wordt bewijs gevormd middels […] een geluidsopname […] op een fysieke drager.’
18
Artikel 12, lid 1, punt 1, ZSRS bepaalt:
‘Bijzondere inlichtingentechnieken worden gebruikt ten aanzien van personen over wie informatie is verkregen en van wie op goede gronden kan worden vermoed dat zij een of meerdere van de in artikel 3, lid 1, genoemde ernstige, opzettelijke strafbare feiten voorbereiden, plegen of gepleegd hebben.’
19
Artikel 13, lid 1, ZSRS luidt als volgt:
‘Het recht te verzoeken om de inzet van de bijzondere inlichtingentechnieken en om gebruik van de informatie en het bewijsmateriaal die ermee zijn verzameld, behoort, met inachtneming van hun bevoegdheid, toe aan:
- 1.
het directoraat-generaal ‘nationale politie’, het directoraat-generaal ‘bestrijding van de georganiseerde misdaad’, het directoraat-generaal ‘grenspolitie’, het directoraat ‘binnenlandse veiligheid’, de districtsdirectoraten van het ministerie van Binnenlandse Zaken, de gespecialiseerde directoraten (met uitzondering van het directoraat ‘technische operaties’), territoriale directoraten en territoriale eenheden die onafhankelijk zijn van het staatsagentschap ‘nationale veiligheid’;
- 2.
diensten op het gebied van ‘militaire inlichtingen’ en ‘militaire politie’ (bij de minister van Defensie);
- 3.
het staatsagentschap ‘inlichtingen’.’
20
Artikel 14, lid 1, ZSRS luidt:
‘Het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken vereist een met redenen omkleed schriftelijk verzoek van het betrokken administratieve hoofd van de in artikel 13, lid 1, bedoelde autoriteiten, of van de openbaar aanklager die het onderzoek leidt, of, in voorkomend geval, van de autoriteit als bedoeld in artikel 13, lid 3, en in het geval van het directoraat als bedoeld in artikel 13, lid 1, punt 7, van de directeur ervan. Het verzoek bevat […] de redenen waarom de benodigde informatie niet op een andere wijze, of slechts uiterst moeizaam kan worden verkregen.’
21
Artikel 15, lid 1, ZSRS bepaalt:
‘De hoofden van de in artikel 13, lid 1, bedoelde autoriteiten of de openbaar aanklager die het onderzoek leidt, en, in het geval van het in artikel 13, lid 1, punt 7, bedoelde directoraat, de voorzitter van de Commissie voor de bestrijding van corruptie en voor de inbeslagneming van wederrechtelijk verkregen vermogensbestanddelen, dienen het verzoek in bij de presidenten van de Sofiyski gradski sad [(rechter voor de stad Sofia, Bulgarije)], de bevoegde regionale of militaire rechtbanken, de Spetsializiran nakazatelen sad, of bij een door hen gemachtigde vicepresident, die binnen 48 uur een schriftelijke machtiging tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken verlenen of weigeren te verlenen, onder motivering van hun beslissingen.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
22
Tussen 10 april en 15 mei 2017 heeft de Spetsializirana prokuratura (bijzonder openbaar ministerie, Bulgarije) bij de president van de Spetsializiran nakazatelen sad zeven verzoeken ingediend tot machtiging van het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken om de telefoongesprekken van IP, DD, ZI en SS, vier personen die worden verdacht van het plegen van ernstige strafbare feiten, af te luisteren en op te nemen en zelfs te monitoren en te traceren (hierna: ‘verzoeken tot aftappen van telefoongesprekken’).
23
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in elk van deze verzoeken tot aftappen van telefoongesprekken het doel van het verzoek, de naam en het telefoonnummer van de betrokkene, het verband tussen dat nummer en die persoon, het tot dusver verzamelde bewijsmateriaal en de rol die de betrokkene bij de strafbare feiten zou hebben gespeeld, uitgebreid, tot in detail, en met redenen omkleed zijn beschreven. Ook werd specifiek onderbouwd waarom het noodzakelijk was de gevraagde telefoontaps uit te voeren om bewijsmateriaal over de onderzochte criminele activiteit te verzamelen, en om welke redenen en uit welke omstandigheden bleek dat het onmogelijk was om die informatie op een andere wijze te verkrijgen.
24
De president van de Spetsializiran nakazatelen sad heeft elk van deze verzoeken nog op de dag van indiening ingewilligd en bijgevolg zeven beschikkingen vastgesteld waarbij machtiging werd verleend tot het aftappen van telefoongesprekken (hierna: ‘machtigingen tot het aftappen van telefoongesprekken’).
25
Volgens de Spetsializiran nakazatelen sad, de verwijzende rechter, volgen de machtigingen tot het aftappen van telefoongesprekken een vooraf opgestelde standaardtekst die alle mogelijke gevallen waarin machtiging kan worden verleend moet bestrijken, zonder enige verwijzing naar feitelijke en juridische omstandigheden, met uitzondering van de duur waarvoor de machtiging tot het gebruik van de bijzondere inlichtingentechnieken werd verleend.
26
Meer bepaald wordt in deze machtigingen alleen vermeld dat de hierin vermelde wettelijke bepalingen zijn nageleefd, zonder nadere aanduiding van de autoriteit die om het aftappen van telefoongesprekken heeft verzocht en zonder vermelding van de naam en het telefoonnummer van elke betrokken persoon, van het strafbare feit of de strafbare feiten als bedoeld in artikel 172, lid 2, NPK of artikel 3, lid 1, ZSRS, van de aanwijzingen die laten vermoeden dat een of meer van deze strafbare feiten zijn gepleegd, dan wel van de in artikel 12 ZSRS bedoelde categorieën van personen en ruimten waarvoor machtiging tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken is verleend. Bovendien geeft de verwijzende rechter aan dat in deze machtigingen niet is uiteengezet met welke argumenten het bijzonder openbaar ministerie, op basis van artikel 172 NPK en artikel 14 ZSRS, rechtvaardigt dat het onmogelijk is om de gewenste informatie op een andere wijze te verzamelen dan door het aftappen van telefoongesprekken en daarin, in het licht van artikel 175 NPK, evenmin is gespecificeerd of de termijn voor het gebruik van deze technieken voor het eerst wordt vastgesteld of dat het gaat om een verlenging van de termijn en op basis van welke veronderstelling en argumenten deze termijn is vastgesteld.
27
Op basis van deze machtigingen zijn bepaalde gesprekken van IP, DD, ZI en SS overeenkomstig artikel 11 ZSRS opgenomen en opgeslagen.
28
Op 19 juni 2020 heeft het bijzonder openbaar ministerie deze vier personen en een vijfde, HYA, beschuldigd van deelname aan een criminele organisatie die er, met het doel zich te verrijken, op was gericht derdelanders de Bulgaarse grenzen over te smokkelen, hen te helpen Bulgarije illegaal binnen te komen en in verband met die activiteiten steekpenningen aan te nemen of te betalen. Onder de verdachten zijn drie beambten van de grenspolitie op de luchthaven van Sofia.
29
De verwijzende rechter, die de zaak ten gronde behandelt, verklaart dat de inhoud van de opgenomen gesprekken van rechtstreeks belang is om vast te stellen of de tenlasteleggingen tegen IP, DD, ZI en SS gegrond zijn.
30
Hij legt uit dat hij eerst de procedure die heeft geleid tot de machtigingen tot het aftappen van telefoongesprekken, op geldigheid moet controleren. In dit verband zou kunnen worden overwogen dat het feit dat deze machtigingen zijn opgesteld volgens een vooraf opgestelde standaardtekst die geen geïndividualiseerde motivering bevat, hem niet in staat stelt om in concreto de gronden na te gaan die in aanmerking zijn genomen door de rechter die deze machtigingen heeft verleend. Omgekeerd kan ook worden overwogen dat de rechter die de machtigingen tot het aftappen van telefoongesprekken heeft verleend, door het verzoek van het bijzonder openbaar ministerie in te willigen, de motivering van deze verzoeken volledig heeft aanvaard en overgenomen.
31
Zonder eraan te twijfelen dat de nationale regeling inzake het aftappen van telefoongesprekken, zoals die met name voortvloeit uit het bepaalde in de NPK en de ZSRS, in overeenstemming is met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, vraagt de verwijzende rechter zich af of een nationale praktijk als die welke in het hoofdgeding aan de orde is — volgens welke is voldaan aan de verplichting tot motivering van de rechterlijke beslissing tot machtiging van het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken op een met redenen omkleed verzoek van de strafrechtelijke autoriteiten wanneer in die beslissing, opgesteld volgens een vooraf opgestelde standaardtekst die geen geïndividualiseerde motivering bevat, louter is vermeld dat is voldaan aan de voorschriften van die wetgeving, die in de beslissing wordt genoemd — in overeenstemming is met artikel 15, lid 1, laatste volzin, van die richtlijn, gelezen in het licht van overweging 11 daarvan.
32
Deze rechter wijst er met name op dat rechterlijke beslissingen zoals de machtigingen tot het aftappen van telefoongesprekken voor de betrokken natuurlijke personen een beperking vormen van de rechten en de vrijheden die worden gewaarborgd door de artikelen 7, 8 en 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’). Hij betwijfelt ook of een dergelijke praktijk verenigbaar is met het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op effectieve rechterlijke bescherming en het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van het Unierecht.
33
Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, vraagt de verwijzende rechter zich af of het Unierecht zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die aldus wordt uitgelegd dat opnamen van telefoongesprekken waarvoor bij een niet-gemotiveerde rechterlijke beslissing machtiging is verleend, niettemin als bewijs kunnen worden gebruikt in het kader van een strafprocedure.
34
In die omstandigheden heeft de Spetsializiran nakazatelen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Is een praktijk van nationale rechterlijke instanties in strafprocedures op grond waarvan de rechter bij het verlenen van machtiging tot het onderscheppen, opnemen en opslaan van telefoongesprekken van verdachten, gebruikmaakt van een vooraf opgestelde tekst in algemene bewoordingen, waarin zonder enige individualisering enkel wordt gesteld dat de wettelijke bepalingen in acht zijn genomen, verenigbaar met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, en overweging 11 ervan?
- 2)
Zo nee, is het dan in strijd met het Unierecht dat het nationale recht aldus wordt uitgelegd dat informatie die is verkregen als gevolg van een dergelijke machtiging, kan worden gebruikt om de tenlastelegging te bewijzen?’
35
Bij brief van 5 augustus 2022 heeft de Sofiyski gradski sad het Hof meegedeeld dat de Spetsializiran nakazatelen sad na een op 27 juli 2022 in werking getreden wetswijziging is ontbonden en dat bepaalde bij deze laatste rechterlijke instantie aanhangig gemaakte strafzaken, met inbegrip van het hoofdgeding, met ingang van die datum aan hem zijn overgedragen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
36
Vooraf zij eraan herinnerd dat wanneer de lidstaten op grond van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 wettelijke maatregelen uitvoeren die afwijken van het in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn neergelegde beginsel van vertrouwelijkheid van elektronische communicatie, de bescherming van de gegevens van de betrokkenen slechts onder deze richtlijn valt voor zover de betrokken maatregelen de aanbieders van dergelijke communicatiediensten verplichtingen opleggen om dergelijke communicatie te verwerken in de zin van artikel 4, punt 2, van verordening 2016/679, dat van toepassing is verklaard bij artikel 2 van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 94, lid 2, van deze verordening (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punten 96 en 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Krachtens laatstgenoemde bepalingen omvat het begrip verwerking onder meer het feit dat deze aanbieders toegang verlenen tot communicatie en tot gegevens of deze doorgeven aan de bevoegde autoriteiten (zie in die zin en naar analogie arrest van 6 oktober 2020, Privacy International, C-623/17, EU:C:2020:790, punten 39–41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
In het onderhavige geval staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de in het hoofdgeding gebruikte bijzondere inlichtingentechnieken, en met name het onderscheppen als bedoeld in artikel 6 ZSRS, tot gevolg hebben gehad dat de betrokken aanbieders dergelijke verwerkingsverplichtingen werden opgelegd, en of het hoofdgeding derhalve binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/58 valt. Gepreciseerd zij dus dat het Hof de eerste vraag slechts zal beantwoorden voor zover het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van deze richtlijn, met name artikel 15, lid 1, ervan, valt.
39
Gelet op deze voorafgaande verduidelijking moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk waarin de rechterlijke beslissingen waarbij — op een met redenen omkleed verzoek van de strafrechtelijke autoriteiten — machtiging wordt verleend tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken, worden opgesteld aan de hand van een vooraf opgestelde standaardtekst die geen geïndividualiseerde motivering bevat, maar, naast de geldigheidsduur van die machtigingen, louter aangeeft dat is voldaan aan de voorschriften van die wetgeving, die in die beslissingen worden genoemd.
40
In artikel 5, lid 1, van deze richtlijn is het beginsel vastgelegd van het vertrouwelijke karakter van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens via openbare communicatienetwerken en via openbare elektronische-communicatiediensten. Dit beginsel komt tot uiting in het verbod om zonder toestemming van de betrokken gebruikers de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens af te luisteren, af te tappen, op te slaan, of anderszins te onderscheppen of te controleren, behalve in de in artikel 15, lid 1, van die richtlijn bedoelde gevallen.
41
Zo kunnen de lidstaten volgens laatstgenoemd artikel wettelijke maatregelen treffen ter beperking van de reikwijdte van de in artikel 5 van die richtlijn bedoelde rechten en verplichtingen, onder meer indien dat in een democratische samenleving noodzakelijk, redelijk en proportioneel is voor het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten. Het bepaalt voorts dat al deze wettelijke maatregelen moeten worden genomen in overeenstemming met de algemene beginselen van het Unierecht, met inbegrip van de in het Handvest vastgestelde rechten, vrijheden en beginselen.
42
In dit verband kunnen de wettelijke maatregelen die de toegang van de bevoegde instanties tot de in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2002/58 bedoelde gegevens regelen, zich er niet toe beperken te eisen dat die toegang beantwoordt aan het doel dat met dezelfde wettelijke maatregelen wordt nagestreefd, maar moeten zij ook de materiële en procedurele voorwaarden voor deze verwerking bepalen [zie in die zin arrest van 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot elektronische-communicatiegegevens), C-746/18, EU:C:2021:152, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
43
Dergelijke maatregelen en voorwaarden moeten worden vastgesteld met inachtneming van de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het evenredigheidsbeginsel, en de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, zoals voortvloeit uit artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, dat verwijst naar artikel 6, leden 1 en 2, VEU (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44
In het bijzonder moeten de in punt 42 van het onderhavige arrest bedoelde procedurele voorwaarden worden vastgesteld met eerbiediging van het recht op een eerlijk proces, dat is neergelegd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, dat, zoals blijkt uit de toelichtingen op dit artikel, overeenkomt met artikel 6, lid 1, EVRM. Dit recht verlangt dat elke rechterlijke beslissing wordt gemotiveerd (zie in die zin arrest van 6 september 2012, Trade Agency, C-619/10, EU:C:2012:531, punten 52 en 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Wanneer een krachtens artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 vastgestelde wettelijke maatregel bepaalt dat het in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn neergelegde beginsel van vertrouwelijkheid van elektronische communicatie bij rechterlijke beslissingen kan worden beperkt, verplicht dat artikel 15, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest de lidstaten dus te bepalen dat dergelijke beslissingen met redenen moeten worden omkleed.
46
Zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vereist het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op daadwerkelijke rechterlijke toetsing namelijk dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden van de tegen hem genomen beslissing, hetzij door lezing van die beslissing zelf, hetzij doordat de redenen hem worden meegedeeld, teneinde die belanghebbende de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij zich tot een bevoegde rechter wendt met het verzoek om de rechtmatigheid van die beslissing te toetsen (zie naar analogie arrest van 24 november 2020, Minister van Buitenlandse Zaken, C-225/19 en C-226/19, EU:C:2020:951, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
In het onderhavige geval blijkt uit de toelichting van de verwijzende rechter dat krachtens de nationale wettelijke maatregelen die zijn vastgesteld op grond van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, in het bijzonder artikel 34 en artikel 174, lid 4, NPK en artikel 15, lid 1, ZSRS, gelezen in samenhang met artikel 121, lid 4, van de grondwet, elke rechterlijke beslissing die ertoe strekt machtiging te verlenen tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken moet worden gemotiveerd.
48
De eerste vraag wordt evenwel niet gesteld ten aanzien van de wettelijke bepalingen van de NPK en de ZSRS, die zijn vastgesteld op grond van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, maar ten aanzien van een nationale rechterlijke praktijk die deze wettelijke bepalingen toepast en waarin beslissingen waarbij het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken worden toegestaan, worden gemotiveerd aan de hand van een vooraf opgestelde standaardtekst die beoogt alle mogelijke gevallen van machtiging te bestrijken en geen geïndividualiseerde motivering bevat. Dergelijke beslissingen worden genomen in een specifieke procedurele context.
49
Er zij namelijk op gewezen dat de beschikking waarbij machtiging wordt verleend tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken naar Bulgaars recht wordt genomen na een procedure die het ten aanzien van een persoon van wie er een gewettigd vermoeden bestaat dat hij ernstige, opzettelijke strafbare feiten voorbereidt, pleegt of heeft gepleegd, mogelijk moet maken op doeltreffende en snelle wijze gegevens te verzamelen die niet met andere middelen dan de gevraagde bijzondere inlichtingentechnieken, of slechts uiterst moeizaam zouden kunnen worden verkregen.
50
In het kader van die procedure moeten de autoriteiten die om het gebruik van dergelijke technieken mogen verzoeken, in de zin van artikel 173, leden 1 en 2, NPK en artikel 13, lid 1, ZSRS, overeenkomstig artikel 173, lid 2, NPK en artikel 14, lid 1, punt 7, ZSRS bij de bevoegde rechter schriftelijk een met redenen omkleed en gedetailleerd verzoek indienen waarin een uiteenzetting wordt gegeven van het onderzochte strafbare feit, de in de loop van dat onderzoek genomen maatregelen en de resultaten daarvan, de gegevens ter identificatie van de persoon of de ruimte waarop het verzoek betrekking heeft, de werkwijzen die moeten worden toegepast, de beoogde duur van de controle en de redenen waarom deze duur wordt aangevraagd, alsmede de redenen waarom het gebruik van deze technieken onontbeerlijk is voor het onderzoek.
51
Uit de wettelijke regeling van deze procedure volgt dat de rechter die machtiging verleent tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken zijn beslissing neemt op basis van een met redenen omkleed en gedetailleerd verzoek waarvan hij aan de hand van de, bij wet bepaalde, inhoud moet kunnen nagaan of aan de voorwaarden voor het verlenen van een dergelijke machtiging is voldaan.
52
Deze praktijk past dus in het kader van wettelijke maatregelen die zijn vastgesteld op grond van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, die voorzien in de mogelijkheid om met redenen omklede rechterlijke beslissingen te nemen die tot gevolg hebben dat het in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn neergelegde beginsel van vertrouwelijkheid van elektronische communicatie en verkeersgegevens wordt beperkt. Vanuit dit oogpunt wordt die praktijk geacht de in deze wettelijke maatregelen neergelegde motiveringsplicht na te komen overeenkomstig de vereisten van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, waarnaar verwezen wordt met de vermelding van artikel 6, leden 1 en 2, VEU in artikel 15, lid 1, laatste volzin, van die richtlijn.
53
Wanneer de bevoegde rechter in het kader van deze procedure de motivering van een gedetailleerd verzoek als bedoeld in punt 50 van dit arrest heeft onderzocht en na afloop van zijn onderzoek van oordeel is dat dit verzoek gerechtvaardigd is, moet dienaangaande worden geoordeeld dat deze rechter, door een vooraf volgens een model opgestelde tekst te ondertekenen waarin staat dat aan de wettelijke vereisten is voldaan, de motivering voor het verzoek heeft bekrachtigd en zich ervan heeft vergewist dat aan de wettelijke vereisten is voldaan.
54
Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen aangeeft, zou het immers gekunsteld zijn te eisen dat de machtiging tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken een specifieke en gedetailleerde motivering bevat, terwijl het verzoek ten aanzien waarvan deze machtiging wordt verleend, overeenkomstig het nationale recht ook al een dergelijke motivering bevat.
55
Zodra de betrokkene ervan in kennis is gesteld dat ten aanzien van hem bijzondere inlichtingentechnieken zijn toegepast, vereist de in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde motiveringsplicht daarentegen dat deze persoon overeenkomstig de in punt 46 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak in staat wordt gesteld te begrijpen waarom het gebruik van die technieken is toegestaan, zodat hij deze machtiging zo nodig dienstig en effectief kan aanvechten. Dit vereiste geldt ook voor elke rechter, zoals met name de strafrechter ten gronde, die afhankelijk van zijn bevoegdheden, ambtshalve of op verzoek van de betrokkene moet nagaan of die machtiging rechtmatig is.
56
Het staat dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of de eerbiediging van deze bepaling van het Handvest en van richtlijn 2002/58 in het kader van de in punt 39 van het onderhavige arrest bedoelde praktijk is gewaarborgd. Daartoe zal hij moeten nagaan of zowel de persoon ten aanzien van wie bijzondere inlichtingentechnieken zijn toegepast als de rechter die is belast met de toetsing van de rechtmatigheid van de machtiging tot gebruik van deze technieken, in staat zijn gesteld de redenen voor die machtiging te begrijpen.
57
Het staat weliswaar uitsluitend aan de verwijzende rechter om dat na te gaan, maar het Hof kan in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing in voorkomend geval de nationale rechterlijke instantie richtsnoeren voor haar beslissing verstrekken (arrest van 5 mei 2022, Victorinox, C-179/21, EU:C:2022:353, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Aangezien de machtiging tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken wordt verleend op basis van een met redenen omkleed en gedetailleerd verzoek van de bevoegde nationale autoriteiten, moet in dit verband worden nagegaan of de in punt 56 van het onderhavige arrest bedoelde personen niet alleen recht hebben op toegang tot de machtigingsbeschikking, maar ook tot het verzoek van de autoriteit die om deze machtiging heeft verzocht.
59
Bovendien is het voor de naleving van de motiveringsplicht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van belang dat, zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, deze personen door middel van een kruislingse lezing van de machtiging tot gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken en het bijbehorende met redenen omklede verzoek, gemakkelijk en ondubbelzinnig de precieze redenen kunnen begrijpen waarom die machtiging is verleend gelet op de feitelijke en juridische gegevens die het individuele geval dat aan het verzoek ten grondslag ligt kenmerken, net zoals uit een dergelijke kruislingse lezing absoluut de geldigheidsduur van die machtiging moet blijken.
60
Wanneer in een machtigingsbeschikking, zoals in casu, enkel de geldigheidsduur van de machtiging wordt vermeld en wordt verklaard dat aan de daarin genoemde wettelijke bepalingen is voldaan, is het van essentieel belang dat in het verzoek duidelijk melding wordt gemaakt van alle informatie die nodig is om ervoor te zorgen dat zowel de betrokkene als de rechter die belast is met de toetsing van de rechtmatigheid van de verleende machtiging, in staat is te begrijpen dat de rechter die de machtiging heeft verleend, louter op basis van deze informatie tot de conclusie is gekomen dat aan alle wettelijke vereisten is voldaan door de motivering in het verzoek over te nemen.
61
Mocht de motivering voor deze machtiging niet gemakkelijk en eenduidig uit een kruislingse lezing van het verzoek en van de daaropvolgende machtiging kunnen worden opgemaakt, dan moet worden vastgesteld dat de motiveringsplicht die voortvloeit uit artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, niet wordt geëerbiedigd.
62
Hieraan dient te worden toegevoegd dat, overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest, de in het Handvest vervatte rechten dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als de corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten, hetgeen niet belet dat het Unierecht een ruimere bescherming biedt.
63
In dit verband blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat de vermelding van de motivering, zelfs beknopt, een wezenlijke waarborg vormt tegen misbruik van controle, aangezien alleen met een dergelijke vermelding kan worden verzekerd dat de rechter het verzoek tot machtiging en het verstrekte bewijs naar behoren heeft onderzocht en werkelijk heeft nagegaan of de gevraagde controle een gerechtvaardigde en evenredige inmenging vormt in de uitoefening van het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven. Het EHRM heeft echter met betrekking tot twee vonnissen van de Spetsializiran nakazatelen sad erkend dat het ontbreken van een geïndividualiseerde motivering niet automatisch kan leiden tot de conclusie dat de rechter die de machtiging heeft verleend het verzoek niet correct heeft onderzocht (zie in die zin EHRM, 11 januari 2022, Ekimdzhiev e.a. tegen Bulgarije, CE:ECHR:2022:0111JUD007007812, §§ 313 en 314 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64
Voorts moet nog worden gepreciseerd dat het door de verwijzende rechter genoemde arrest van het EHRM van 15 januari 2015, Dragojević tegen Kroatië (CE:ECHR:2015:0115JUD006895511), niet kan afdoen aan de overwegingen in de punten 58 tot en met 61 van het onderhavige arrest. Om tot de conclusie te komen dat artikel 8 EVRM was geschonden, heeft het EHRM in dat arrest van 15 januari 2015 namelijk niet de vraag onderzocht of de betrokkene de door de onderzoeksrechter in aanmerking genomen motivering kon begrijpen door middel van een kruislingse lezing van de machtigingsbeschikking en het verzoek tot controle, maar wel de afzonderlijke vraag of het mogelijk was het ontbreken of de ontoereikendheid van de motivering van de machtigingsbeschikkingen achteraf te verhelpen.
65
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale praktijk waarin de rechterlijke beslissingen waarbij op een met redenen omkleed en gedetailleerd verzoek van de strafrechtelijke autoriteiten machtiging wordt verleend tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken, worden opgesteld volgens een vooraf opgestelde tekst die geen geïndividualiseerde motivering bevat, maar, naast de geldigheidsduur van die machtiging, louter vermelden dat is voldaan aan de voorschriften van de wetgeving waarnaar die beslissingen verwijzen, mits de precieze redenen waarom de bevoegde rechter heeft geoordeeld dat in het licht van de feitelijke en juridische elementen die het betrokken geval kenmerken aan de wettelijke vereisten was voldaan, gemakkelijk en ondubbelzinnig kunnen worden afgeleid uit een kruislingse lezing van de beslissing en het verzoek tot machtiging, dat na de verlening van de machtiging toegankelijk moet worden gemaakt voor de persoon tegen wie het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken is toegestaan.
Tweede vraag
66
Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
67
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale praktijk waarin de rechterlijke beslissingen waarbij op een met redenen omkleed en gedetailleerd verzoek van de strafrechtelijke autoriteiten machtiging wordt verleend tot het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken, worden opgesteld volgens een vooraf opgestelde tekst die geen geïndividualiseerde motivering bevat, maar, naast de geldigheidsduur van die machtiging, louter vermelden dat is voldaan aan de voorschriften van de wetgeving waarnaar die beslissingen verwijzen, mits de precieze redenen waarom de bevoegde rechter heeft geoordeeld dat in het licht van de feitelijke en juridische elementen die het betrokken geval kenmerken aan de wettelijke vereisten was voldaan, gemakkelijk en ondubbelzinnig kunnen worden afgeleid uit een kruislingse lezing van de beslissing en het verzoek tot machtiging, dat na de verlening van de machtiging toegankelijk moet worden gemaakt voor de persoon tegen wie het gebruik van bijzondere inlichtingentechnieken is toegestaan.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑02‑2023
Conclusie 13‑10‑2022
Inhoudsindicatie
‘ Prejudiciële verwijzing — Verwerking van persoonsgegevens en bescherming van de persoonlijke levenssfeer — Richtlijn 2002/58/EG — Artikel 5, lid 1, en artikel 15, lid 1 — Vertrouwelijk karakter van elektronische communicatie — Rechterlijke beslissing waarbij machtiging wordt verleend tot het aftappen van telefoongesprekken van personen die worden verdacht van het plegen van een ernstig strafbaar feit — Sjabloon of standaardformulier — Motivering — Onrechtmatige controle — Toelaatbaarheid van bewijsmateriaal dat onrechtmatig is verkregen — Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Artikel 7 en artikel 47’
A. m. collins
Partij(en)
Zaak C-349/211.
HYA,
IP,
DD,
ZI,
SS
andere partij in de procedure:
Spetsializirana prokuratura
[verzoek van de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Met dit verzoek om een prejudiciële beslissing wenst de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) te vernemen of een praktijk op grond waarvan machtigingen tot het gebruik van geheime controlemaatregelen met het oog op het onderscheppen, opnemen en opslaan van telefoongesprekken tussen verdachten (hierna: ‘aftappen van telefoongesprekken’) worden verleend in de vorm van een vooraf in algemene bewoordingen opgestelde tekst zonder geïndividualiseerde motivering, verenigbaar is met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG2., gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, en overweging 11 ervan. Voorts wenst hij te vernemen of het ontbreken van een geïndividualiseerde motivering in dergelijke machtigingen kan worden verholpen door een nieuwe beoordeling achteraf door de feitenrechter, en, zo niet, of bewijzen waarvan is vastgesteld dat zij in strijd met die bepalingen zijn verkregen, als bewijs toelaatbaar zijn.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
2.
Overweging 2 van richtlijn 2002/58 luidt als volgt:
‘Deze richtlijn strekt tot eerbiediging van de grondrechten en beginselen die tot uitdrukking zijn gebracht in met name het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‘Handvest’)]. In het bijzonder strekt deze richtlijn tot volledige eerbiediging van de in de artikelen 7 en 8 bedoelde rechten van het Handvest […].’
3.
Overweging 11 van richtlijn 2002/58 luidt als volgt:
‘Deze richtlijn is evenmin [als] richtlijn 95/46/EG3. van toepassing op vraagstukken met betrekking tot de bescherming van fundamentele rechten en vrijheden in verband met niet onder het gemeenschapsrecht vallende activiteiten. Zij verandert bijgevolg niets aan het bestaande evenwicht tussen het recht van personen op persoonlijke levenssfeer en de mogelijkheid voor de lidstaten om de in artikel 15, lid 1, van deze richtlijn bedoelde maatregelen te nemen, die nodig zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid, defensie, staatsveiligheid (met inbegrip van het economisch welzijn van de staat wanneer de activiteit verband houdt met de staatsveiligheid) en de wetshandhaving op strafrechtelijk gebied. Bijgevolg doet deze richtlijn geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de lidstaten om wettelijk toegestane interceptie van elektronische communicatie uit te voeren of andere maatregelen vast te stellen, wanneer dat voor één van voornoemde doeleinden noodzakelijk is, mits zij daarbij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [(hierna: ‘EVRM’)], zoals geïnterpreteerd in de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [(hierna: ‘EHRM’)], in acht nemen. Zulke maatregelen dienen passend te zijn voor, en strikt evenredig met, het beoogde doel en noodzakelijk in een democratische samenleving en moeten adequate waarborgen bevatten overeenkomstig het [EVRM].’
4.
Artikel 5 van richtlijn 2002/58, met als opschrift ‘Vertrouwelijk karakter van de communicatie’, bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten garanderen via nationale wetgeving het vertrouwelijke karakter van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens via openbare communicatienetwerken en via openbare elektronischecommunicatiediensten. Zij verbieden met name het afluisteren, aftappen, opslaan of anderszins onderscheppen of controleren van de communicatie en de daarmee verband houdende verkeersgegevens door anderen dan de gebruikers, indien de betrokken gebruikers daarin niet hebben toegestemd, tenzij dat bij wet is toegestaan overeenkomstig artikel 15, lid 1. Dit lid laat de technische opslag die nodig is voor het overbrengen van informatie onverlet, onverminderd het vertrouwelijkheidsbeginsel.’
5.
Artikel 15, met als opschrift ‘Toepassing van een aantal bepalingen van richtlijn [95/46]’, bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten kunnen wettelijke maatregelen treffen ter beperking van de reikwijdte van de in de artikelen 5 en 6, artikel 8, leden 1, 2, 3 en 4, en artikel 9 van deze richtlijn bedoelde rechten en plichten, indien dat in een democratische samenleving noodzakelijk, redelijk en proportioneel is ter waarborging van de nationale, d.w.z. de staatsveiligheid, de landsverdediging, de openbare veiligheid, of het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten of van onbevoegd gebruik van het elektronische-communicatiesysteem als bedoeld in artikel 13, lid 1, van richtlijn [95/46]. Daartoe kunnen de lidstaten o.a. wetgevingsmaatregelen treffen om gegevens gedurende een beperkte periode te bewaren om de redenen die in dit lid worden genoemd. Alle in dit lid bedoelde maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, met inbegrip van de beginselen als bedoeld in artikel 6, leden 1 en 2, [VEU].’
B. Bulgaars recht
6.
Artikel 121, lid 4, van de Bulgaarse grondwet bepaalt dat ‘gerechtelijke handelingen […] met redenen [moeten] zijn omkleed’.
7.
Artikel 34 van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering; hierna: ‘NPK’)4. bepaalt dat ‘elke handeling van de rechter […] een motivering [moet] bevatten […]’.
8.
Artikel 172 NPK is als volgt verwoord:
- ‘(1)
De autoriteiten die belast zijn met het vooronderzoek kunnen gebruikmaken van bijzondere opsporingsmethoden — elektronische en technische apparatuur […], die dienen om de activiteiten van de gecontroleerde personen te documenteren, […]
- (2)
Bijzondere opsporingsmethoden worden gebruikt wanneer dat noodzakelijk is voor het onderzoek naar ernstige, opzettelijk gepleegde strafbare feiten […], wanneer de vaststelling van de omstandigheden in kwestie op geen enkele andere wijze mogelijk is, of buitengewoon moeilijk is.’
9.
Artikel 173, lid 1, NPK bepaalt:
‘Teneinde in het vooronderzoek gebruik te kunnen maken van bijzondere opsporingsmethoden, dient de toezichthoudende officier van justitie bij de rechter een schriftelijk, met redenen omkleed verzoek in. […]
10.
Artikel 174 NPK bepaalt:
‘[…]
- (3)
Machtigingen tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden in procedures die onder de bevoegdheid van de Spetsializiran nakazatelen sad vallen, worden vooraf door de president ervan verleend […].
- (4)
De in de leden 2 en 3 bedoelde autoriteit beslist bij met redenen omklede beschikking […].’
11.
Artikel 3, lid 1, van de Zakon za spetsialnite razuznavatelni sredstva (wet inzake bijzondere opsporingsmethoden; hierna: ‘ZSRS’)5. bepaalt:
‘Bijzondere opsporingsmethoden worden gebruikt wanneer dat noodzakelijk is om ernstige, opzettelijk gepleegde strafbare feiten te voorkomen en op te sporen […], wanneer het verzamelen van de benodigde informatie op geen enkele andere wijze mogelijk is, of buitengewoon moeilijk is.’
12.
Artikel 12, lid 1, punt 1, ZSRS bepaalt:
‘Bijzondere opsporingsmethoden worden gebruikt ten aanzien van personen over wie er informatie en voldoende ernstige aanwijzingen zijn om aan te nemen dat zij opzettelijk een of meerdere van de in artikel 3, lid 1, genoemde ernstige strafbare feiten voorbereiden, plegen of gepleegd hebben.’
13.
Artikel 13, lid 1, ZSRS preciseert welke autoriteiten en diensten kunnen verzoeken om bijzondere opsporingsmethoden in te zetten en om de informatie en het bewijsmateriaal die met deze methoden zijn verkregen, te gebruiken.
14.
Artikel 14, lid 1, punt 7, ZSRS luidt:
‘Om bijzondere opsporingsmethoden te kunnen gebruiken is een met redenen omkleed schriftelijk verzoek vereist van het betrokken administratieve hoofd van de in artikel 13, lid 1, bedoelde autoriteiten, of van de toezichthoudende officier van justitie, of, in voorkomend geval, van de autoriteit als bedoeld in artikel 13, lid 3, en in het geval van het directoraat als bedoeld in artikel 13, lid 1, punt 7, van de directeur ervan, waarin […] de redenen worden vermeld waarom de benodigde informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen, of een beschrijving van de buitengewone moeilijkheden waarmee de verkrijging ervan gepaard gaat.’
15.
Artikel 15, lid 1, ZSRS bepaalt:
‘De hoofden van de in artikel 13, lid 1, bedoelde autoriteiten of de toezichthoudende officier van justitie, en, in het geval van het in artikel 13, lid 1, punt 7, bedoelde directoraat, de voorzitter van de Commissie voor de bestrijding van corruptie en voor de inbeslagneming van wederrechtelijk verkregen vermogensbestanddelen, dienen het verzoek in bij de presidenten van de Sofiyski gradski sad [(rechter voor de stad Sofia, Bulgarije)], de betrokken regionale of militaire rechtbanken, de Spetsializiran nakazatelen sad, of bij een door hen gemachtigde vicepresident, waarbij deze binnen 48 uur een schriftelijke machtiging tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden verlenen of het betreffende verzoek afwijzen, en daarbij hun beslissingen motiveren.’
III. Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16.
De Spetsializirana prokuratura (bijzonder openbaar ministerie, Bulgarije) heeft strafvervolging ingesteld tegen vijf personen wegens hun vermeende deelneming aan een criminele organisatie die onderdanen van derde landen hielp om illegaal het Bulgaarse grondgebied binnen te komen; die personen werden er tevens van beschuldigd, steekpenningen te hebben betaald of aangenomen. Deze handelingen vormen naar Bulgaars recht ‘ernstige strafbare feiten’.
17.
Op 10 april 2017, tijdens de vooronderzoeksfase van de procedure, verzocht de officier van justitie om ten aanzien van een van de verdachten, IP, bijzondere opsporingsmethoden te mogen gebruiken, waaronder het aftappen van telefoongesprekken.
18.
Het verzoek besloeg meer dan acht bladzijden. De eerste bladzijde en de voettekst op de bladzijden 2 tot en met 8 zijn voorzien van een referentienummer. Het verzoek begint met een beschrijving van de voorgenomen operationele maatregelen. Het duidt de persoon aan die aan de maatregelen zou moeten worden onderworpen door zijn naam, identificatienummer, adres, functie en werkplaats te vermelden. Het bevat het mobiele telefoonnummer en andere gegevens van de prepaidkaart die wordt gebruikt door de persoon die aan de controle moet worden onderworpen.
19.
Het verzoek bevat gronden die het gebruik van de controlemaatregelen rechtvaardigen. In de eerste alinea van dit onderdeel wordt onder verwijzing naar de relevante artikelen van de NPK en de aard van het strafbare feit vastgesteld om welk vooronderzoek en welk strafbaar feit het gaat. De tweede alinea noemt getuigenverklaringen die de Spetsializirana prokuratura heeft verkregen over de criminele activiteit, de structuur ervan en de rol van de deelnemers. De derde alinea bevat andere getuigenverklaringen waarin uitvoerig wordt uiteengezet hoe de criminele organisatie te werk ging en wat de rol van de betrokkene was. Die alinea omvat ook een beschrijving van de wijze waarop de betrokkene met anderen in de criminele organisatie heeft gecommuniceerd, waarbij een mobiel telefoonnummer is vermeld dat daartoe is gebruikt en dat overeenkomt met het in de eerste alinea van het verzoek vermelde telefoonnummer. Dit onderdeel wordt afgesloten met de constatering dat de getuigenverklaringen de conclusie rechtvaardigen dat in Bulgarije een criminele organisatie actief is.
20.
In het verzoek wordt toegelicht waarom de gevraagde maatregelen noodzakelijk worden geacht en wordt uiteengezet welke acties reeds zijn ondernomen om vast te stellen welke personen betrokken zijn bij de criminele organisatie. Daarna wordt uitvoerig uitgelegd waarom de activiteiten van de betrokkene inbreuk maken op verschillende bepalingen van nationaal recht en Unierecht.
21.
In de volgende alinea van het verzoek wordt uiteengezet waarom niet op enige andere wijze voldoende bewijs voor een veroordeling kan worden verkregen. In het bijzonder wordt gesteld dat de betrokken personen een gesloten organisatie vormen en dat het moeilijk is om bewijs te vergaren over hun bijeenkomsten. In de laatste alinea van het verzoek zijn de gegevens vermeld van de bevoegde functionaris die in kennis moet worden gesteld van de uitkomst van de voorgestelde controle.
22.
De president van de Spetsializiran nakazatelen sad heeft nog diezelfde dag machtiging verleend tot het onderscheppen van telefoongesprekken, het opnemen ervan en het opslaan van de opnamen met het oog op strafvervolging. In de beschikking zijn de naam en de functie vermeld van de persoon die de machtiging tot de maatregelen heeft verleend. Verklaard wordt dat de autoriteit die het verzoek heeft ingediend, binnen de grenzen van haar bevoegdheden heeft gehandeld en dat er voldoende aanwijzingen zijn dat een strafbaar feit is gepleegd als bedoeld in artikel 172, lid 2, NPK of artikel 3, lid 1, ZSRS, dat onder de bevoegdheid van de Spetsializiran nakazatelen sad valt. In de beschikking wordt verklaard dat is voldaan aan de vereisten van de artikelen 4, 12 en 21 ZSRS, of van artikel 175, lid 2, NPK. Zij verleent machtiging tot het gebruik van de vermelde controlemethoden ten aanzien van de persoon die wordt genoemd in het verzoek met een referentienummer dat overeenkomt met het referentienummer op de eerste bladzijde en in de voettekst van de bladzijden 2 tot en met 8 van het verzoek. De machtiging is ondertekend, voorzien van het zegel van de rechtbank en gedateerd 10 april 2017. Op de eerste bladzijde van het verzoek tot machtiging staan dezelfde handtekening, hetzelfde zegel en dezelfde datum.
23.
Soortgelijke verzoeken zijn ingediend ten aanzien van andere personen tegen wie onderzoeken zijn ingesteld in verband met hun betrokkenheid bij dezelfde criminele organisatie. De motiveringen van de president van de Spetsializiran nakazatelen sad lijken identiek te zijn, behoudens dat de machtiging telkens naar een ander verzoek lijkt te verwijzen.
24.
Volgens de verwijzende rechter omvat de vooraf in algemene bewoordingen opgestelde tekst van de machtigingen de diverse scenario's waarin rechtmatig machtiging tot geheime controle kan worden verleend. Het is gangbare praktijk dat een machtiging geen geïndividualiseerde motivering bevat voor de afgifte ervan. De verwijzende rechter betwijfelt derhalve of de machtigingen naar behoren zijn gemotiveerd.
25.
Als gevolg van de controlemaatregelen waarvoor machtiging was verleend zijn bepaalde telefoongesprekken van de verdachten opgenomen en opgeslagen. De verwijzende rechter erkent dat deze gesprekken relevant zijn om de aan de verdachten ten laste gelegde feiten aan te tonen, maar vraagt zich af of zij toelaatbaar zijn indien de machtigingen onrechtmatig worden geacht. Hij heeft derhalve de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Is een praktijk van nationale rechterlijke instanties in strafprocedures op grond waarvan de rechter bij het verlenen van een machtiging tot het onderscheppen, opnemen en opslaan van telefoongesprekken van verdachten gebruikmaakt van een vooraf opgestelde tekst in algemene bewoordingen, waarin zonder enige individualisering enkel wordt gesteld dat de wettelijke bepalingen in acht zijn genomen, verenigbaar met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, en overweging 11 ervan?
- 2)
Zo nee, is het dan in strijd met het Unierecht dat het nationale recht aldus wordt uitgelegd dat informatie die is verkregen als gevolg van een dergelijke machtiging, kan worden gebruikt om de tenlastelegging te bewijzen?’
26.
IP, DD, de Tsjechische Republiek, Ierland en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 6 juli 2022 hebben Ierland en de Commissie pleidooi gehouden en vragen van het Hof beantwoord.
27.
Met betrekking tot de eerste vraag zijn IP en DD van mening dat de machtigingen onrechtmatig zijn omdat ze geen geïndividualiseerde motivering bevatten. Bijgevolg is hun recht op een persoonlijke levenssfeer onvoldoende beschermd tegen willekeurige inmenging. Zij stellen ook dat zij niet in staat zijn om de machtigingen op doeltreffende wijze aan te vechten, hetgeen een schending van hun rechten uit hoofde van artikel 47 van het Handvest vormt. De Tsjechische Republiek, Ierland en de Commissie stellen dat het naast elkaar lezen van het verzoek en de machtiging kan volstaan om de verdachten in staat te stellen, doeltreffend in rechte op te komen tegen de machtigingen met het oog op de uitsluiting van het bewijs dat op basis daarvan is verkregen.
28.
Met betrekking tot de tweede vraag voeren IP en DD aan dat het onrechtmatig verkregen bewijs ontoelaatbaar is. Daarnaast stelt DD zich op het standpunt dat het voor de feitenrechter niet mogelijk is om de rechtmatigheid van de machtigingen achteraf te beoordelen. Ierland stelt dat de toelaatbaarheid van bewijs een procedurele aangelegenheid is die niet door het Unierecht wordt geregeld en tot de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten behoort. De Commissie is het eens met Ierland, met dien verstande dat volgens de rechtspraak van het Hof bewijsmateriaal dat betrekking heeft op een technisch gebied waarvan de rechters geen kennis hebben en dat een doorslaggevende invloed kan hebben op de beoordeling van de feiten, in alle omstandigheden moet worden uitgesloten.
IV. Beantwoording van de prejudiciële vragen
A. Eerste vraag
29.
De verwijzende rechter wenst te vernemen of een rechterlijke machtiging tot het aftappen van telefoongesprekken verenigbaar is met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, en overweging 11 ervan, als zij de vorm aanneemt van een vooraf in algemene bewoordingen opgestelde tekst waarin wordt gesteld dat de wettelijke bepalingen inzake controle van de communicatie in acht zijn genomen, maar waarin geen geïndividualiseerde motivering wordt verstrekt.
1. Toepasselijkheid van richtlijn 2002/58
30.
Volgens artikel 1, lid 3, van richtlijn 2002/58, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof, valt elke verwerking van persoonsgegevens door aanbieders van elektronischecommunicatiediensten binnen de werkingssfeer van die richtlijn, inclusief de verwerking die het gevolg is van verplichtingen die de overheid aan die aanbieders oplegt. Slechts wanneer lidstaten rechtstreeks maatregelen toepassen die inbreuk maken op het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie, zonder dat zij verplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten, wordt de bescherming van gegevens niet beheerst door richtlijn 2002/58, maar door nationaal recht, behoudens de toepassing van richtlijn (EU) 2016/6806., wat betekent dat die nationale maatregelen met name in overeenstemming moeten zijn met het nationale constitutionele recht en met het EVRM7..
31.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet, en de ter terechtzitting aanwezige partijen hebben niet kunnen bevestigen, of de in casu aan de orde zijnde controlemaatregelen zijn uitgevoerd door aanbieders van elektronischecommunicatiediensten. De identiteit van de instantie die de controlemaatregelen heeft uitgevoerd, moet door de nationale rechter worden vastgesteld.
32.
Voor de beantwoording van de vragen ga ik ervan uit dat de maatregelen zijn uitgevoerd door aanbieders van elektronischecommunicatiediensten en dat de maatregelen derhalve binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/58 vallen.8.
33.
Een tweede vraagstuk vloeit voort uit het feit dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 het de lidstaten toestaat om ‘wettelijke maatregelen [te] treffen ter beperking van de reikwijdte van de in […] [artikel] 5 […] bedoelde rechten en plichten’. De twijfels van de verwijzende rechter hebben niet zozeer betrekking op de nationale wettelijke maatregelen waarbij artikel 15, lid 1, in nationaal recht is omgezet, maar veeleer op de wijze waarop de rechterlijke macht uitvoering aan deze maatregelen geeft. Valt de eerste vraag, gelet op deze twijfels, buiten de werkingssfeer van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58? Volgens mij niet. De nationale regeling bepaalt dat machtigingen in de vorm van een met redenen omklede beschikking moeten worden vastgesteld. Uit de stukken waarover dit Hof beschikt, blijkt dat in de machtigingen een verklaring is opgenomen dat aan de wettelijke vereisten is voldaan. De vraag rijst of die motivering volstaat, aangezien de beschikkingen de vorm hebben van een vooraf opgestelde tekst zonder geïndividualiseerde motivering. De twijfels van de verwijzende rechter hebben dus betrekking op de uitlegging van het Unierecht in het licht van de toepasselijke nationale regels en rechtspraktijk.
2. Beoordeling
34.
Artikel 5, lid 1, en artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, in onderlinge samenhang gelezen, verplichten de lidstaten in wezen tot het verbieden van het afluisteren, aftappen, opslaan of anderszins onderscheppen of controleren van de communicatie indien de betrokken gebruikers daarin niet hebben toegestemd, tenzij dat noodzakelijk, redelijk en proportioneel is om strafbare feiten te voorkomen, te onderzoeken, op te sporen en te vervolgen. Dergelijke maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met de algemene beginselen van het Unierecht, met inbegrip van het evenredigheidsbeginsel en de beginselen als bedoeld in artikel 6, leden 1 en 2, VEU.
35.
Overeenkomstig artikel 6, lid 1, VEU erkent de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest. Overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest zijn de bepalingen ervan gericht tot de lidstaten wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen.
36.
Het verlenen van een machtiging tot het aftappen van telefoongesprekken vormt een inmenging in de door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde rechten van de verdachten.9. Volgens artikel 52, lid 1, van het Handvest is een dergelijke inmenging slechts toelaatbaar indien zij bij wet is gesteld en indien zij, met inachtneming van de wezenlijke inhoud van die rechten en het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk is en daadwerkelijk beantwoordt aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang.
37.
Het doeltreffendheidsbeginsel is een algemeen beginsel van Unierecht volgens hetwelk de toepassing van het Unierecht niet onmogelijk of uiterst moeilijk mag worden gemaakt.10. Het omvat het recht op daadwerkelijke rechterlijke toetsing.11. Bovendien bepaalt artikel 47, eerste alinea, van het Handvest dat eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden. Wanneer, zoals in casu, de machtiging is verleend zonder de persoon te horen die aan de controlemaatregelen werd onderworpen, is artikel 47, eerste alinea, van het Handvest, betreffende daadwerkelijke rechterlijke toetsing, relevant, en niet de tweede alinea betreffende het recht op een eerlijk proces.
38.
Uit vaste rechtspraak volgt dat de doeltreffendheid van het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op daadwerkelijke rechterlijke toetsing vereist dat de belanghebbende kennis kan nemen van de gronden van het tegen hem genomen besluit, hetzij door lezing van dat besluit zelf, hetzij doordat de redenen hem op zijn verzoek worden meegedeeld, teneinde die belanghebbende de mogelijkheid te bieden zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij zich tot een bevoegde rechter wendt met het verzoek om de rechtmatigheid van dat besluit te toetsen.12.
39.
De omvang van de motiveringsplicht kan verschillen naargelang de aard van de aangevochten beslissing. Deze plicht moet worden onderzocht in het licht van de procedure in haar geheel beschouwd en van alle relevante omstandigheden, om na te gaan of de betrokkenen tegen die beslissing zinvol en effectief beroep kunnen instellen.13.
40.
In casu bestaan de machtigingen uit een vooraf in algemene bewoordingen opgestelde tekst waarin slechts bepaalde elementen zijn geïndividualiseerd, zoals referentienummers, datums, de aan de controlemaatregelen te onderwerpen persoon, en de omvang en duur van de maatregelen. De verdachten kunnen aan de hand van dit document dus niet nagaan waarom de rechter die de machtiging heeft verleend, van oordeel was dat was voldaan aan de wettelijke vereisten voor het toestaan van het aftappen van telefoongesprekken. Deze personen zijn bijgevolg niet in staat om hun rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of zij er baat bij hebben om zich tot de bevoegde rechter te wenden met het verzoek de rechtmatigheid van deze machtigingen te toetsen teneinde de betrokken bewijzen ontoelaatbaar te laten verklaren.
41.
Het recht op een daadwerkelijke rechterlijke toetsing vereist echter niet noodzakelijkerwijs dat de rechter die de machtiging heeft verleend, in zijn eigen bewoordingen in dat document uiteenzet waarom hij van oordeel is dat aan de voorwaarden voor verlening van de machtiging is voldaan. Het volstaat dat de motivering voor de verlening van de machtiging op een betrouwbare wijze kan worden vastgesteld. Indien het verzoek tot machtiging een duidelijke uiteenzetting bevat van de redenen waarom de verzoekende autoriteit of functionaris van mening is dat machtiging tot de controlemaatregelen dient te worden verleend, mag worden aangenomen dat de in het verzoek vermelde redenen de rechter hebben overtuigd om de machtiging te verlenen.14. Dit geldt temeer daar het verzoek en eventuele bewijsstukken in dit soort procedures de enige grondslag vormen voor de verlening of weigering van de machtiging.
42.
In de punten 18 tot en met 22 van deze conclusie is uiteengezet dat de referentie- en identificatienummers die voorkomen in de machtigingen erop wijzen dat elke machtiging betrekking heeft op een afzonderlijk verzoek ten aanzien van een specifieke persoon en een specifiek telefoonnummer. De verzoeken zijn gestructureerd opgebouwd en uitvoerig geformuleerd. De juridische criteria die de rechter voor de verlening van de machtiging moet toepassen, zijn vrij eenvoudig. Mits de verdachte tijdig een afschrift kan verkrijgen van het verzoek dat tot het verlenen van de machtiging heeft geleid15., zal hij waarschijnlijk in staat zijn kennis te nemen van de redenen waarom de machtiging is verleend en met kennis van zaken kunnen beslissen of hij deze al dan niet aanvecht. Het staat dan aan de nationale rechter om per geval en rekening houdend met alle relevante omstandigheden te bepalen of het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat de verdachten aan artikel 47, eerste alinea, van het Handvest ontlenen, werd gewaarborgd.
43.
Artikel 52, lid 3, van het Handvest beoogt de samenhang te waarborgen tussen de in dat document neergelegde rechten en de overeenkomstige door het EVRM gewaarborgde rechten, zonder afbreuk te doen aan de autonomie van het Unierecht. Tegen deze achtergrond was ter terechtzitting de vraag aan de orde of de in het vorige punt van deze conclusie beschreven benadering in strijd is met het recente arrest van het EHRM in de zaak Ekimdzhiev16., waarin die rechterlijke instantie juridische waarborgen tegen willekeur en misbruik heeft getoetst met betrekking tot geheime controle, bewaring van en toegang tot communicatiegegevens in het kader van de praktijk van de Spetsializiran nakazatelen sad in de jaren 2015 tot en met 2019.
44.
Het EHRM heeft geoordeeld dat de overgrote meerderheid van de verleende controlemachtigingen niet naar behoren was gemotiveerd. Het heeft niettemin opgemerkt dat enkel op basis van het motiveringsgebrek niet automatisch kon worden geconcludeerd dat de rechters de verzoeken tot controlemachtigingen niet naar behoren hadden onderzocht, hoewel het vanwege een aantal factoren ernstige twijfels daarover had.17.
45.
Voor de onderhavige zaak volstaat de opmerking dat het arrest van het EHRM in de zaak Ekimdzhiev weliswaar aanleiding geeft tot grote bezorgdheid over bepaalde aspecten van de rechterlijke machtiging tot geheime controle in Bulgarije, maar de mogelijkheid openlaat dat voor deze controle machtiging is verleend in omstandigheden waarin de rechter die deze heeft verleend, naar behoren heeft geoordeeld dat de controlemaatregel werkelijk noodzakelijk, passend en evenredig was. Hoe dan ook moet een verdachte die aan een controle op basis van een machtiging is onderworpen, in staat zijn kennis te nemen van de redenen waarom die machtiging is verleend en met kennis van zaken kunnen beslissen of hij deze al dan niet aanvecht. Het staat aan de nationale rechter om in elk concreet geval te beoordelen of een dergelijk beroep gegrond is.
46.
Ik geef het Hof derhalve in overweging de eerste vraag te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 47 van het Handvest en artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, en overweging 11 ervan, verzetten zich niet tegen een praktijk op grond waarvan machtiging wordt verleend tot het onderscheppen, opnemen en opslaan van telefoongesprekken van verdachten door gebruik te maken van een vooraf in algemene bewoordingen opgestelde tekst waarin wordt gesteld dat de wettelijke bepalingen in acht zijn genomen, maar dienaangaande geen geïndividualiseerde motivering wordt gegeven, mits de verdachte die aan de controle is onderworpen de redenen voor de verlening van de machtiging op een betrouwbare wijze kan vaststellen en doeltreffend daartegen kan opkomen door de machtiging en het verzoek tot die machtiging naast elkaar te lezen.’
B. Tweede vraag
47.
Aangezien het aan de verwijzende rechter staat om de rechtmatigheid van de machtiging te beoordelen, dient de tweede vraag te worden beantwoord.
48.
De tweede vraag is gebaseerd op twee veronderstellingen. De eerste is dat belastend bewijsmateriaal is verkregen door middel van een geheime controle op basis van een machtiging die onrechtmatig was omdat zij niet naar behoren was gemotiveerd. De tweede is dat de verdachte die aan deze controle is onderworpen, niet doeltreffend kan opkomen tegen de rechtsgrondslag op basis waarvan de machtiging tot deze controle is verleend.
49.
In de verwijzingsbeslissing wordt de vraag opgeworpen of een onrechtmatigheid in de machtiging, bestaande in een ontoereikende motivering, door de feitenrechter kan worden verholpen. Hoewel niet geheel duidelijk is op welke wijze een dergelijke toetsing achteraf moet worden uitgevoerd en wat de gevolgen ervan zijn, en er twijfel bestaat over de vraag of de feitenrechter bevoegd is om een dergelijke onrechtmatigheid te verhelpen, lijkt het, teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, opportuun om deze kwestie te onderzoeken.
50.
De Commissie heeft opgemerkt dat bij de tweede vraag rekening moet worden gehouden met de wijze waarop onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal van invloed kan zijn op het eerlijke verloop van het strafproces in zijn geheel. De verwijzingsbeslissing gaat niet op deze kwestie in. De verwijzende rechter verstrekt evenmin informatie over de toepasselijke nationale procedureregels, met name hoe dergelijk bewijsmateriaal in de bij hem aanhangige procedure zou worden behandeld. De door de Commissie aan de orde gestelde kwestie blijkt dus volstrekt hypothetisch te zijn, zodat het Hof zich er in het kader van deze verwijzing niet over hoeft uit te spreken.
1. Kan een onregelmatigheid in de motivering van een machtiging worden verholpen door een nieuwe beoordeling achteraf?
51.
Deze vraag kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof inzake de algemene bewaring van gegevens en de toegang daartoe. Het nationale recht moet bepalen onder welke voorwaarden aanbieders van elektronischecommunicatiediensten de bevoegde nationale autoriteiten toegang tot gegevens moeten verlenen. Het dient duidelijke en nauwkeurige regels te bevatten over de reikwijdte en de toepassing van de daartoe vastgestelde maatregelen en het moet voorzien in minimumwaarborgen, zodat personen van wie de persoonsgegevens aan de orde zijn, over voldoende waarborgen beschikken dat die gegevens doeltreffend zullen worden beschermd tegen het risico van misbruik. De inmenging moet tot het strikt noodzakelijke worden beperkt. Met het oog op de bestrijding van criminaliteit kan alleen toegang worden verleend tot de gegevens van personen die ervan worden verdacht een ernstig strafbaar feit te beramen, te plegen of te hebben gepleegd, of op enigerlei wijze bij een dergelijk strafbaar feit betrokken te zijn. Om te waarborgen dat deze voorwaarden in de praktijk ten volle in acht worden genomen, is het van wezenlijk belang dat dergelijke toegang slechts wordt verleend na een voorafgaande toetsing, door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit, van een met redenen omkleed verzoek, dat door de bevoegde autoriteiten is ingediend in het kader van nationale procedures ter voorkoming, opsporing of vervolging van strafbare feiten. Die toetsing moet altijd prospectief zijn, behalve in naar behoren gemotiveerde urgente gevallen, in welke zij kort daarna dient plaats te vinden.18. Anders zouden de rechten van de verdachte en van andere als gevolg van de maatregelen geraakte personen reeds ernstig zijn geschonden tegen de tijd dat de rechtmatigheid van de controlemaatregelen achteraf is beoordeeld. Het ontbreken van een toetsing door een onafhankelijke autoriteit kan dus niet worden verholpen door achteraf een nieuwe beoordeling te verrichten.
52.
Hieruit volgt dat alleen een voorafgaande beoordeling kan waarborgen dat niet onnodig verplichtingen worden opgelegd aan aanbieders van elektronischecommunicatiediensten, dat de inmenging in de in het Handvest neergelegde grondrechten niet willekeurig is en dat aan de voorwaarden van artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58 is voldaan. Dit strookt met de benadering van het EHRM in zijn arrest in de zaak Dragojević19., waarin het EHRM een praktijk heeft afgewezen volgens welke de Kroatische rechterlijke instanties achteraf toetsten of machtigingen tot controle rechtmatig waren op het moment dat ze werden verleend.
2. Toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs
53.
Artikel 6 EVRM waarborgt het recht op een eerlijk proces, maar bevat geen regels over de toelaatbaarheid van bewijzen als zodanig; dit laatste valt hoofdzakelijk onder het nationale recht. Het EHRM beschouwt het evenmin als zijn taak om vast te stellen of onrechtmatig verkregen bewijs toelaatbaar is.20.
54.
Volgens vaste rechtspraak is het bij gebreke van een Unieregelgeving ter zake een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die ertoe strekken de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht ontlenen, te beschermen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen krachtens nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van die rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).21. Dergelijke regels moeten ook de grondrechten eerbiedigen, alsmede het legaliteitsbeginsel en het rechtsstaatbeginsel, die fundamentele waarden van de Europese Unie zijn.22.
55.
Volgens het gelijkwaardigheidsbeginsel staat het aan de nationale rechter bij wie een strafrechtelijke procedure aanhangig is op basis van informatie of bewijzen die in strijd met de uit richtlijn 2002/58 voortvloeiende vereisten zijn verkregen, om vast te stellen of het nationale recht of de nationale praktijk minder gunstige regels bevat voor de toelaatbaarheid en het gebruik van dat materiaal dan de regels inzake de toelaatbaarheid en het gebruik van informatie en bewijzen die zijn verkregen in strijd met het nationale recht.
56.
Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel dient te worden opgemerkt dat nationale regels inzake de toelaatbaarheid en het gebruik van informatie en bewijzen tot doel hebben om in overeenstemming met de in die regels gemaakte keuzen te voorkomen dat onrechtmatig verkregen informatie en bewijzen ongerechtvaardigd nadeel toebrengen aan de berechting van een persoon die ervan wordt verdacht strafbare feiten te hebben gepleegd. Dat doel kan naar nationaal recht niet alleen worden bereikt door middel van een verbod op het gebruik van dergelijke informatie en bewijzen in de rechtszaak, maar ook door nationale regels en praktijken met betrekking tot de beoordeling en de weging van dergelijk materiaal, of door bij het opleggen van de sanctie de vraag in aanmerking te nemen of dat materiaal onrechtmatig is verkregen.23. Het doeltreffendheidsbeginsel heeft het Hof er niettemin toe gebracht een regel te formuleren die de verplichte uitsluiting van bewijzen in bepaalde welomschreven omstandigheden voorschrijft. Wanneer een partij niet in de gelegenheid is om doeltreffend commentaar te leveren op bewijsmateriaal dat betrekking heeft op een technisch gebied waarvan de aangezochte rechters geen kennis hebben en dat een doorslaggevende invloed kan hebben op de beoordeling van de feiten, moet dat bewijsmateriaal worden uitgesloten.24.
57.
Met zijn tweede vraag lijkt de verwijzende rechter deze benadering in twijfel te trekken. Het is derhalve nuttig om de relevante rechtspraak te onderzoeken.
58.
In de zaak Mantovanelli bestond het betwiste bewijs uit een medisch deskundigenrapport dat was opgesteld op basis van laboratoriumanalyses, gesprekken van de deskundige met getuigen en bepaalde documenten. De heer en mevrouw Mantovanelli mochten de gesprekken niet bijwonen en kregen evenmin inzage in de documenten, maar zij hebben het rapport wel mogen betwisten nadat het aan de rechter was voorgelegd. Het EHRM was er niet van overtuigd dat deze procedure de heer en mevrouw Mantovanelli een reële mogelijkheid had geboden om daadwerkelijk commentaar op het deskundigenrapport te leveren. De vraag die de deskundige diende te beantwoorden, was precies de vraag die de rechter moest beoordelen, namelijk of uit de feiten bleek dat het medisch personeel van een ziekenhuis nalatig was geweest bij de toediening van een bepaald farmaceutisch product aan een patiënt. Het bewijs had dus betrekking op een technisch gebied waarvan de rechter geen kennis had. Hoewel de rechter juridisch gezien niet gebonden was door de bevindingen van de deskundige, waren deze waarschijnlijk van doorslaggevende invloed op zijn beoordeling van de feiten. Aangezien het verzoek van de heer en mevrouw Mantovanelli om een nieuw deskundigenrapport in te dienen zowel in eerste aanleg als in beroep werd afgewezen, hadden zij vóór de indiening van het deskundigenrapport slechts doeltreffend hun standpunt kunnen uiteenzetten door deel te nemen aan de gesprekken met het medisch personeel en door opmerkingen in te dienen over de relevante documenten. Het EHRM kwam aldus tot de slotsom dat de gerechtelijke procedure, in haar geheel beschouwd, oneerlijk was verlopen.25.
59.
In de zaak Steffensen ging het om monsters van een levensmiddel die waren genomen om ze in een laboratorium te analyseren. Het resultaat van die analyse vormde de grondslag voor het besluit van de administratieve autoriteiten dat het product niet aan de ervoor geldende wettelijke normen voldeed. Krachtens de relevante richtlijn had de fabrikant de mogelijkheid moeten hebben om een tegenexpertise te verkrijgen ter betwisting van die eerste analyse. De fabrikant was niet van de monsterneming op de hoogte gesteld en had dus geen monsters van hetzelfde product kunnen nemen. Het Hof haalt de zaak Mantovanelli aan en merkt op dat het toezicht dat het EHRM krachtens artikel 6, lid 1, EVRM uitoefent op het eerlijke verloop van het proces, betrekking heeft op de procedure in haar geheel, inclusief de manier van bewijsvoering. Het Hof oordeelde dat het aan de nationale rechter stond om na te gaan of het in die procedure aan de orde zijnde bewijs betrekking had op een technisch gebied waarvan de rechter geen kennis had en of het een doorslaggevende invloed kon hebben op zijn beoordeling van de feiten. Indien deze twee elementen vaststonden, diende de nationale rechter na te gaan of Steffensen over een werkelijke mogelijkheid beschikte om doeltreffend commentaar te leveren op dit bewijs. Zo niet, diende de nationale rechter het bewijs uit te sluiten om een schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van het recht op een eerlijk proces te voorkomen.26.
60.
Dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld om doeltreffend commentaar te leveren op bewijzen, maakt deel uit van het beginsel van hoor en wederhoor, dat een essentieel element is van het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest27. en artikel 6, lid 1, EVRM28. beschermde recht op een eerlijk proces. In de zaken Mantovanelli en Steffensen wilden beide rechters vermijden dat de zaak werd beslist op grond van bewijzen die betrekking hadden op een technisch gebied waarvan de rechter geen kennis had en die de verdediging onmogelijk kon betwisten. Een dergelijke procedure zou de partij die zich op dit bewijs beroept een onbillijk voordeel verschaffen en aldus inbreuk maken op het recht van de wederpartij op een eerlijk proces.
61.
Het bewijsmateriaal dat in de procedure voor de verwijzende rechter aan de orde is, verschilt van dat wat in de zaken Mantovanelli en Steffensen is onderzocht. Het bestaat in opnamen van telefoongesprekken van de verdachten over de gecontroleerde activiteiten. Die bewijzen kunnen weliswaar een doorslaggevende invloed hebben op de beoordeling van de feiten door de rechter, maar het valt moeilijk in te zien hoe zij betrekking zouden kunnen hebben op een technisch gebied waarvan de rechter geen kennis heeft. In elk geval zijn de feiten in de zaken Mantovanelli en Steffensen slechts nuttige voorbeelden van de toepassing van beginselen die nationale rechters in aanmerking kunnen nemen wanneer zij uitspraak doen in een strafprocedure.
62.
Daarnaast moet worden opgemerkt dat in het belang van de rechtsbedeling de juiste aanpak in de zaak Mantovanelli zou zijn geweest, de heer en mevrouw Mantovanelli in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan het proces dat heeft geleid tot de opstelling van het deskundigenrapport of hun toestemming te verlenen om het deskundigenrapport in te dienen waartoe zij zelf opdracht hadden gegeven. Voor personen die zich in een situatie als die van Steffensen bevinden, zou de juiste oplossing erin hebben bestaan, de mogelijkheid te bieden een tegenexpertise voor te leggen. De uitsluiting van bewijsmateriaal is slechts relevant geworden omdat er — ten onrechte — geen andere, geschiktere procedurele mechanismen waren. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of de verdachten tijdens hun proces over dergelijke mogelijkheden kunnen beschikken.
63.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de tweede vraag te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 47 van het Handvest en artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, en overweging 11 ervan, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter:
- —
die vaststelt dat bewijzen onrechtmatig zijn verkregen op basis van een machtiging die niet naar behoren was gemotiveerd, die onregelmatigheid niet kan verhelpen door toe te staan dat achteraf een motivering voor die machtiging wordt aangevoerd, behalve in naar behoren gemotiveerde urgente gevallen;
- —
moet bepalen of in strijd met deze bepalingen verkregen bewijs toelaatbaar is overeenkomstig zijn nationale recht, op zodanige wijze dat, ten eerste, de algemene Unierechtelijke beginselen, met name de beginselen van evenredigheid, gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, en, ten tweede, het in artikel 47 van het Handvest en in artikel 6, lid 1, EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het beginsel van hoor en wederhoor, in acht worden genomen;
- —
bewijs dat in strijd met deze bepalingen is verkregen, moet uitsluiten wanneer een partij in de bij hem aanhangige procedure niet in de gelegenheid is om doeltreffend commentaar op dat bewijs te leveren, het bewijs betrekking heeft op een technisch gebied waarvan de rechter geen kennis heeft en dat bewijs een doorslaggevende invloed kan hebben op feitelijke vaststellingen in de betrokken strafprocedure.’
V. Conclusie
64.
Ik geef het Hof derhalve in overweging, de vragen van de Spetsializiran nakazatelen sad te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, en overweging 11 ervan,
moeten aldus worden uitgelegd dat:
- —
zij zich niet verzetten tegen een praktijk op grond waarvan machtiging wordt verleend tot het onderscheppen, opnemen en opslaan van telefoongesprekken van verdachten door gebruik te maken van een vooraf in algemene bewoordingen opgestelde tekst waarin wordt gesteld dat de wettelijke bepalingen in acht zijn genomen, maar dienaangaande geen geïndividualiseerde motivering wordt gegeven, mits de verdachte die aan de controle is onderworpen de redenen voor de verlening van de machtiging op een betrouwbare wijze kan vaststellen en doeltreffend daartegen kan opkomen door de machtiging en het verzoek tot die machtiging naast elkaar te lezen.
- 2)
Artikel 47 van het Handvest en artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, en overweging 11 ervan,
moeten aldus worden uitgelegd dat:
- —
nationale rechters die vaststellen dat bewijzen onrechtmatig zijn verkregen op basis van een machtiging die niet naar behoren was gemotiveerd, die onregelmatigheid niet kunnen verhelpen door toe te staan dat achteraf een motivering voor die machtiging wordt aangevoerd, behalve in naar behoren gemotiveerde urgente gevallen;
- —
nationale rechters moeten bepalen of in strijd met deze bepalingen verkregen bewijs toelaatbaar is overeenkomstig hun nationale recht, op zodanig wijze dat, ten eerste, de algemene Unierechtelijke beginselen, met name de beginselen van evenredigheid, gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, en, ten tweede, het in artikel 47 van het Handvest en in artikel 6, lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht op een eerlijk proces, met inbegrip van het beginsel van hoor en wederhoor, in acht worden genomen;
- —
nationale rechters bewijs dat in strijd met deze bepalingen is verkregen, moeten uitsluiten wanneer een partij in de bij hen aanhangige procedure niet in de gelegenheid is om doeltreffend commentaar op dat bewijs te leveren, het bewijs betrekking heeft op een technisch gebied waarvan de rechters geen kennis hebben en dat bewijs een doorslaggevende invloed kan hebben op feitelijke vaststellingen in de betrokken strafprocedure.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑10‑2022
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 1), ingetrokken en vervangen bij verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1), zoals gewijzigd.
DV nr. 86 van 28 oktober 2005 (laatste versie: DV nr. 16 van 23 februari 2021).
DV nr. 95 van 21 oktober 1997 (laatste versie: DV nr. 69 van 4 augustus 2020).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB 2016, L 119, blz. 89).
Arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 103).
Zie bijvoorbeeld arresten van 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a. (C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970); 2 oktober 2018, Ministerio Fiscal (C-207/16, EU:C:2018:788); 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791), en 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot gegevens met betrekking tot elektronische communicatie)(C-746/18, EU:C:2021:152).
Arrest van 17 januari 2019, Dzivev e.a. (C-310/16, EU:C:2019:30, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 14 december 1995, Van Schijndel en Van Veen, (C-430/93 en C-431/93, EU:C:1995:441, punt 19).
Zie voor een bespreking van het samenspel tussen het doeltreffendheidsbeginsel en artikel 47 van het Handvest bijvoorbeeld conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Banger(C-89/17, EU:C:2018:225, punten 99–101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arresten van 6 september 2012, Trade Agency(C-619/10, EU:C:2012:531, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 4 juni 2013, ZZ(C-300/11, EU:C:2013:363, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 23 oktober 2014, flyLAL-Lithuanian Airlines (C-302/13, EU:C:2014:2319, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 24 november 2020, Minister van Buitenlandse Zaken (C-225/19 en C-226/19, EU:C:2020:951, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arresten van 6 september 2012, Trade Agency(C-619/10, EU:C:2012:531, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 23 oktober 2014, flyLAL-Lithuanian Airlines (C-302/13, EU:C:2014:2319, punten 51–53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Trade Agency (C-619/10, EU:C:2012:247, punt 89).
Mits bedrijfsgeheimen en persoonlijke of gevoelige informatie onleesbaar worden gemaakt.
EHRM, 11 januari 2022, Ekimdzhiev e.a. tegen Bulgarije (CE:ECHR:2022:0111JUD007007812.
EHRM, 11 januari 2022, Ekimdzhiev e.a. tegen Bulgarije (CE:ECHR:2022:0111JUD007007812, §§ 313–321).
Arresten van 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a. (C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 189 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot gegevens met betrekking tot elektronische communicatie) (C-746/18, EU:C:2021/152, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a. (C-140/20, EU:C:2022:258, punten 110 en 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
EHRM, 15 januari 2015, Dragojević tegen Kroatië, (CE:ECHR:2015:0115JUD006895511, §§ 127 en 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
EHRM, 12 mei 2000, Khan tegen Verenigd Koninkrijk(CE:ECHR:2000:0512JUD003539497, § 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 10 maart 2009, Bykov tegen Rusland (CE:ECHR:2009:0310JUD000437802, §§ 88 en 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan (C-453/99, EU:C:2001:465, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 24 september 2002, Grundig Italiana (C-255/00, EU:C:2002:525, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 223 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arresten van 10 april 2003, Steffensen (C-276/01, EU:C:2003:228, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: ‘zaak Steffensen’), en 17 januari 2019, Dzivev e.a. (C-310/16, EU:C:2019:30, punt 34).
Arresten van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punt 225), en 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot gegevens met betrekking tot elektronische communicatie)(C-746/18, EU:C:2021:152, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Deze regel vindt zijn oorsprong in de rechtspraak van het EHRM over het recht op een eerlijk proces krachtens artikel 6, lid 1, EVRM, in het bijzonder de bescherming van het beginsel van hoor en wederhoor; zie EHRM, 18 maart 1997, Mantovanelli tegen Frankrijk (CE:ECHR:1997:0318JUD002149793; hierna: ‘zaak Mantovanelli’), waarnaar wordt verwezen in het arrest van 10 april 2003, Steffensen (C-276/01, EU:C:2003:228, punt 78), en ook in de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de algemene bewaring van verkeers- en locatiegegevens [arresten van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C-511/18, C-512/18 en C-520/18, EU:C:2020:791, punten 226 en 227), en 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot gegevens met betrekking tot elektronische communicatie) (C-746/18, EU:C:2021:152, punt 44)].
EHRM, 18 maart 1997, Mantovanelli tegen Frankrijk (CE:ECHR:1997:0318JUD002149793, § 36).
C-276/01, EU:C:2003:228, punten 76, 78 en 79. Voor alle duidelijkheid, deze regel bevat drie cumulatieve voorwaarden. Wanneer aan al deze drie voorwaarden is voldaan, moet het bewijs worden uitgesloten. Hieruit volgt echter niet dat een rechter bewijs moet toelaten wanneer niet aan al deze drie voorwaarden is voldaan. Ten slotte is de regel van toepassing ongeacht of het betrokken bewijs op rechtmatige dan wel onrechtmatige wijze is verkregen.
Arresten van 14 februari 2008, Varec (C-450/06, EU:C:2008:91, punt 47); 4 juni 2013, ZZ (C-300/11, EU:C:2013:363, punt 55), en 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot gegevens met betrekking tot elektronische communicatie) (C-746/18, EU:C:2021:152, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17).