NJB 2018/2066:Weigering uitlevering aan Marokko omdat onder meer sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM en het ontbreken van toereikende garanties daartegen: de Hoge Raad herhaalt het toetsingskader inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Justitie en Veiligheid wat betreft een beroep van de opgeëiste persoon op een dreigende en/of voltooide inbreuk op de fundamentele rechten die hem in art. 6 EVRM zijn toegekend. Uitgangspunt is daarbij dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon door de verzoekende Staat de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR, zullen worden gerespecteerd. Dat geldt zowel indien het uitleveringsverzoek is gebaseerd op een (multilateraal of een bilateraal) uitleveringsverdrag in eigenlijke zin als indien het steunt op een verdrag dat is vermeld in het tweede lid van art. 51a Uitleveringswet – zoals het VN Verdrag tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en het Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad – in welk geval op grond van art. 51a lid 3 uitlevering geschiedt met inachtneming van de bepalingen van de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering. I.c. kon de Rechtbank onder meer oordelen dat de door de verzoekende Staat gegeven garantie voor een eerlijk en transparant proces te algemeen en te vaag is om het reële gevaar dat dit niet het geval is te kunnen uitsluiten. De omschreven garantie houdt immers niets in ter afwending van het door de Rechtbank als reëel geoordeelde gevaar dat de verklaringen van de medeverdachten zijn verkregen door handelingen die in strijd zijn met art. 3 EVRM en dat deze zullen worden toegelaten als bewijs in de strafprocedure tegen de opgeëiste persoon