Ontleend aan de — in cassatie onbestreden — rov. 4.2.1 t/m 4.2.12 van 's hofs arrest van 11 juli 2006.
HR, 27-06-2008, nr. C06/292HR
ECLI:NL:HR:2008:BC9348
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
27-06-2008
- Zaaknummer
C06/292HR
- Conclusie
Mr. D.W.F. Verkade
- LJN
BC9348
- Roepnaam
Moerings/Mol
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2008:BC9348, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 27‑06‑2008; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2008:BC9348
ECLI:NL:PHR:2008:BC9348, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑03‑2008
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC9348
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑10‑2006
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2010, 83 met annotatie van J. Hijma
Uitspraak 27‑06‑2008
Inhoudsindicatie
Overeenkomstenrecht. Koop pootaardappelen; non-conformiteit; wanprestatie; in de overeenkomst besloten liggende leveringstermijn; vereiste van ingebrekestelling; blijvende onmogelijkheid tot nakoming. Omvang schadevergoeding; mogelijkheid koper tot exoneratie jegens zijn afnemers; verrassingsbeslissing.
27 juni 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/292HR
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. H.J.A. Knijff,
t e g e n
MOL AGROCOM B.V.,
gevestigd te Den Bommel, gemeente Oost-Flakkee,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Mol.
1. Het geding in feitelijke instanties
Mol heeft bij exploot van 6 februari 2002 [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te Breda en gevorderd, kort gezegd, [eiser] te veroordelen om aan Mol te betalen een bedrag van € 40.707,82, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening en kosten.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na een tussenvonnis van 16 april 2002, bij tweede tussenvonnis van 1 oktober 2002 Mol tot bewijslevering toegelaten, en bij eindvonnis van 31 maart 2004 [eiser] veroordeeld tot betaling van € 26.798,09 en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen de vonnissen van 1 oktober 2002 en 31 maart 2004 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Mol heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij tussenarrest van 11 juli 2006 heeft het hof in het principaal appel [eiser] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands door het hof aangenomen vermoeden dat sprake is van non-conformiteit van de door hem aan Mol geleverde pootaardappelen en bewijs te leveren van zijn stelling dat de non-conformiteit hem niet kan worden toegerekend en iedere verdere beslissing aangehouden. Het hof heeft bij arrest van 19 september 2006 bepaald dat tegen het tussenarrest van 11 juli 2006 tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 11 juli 2006 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Mol heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [eiser] mede door mr. B. Winters, advocaat te Amsterdam, en voor Mol mede door mr. M.S. Goeman, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging van het bestreden arrest in het principaal beroep, en verwerping in het incidentele beroep.
Mr. Winters voornoemd heeft namens [eiser] bij brief van 10 april 2008 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1 tot en met 2.12.
3.2 Nadat de rechtbank de hiervoor onder 1 vermelde vordering van Mol tot een bedrag van € 26.798,09 had toegewezen, heeft het hof bij tussenarrest van 11 juli 2006 op het daartegen door [eiser] ingestelde principaal appel [eiser] toegelaten (a) tegenbewijs te leveren tegen het voorshands door het hof aangenomen vermoeden dat sprake is van non-conformiteit van de door hem aan Mol geleverde pootaardappelen en (b) bewijs te leveren van zijn stelling dat de non-conformiteit hem niet kan worden toegerekend.
3.3.1 In het principaal cassatieberoep wordt onder meer opgekomen tegen de beslissing van het hof in rov. 4.5.9 dat geen ingebrekestelling was vereist voor het doen ontstaan van aansprakelijkheid van [eiser] voor de door Mol (ten gevolge van de non-conformiteit van de pootaardappelen) geleden schade. Daartoe overwoog het hof dat de door Mol gekochte pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst. Daaruit vloeit volgens het hof voort dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst. De aardappelen waren reeds gepoot toen de kiemproblemen werden geconstateerd zodat nakoming blijvend onmogelijk was (art. 6:81 BW). In deze omstandigheden kon de in het verleden liggende tekortkoming door [eiser] niet meer ongedaan worden gemaakt door alsnog na te komen, aldus het hof.
3.3.2 Onderdeel 2 voert hiertegen verschillende klachten aan. De in de onderdelen 2.1 tot 2.3 aangevoerde klachten komen, kort samengevat, hierop neer dat het hof om processuele redenen niet, althans niet zonder [eiser] daarover te horen, mocht beslissen dat geen ingebrekestelling was vereist op de grond dat nakoming door [eiser] blijvend onmogelijk was. Voorzover deze klachten al feitelijke grondslag hebben, falen zij, omdat in het licht van de in de Conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.25-27 opgenomen weergave van het debat van partijen het hof geen gelegenheid behoefde te bieden tot een reactie op hetgeen Mol in het laatste processtuk in het principale appel had gesteld omtrent het hier aan de orde zijnde verweer van [eiser], en geen sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, terwijl het hof niet is getreden buiten de rechtsstrijd van partijen. Wat dit laatste betreft, is van belang dat het hof, ervan uitgaande dat de oorspronkelijke leveranties van pootaardappelen op zichzelf tijdig hadden plaatsgevonden, voorshands heeft geoordeeld dat die oorspronkelijk geleverde pootaardappelen niet aan de overeenkomst beantwoordden, zodat het de - door partijen besproken - vraag had te beantwoorden of daarna nog een ingebrekestelling was vereist.
3.3.3 Het oordeel van het hof dat de door Mol gekochte pootaardappelen "bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst", en dat daaruit voortvloeit "dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst", moet kennelijk aldus verstaan worden dat de overeenkomst een voor de voldoening bepaalde termijn bevatte als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder a, BW. Anders dan onderdeel 2.4 betoogt, is in het licht van de gedingstukken voldoende duidelijk wat het hof onder "tijdige levering" heeft verstaan, namelijk levering op een zodanig tijdstip dat de pootaardappelen zo vroeg in het seizoen gepoot konden worden dat zij voldoende tijd zouden hebben om een normaal te verwachten volwaardige opbrengst te realiseren. Het oordeel van het hof dat de aardappelen reeds gepoot waren toen de kiemproblemen werden geconstateerd "zodat nakoming blijvend onmogelijk was" en dat in deze omstandigheden "de in het verleden liggende tekortkoming door [eiser] niet meer ongedaan [kon] worden gemaakt door alsnog na te komen", moet in het licht van het voorgaande dan ook aldus verstaan worden dat een tijdige levering als bepaald in de overeenkomst niet meer mogelijk was omdat, zoals ook [eiser] op grond van de overeenkomst wist of moest weten, inmiddels het tijdstip was verstreken waarop uiterlijk geleverd (en gepoot) moest worden teneinde nog een volwaardige opbrengst te kunnen realiseren.
Door op grond van dit een en ander te oordelen "dat er geen ingebrekestelling was vereist voor het doen ontstaan van aansprakelijkheid van [eiser] voor de door Mol geleden schade", heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het verzuim in de door het hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden zonder ingebrekestelling is ingetreden. Deze oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk, nu immers
(i) enerzijds de inkoopbevestigingen, waarin de overeenkomsten zijn neergelegd, omtrent de "leveringsperiode" bepalen: "december [2000] in goed overleg" voor de overeenkomst van 14 december 2000, respectievelijk "in overleg voor 15 april [2001]" voor de overeenkomst van 5 april 2001, respectievelijk "in de maand april [2001]" voor de overeenkomsten van 18 en 24 april 2001, en
(ii) anderzijds het hof (in cassatie als zodanig onbestreden) tot uitgangspunt heeft genomen dat de kiemproblemen pas in een zodanig laat stadium werden ontdekt (blijkens rov. 4.5.4 - 4.5.7 in de periode van eind mei tot begin juni 2001) dat geen tijdige levering als bedoeld in de overeenkomst meer kon plaatsvinden teneinde met deugdelijke pootaardappelen alsnog een volwaardige opbrengst te kunnen realiseren.
Op het voorgaande stuiten alle klachten van de onderdelen 2.4-2.7 af.
3.4.1 Onderdeel 4 keert zich tegen rov. 4.5.16, waarin het hof het volgende heeft overwogen:
"Bij de beoordeling van de omvang van de schade dient de vraag te worden beantwoord in hoeverre Mol rechtens gehouden was de door haar betaalde schade te vergoeden (art. 6:95 BW). De vraag of de door Mol en haar contractspartij [betrokkene 1] gehanteerde algemene voorwaarden (de AVP; zie rov. 4.5.1) van toepassing waren op de overeenkomsten waarmee de door [eiser] geleverde aardappelen zijn doorgeleverd, is bij de beantwoording van deze vragen niet van belang nu deze algemene voorwaarden [eiser] - in beginsel - niet regarderen. [Eiser] is immers een derde ten opzichte van die overeenkomsten en [eiser] heeft niet, althans onvoldoende, gesteld dat in de gegeven omstandigheden sprake is van doorwerking van deze voorwaarden te zijner gunste.
Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld (vonnis van 31 maart 2004, rov. 2.5 en 2.6) dat Mol gezien artikel 31 lid 6 AVP niet schadeplichtig was jegens [A] en dus de schade die zij aan [A] heeft vergoed niet op [eiser] kan verhalen. Indien deze schade op grond van artikel 6:98 BW als gevolg van de tekortkoming moet worden aangemerkt, kan deze schade immers op [eiser] worden verhaald. Mitsdien slaagt grief 1 in het incidenteel appel."
3.4.2 Het onderdeel, waaromtrent Mol zich aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd, wordt in zoverre terecht voorgesteld dat het hof weliswaar heeft onderkend dat bij de bepaling van de omvang van de door [eiser] aan Mol te vergoeden schade van belang is in hoeverre Mol rechtens gehouden was tot vergoeding van de schade van (de afnemers van) haar kopers en deze schade daadwerkelijk voor haar rekening heeft genomen, maar vervolgens heeft miskend dat in dit verband mede van belang is of voor Mol en haar kopers de mogelijkheid bestond zich jegens afnemers te beroepen op algemene voorwaarden waarin een beperking van de verplichting tot schadevergoeding is opgenomen. Het onderdeel behoeft voor het overige geen behandeling.
3.5 De in de onderdelen 1, 3 en 5 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's- Hertogenbosch van 11 juli 2006;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Mol in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.301,18 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Mol in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren o. de Savornin Lohman, E.J. Numann, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 27 juni 2008.
Conclusie 28‑03‑2008
Mr. D.W.F. Verkade
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
Mol Agrocom BV
1. Inleiding
1.1.
De partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiser] en Mol.
1.2.
Het geschil vloeit voort uit de levering van pootaardappelen, die door [eiser] aan Mol waren geleverd en vervolgens zijn doorgeleverd, welke aardappelen voorshands ‘niet conform’ geoordeeld zijn. In principaal cassatieberoep is aan de orde of het hof heeft kunnen oordelen
- (1)
dat de door Mol gehanteerde algemene voorwaarden niet van toepassing zijn op de rechtsverhouding tussen [eiser] en Mol,
- (2)
dat geen ingebrekestelling door Mol was vereist,
- (3)
dat een grondslag aanwezig is waardoor Mol van [eiser] vergoeding kan vorderen van door afnemers (en afnemers van afnemers) van Mol bij Mol geclaimde schade,
- (4)
dat de door Mol en diens afnemers gehanteerde aansprakelijkheidsbeperkende algemene voorwaarden [eiser] niet regarderen, en
- (5)
dat Mol niet een schadebeperkingsplicht heeft verzaakt.
De klachten in incidenteel beroep gaan over de toelating van [eiser]
- (1)
tot tegenbewijs m.b.t. de door het hof voorshands aangenomen non-conformiteit en
- (2)
tot bewijs van niet-toerekenbaarheid aan [eiser].
1.3.
De klachten in onderdeel 4 van het principale middel acht ik gegrond. De verdere klachten over en weer leiden m.i. niet tot cassatie.
2. Feiten1.
2.1.
Tussen partijen is een viertal overeenkomsten tot stand gekomen, waarbij Mol van [eiser] pootaardappelen heeft gekocht. Deze overeenkomsten zijn tussen partijen telefonisch tot stand gekomen en nadien door Mol in inkoopbevestigingen bevestigd.
2.2.
Voorafgaand aan de oogst van de door [eiser] geleverde pootaardappelen heeft [eiser] het loof van de aardappelen ‘geklapt’. Als de stengels vervolgens droog zijn, kan het loof worden bespoten met bestrijdingsmiddel teneinde het loof te doden. Omdat het nat weer werd tijdens het klappen van het loof, heeft [eiser] bij de leverancier van het bestrijdingsmiddel advies ingewonnen. Naar aanleiding van dit advies heeft [eiser] de volgende dag — in plaats van enkele uren na het klappen — het loof bespoten met het door deze leverancier aan [eiser] geleverde bestrijdingsmiddel.
2.3.
Op 14 december 2000 kocht Mol van [eiser] 17.050 kg pootaardappelen Bintje A28/35 voor een prijs van f. 62,- per 100 kg en 4.000 kg Bintje pootaardappelen A35/45 voor f. 25,- per 100 kg. Deze aardappelen zijn in december 2000 aan Mol geleverd.
2.4.
Op 5 april 2001 kocht Mol van [eiser] 20.000 kg Bintje pootaardappelen A35/45 voor f. 18,50 per 100 kg.
2.5.
Op 18 april 2001 kocht Mol van [eiser] 10.000 kg Bintje pootaardappelen A35/45 voor f. 17,50 per 100 kg.
2.6.
Op 24 april 2001 kocht Mol van [eiser] 16.000 kg Bintje pootaardappelen A35/45 voor f. 19,- per 100 kg. Deze pootaardappelen zijn tezamen met de onder 2.4 en 2.5 vermelde pootaardappelen in april 2001 aan Mol geleverd.
2.7.
Van de op 14 december 2000 door [eiser] aan Mol verkochte aardappelen heeft Mol 20.000 kg in verpakte vorm doorverkocht aan [A] BV (hierna: [A]) voor export naar Frankrijk. Mol heeft deze op 28 december 2000 aan [A] geleverd. Mol heeft de overige door [eiser] geleverde pootaardappelen aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] doorverkocht. [A], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben vervolgens op hun beurt de door Mo1 geleverde aardappelen doorverkocht. Levering door [eiser] vond steeds plaats vanuit het sorteerbedrijf van [betrokkene 3], alwaar de aardappelen zijn geladen op de specialistische auto's (levering ‘op auto’) van de afnemers van Mol ([A], [betrokkene 1] en [betrokkene 2]).
2.8.
Mol hanteerde in de overeenkomsten met haar afnemers algemene voorwaarden met betrekking tot schade en vervolgschade (prod. 12 conclusie na enquête d.d. 12 november 2003). In art. 48 van deze (‘AVP’)2. voorwaarden is een uitzondering opgenomen voor verborgen gebreken:
- ‘1.
Indien één der partijen met nakoming van haar verplichtingen in gebreke is gebleven, heeft de wederpartij recht op volledige vergoeding van haar eventuele schade, kosten en interessen, waaronder begrepen winstderving.
- 2.
Indien de verborgen gebreken in de geleverde pootaardappelen niet aan verkoper zijn te wijten, is verkoper, in afwijking van het gestelde in lid 1, slechts gehouden tot een schadevergoeding aan koper van ten hoogste de koopprijs, vermeerderd met de eventueel door koper gemaakte kosten.’
2.9.
Nadat de in het geding zijnde pootaardappelen waren gepoot, bleek dat deze onvoldoende kiemden. Dit probleem heeft zich voorgedaan bij voormelde (2.3–2.6) vier partijen pootaardappelen, ongeacht waar deze waren gepoot.
2.10.
In een e-mail van 22 mei 2001 is Mol door [A] op de hoogte gesteld van klachten in Frankrijk betreffende het geleverde pootgoed, welke klachten mogelijk hun oorzaak vonden in een te koude opslag.
[A] heeft vervolgens op 5 juni 2001 een brief met de volgende inhoud aan Mol gezonden:
‘Betr.: Klacht op partij Bintje A28/35 17.000 kg, contr nr.; [betrokkene 4][001] Teler nr. [002]
[Betrokkene 5] van NAK-Agro is woensdag 30 mei j.1. in Frankrijk bij onze klant geweest om de partij in het veld te beoordelen. Hij heeft daar in het veld een opkomst van 5 tot 10% geconstateerd en na inspectie van de poters in de grond. Heeft hij misvormde kiemen geconstateerd, hij beschreef het als een ‘bloemkoolachtige kiem’ die niet meer verder groeit.
Hij meldde dat in Zeeland, door de keurmeester van NAK-Agro, bij de teler op percelen met het zelfde materiaal dezelfde symptomen zijn waargenomen. Er wordt ernstig rekening gehouden met een schade die is ontstaan uit chemische middelen. Van NAK-Agro gaan ze vandaag (05-06) nog enkele percelen inspecteren van dezelfde herkomst.’
2.11.
[Betrokkene 6], hoofdkeurmeester van de Nederlandse Algemene Keuringsdienst (hierna: NAK), heeft een onderzoeksrapport d.d. 11 juni 2001 uitgebracht. Daarin staat:
‘(…) De partij in kwestie is op 3 mei (2001, A-G) los ontvangen en na ontvangst is de partij tijdelijk opgeslagen in kisten bij een pootgoedteler in de directe omgeving. Tijdens ontvangst is de ontvanger niets bijzonders opgevallen. De partij maakte juist een zeer vitale indruk gezien de tijd (begin mei) en voor een partij die gegroeid was op lichtere grond en daardoor een wat donkere kleur had aldus ontvanger. (…)
Tijdens het opgraven van de knollen bleken deze nagenoeg allemaal te kiemen. De spruiten hadden alleen een ‘bloemkoolachtige’ structuur zonder verder uit te groeien. Zeer sporadisch werd een knol waargenomen met normale spruiten. Bij het doorsnijden van de knollen werden geen afwijkingen waargenomen. (…)
Conclusie
De aanvrager meldde dat deze partij bij meerdere telers was uitgeplant. Hierbij hadden ook al enkele ontvangers het besluit genomen om ze over te poten.
Op grond van bovenstaande bevindingen en de informatie van de ondervraagden over de partij kan in alle redelijkheid worden gesteld dat de kiemproblemen van dit pootgoed partijgebonden zijn. De kieming van de knol is op de één of andere manier fysiologisch verstoord waarbij een chemische stof niet kan worden uitgesloten. (…)’
Mol heeft [eiser] van deze onderzoeksresultaten op de hoogte gesteld.
2.12.
Bij brief van 19 juli 2001 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief van Mol d.d. 16 juli 2001 beantwoord en bericht dat [eiser] ontkent dat hij jegens Mol aansprakelijk is voor enige schade.
3. Procesverloop
3.1.
Bij dagvaarding van 6 februari 2002 heeft Mol gevorderd [eiser] te veroordelen tot — samengevat en hier afgezien van gebruikelijke nevenvorderingen — betaling van € 40.707,82.
3.2.
[Eiser] voerde gemotiveerd verweer.
3.3.
Na een bij tussenvonnis van 16 april 2002 gelaste comparitie van partijen, die op 3 juli 2002 plaatsvond, wees de rechtbank op 1 oktober 2002 haar tweede tussenvonnis. De rechtbank stelde vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er bij de in het geding zijnde pootaardappelen sprake is van non-conformiteit, en oordeelde dat deze tekortkoming aan [eiser] toerekenbaar is, tenzij [eiser] het tegendeel zou aantonen. [Eiser] had naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld voor het geven van een desbetreffende bewijsopdracht aan [eiser]. Mol werd bij voormeld vonnis toegelaten te bewijzen welke bedragen aan schadevergoeding zij aan haar afnemers van de in het geding zijnde pootaardappelen heeft betaald en op grond waarvan zij daartoe gehouden was.
3.4.
In het kader van de bewijsopdracht zijn op 15 januari 2003 en 17 juni 2003 in totaal acht getuigen aan de zijde van Mol en op 30 september 2003 drie getuigen aan de zijde van [eiser] gehoord.
3.5.
Na verder debat oordeelde de rechtbank in haar eindvonnis van 31 maart 2004 dat Mol de omvang van de schade alsmede de gehoudenheid tot betaling van een bedrag van € 26.798,09 had bewezen. De rechtbank veroordeelde [eiser]— uitvoerbaar bij voorraad — tot betaling van dat bedrag.
3.6.
Bij exploot van 24 juni 2004 is [eiser] van de vonnissen van 1 oktober 2002 en 31 maart 2004 bij het gerechtshof te 's‑Hertogenbosch in hoger beroep gekomen. Hij voerde zeven grieven aan en vorderde — met gebruikelijke nevenveroordelingen — vernietiging van die vonnissen.
3.7.
Mol heeft de grieven in het principaal appel bestreden en twee incidentele grieven aangevoerd tegen het vonnis van 31 maart 2004, en — met gebruikelijke nevenveroordelingen — vernietiging van dat vonnis en veroordeling van [eiser] tot betaling een bedrag van € 40.707,82 gevorderd.
3.8.
[Eiser] heeft het incidenteel appel bestreden.
3.9.
Bij (tussen-)arrest van 11 juli 2006 heeft het hof in het principaal appel [eiser] toegelaten
- (a)
tegenbewijs te leveren tegen het voorshands door het hof aangenomen vermoeden dat sprake is van non-conformiteit van de door hem aan Mol geleverde pootaardappelen en
- (b)
bewijs te leveren van zijn stelling dat de non-conformiteit hem niet kan worden toegerekend, en iedere verdere beslissing aangehouden.
3.10.
Op verzoek van [eiser] heeft het hof bij arrest van 19 september 2006 bepaald dat tegen het tussenarrest van 11 juli 2006 tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.
3.11.
[Eiser] heeft vervolgens bij exploot van 6 oktober 2006 — dus tijdig — beroep in cassatie ingesteld. Mol heeft bij conclusie van antwoord ten aanzien van onderdeel 4 geconcludeerd tot referte, voor het overige geconcludeerd tot verwerping, en (onvoorwaardelijk) incidenteel beroep ingesteld. [Eiser] heeft bij conclusie van antwoord in incidenteel beroep geconcludeerd tot verwerping.3. Beide partijen hebben hun stellingen schriftelijk doen toelichten, waarna [eiser] nog heeft gerepliceerd.
4. Beoordeling van de klachten in het principale beroep
4.1.
Alvorens tot bespreking van deze klachten over te gaan, merk ik op dat in cassatie op grond van bindende eindbeslissingen van het hof in zijn arrest van 11 juli 2006, die in cassatie niet worden bestreden, vaststaat dat Mol heeft voldaan aan haar klachtplicht in de zin van art. 7:23 lid 1 BW (rov. 4.5.2 t/m 4.5.7).
4.2.
Uit de in het dictum van het arrest neergelegde bewijsopdracht blijkt dat tussen partijen nog in geschil is dat er ter zake van de in het geding zijnde pootaardappelen sprake is van non-conformiteit. Het hof heeft in rov. 4.5.12 voorshands aannemelijk geoordeeld dat sprake is van non-conformiteit van de door [eiser] aan Mol geleverde aardappelen, maar [eiser] toegelaten tot tegenbewijs, alsmede (rov. 4.5.13) tot bewijs van zijn stelling dat de (eventuele) non-conformiteit hem niet kan worden toegerekend.4.
4.3.
De (in 10 punts letter) 40 pagina's omvattende cassatiedagvaarding behelst in vijf hoofdonderdelen en tal van subonderdelen klachten tegen de hierna te citeren rov. 4.5.1, 4.5.9, 4.5.15, 4.5.16 en 4.5.17.
Onderdeel 1: Algemene voorwaarden
4.4.
Onderdeel 1 klaagt over rov. 4.5.1, waarin het hof overwoog:
‘Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de door Mol gehanteerde algemene voorwaarden (prod. 12 conclusie na enquête: AVP) op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing zijn. Bij conclusie van antwoord (punt 30) heeft [eiser] gesteld dat hij ‘de algemene voorwaarden van Mol had vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht’ (art. 6:233 sub b BW). Dit is door Mol bevestigd. [Eiser] stelt echter bij memorie van grieven (punt 5) dat hij alleen de arbitragevoorwaarde en niet ook de overige door Mol gehanteerde algemene voorwaarden heeft vernietigd. Deze stelling wordt door [eiser] echter niet onderbouwd. Uit de conclusie van antwoord blijkt dat [eiser] de door Mol gehanteerde algemene voorwaarden (AVP) heeft vernietigd zodat deze tussen [eiser] en Mol niet van toepassing zijn. Mitsdien faalt grief 1 in het principaal appel.’
4.5.
Met de rechts- en motiveringsklachten in onderdeel 1 wil [eiser] klaarblijkelijk bereiken dat andere bepalingen van de AVP dan het arbitragebeding, en met name het aansprakelijkheidsbeperkende art. 48 lid 2 van de AVP5., tussen partijen wél van toepassing geacht worden. De klachten komen op het volgende neer.
4.5.1.
Onderdeel 1.1 citeert de door het hof bedoelde passage in [eiser]' conclusie van antwoord onder 30, luidende:
‘Mol maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten (inleidende dagvaarding, sub 9). [eiser] betwist echter dat Mol kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand heeft gemaakt. Voorzover [eiser] bekend heeft Mol zich pas tot haar raadsman gewend toen zij had besloten een arbitrageprocedure tegen [eiser] aanhangig te maken. De raadsman van Mol heeft geen preprocessuele werkzaamheden verricht. Hij heeft — zonder vooraankondiging — het verzoekschrift tot arbitrage ingediend en — nadat [eiser] de algemene voorwaarden van Mol had vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht — ingetrokken, en het verzoekschrift vervolgens omgewerkt tot een inleidende dagvaarding. Buitengerechtelijke werkzaamheden die de raadsman van Mol heeft verricht, hebben kortom uitsluitend gestrekt ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de onderhavige procedure. Dat zijn verrichtingen waarvoor de in de art. 237–240 NRv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Zie ook art. 241 Nrv.’
Volgens onderdeel 1.1 blijkt hieruit dat het processuele debat over de vernietiging van de algemene voorwaarden van Mol uitsluitend betrekking had op het daarin opgenomen arbitrale beding, zodat de Rechtbank Breda in rov. 3.1 van het tussenvonnis van 1 oktober 2002 daaraan ten onrechte geheel algemeen de conclusie zou hebben verbonden dat de door Mol gehanteerde AVP niet van toepassing waren op de tussen [eiser] en Mol totstandgekomen (vier) overeenkomsten (hetgeen in [eiser]' conclusie na enquête nog aan de orde gesteld is, maar waarop de Rechtbank in haar eindvonnis d.d. 31 maart 2004 niet meer is ingegaan).
Het onderdeel vervolgt met de weergave van grief I in het door [eiser] ingestelde appel en de toelichting onder 5–8 daarbij, waarin gesteld is dat [eiser] niet verplicht was om onmiddellijk álle algemene voorwaarden van Mol te vernietigen, en dat ook niet gedaan heeft, en met de weergave van een aantal passages (nrs. 11–14) uit de MvA waarin Mol de grief weerspreekt. In nrs. 4.10 en 4.11 zal ik de passages uit de MvG en de MvA nog weergeven.
Omdat, aldus het onderdeel, in de inleidende dagvaarding en in de conclusie van antwoord de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden uitsluitend aan de orde was in het kader van het daarin opgenomen arbitraal beding (met nog verduidelijking nadien in de antwoordconclusie na enquête en de MvG), is 's hofs oordeel dat [eiser] bij CvA (punt 30) heeft gesteld dat hij ‘de algemene voorwaarden van Mol had vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht’ (artikel 6:233 sub b BW), resp. dat uit de CvA blijkt dat [eiser] de door Mol gehanteerde algemene voorwaarden heeft vernietigd zodat deze tussen [eiser] en Mol niet van toepassing zijn, onbegrijpelijk. Volgens het onderdeel laat de conclusie van antwoord op zich beschouwd en/of in het licht van de aangehaalde processtukken geen andere conclusie toe dan dat [eiser] in de CvA heeft gesteld (en heeft bedoeld te stellen), resp. dat daaruit blijkt dat [eiser] slechts het in de algemene voorwaarden van Mol voorkomende arbitrale beding heeft vernietigd.
4.5.2.
Onderdeel 1.2 vervolgt met de klacht dat onbegrijpelijk is 's hofs oordeel in rov. 4.5.1 dat Mol zou hebben bevestigd dat [eiser] de algemene voorwaarden van Mol heeft vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht. Het onderdeel voert daartoe in wezen dezelfde argumenten aan als onderdeel 1.1, alsmede een aan woordenboeken ontleend argument met betrekking tot het woord ‘bevestigen’.
4.5.3.
Onderdeel 1.3 klaagt nog over 's hofs oordeel in (nog steeds) rov. 4.5.1 dat [eiser] zijn stelling bij MvG dat hij alleen de arbitragevoorwaarde en niet ook de overige door Mol gehanteerde algemene voorwaarden heeft vernietigd, niet heeft onderbouwd. In de MvG heeft [eiser] immers — aldus het onderdeel — gesteld dat hij nadat Mol een arbitrageprocedure tegen hem was begonnen op 13 december 2001 de in de algemene voorwaarden van Mol kennelijk opgenomen arbitrageclausule heeft vernietigd, omdat Mol haar algemene voorwaarden niet voorafgaand aan of bij het sluiten van de koopovereenkomsten aan [eiser] ter hand had gesteld (een soortgelijke stelling van [eiser] is opgenomen in de antwoordconclusie na enquête). Niet valt in te zien op welke wijze [eiser] deze stelling (nader) had moeten onderbouwen.
4.6.
Vooropgesteld dient te worden dat de uitleg van processtukken is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Voorzover onderdeel 1 rechtsklachten over 's hofs uitleg bevat, stuiten die hierop af. In cassatie kan die uitleg alleen op (on)-begrijpelijkheid worden getoetst.
4.7.
Ik acht 's hofs lezing niet onbegrijpelijk, en ik wijs daartoe op het volgende, waarbij de (sub-)onderdelen 1.1 t/m 1.3 zich lenen voor goeddeels gezamenlijke behandeling. Ik zal tegelijk met de bespreking van onderdeel 1.1 (kort gezegd: [eiser] heeft slechts partieel vernietigd) en onderdeel 1.2 (kort gezegd: Mol heeft vernietiging van de (niet tot het arbitragebeding beperkte) AVP niet bevestigd), ‘meenemen’ de klacht van onderdeel 1.3 die grieft over 's hofs oordeel dat [eiser] in de MvG de stelling dat hij slechts de arbitragevoorwaarde en niet de overige door Mol gehanteerde algemene voorwaarden heeft vernietigd, niet heeft onderbouwd.
4.8.
Bij de aanvang van het processuele debat heeft Mol bij inleidende dagvaarding (onder 10) gesteld:
‘Hoewel de AVP in de overeenkomst zijn genoemd, heeft [eiser] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van die voorwaarden, omdat die voorwaarden hem niet voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst zijn overhandigd. Mol Agrocom heeft hierin berust. Daarom is niet de Arbitragecommissie AVP, maar uw rechtbank bevoegd kennis te nemen van het geschil.’
De eerste twee volzinnen luiden algemeen, zodat niet onbegrijpelijk is de lezing dat zij slaan op vernietiging van de AVP in hun geheel. De derde volzin duidt op een daaraan ontleende gevolgtrekking, en niet op (interpretatie als, of berusting in) een tot het arbitragebeding beperkte vernietiging.
4.9.
In het hierboven in nr. 4.5.1 volledig geciteerde nr. 30 van [eiser]' conclusie van antwoord is de ten deze centrale passage:
‘Hij [d.w.z. de raadsman van Mol, A-G] heeft — zonder vooraankondiging — het verzoekschrift tot arbitrage ingediend en — nadat [eiser] de algemene voorwaarden van Mol had vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht — ingetrokken, en het verzoekschrift vervolgens omgewerkt tot een inleidende dagvaarding.’
Weliswaar zijn deze stellingen geuit in de context van [eiser]' betwisting van door Mol gevorderde buitengerechtelijke kosten (zie de volledige passage in nr. 4.5.1 hierboven), maar de mededeling over de vernietiging van de algemene voorwaarden luidt niettemin algemeen. Ook in bedoelde context wijst niets op een tot het arbitragebeding beperkte vernietiging, laat staan dat door [eiser] gerept wordt over een ‘vernietiging van het arbitragebeding’, laat staan dat [eiser] een poging doet om een mogelijk misverstand bij Mol c.q. de rechtbank dat er sprake zou zijn van meer dan vernietiging van het arbitragebeding, weg te nemen.
4.10.
Thans bezie ik de door [eiser] in onderdelen 1.1 en 1.3 ingeroepen passages uit de MvG, waarvan het hof in de bestreden rov. 4.5.1 geoordeeld heeft dat [eiser] zijn stelling dat hij alleen de arbitragevoorwaarde en niet ook de overige door Mol gehanteerde algemene voorwaarden heeft vernietigd, niet heeft onderbouwd. Ik permitteer mij een weergave, waarbij ik alinea voor alinea op de ‘onderbouwingskwestie’ zal ingaan.
Het relevante tekstdeel uit de MvG vangt als volgt aan:
‘Grief I
Ten onrechte heeft de Rechtbank Breda in haar tussenvonnis van 1 oktober 2002 (rov. 3.1.) overwogen dat vaststaat dat de algemene voorwaarden van Mol (AVP) tussen partijen niet van toepassing zijn.
Toelichting bij de eerste grief
A. De vernietiging van het arbitragebeding in de algemene voorwaarden van Mol
5.
Met een beroep op het arbitragebeding in haar algemene voorwaarden heeft Mol de vordering tegen [eiser] aanvankelijk aanhangig gemaakt bij het Arbitragebureau Pootaardappelen. Op 13 december 2001 heeft [eiser] het standpunt ingenomen dat Mol haar algemene voorwaarden niet voorafgaand aan of bij het sluiten van de koopovereenkomsten met [eiser] ter hand had gesteld.
Daarom heeft zij de arbitrageclausule die kennelijk in de algemene voorwaarden van Mol voorkomt, vernietigd. Zie in dit verband art. 6:233 sub b jo. art. 6:234 lid 1 BW.’
Enige onderbouwing van het standpunt dat [eiser] slechts het arbitragebeding vernietigd heeft, behoefde het hof hierin niet te lezen. Het enkele (niet nader onderbouwde) gebruik door [eiser] van het woord ‘daarom’ en van het woord ‘arbitrageclausule’ is voor die onderbouwing niet genoegzaam.
De MvG vervolgt:
‘6.
Mol heeft in deze vernietiging berust, de procedure bij het Arbitragebureau ingetrokken en een nieuwe procedure aanhangig gemaakt bij de Rechtbank Breda.’
Ook hierin valt geen onderbouwing in de door het hof bedoelde zin te lezen.
De MvG gaat verder:
‘B. De vernietigbaarheid van de overige algemene voorwaarden van Mol
7.
[eiser] heeft geen andere algemene voorwaarden van Mol vernietigd. Het is de vraag of [eiser] rechtens wel in staat was om algemene voorwaarden te vernietigen waarop Mol (nog) geen beroep had of heeft gedaan; in elk geval begint de verjaringstermijn om een algemene voorwaarde te vernietigen pas te lopen nadat de gebruiker zich op de desbetreffende voorwaarde heeft beroepen (art. 6:235 lid 4 BW). Hoe dat ook zij, [eiser] was niet verplicht om onmiddellijk álle algemene voorwaarden van Mol te vernietigen. Zie HR 17 december 1999, NJ 2000, 140 (Breg/Asper). Dat heeft [eiser] dan ook niet gedaan.
8.
De Rechtbank heeft dus ten onrechte overwogen dat de algemene voorwaarden van Mol niet (niet meer?) tussen partijen van toepassing zijn. Deze algemene voorwaarden zijn wel van toepassing, maar vernietigbaar omdat Mol haar terhandstellingsverplichting heeft verzaakt. Indien Mol zich in haar relatie tot [eiser] op enige algemene voorwaarde beroept, zal [eiser] in overweging nemen of zij de desbetreffende algemene voorwaarde wenst te vernietigen.’
Ook hierin behoefde het hof geen onderbouwing in de door hem bedoelde zin te lezen. De eerste volzin van alinea nr. 7 is een niet onderbouwde stelling. De tweede volzin houdt een vraag zonder antwoord in6., en de derde volzin signaleert terecht het ontbreken van een verplichting om aanstonds álle algemene voorwaarden te vernietigen, maar ontkent niet de bevoegdheid daartoe. Het ‘dan ook’ in de vierde volzin is dus een non sequitur. Dat geldt ook voor alinea 8, waarin geen zelfstandige ‘onderbouwende’ argumenten zijn te lezen.
De stelling in onderdeel 1.3 van het middel dat niet in te zien valt hoe [eiser] (nader) had moeten onderbouwen dan in de MvG (nl.: stellen dat hij nadat Mol een arbitrageprocedure tegen hem was begonnen op 13 december 2001 de in de algemene voorwaarden van Mol kennelijk opgenomen arbitrageclausule heeft vernietigd, omdat Mol haar algemene voorwaarden niet voorafgaand aan of bij het sluiten van de koopovereenkomsten aan [eiser] ter hand had gesteld), maakt op mij geen indruk. [Eiser] had, naar het kennelijke en begrijpelijke oordeel van het hof nadrukkelijk dienen te stellen — en specifiek te bewijzen kunnen/moeten aanbieden — dat hij (uitdrukkelijk, of kennelijk) slechts de arbitrageclausule heeft vernietigd, en (juist) niet de overige bepalingen van de AVP.
4.11.
De door [eiser] in onderdelen 1.1 en 1.2 ingeroepen passages in de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel (hierna ook: MvA/MvG Inc.) kunnen hieraan niet afdoen. Ik veroorloof mij een soortgelijke wijze van becommentariëring als bij de MvG.
De ingeroepen passage uit de MvA/MvG Inc. vangt als volgt aan:
‘11.
Hoewel de AVP in de overeenkomst zijn genoemd, heeft [eiser] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van die voorwaarden, omdat die voorwaarden hem niet voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst zijn overhandigd.
Mol Agrocom heeft hierin berust. Daarom is niet de Arbitragecommissie AVP, maar de gewone rechter bevoegd kennis te nemen van het geschil.’
Het is begrijpelijk dat het hof de eerste en tweede volzin niet in de door [eiser] bedoelde beperkte zin heeft opgevat (als een tegengestelde lezing al niet eerder aannemelijk is). Daarmee motiveer ik tevens de verwerping van het in onderdeel 1.2 ingenomen standpunt, dat onbegrijpelijk zou zijn 's hofs oordeel in rov. 4.5.1 dat Mol zou hebben bevestigd dat [eiser] de algemene voorwaarden van Mol heeft vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht. Ik teken daarbij nog aan dat het hof ook in alinea 10 van de dagvaarding zo'n bevestiging door Mol kon lezen, en dat (buiten hetgeen reeds te licht bevonden is) niets is aangevoerd waaruit zou blijken dat Mol van die bevestiging is teruggekomen.
Mols derde volzin in nr. 11 houdt een (passend) ‘sequitur’ in, en — anders dan [eiser] betoogt — niét een tot de vernietiging van de arbitrageclausule beperkte opstelling.
De MvA/MvG Inc. vervolgt:
‘Ad grief 1
12.
Met grief 1 bestrijdt [eiser] ten onrechte de vaststelling door de rechtbank Breda van het feit dat de AVP niet tussen partijen van toepassing zijn.
13.
In strijd met hetgeen [eiser] stelt, heeft [eiser] wel degelijk in alinea 30 van zijn conclusie van antwoord erkend dat hij de algemene voorwaarden van Mol heeft vernietigd. Alinea 30 conclusie van antwoord:
‘… Hij heeft — zonder vooraankondiging — het verzoekschrift tot arbitrage ingediend en — nadat [eiser] de algemene voorwaarden van Mol had vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht — ingetrokken, en het verzoekschrift vervolgens omgewerkt tot een inleidende dagvaarding.’’
Mijn commentaar op deze passages kan niet in andere zin luiden dan bovenstaand commentaar op alinea 11 van de MvA/MvG Inc.
De MvA/MvG Inc. gaat verder:
‘14.
Ook tijdens de comparitie van partijen is dit aan de orde geweest. Hoewel dit niet in het proces-verbaal van de comparitie is opgenomen, hebben partijen op een daartoe strekkende vraag van de rechter-commissaris, beide aangegeven dat in deze procedure er van moet worden uitgegaan dat de AVP niet op de overeenkomst van toepassing zijn. [Eiser] heeft in de conclusie van antwoord en tijdens de comparitie geen beroep gedaan op de AVP in de relatie Mol-[eiser], maar uitsluitend in de relatie Mol-afnemers van de pootaardappelen. Zo Mol niet in een eerder stadium had mogen begrijpen dat [eiser] met de vernietiging beoogde de AVP in haar geheel te vernietigen, dan mocht Mol dit in ieder geval wel zo begrijpen na ontvangst van de conclusie van antwoord en hetgeen [eiser] hieromtrent tijdens de comparitie heeft gesteld. [Eiser] kan hier nu niet meer op terugkomen en als het ware de AVP laten ‘herleven’.’
Ook deze alinea 14 van de MvA/MvG Inc. geeft geen enkele steun aan het in het onderdeel bedoelde standpunt, integendeel.
4.12.
De in onderdeel 1.2 bedoelde citaten uit woordenboeken met betrekking tot het woord ‘bevestigen’ (blz. 9 onderaan van de cassatiedagvaarding) kunnen hieraan niet afdoen. Wat er van de daar bedoelde grammaticale betekenis zij, klaarblijkelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof bedoeld te zeggen dat Mol bevestigd heeft dat zij de vernietiging door [eiser] heeft opgevat (en volgens 's hof begrijpelijke oordeel mocht opvatten) als een vernietiging van de AVP in hun geheel.
4.13.
Aan het vorenstaande kan niet afdoen de door [eiser] in het onderdeel ingeroepen nrs. 8 en 9 bij antwoordconclusie na enquête in prima (zie pag. 4 van de cassatiedagvaarding), nu het hof (ook) daarin geen nadere onderbouwing behoefde te lezen.
4.14.
Aan het vorenstaande kan ook niet afdoen de door [eiser] in cassatie ‘ad informandum’ overgelegde brief van mr. Van Schaick (de advocaat van [eiser]) aan mr. Bijloo (de advocaat van Mol) d.d. 13 december 2001, nu die brief noch aan de rechtbank, noch aan het hof bekend was.
4.15.
Per saldo probeert onderdeel 1 van het cassatiemiddel met wijsheid-achteraf en speurzin-achteraf accenten te leggen die in de feitelijke instanties niet gelegd zijn, of niet als zodanig onderkend behoefden te worden. Onderdeel 1 faalt dus.
Onderdeel 2: Ingebrekestelling
4.16.
Onderdeel 2 richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 4.5.9, waarin het hof overwoog:
‘4.5.9
Bij de vraag of in het onderhavige geval een ingebrekestelling was vereist, is van belang dat de door Mol gekochte pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst. Daaruit vloeit voort dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst. De aardappelen waren reeds gepoot toen de kiemproblemen werden geconstateerd zodat nakoming blijvend onmogelijk was (art. 6:81 BW). In deze omstandigheden kon de in het verleden liggende tekortkoming door [eiser] niet meer ongedaan worden gemaakt door alsnog na te komen. De conclusie luidt dat er geen ingebrekestelling was vereist voor het doen ontstaan van aansprakelijkheid van [eiser] voor de door Mol (ten gevolge van de non-conformiteit van de pootaardappelen) geleden schade. Mitsdien faalt grief 5 in het principaal appel.’
4.17.
De tegen dit oordeel gerichte zeven (sub-)onderdelen laten zich als volgt kort aanduiden.
De onderdelen 2.1–2.3 bevatten processuele klachten. Volgens onderdeel 2.1 heeft het hof de ten deze door Mol bij MvA/MvG Inc. nrs. 43–47 ingenomen stelling gegrond bevonden zonder [eiser] daarover te horen. Onderdeel 2.2 borduurt hierop voort door 's hofs oordeel aan te vechten als een ‘verrassingsbeslissing’, terwijl volgens onderdeel 2.3 het hof ambtshalve feiten heeft bijgebracht en/of buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden.
Onderdeel 2.4 klaagt dat het hof niet voldoende duidelijk maakt wat onder ‘tijdige levering’ moet worden verstaan.
De onderdelen 2.5–2.7 bestrijden, vanuit verschillende invalshoeken, 's hofs oordeel dat de in het verleden liggende tekortkoming door [eiser] niet meer ongedaan kon worden gemaakt door alsnog na te komen. Volgens onderdelen 2.5 en 2.7 was er nog (genoeg) tijd voor deugdelijke levering door [eiser], die na ingebrekestelling alsnog deugdelijke pootaardappelen had kunnen leveren. Volgens onderdeel 2.6.1 staat een verminderde meeropbrengst door overpoten er niet aan in de weg dat [eiser] (afgezien van geringere opbrengst door korte kiemtijd) nog had kunnen nakomen door van zijn kant die over te poten aardappels te leveren. Volgens onderdeel 2.6.2 was in elk geval een ingebrekestelling vereist om [eiser] aansprakelijk te kunnen houden voor schade doordat [eiser] niet onmiddellijk deugdelijke pootaardappels had geleverd.
4.18.
Alvorens deze klachten te bespreken, geef ik in nrs. 4.19–4.22 het materieel-wettelijke kader aan, en de daardoor (en door het middel) geïndiceerde behandeling van de klachten.
4.19.
Artikel 6:74 BW luidt:
- ‘1.
Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
- 2.
Voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, vindt lid 1 slechts toepassing met inachtneming van hetgeen is bepaald in de tweede paragraaf betreffende het verzuim van de schuldenaar.’
In de tweede paragraaf van afd. 9 van titel 1 van boek 6 BW (art. 6:81–6:87) bepalen art. 6:81–6:83:
‘Art. 6:81. De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.
Art. 6:82.
- 1.
Het verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.
- 2.
Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld.
Art. 6:83. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:
- a.
[…]
- b.
[…]
- c.
wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.’
4.20.
Ten aanzien van het criterium ‘reeds blijvend onmogelijk’ in art. 6:74 lid 2 BW, heeft uw Raad in HR 4 februari 2000, NJ 2000, 258 (Kinheim/Pelders), in rov. 3.6 overwogen (cursivering toegevoegd):
‘[…] Indien een schuldenaar aanvankelijk een ondeugdelijke prestatie heeft geleverd doch deze vatbaar is voor herstel door alsnog een deugdelijke prestatie te leveren of het gebrek in de geleverde prestatie te herstellen, en van de schuldeiser gevergd kan worden dat hij de schuldenaar daartoe in de gelegenheid stelt, zal verzuim te dien aanzien in beginsel pas intreden nadat de schuldeiser de schuldenaar op de voet van art. 6:82 lid 1 BW de gelegenheid tot herstel heeft gegeven.
Wanneer evenwel de schuldenaar die ondeugdelijk heeft gepresteerd, nog de gelegenheid heeft alsnog deugdelijk na te komen, bestaat de mogelijkheid dat de schuldeiser ten gevolge van het gebrek in de aanvankelijk geleverde prestatie schade heeft geleden die hij niet zou hebben geleden indien aanstonds deugdelijk was gepresteerd, en die niet door de vervangende prestatie wordt weggenomen. In zoverre is de tekortkoming dan niet voor herstel vatbaar en is de nakoming blijvend onmogelijk in de zin van art. 6:74 en art. 6:81.
Onderdeel 5 is gericht tegen 's Hofs afwijzing van grief VI, welke grief VI zich beriep op het zich voordoen van schade als bedoeld in de vorige alinea. Het Hof heeft die afwijzing gegrond op de overwegingen dat een bespreking van de desbetreffende schadeposten eerst aan de orde komt indien is komen vast te staan dat Pelders wanprestatie heeft gepleegd, en dat het Hof niet toekomt aan de vraag of dat het geval is geweest, aangezien Pelders niet in verzuim is geraakt wegens het ontbreken van een deugdelijke ingebrekestelling. Het onderdeel klaagt onder meer dat het Hof daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Uit het hiervoor overwogene volgt dat deze klacht doel treft.’
4.21.
Onderdeel 2 betwist niet 's hofs voorlopige oordeel dat er in casu sprake was van tekortkoming van [eiser] in de nakoming van een verbintenis (non-conformiteit van de geleverde pootaardappels). Voor de vraag of — uitgaande van die tekortkoming — een ingebrekestelling zijdens Mol nodig was, komt het er in het licht van het vorenstaande, met name de aangehaalde rov. 3.6 van HR 4 februari 2000, NJ 2000, 258 (Kinheim/Pelders), dus op aan of Mol ten gevolge van het gebrek in de aanvankelijk geleverde prestatie schade heeft geleden die hij niet zou hebben geleden indien aanstonds deugdelijk was gepresteerd, en die niet door de vervangende prestatie wordt weggenomen7..
4.22.
Dienaangaande heeft het hof in rov. 4.5.9 geoordeeld dat de pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst; dat daaruit voortvloeit dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst; en dat de aardappelen reeds waren gepoot toen de kiemproblemen werden geconstateerd, zodat nakoming blijvend onmogelijk was. Een onderscheid tussen verschillende schadeposten — zoals bedoeld in de zaak Kinheim/Pelders — maakt het hof hier niet.
In de opbouw van onderdeel 2 komt een klacht over miskenning van dat onderscheid echter pas aan de orde bij (sub-)onderdelen 2.5 e.v.; zie hierna nr. 4.34 e.v. Bij de nu eerst te bespreken (sub-)onderdelen 2.1–2.4 is dat onderscheid nog niet aan de orde.
4.23.
Onderdeel 2.1 bestrijdt, samengevat, met rechts- en motiveringsklachten dat het hof het desbetreffende door Mol eerst bij MvA/MvG Inc. nrs. 43–47 gevoerde verweer gegrond heeft bevonden en/of als onweersproken heeft aangemerkt zonder [eiser] eerst de gelegenheid te hebben geboden zich daarover uit te laten, nu dit verweer was voorgedragen in het laatste processtuk in het principale appel waarop [eiser] (appellant in het principaal appel) niet meer heeft gereageerd. De omstandigheid dat het principale appel is gevolgd door een incidenteel appel van de zijde van Mol, doet hieraan niet af. Van [eiser] kon ook niet worden verlangd dat hij een akte nam in het principale appel of dat hij pleidooi vroeg (uitsluitend) om het door Mol eerst bij MvA in principaal appel naar voren gebrachte verweer te bestrijden.
4.24.
Op zichzelf is juist dat in de regel een reactie op een nieuw feitelijk verweer bij MvA in een principaal appel niet bij MvA in incidenteel appel, of bij akte, of door het vragen van pleidooi behoeft te worden bestreden, en dus niet als onbestreden mag gelden; en dat het hof, indien het zodanig verweer relevant acht, daartoe alsnog op andere wijze gelegenheid dient te geven.8.
De vraag is evenwel of die situatie zich in casu voordoet.
4.25.
Bij inleidende dagvaarding heeft Mol gesteld (onder 6) dat de door [eiser] geleverde pootaardappelen niet opkwamen, en (onder 8):
‘[…] Mol Agrocom is aangesproken door haar afnemers en [eiser] is aansprakelijk voor die schade. De akkerbouwers moesten opnieuw de grond bewerken en nieuwe pootaardappelen kopen. Vervolgens moesten zij opnieuw poten. Hieraan zijn kosten verbonden. Daarnaast derfden zij inkomsten, omdat de teelt een aantal weken later is aangevangen, waardoor de aardappelen minder lang konden groeien en minder kilo's hebben gevormd. […]’
4.26.
Bij CvA heeft [eiser] ampel verweer gevoerd, en daarbij (anders dan het onderdeel aangeeft) in de nrs. 24–25 tevens gesteld dat nakoming niet blijvend onmogelijk was, en dat hier niet in gebreke was gesteld, een en ander onder verwijzing naar art. 6:74 lid 2 en 6:82–83 BW.
Bij MvG heeft [eiser] (zonder dat het onderdeel dat aangeeft) in grief 5 aan de rechtbank verweten dat deze in rov. 3.6 ten onrechte had overwogen ‘dat [eiser] ten onrechte stelt dat Mol hem in gebreke had moeten stellen omdat [eiser] in verzuim is geraakt op de voet van art. 6:83 sub c BW’.
In de toelichting onder nrs. 26 en 27 van de MvG is — onder meer — nog gesteld:
‘26.
[…] Een ingebrekestelling in de zin van art. 6:82 BW, waarin [eiser] een redelijke termijn werd gesteld om de overeenkomsten alsnog deugdelijk na te komen, heeft [eiser] nooit ontvangen, dus niet in maart 2001 — toen Mol zelf bekend werd met gebreken aan de pootaardappelen —, niet in juni 2001 — toen Mol zich over de gebreken beklaagde — en ook niet daarna.
27.
Omdat Mol [eiser] niet in gebreke heeft gesteld, is [eiser] niet in verzuim geraakt. Ook om deze reden kan [eiser] niet aansprakelijk zijn voor de pretense schade van Mol.’
4.27.
Hierop heeft Mol (dus) bij MvA/MvG Inc. gereageerd. In nr. 41 citeert Mol een brief van de raadsman van [eiser], eindigend in een ontkenning van aansprakelijkheid voor enige schade. In nr. 42 leidt Mol daaruit af dat de rechtbank hieraan terecht het gevolg van art. 6:83 sub c heeft verbonden. In nr. 43 e.v. wijst Mol erop dat ingebrekestelling evenmin nodig was ingevolge het bepaalde in art. 6:81 BW, met, zakelijk gezien, herhaling van de stelling uit de dagvaarding onder 8 (zie hierboven nr. 4.25) dat de reeds gepote aardappelen niet opkwamen, dat de akkerbouwers opnieuw moesten poten en voorts inkomsten derfden omdat de aardappelen door dit later poten minder konden groeien.
4.28.
Tegen deze achtergrond bezien, meen ik dat onderdeel 2.1 faalt. Dat de door Mol gekochte pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst, is door Mol niet eerst bij MvA/MvG Inc. gesteld, maar ligt — niet mis te verstaan — besloten in Mols reeds in de dagvaarding opgenomen grondslagen voor de geclaimde schadevergoeding, hetgeen [eiser] blijkens de in nr. 4.26 aangehaalde passages uit de CvA en de MvG ook begrepen heeft.
4.29.
Onderdeel 2.2 citeert het hierboven (in nr. 4.25) door mij reeds aangehaalde nr. 8 van de inleidende dagvaarding, en voorts nr. 4 van Mols conclusie na enquête. Het onderdeel, dat nog naar vergelijkbare stellingnamen van Mol in verdere processtukken verwijst, poneert met rechts- en motiveringsklachten dat indien en voor zover 's hofs beslissing in rov. 4.5.9 dat geen ingebrekestelling was vereist omdat nakoming door [eiser] blijvend onmogelijk was, (mede) is gebaseerd op de bovengenoemde passages in de gedingstukken — erop neerkomende dat de akkerbouwers het gebrekkige pootgoed hadden gepoot, de grond opnieuw moesten bewerken, opnieuw pootaardappelen moesten poten en door dit tijdsverlies minder lang van het groeiseizoen hebben kunnen profiteren waardoor zij minder kilo's hebben geoogst — het hof miskend heeft dat die passages slechts in het kader van — kort gezegd — (de vraag naar) de schade die [eiser] aan Mol zou moeten vergoeden, naar voren zijn gebracht en dat [eiser] er niet op bedacht behoefde te zijn dat het hof die passages (mede) ten grondslag zou leggen aan zijn in rechtsoverweging 4.5.9 opgenomen geheel andere beslissing dat geen ingebrekestelling was vereist omdat nakoming door [eiser] blijvend onmogelijk was. Het hof zou [eiser] aldus voor een ontoelaatbare verrassing hebben gesteld.
4.30.
Onderdeel 2.3 verwijt met rechts- en motiveringsklachten het hof dat het bij zijn ook in onderdelen 2.1 en 2.2 bestreden oordeel in rov. 4.5.9 buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen is getreden, nu
- (a)
geen van beide partijen ten processe gesteld heeft dat tijdige levering deel uitmaakte van de tussen partijen gesloten overeenkomst(en);
- (b)
uit de gedingstukken niet blijkt dat partijen van mening verschilden over de uitleg ten deze van die overeenkomst(en);
- (c)
partijen ten processe daarover (dan ook) niet gedebatteerd hebben; en
- (d)
uit (de bewoordingen van) die overeenkomst(en) (op zich) niet blijkt dat tijdige levering daarvan deel uitmaakte.
Het onderdeel geeft de als prod. 1 bij inleidende dagvaarding overgelegde inkoopbevestigingen weer.
4.31.
Ik meen dat onderdelen 2.2 en 2.3 het lot van onderdeel 2.1 moeten delen.
De stelling dat de in onderdeel 2.2 bedoelde passages slechts in het kader van de vraag naar de schade die [eiser] aan Mol zou moeten vergoeden naar voren zijn gebracht, ontbeert m.i. feitelijke grondslag. Mijn argumenten (in nrs. 4.25–4.28) waarom bij de bespreking van onderdeel 2.1 enerzijds geen sprake was van miskenning van [eiser]' recht op wederhoor gelden m.i., ontdaan van mandarinisme, ook hier.
Onderdeel 2.3 verliest uit het oog dat het er — in de context van het partijdebat in de feitelijke instanties — bij de beoordeling door het hof niét om ging of de initiële leveranties door [eiser] tijdig waren. Over die tijdigheid bestaat geen onenigheid. Het debat, en 's hofs beoordeling gingen over het gevolg van de omstandigheid dat deze initieel geleverde pootaardappelen die (over en weer onbestreden) met het oog op een maximale opbrengst uiteraard (over en weer onbestreden) op een daartoe gunstig tijdstip moesten worden gepoot en ook waren gepoot, naar 's hofs voorlopige oordeel non-conform bleken: dus over de vraag of na het blijken dáárvan een ingebrekestelling zou zijn vereist.
Het onderdeel mist dus feitelijke grondslag. Voorts meen ik dat ook hier de in nrs. 4.25–4.28 neergelegde argumenten opgaan.
4.32.
Onderdeel 2.4 klaagt vervolgens dat het hof — in nog steeds rov. 4.5.9 — niet genoegzaam duidelijk gemaakt zou hebben wat verstaan moet worden onder ‘tijdige levering’, ‘waardoor de pootaardappelen op een dusdanig tijdstip konden worden gepoot dat zij voldoende tijd hadden om te ontkiemen hetgeen ten goede komt aan de opbrengst’. Het onderdeel wijst erop dat de overeengekomen en nageleefde data voor aflevering in de inkoopbevestigingen vóór de aanvang van het poten van de aardappelen in mei 2001 liggen.
4.33.
Het onderdeel faalt om dezelfde redenen als (deels met verwijzingen) aangegeven in nr. 4.31, derde alinea.
4.34.
Onderdeel 2.5 legt zich voor het anker dat rov. 4.5.9 (wellicht) aldus gelezen zou moeten worden dat een ingebrekestelling niet was vereist, omdat de verplichting van [eiser] om deugdelijke pootaardappelen aan Mol te leveren slechts kon worden nagekomen binnen zekere tijd, die [eiser] voorbij heeft laten gaan. Het onderdeel voert daartoe aan dat alle (indirecte) afnemers van Mol de pootaardappelen die van [eiser] afkomstig waren, hebben overgepoot met pootaardappelen die van derden afkomstig waren. Het onderdeel wil daaruit afleiden dat het hof heeft miskend of zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk heeft geoordeeld dat en waarom zich in casu niet het geval voordoet dat [eiser] slechts binnen zekere tijd aan zijn verplichting om deugdelijke pootaardappelen te leveren, kon voldoen; althans die zekere tijd nog niet was verstreken toen de kiemproblemen ten aanzien van de door [eiser] aan Mol geleverde pootaardappelen zich manifesteerden.
4.35.
Dit onderdeel geeft — evenals onderdeel 2.6.1 — aanleiding om over te gaan tot de in nr. 4.22 in het vooruitzicht gestelde bespreking van de vraag of het hof in rov. 4.5.9 de in HR 4 februari 2000, NJ 2000, 258 (Kinheim/Pelders) aangegeven onderscheiding van schadeposten ten aanzien waarvan wél of niét een ingebrekestelling vereist is, in het oog gehouden heeft. Ik meen, enerzijds, dat het hof dat onderscheid miskend heeft, maar ik zal anderzijds aangeven dat [eiser] bij zijn klachten dienaangaande m.i. geen belang heeft.
4.36.
In deze zaak zijn de volgende schadecomponenten aan de orde:
- (i)
opnieuw de grond bewerken9.,
- (ii)
opnieuw poten,
- (iii)
inkomstenderving door later aangevangen teelt, waardoor de aardappelen minder lang konden groeien en minder kilo's hebben gevormd.
- (iv)
: nieuwe pootaardappelen kopen (bij derden).
4.37.
Eerst ga ik nader in op de posten onder (i) t/m (iii). Dat de door Mol gekochte pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst, ligt, zoals aangegeven bij de bespreking van eerdere middelonderdelen, besloten in Mols reeds in de dagvaarding opgenomen grondslagen voor de geclaimde schadevergoeding. De gevolgtrekking dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst, ligt daarin uiteraard besloten. Dat de aardappelen reeds waren gepoot toen de kiemproblemen werden geconstateerd, was evenzeer reeds vanaf de aanvang van het processuele debat aan de orde, en dat ten aanzien van de genoemde posten nakoming blijvend onmogelijk was (in de zin van art. 6:81 BW) vloeit daaruit als vanzelfsprekend voort (m.i. ook in die zin, dat de rechter daarop art. 25 Rv. kon/kan toepassen). Hetzelfde geldt voor 's hofs oordeel dat ten aanzien van deze posten (i) t/m (iii) ingevolge deze omstandigheden de in het verleden liggende tekortkoming door [eiser] niet meer ongedaan kon worden gemaakt door alsnog (conform) na te komen, en — dus — voor 's hofs conclusie dat er geen ingebrekestelling vereist was. Voor zover onderdeel 2.5 daarover klaagt, faalt het dus.
4.38.
Bij de beantwoording van de vraag of het vorengaande ook geldt voor schadepost (iv): de kosten van de aankoop van nieuwe pootaardappelen kan — bij gebreke van enige andersluidende stellingname van partijen in processtukken, laat staan in de cassatieklachten — het volgende vooropgesteld worden:
- (a)
Mol heeft geen ontbinding van de vier overeenkomsten met [eiser], en geen terugbetaling van het ingevolge die overeenkomsten aan [eiser] betaalde (c.q. ontslag van een betalingsverplichting) gevorderd;
- (b)
er kan dus van uitgegaan worden dat [eiser] voor de geleverde aardappelen betaald is (er was ook geen reconventionele vordering van [eiser] terzake).
4.39.
Het enige belang van deze klacht van [eiser], die erop neerkomt dat hij door het niet in gebreke stellen, ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld is nieuwe — vervangende — pootaardappelen te leveren, zou zijn: het eventuele prijsverschil tussen de bij derden op de pootaardappelenmarkt (bij andere verkopers dan [eiser]) ingekochte aardappelen, en de prijs waarvoor [eiser] zelf de — naar het uitgangspunt van het onderdeel — ondeugdelijke pootaardappelen heeft verkocht.
4.40.
Een dergelijk belang is geheel onaannemelijk (en het is, hoewel dat op zijn weg zou liggen, ook niet door [eiser] gesteld, noch in de feitelijke instanties, noch in cassatie). Immers: als de marktprijzen inmiddels gedaald waren, is [eiser] ten deze per saldo beter af, omdat hij voor het (wegens ondeugdelijkheid na ingebrekestelling ‘gratis’ te vervangen) deugdelijke — maar door Mol niet via ingebrekestelling verlangde — product tevoren de hogere marktprijs had ontvangen.
Als, omgekeerd, de marktprijzen gelijk waren of gestegen waren, is [eiser] niet slechter af, omdat [eiser] de ter vervanging van de ondeugdelijke aardappelen alsnog te leveren aardappelen — waarvoor hij, in zijn eigen visie, door Mol uiteraard niet nader betaald zou worden —, op de pootaardappelenmarkt voor dezelfde prijs aan derden kon verkopen. Het verschil komt dan dus uit op 0.
4.41.
Onderdeel 2.6.1 komt, in een subsidiaire stellingname, erop neer dat het ontbreken van een ingebrekestelling in elk geval ertoe zou moeten leiden dat niet voor schadevergoeding in aanmerking komt de door Mol geclaimde aanschafprijs van het nieuwe pootgoed.
Ook dit onderdeel faalt — op de gronden die ik daartoe in nrs. 4.38–4.40 heb aangegeven — bij gebrek aan belang.
4.42.
Onderdeel 2.6.2, waarin ik geen nieuw licht kan ontwaren, moet het lot van de eerdere desbetreffende klachten delen.
4.43.
Hetzelfde geldt voor onderdeel 2.7.
Onderdeel 3: Rechtsverhouding gelaedeerde derden
4.44.
Onderdeel 3 klaagt over rov. 4.5.15, waarin het hof overwoog:
‘[eiser] stelt dat Mol jegens de afnemers van haar contractspartijen, te weten [betrokkene 7 t/m 9], niet aansprakelijk is omdat zij geen contractuele relatie met Mol hebben en Mol jegens deze afnemers niet uit hoofde van een onrechtmatige daad aansprakelijk is of kan zijn. In beginsel kan Mol alleen vergoeding vorderen van de door haar geleden schade. Er is in dezen echter sprake van een situatie waarin [eiser] op voorhand ervan op de hoogte was dat de door Mol gekochte aardappelen bestemd waren om te worden doorgeleverd. De contractspartijen van Mol hebben de aardappelen doorgeleverd aan hun eigen afnemers (derden). Tussen Mol en deze derden bestaat een rechtsverhouding krachtens welke Mol (binnen de door art. 6:98 BW getrokken grenzen) gehouden is de schade die deze derden als gevolg van de non-conformiteit van de aardappelen hebben geleden, te vergoeden. Het enkele feit dat de afnemers van de contractspartijen van Mol — en niet de contractspartijen zelf — uiteindelijk de aardappelen hebben gepoot, is op de schadevergoedingsplicht van Mol niet van invloed. Mol kan voormelde schade dan ook van [eiser] vorderen. Grief 7 in het principaal appel faalt in zoverre.’
4.45.
Het onderdeel moet gelezen worden tegen de volgende achtergrond. [Eiser] heeft de pootaardappelen geleverd aan Mol, die ze heeft verkocht aan contractpartijen, welke contractpartijen vervolgens (mogelijk via nog meer schakels) de aardappelen uit deze leveranties verder hebben doorverkocht aan de uiteindelijke aardappelpoters, die schade hebben geleden. De door Mol van [eiser] gevorderde schadevergoeding omvat claims van zulke uiteindelijke poters.
4.46.
Het onderdeel is verdeeld in een aantal (sub-)onderdelen. Kort samengevat komen deze op het volgende neer.
Onderdeel 3.1 — betrekking hebbend op, kort gezegd, de schadeposten ‘[betrokkene 7]10.’, ‘[betrokkene 8]’ en ‘[betrokkene 9]’— klaagt dat het hof in weerwil van [eiser]' andersluidend verweer, niets heeft overwogen omtrent een contractuele dan wel buitencontractuele rechtsverhouding tussen Mol en deze derden (afnemers van de contractpartijen van Mol), laat staan over de inhoud daarvan, die volgens het hof niettemin meebrengt dat Mol gehouden is aan die derden hun schade te vergoeden die zij hebben geleden als gevolg van de non-conformiteit van de pootaardappelen. Het onderdeel klaagt dat aldus niet is na te gaan of het hof al dan niet is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. Het onderdeel verwijst naar vindplaatsen waarin [eiser] erop gewezen heeft dat Mol met deze afnemers van de contractpartijen van Mol geen contractuele relatie heeft, en dat Mol jegens deze derden-afnemers niet uit hoofde van een (toerekenbare) onrechtmatige daad aansprakelijk is of kan zijn.11.
Volgens onderdeel 3.2 heeft het hof miskend dat in een geval als het onderhavige — met levering door Mol van non-conforme pootaardappelen aan haar contractuele wederpartijen die deze pootaardappelen hebben doorgeleverd aan hun afnemers — er slechts onder (bijzondere) omstandigheden een rechtsverhouding kan ontstaan tussen de leverancier (Mol) van een non-conform product en de afnemers van de contractuele wederpartijen van die leverancier op grond waarvan de leverancier aan die afnemers de schade ten gevolg van de non-conformiteit moet vergoeden. Het onderdeel somt een aantal (mogelijk) door het hof in aanmerking genomen, maar daartoe ongenoegzame omstandigheden op. Dat geldt onder meer voor de omstandigheid dat [eiser] op voorhand ervan op de hoogte was dat de door Mol gekochte aardappelen bestemd waren om te worden doorgeleverd.
Onderdeel 3.3 acht het in aanmerking nemen door het hof van laatstbedoelde omstandigheid onbegrijpelijk, omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk is wat het hof verstaat onder ‘op voorhand’. Indien dit aldus zou moeten worden begrepen dat [eiser] er ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten met Mol van op de hoogte was dat de door Mol gekochte (poot)aardappelen waren bestemd om te worden doorgeleverd, heeft het hof ambtshalve feiten bijgebracht en/of is hij buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden.
Onderdeel 3.4 richt zich tegen de deeloverweging dat het enkele feit dat de afnemers van de contractpartijen van Mol, en niet de contractpartijen zelf, uiteindelijk de aardappelen hebben gepoot, niet van invloed is op de schadevergoedingsplicht van Mol. Het onderdeel herhaalt — met uitwerkingen — in wezen de klacht van onderdeel 3.2.
4.47.
Bij de beoordeling van onderdeel 3 (en onderdelen 4 en 5) moet vooropgesteld worden dat het hof in rov. 4.5.15 (en rov. 4.5.16 en 4.5.17) weliswaar eindbeslissingen heeft gegeven, maar dat in rov. 4.5.14 en rov. 4.5.18 de betekenis daarvan voor de onderhavige zaak aan voorwaarden respectievelijk modaliteiten is gebonden.
T.a.p. overwoog het hof:
‘4.5.14
Eerst indien komt vast te staan dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming (en daarmee aansprakelijkheid) aan de zijde van [eiser], ligt de omvang van de schade ter beoordeling door het hof voor. Het hof overweegt ten aanzien van de in dat kader opgeworpen grieven reeds nu als volgt.’
alsmede:
‘4.5.18
Eerst zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren (rov. 4.5.12 en 4.5.13). Wanneer [eiser] in deze bewijslevering niet slaagt, zal het hof beoordelen:
- a.
of Mol de door haar gevorderde schade voldoende heeft onderbouwd, en zo nee, welke schade zij nog nader (met bewijsstukken etc.) dient te onderbouwen;
- b.
of Mol voldoende heeft aangetoond dat zij de door haar gevorderde schade daadwerkelijk heeft vergoed, en zo nee, welke schade zij op dat punt nog nader dient te onderbouwen.
Alsdan zal het hof voorts Mol — gezien haar bewijsaanbod — toelaten te bewijzen dat de door haar gevorderde schade in zodanig verband staat met de toerekenbare tekortkoming van [eiser] dat de schade [eiser] kan worden toegerekend (art. 6:98 BW).’
Rov. 4.5.14 brengt, gelet op rov. 4.5.12–4.5.13 en het dictum van het arrest, mee dat de rov. 4.5.15–4.5.17 uitgaan van 's hofs vooralsnog hypothetische veronderstelling dat [eiser] niet slaagt in het tegenbewijs dat de aan Mol geleverde pootaardappelen non-conform waren, noch slaagt in het bewijs dat de non-conformiteit hem niet kan worden toegerekend. Anders gezegd: de hypothese dat uitgegaan moet worden van non-conformiteit (en van toerekenbaarheid aan [eiser]).
Ook als die hypothese uitkomt, is Mol er nog niet, zo blijkt uit rov. 4.5.18. (Pas) dan zal het hof beoordelen of Mol de door haar gevorderde schade voldoende heeft onderbouwd, respectievelijk welke schade zij nog nader dient te onderbouwen; en of zij de door haar gevorderde schade ook daadwerkelijk (aan de (eind-)afnemers) heeft vergoed, respectievelijk welke schade zij op dat punt nog nader dient te onderbouwen. Bovendien dient Mol nog te bewijzen dat de door haar gevorderde schade in zodanig verband staat met de toerekenbare tekortkoming van [eiser] dat de schade [eiser] kan worden toegerekend (art. 6:98 BW).
4.48.
Ook al is op deze zaak niét art. 7:25 BW met het daarin geregelde verhaalsrecht op voorschakels van toepassing12., daarmee is niet gezegd dat er niet sprake kan zijn van een andere rechtsverhouding, die meebrengt dat iemand (in casu Mol) vergoeding kan vragen van de schade die een derde (in casu derden) tengevolge van wanprestatie (toerekenbare tekortkoming) lijdt.
4.49.
De schuldeiser kan in het algemeen slechts vergoeding eisen van de schade die hij zelf lijdt (zoals het hof in rov. 4.5.15 ook tot uitgangspunt neemt). Soms evenwel kan de schuldeiser vergoeding vorderen van de schade die niet door hem zelf, maar door een derde wordt geleden, tot wie hij, schuldeiser, in een rechtsbetrekking staat, ingevolge welke niet hij, maar die derde de belanghebbende bij de prestatie is, aldus Asser/Hartkamp 4-I (2004), nr. 423. Dit doet zich met name voor indien de schade van de derde tevens de eigen schade van de schuldeiser is. Asser/Hartkamp, t.a.p., geeft daarbij het volgende voorbeeld:
‘A heeft van de eigenaar een boek geleend. Hoewel hij daartoe niet bevoegd is, leent hij het uit aan B. Deze beschadigt het boek en pleegt dus wanprestatie tegenover zijn wederpartij A. Door deze wanprestatie lijdt de eigenaar — een derde — schade. A moet hem deze schade vergoeden. De schade van de eigenaar is hier dus tevens A's schade. A kan deze nu als eigen schade weer op zijn wederpartij B verhalen.’
Indien (en voor zover) vaststaat dat B bij het beschadigen toerekenbaar tekort geschoten is, geldt m.i. hetzelfde indien in bovenstaand voorbeeld niet de daar bedoelde uitlener (ik noem hem E.u), maar — uiteindelijk onbetwist — een ander, die ik E.w noem, de werkelijke eigenaar blijkt te zijn. A had als houder jegens de eigenaar, of dit nu E.u of E.w is, een zorgplicht inclusief verantwoordelijkheid voor een tekortschieten door B, en ook de schade van E.w is dus — op B te verhalen — schade van A.13.
4.50.
De Hoge Raad heeft menigmaal de vraag beoordeeld of wanprestatie door X jegens Y, ook een claim (op grond van art. 6:162 BW) kan geven aan Z, die door die wanprestatie gedupeerd wordt. Die mogelijkheid bestaat14., al is dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Uit het tamelijk recente arrest HR 24 september 2004, nr. C03/101, RvdW 2004, 108, LJN AO9069 ([…]/ALOG)15., citeer ik (rov. 3.4):
‘[…] Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben (vgl. HR 3 mei 1946, NJ 1946, 323). Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen zulks meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.’
Ik verwijs voorts naar de conclusie in deze zaak van mijn ambtgenoot Timmerman, par. 2.5–2.11, en naar de in die conclusie weergegeven zienswijzen van C.E. du Perron in diens dissertatie Overeenkomst en derden (1999), nrs. 307–329. Du Perron's (ook door mij onderschreven) decisieve hoofdcriterium is of de aangesproken derde partij het (mogelijke) nadeel van de derde redelijkerwijs in haar calculatie moest betrekken.
4.51.
Het hof heeft in de onderhavige zaak klaarblijkelijk een zodanig criterium toegepast op de verhouding van Mol (als hypothetische wanprestant, nl. indien vast komt te staan dat uitgegaan moet worden van non-conformiteit (vgl. nr. 4.47)) jegens de afnemers van haar afnemers: daardoor kan de schade van de laatstgenoemden dan schade van Mol worden, evenwel binnen de door het hof genoemde, door art. 6:98 BW getrokken grenzen, en met inachtneming van de door het hof overigens in rov. 4.5.18 gemaakte voorbehouden, die ik nr. 4.47 releveerde).
Daarbij is het hof kennelijk van oordeel dat de door hem bedoelde rechtsverhouding kan worden opgemaakt uit de schakeling van koopovereenkomsten (groepen contracten) en zodoende met de aard van de overeenkomst samenhangt.16. Als een partij het belang van een derde schaadt bij het uitvoeren van een overeenkomst die onderdeel is van een samenstel van overeenkomsten, bepaalt de aard van de betrokken overeenkomsten in belangrijke mate het antwoord op de doorwerkingsvraag, aldus Du Perron. Bij het oordeel van het hof is dus niet van belang dat er geen contractuele relatie bestaat tussen Mol en de derden, dan wel Mol jegens deze derden niet uit hoofde van een onrechtmatige daad aansprakelijk is of kan zijn. Het hof maakt m.i. voldoende duidelijk waarom het van mening is dat er een rechtsverhouding tussen Mol en de derden bestaat: omdat de derden schadevergoeding van hun leveranciers kunnen vorderen en die weer van hun leveranciers, die deze vervolgens van Mol kunnen vorderen, waardoor het eigen schade van Mol wordt; Mol kan deze vervolgens weer van [eiser] vorderen. De vraag of de door Mol gevorderde schade ook daadwerkelijk vergoed moet worden, moet het hof nog beantwoorden. In rov. 4.5.15 beantwoordt het hof slechts de voorvraag of de schade überhaupt door Mol van [eiser] kan worden gevorderd.
4.52.
's Hofs oordeel getuigt (mede gelet op de in nr. 4.47 gereleveerde voorbehouden, waarnaar ik nogmaals verwijs) m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting. Daaraan dient overigens vooraf te gaan de constatering dat onderdeel 3(.1) ook niet een daartegen gerichte rechtsklacht bevat.17. Onderdeel 3.1 bevat een motiveringsklacht. Die klacht faalt omdat tegen een juist rechtsoordeel (of tegen een niet onjuiste rechtsopvatting) niet met een motiveringsklacht kan worden opgekomen. Daarnaast teken ik aan dat — anders dan de klacht aanvoert — de door het hof gevolgde gedachtegang m.i. wél voldoende inzichtelijk is.
4.53.
Onderdeel 3.2 is eveneens ongegrond. Het hof heeft niet miskend dat in een geval als het onderhavige — met levering door Mol van non-conforme pootaardappelen aan haar contractuele wederpartijen die deze pootaardappelen hebben doorgeleverd aan hun afnemers — er slechts onder (bijzondere) omstandigheden een rechtsverhouding kan ontstaan tussen de leverancier (Mol) van een non-conform product en de afnemers van de contractuele wederpartijen van die leverancier op grond waarvan de leverancier aan die afnemers de schade ten gevolge van de non-conformiteit moet vergoeden. Het hof heeft op grond van de door hem in aanmerking genomen omstandigheden in zijn klaarblijkelijk als deels van feitelijke en deels van juridische aard te beschouwen oordeel bezien of in casu een rechtsverhouding tussen Mol en de derden is ontstaan, hetgeen — als in nr. 4.52 gezegd — niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover onderdeel 3.2 betoogt dat het hof zijn oordeel uitsluitend op de (drie) daarin veronderstelde omstandigheden zou hebben gebaseerd, mist het feitelijke grondslag. Daaraan doet, gelet op het niet daarop gerichte partijdebat, niet af dat het hof niet expliciet c.q. afzonderlijk heeft stilgestaan bij meer dan de in het onderdeel genoemde omstandigheden.
4.54.
Reeds daarom kan m.i. ook de klacht in onderdeel 3.3 niet slagen. Ook overigens acht ik deze klacht, gericht tegen het oordeel van het hof dat [eiser] op voorhand ervan op de hoogte was dat de door Mol gekochte pootaardappelen waren bestemd om te worden doorgeleverd, niet gegrond. Terwijl Mol vanaf de inleidende dagvaarding (vgl. aldaar onder 4) consequent gewezen heeft op haar rol als toeleverancier van afnemers, heeft [eiser] zich nergens in de feitelijke instanties — het onderdeel geeft daartoe ook geen enkele vindplaats aan — op het standpunt gesteld dat hij thans in onderdeel 3.3 inneemt. Er is dus ook geen sprake van dat het hof ambtshalve feiten heeft bijgebracht, dan wel buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.
4.55.
Onderdeel 3.4 komt neer op een herhaling van eerdere klachten en deelt het lot daarvan.
Onderdeel 4: Derdenwerking algemene voorwaarden
4.56.
Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 4.5.16, waarin het hof overwoog:
‘4.5.16
Bij de beoordeling van de omvang van de schade dient de vraag te worden beantwoord in hoeverre Mol rechtens gehouden was de door haar betaalde schade te vergoeden (art. 6:95 BW). De vraag of de door Mol en haar contractspartij [betrokkene 1] gehanteerde algemene voorwaarden (de AVP; zie rov. 4.5.1) van toepassing waren op de overeenkomsten waarmee de door [eiser] geleverde aardappelen zijn doorgeleverd, is bij de beantwoording van deze vragen niet van belang nu deze algemene voorwaarden [eiser]— in beginsel — niet regarderen. [Eiser] is immers een derde ten opzichte van die overeenkomsten en [eiser] heeft niet, althans onvoldoende, gesteld dat in de gegeven omstandigheden sprake is van doorwerking van deze voorwaarden te zijner gunste.
Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld (vonnis van 31 maart 2004, rov. 2.5 en 2.6) dat Mol gezien artikel 31 lid 6 AVP niet schadeplichtig was jegens [A] en dus de schade die zij aan [A] heeft vergoed niet op [eiser] kan verhalen. Indien deze schade op grond van artikel 6:98 BW als gevolg van de tekortkoming moet worden aangemerkt, kan deze schade immers op [eiser] worden verhaald. Mitsdien slaagt grief 1 in het incidenteel appel.’
4.57.
Dit onderdeel moet gelezen worden tegen de achtergrond dat de door [eiser] aan Mol geleverde pootaardappelen door Mol, naar [eiser] heeft gesteld, zijn doorverkocht aan drie partijen: [A], [betrokkene 2] en [betrokkene 1], onder toepasselijkheid van de APV, die ten voordele van Mol aansprakelijkheidsbeperkingen inhielden. Voor zover Mol aan [A], [betrokkene 2] en [betrokkene 1] meer schade heeft vergoed dan waartoe Mol krachtens de APV gehouden was, kan Mol die schade niet op [eiser] verhalen, aldus [eiser]. Dat geldt, aldus [eiser], mede voor de via [betrokkene 1] bij Mol binnengekomen claims van derden, aan wie [betrokkene 1] op zijn beurt pootaardappelen van de onderhavige leveranties — eveneens onder toepasselijkheid van de APV — had doorverkocht (waarbij nog van verdere tussenschakels sprake kan zijn).
4.58.
Het onderdeel is verdeeld in een aantal (sub-)onderdelen. Kort samengevat komen deze op het volgende neer.
Onderdeel 4.1 klaagt dat het hof in de eerste alinea van rov. 4.5.16 heeft miskend dat voor de in het kader van de omvang van de door [eiser] aan Mol te vergoeden schade van belang is in hoeverre Mol op haar beurt rechtens gehouden was de door haar (aan (indirecte) afnemers) betaalde schadepenningen te vergoeden, en dat daarbij (dus) wél van belang is of de door Mol en haar contractpartij [betrokkene 1] gehanteerde algemene voorwaarden (de AVP18.) van toepassing waren op de overeenkomsten op basis waarvan de door [eiser] geleverde aardappelen zijn doorgeleverd. Het onderdeel omvat verwijzingen naar tal van stellingen waarin [eiser] zulks in de feitelijke instanties heeft betoogd.
Onderdeel 4.2 gaat ervan uit dat het hof (kennelijk) van oordeel is dat [eiser] zich erop zou hebben beroepen dat de algemene voorwaarden die Mol en haar contractpartij [betrokkene 1] hanteerden, ten behoeve van haar zouden doorwerken, en dat [eiser] dáártoe te weinig gesteld zou hebben. Dit onderdeel geeft — onder verwijzing naar vindplaatsen in de feitelijke instanties — aan dat het hof aldus [eiser]' verweer heeft misverstaan, nu (overeenkomstig het bovenstaande) het verweer werd gevoerd in het kader van de door Mol geleden en door [eiser] aan Mol te vergoeden schade.
De onderdelen 4.3.1 en 4.3.2 behelzen een variant van onderdelen 4.1 en 4.2 ten aanzien van Mols afnemer [A]. Dit leidt tot de klacht dat de overweging van het hof dat als de schade die Mol aan [A] heeft vergoed op grond van art. 6:98 BW als gevolg van de tekortkoming moet worden aangemerkt, deze schade immers op [eiser] kan worden verhaald, rechtens onjuist of onbegrijpelijk is omdat op de overeenkomst(en) tussen Mol en [A] de AVP van toepassing waren.
Onderdeel 4.4 verwijt het hof nog dat hij bij zijn oordeel in rov. 4.5.16 buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen is getreden en/of ambtshalve feiten heeft bijgebracht, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven.
4.59.
Bij conclusie van antwoord in cassatie heeft Mol ten aanzien van (het gehele) onderdeel 4 geconcludeerd tot referte, onder aantekening dat de door dat onderdeel bestreken beslissing van het hof in rov. 4.5.16 niet door haar is uitgelokt.
4.60.
Ik roep in herinnering de door het hof (in mijn lezing) in rov. 4.5.15 toegepaste constructie om [eiser] aansprakelijk te kunnen houden voor schade geleden door (de afnemers van) kopers van Mol: indien vast komt te staan dat uitgegaan moet worden van non-conformiteit jegens (de afnemers van) haar afnemers kan de schade van de laatstgenoemden de schade van Mol worden, binnen de door het hof genoemde, door art. 6:98 BW getrokken grenzen, en met inachtneming van de door het hof overigens in rov. 4.5.18 gemaakte voorbehouden (vgl. nr. 4.47). In nrs. 4.51–4.52 achtte ik die constructie aanvaardbaar. Indien ik dat juist zag (waarbij rov. 4.5.15, in weerwil van middelonderdeel 3, stand houdt), acht ik de in middelonderdeel 4 vervatte klachten gegrond.
4.61.
Rov. 4.5.15 kan m.i. immers slechts stand houden bij de gratie van een lezing waarbij de schade van (de afnemers van) de kopers van Mol, de eigen schade van Mol wordt. De eigen schade van Mol is de schade die Mol daadwerkelijk lijdt, doordat hij de schade van (de afnemers van) zijn kopers voor zijn rekening moet nemen en neemt. ‘Moet nemen’, omdat [eiser] niet behoeft op te komen voor coulance-uitkeringen of populair gezegd ‘sinterklazerij’ door Mol; en ‘neemt’, omdat schade die Mol aan (de afnemers van) zijn kopers zou moeten vergoeden, maar uiteindelijk om welke reden dan ook niet vergoed zou hebben, ook geen schade voor Mol oplevert.
Onderdeel 4 wijst in zijn verschillende (sub-)onderdelen terecht op het dienaangaande door [eiser] bij herhaling gevoerde verweer19., meer in het bijzonder het verweer dat de mogelijkheid voor Mol of de afnemers bestond om zich te beroepen op beperkingen van de verplichting tot schadevergoeding ingevolge de AVP.
4.62.
Terwijl het hof in rov. 4.5.18 voor dit verweer wél oog heeft gehad (wat voor mij mede reden was om te concluderen tot verwerping van de klacht tegen rov. 4.5.15), heeft het hof dit in rov. 4.5.16 uit het oog verloren. [Eiser] klaagt in onderdelen 4.1–4.32 terecht dat het hof in rov. 4.5.16 de strekking van zijn even bedoelde verweren heeft miskend, en in onderdeel 4.4 dat het hof met zijn bespreking en weerlegging van de (daar veronderstelde) strekking van het verweer van [eiser] buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven.20.
4.63.
Niettegenstaande de door het hof in rov. 4.5.18 gemaakte voorbehouden, die ik nr. 4.47 releveerde, is rov. 4.5.16 onjuist en — bovendien of in ieder geval — in verhouding tot rov. 4.5.18 ontoelaatbaar onduidelijk, nu het een of meer passen afsnijdt — of minst genomen op onjuiste gronden aanleiding kan geven tot nader debat over het afsnijden van een of meer passen — bij de beoordeling die ingevolge rov. 4.5.18 nog dient plaats te hebben.
4.64.
Per saldo acht ik onderdeel 4 in al zijn (sub-)onderdelen gegrond.
Onderdeel 5: Plicht tot schadebeperking
4.65.
Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 4.5.17, waarin het hof overwoog:
‘4.5.17
[Eiser] stelt dat Mol in strijd met haar schadebeperkingplicht heeft gehandeld door na te laten de leveranties aan [betrokkene 1] stop te zetten en/of [betrokkene 1] te waarschuwen voor mogelijke problemen. Het hof is van oordeel dat het meer op de weg van [eiser], die zelf (in tegenstelling tot Mol) de kiemproblemen bij zijn familie had geconstateerd en de aardappelen in eerste instantie had verkocht, had gelegen om [betrokkene 1] te waarschuwen en de oude partij aardappelen terug te halen.
Voorts wordt Mol verweten dat zij [eiser] niet in de gelegenheid heeft gesteld andere pootaardappelen te leveren. Mol treft terzake geen verwijt nu van Mol (en/of haar contractspartijen en/of de derden die uiteindelijk de pootaardappelen hebben gepoot), niet kon worden verlangd dat zij [eiser] eerst in de gelegenheid had gesteld andere pootaardappelen te leveren. Het hof wijst daarbij op het geschonden vertrouwen aan de zijde van Mol (en haar afnemers / de poters van de aardappelen) en het feit dat haast geboden was bij het poten van de nieuwe aardappelen teneinde de opbrengstderving beperkt te houden. Daarbij komt dat het meer op de weg van [eiser]— als eerste verkoper — had gelegen om op eigen initiatief de geleverde aardappelen terug te halen en andere aardappelen te leveren. Mol kan ook om die redenen niet worden verweten dat zij de schade niet heeft beperkt.’
4.66.
De klachten van onderdeel 5 laten zich als volgt kort weergeven.
Onderdeel 5.1 richt zich tegen de eerste alinea van rov. 4.5.17 en klaagt dat het hof heeft miskend dat het verweer van [eiser] dat Mol in strijd met haar schadebeperkingsplicht heeft gehandeld, als vaststaand had moeten worden aangenomen op grond van art. 149 Rv nu Mol dit verweer niet, althans niet voldoende, heeft weersproken. Althans heeft het hof ambtshalve feiten bijgebracht en/of is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden, door te overwegen dat het meer op de weg van [eiser] had gelegen om [betrokkene 1] te waarschuwen en de oude partij aardappelen terug te halen, omdat een stelling van deze strekking niet door Mol naar voren was gebracht.
Onderdeel 5.2 klaagt dat het hof zijn oordeel dat het meer op de weg van [eiser] dan van Mol had gelegen om [betrokkene 1] te waarschuwen en de oude partij terug te halen, ongenoegzaam heeft gemotiveerd, nu [eiser] en Mol over dezelfde informatie beschikten.
Onderdeel 5.3 richt rechts- en motiveringsklachten tegen de tweede alinea van rov. 4.5.17. Volgens subonderdeel 5.3.1 had het hof een geschonden vertrouwen in [eiser] aan de zijde van Mol niet als vaststaand mogen aannemen, nu Mol daarover pas in nr. 49 van zijn MvA betoogd heeft. Volgens subonderdeel 5.3.2 kan de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat er haast was bij het poten van nieuwe aardappelen, slechts bijdragen aan zijn in rov. 4.5.17 gegeven oordeel dat [eiser] de aardappelen niet met spoed had kunnen leveren, waaromtrent evenwel niets is vastgesteld. Subonderdeel 5.3.3 klaagt dat niet is in te zien dat het meer op de weg van [eiser] zou hebben gelegen om op eigen initiatief de aardappelen terug te halen en andere te leveren, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat op het moment waarop dat aan de orde was, duidelijk was dat de (veronderstelde) kiemproblemen de verantwoordelijkheid waren van [eiser].
4.67.
Alvorens de klachten te bespreken wijd ik enkele opmerkingen aan de schadebeperkingsplicht. 21. Doorgaans wordt aangenomen dat de benadeelde binnen redelijke grenzen gehouden is tot het nemen van maatregelen ter voorkoming of beperking van de schade. Bij het niet voldoen aan deze schadebeperkingsplicht, moet, ingevolge art. 6:101 BW, de benadeelde de daaruit voortvloeiende schade geheel of ten dele zelf dragen.
De grenzen van de verplichting van de benadeelde tot beperking van de schade worden door de redelijkheid bepaald. De concrete omstandigheden van het geval zijn daarbij steeds in belangrijke mate bepalend. Zo kan het feit dat ook de aansprakelijke persoon van zijn kant in een positie was om de schade te voorkomen of te beperken, maar hij dit niet heeft gedaan, meebrengen dat hij zich niet kan beroepen op eigen schuld, bestaande in het niet nakomen van een schadebeperkingsplicht door de benadeelde22..
4.68.
Tegen deze achtergrond zijn de klachten in de onderdelen 5.1 en 5.2 m.i. tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft (onbestreden) aangenomen dat er in casu sprake was van een wederzijdse mogelijkheid om schade te beperken. 's Hofs oordeel dat [eiser], nu hij heeft nagelaten schadebeperkende maatregelen te treffen hoewel hij daartoe volgens het hof redelijkerwijs in staat was, zich niet ter vermindering van zijn vergoedingsplicht kan beroepen op het feit dat ook Mol de schade had kunnen beperken, gaat niet uit van een onjuiste rechtsopvatting en behelst voor het overige een feitelijk waarderingsoordeel dat zich in cassatie niet op juistheid doch slechts op begrijpelijkheid laat toetsen. Ik acht 's hofs gedachtegang niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd gezien de omstandigheden van het geval.23. Daarbij kan er nog op gewezen worden dat [eiser] de door het hof in aanmerking genomen, door hem bij zijn familie waargenomen kiemproblemen van de aardappelen weliswaar met Mol gedeeld heeft (zoals de klacht stelt), maar dat het hierbij voor [eiser] ging om informatie uit de eerste hand en voor Mol om informatie uit de tweede hand, hetgeen Mol — mede met het oog op mogelijke repercussies voor [eiser]— eerder dan [eiser] aanleiding mocht geven tot terughoudendheid bij waarschuwingen.
Voor zover onderdeel 5.2 (in fine) klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is dat niet valt in te zien waarom het meer op de weg van [eiser] dan van Mol had gelegen om [betrokkene 1] (contractpartij van Mol) te waarschuwen vermag ik die onbegrijpelijkheid niet in te zien, nu in de kennelijke gedachtegang van het hof [eiser]— in plaats van Mol later te verwijten [betrokkene 1] niet gewaarschuwd te hebben — Mol had kunnen vragen zijn afnemers te waarschuwen of aan Mol de contactadressen van diens afnemers had kunnen vragen.
4.69.
Onderdeel 5.3 (uitgewerkt in de subonderdelen 5.3.1–5.3.3) gaat over [eiser]' verwijt aan Mol dat Mol hem niet in de gelegenheid heeft gesteld vervangende pootaardappelen te leveren. Het gaat hier dus slechts om beperking van — beweerde — schade van [eiser] door gemiste nadere leveranties.
4.70.
Uit de bespreking van onderdeel 2 volgt dat [eiser] bij deze klacht geen belang heeft. Ik verwijs naar nrs. 4.38–4.40.
4.71.
Ook overigens acht ik de klachten niet gegrond.
De klacht van onderdeel 5.3.1 — dat ten aanzien van het geschonden vertrouwen aan de zijde van Mol (en haar afnemers/de poters van de aardappelen) een betoog van die strekking pas voor het eerst in de MvA/MvG Inc. nr. 49 naar voren zou zijn gebracht, zodat het hof dit geschonden vertrouwen aan de zijde van Mol dan ook niet als vaststaand had mogen aanmerken — berust op onjuiste lezing van rov. 4.5.17 en mist dus feitelijke grondslag. Het hof refereert in rov. 4.5.17 niet aan de MvA/MvG Inc. nr. 49, maar spreekt in het algemeen over ‘het geschonden vertrouwen aan de zijde van Mol (en haar afnemers/de poters van de aardappelen)’. Dat is niet onbegrijpelijk, in het licht van de nu eenmaal gebleken kiemproblemen, en in het licht van de afwijzende opstelling van [eiser] die van meet af aan de non-conformiteit heeft ontkend24.. Onderdeel 5.3.1 kan ook daarom niet slagen.
De klacht van onderdeel 5.3.2 — dat het hof de geboden haast bij het poten van nieuwe aardappelen niet in aanmerking had mogen nemen zonder vast te stellen dat [eiser] niet spoedig kon leveren, en als [eiser] dat wél kon, [eiser] in de gelegenheid had moeten stellen tot levering — miskent de door het hof klaarblijkelijk onderkende samenhang tussen die spoed en het in de vorige klacht bedoelde geschonden vertrouwen25..
Ook subonderdeel 5.3.3 — dat verdedigt dat pas nadat duidelijk was geweest dat de (veronderstelde) kiemproblemen de verantwoordelijkheid waren van [eiser], het meer op de weg van [eiser] dan Mol zou hebben gelegen om op eigen initiatief de aardappelen terug te halen en andere te leveren — gaat niet op. Die verantwoordelijkheid is door [eiser] steeds ontkend: waarom zou Mol dan — ter beperking van schade van [eiser]— moeten doen wat [eiser] volgens de klachten van Mol verlangt?
5. Beoordeling van de klachten in het incidentele beroep
5.1.
Het incidentele beroep, dat onvoorwaardelijk is ingesteld, omvat twee onderdelen. De klachten richten zich tegen de rov. 4.5.12 (en het dictum onder a) en 4.5.13 (en het dictum onder b) die betrekking hebben op 's hofs oordeel over de vraag of sprake is van non-conformiteit en of deze tekortkoming aan [eiser] is toe te rekenen.
Onderdeel 1: Toelating tot tegenbewijs m.b.t. non-conformiteit
5.2.
Onderdeel 1 klaagt dat het hof in rov. 4.5.12 en in het dictum onder a van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, althans een onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde beslissing heeft gegeven, door (enerzijds) te oordelen dat [eiser] de door Mol gestelde non-conformiteit (vooralsnog) onvoldoende heeft weersproken — welk oordeel in het principaal cassatieberoep niet wordt bestreden — en door (anderzijds) niettemin [eiser], gelet op zijn bewijsaanbod, tot tegenbewijs van die non-conformiteit toe te laten. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat, nu vaststaat dat [eiser] de non-conformiteit onvoldoende heeft weersproken, het hof op grond van art. 149 Rv dit als vaststaand moest aannemen, zodat er voor tegenbewijs geen plaats meer was.
5.3.
In rov. 4.5.12 overwoog het hof:
‘Het hof oordeelt het — behoudens tegenbewijs — op grond van voormelde feiten en omstandigheden voorshands aannemelijk dat de door [eiser] aan Mol geleverde pootaardappelen niet beantwoordden aan de overeenkomst. [Eiser] heeft vooralsnog deze non-conformiteit onvoldoende weersproken. [eiser] zal echter gelet op diens expliciete bewijsaanbod (mvg pagina 13), hetgeen het hof opvat als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs, in de gelegenheid worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs (al dan niet schriftelijk) tegen het voorshands aangenomen vermoeden van het hof dat de door [eiser] aan Mol geleverde pootaardappelen niet aan de overeenkomst beantwoordden. Grief 2 in het principaal appel slaagt in zoverre.’
5.4.
Mol, die schadevergoeding vorderde, heeft gesteld dat [eiser] in de nakoming tekort is geschoten en dat hij dientengevolge schade lijdt. In rov. 4.5.10 overwoog het hof dan ook dat op Mol overeenkomstig art. 150 Rv de bewijslast van de door haar gestelde non-conformiteit van de pootaardappelen rust.26. In rov. 4.5.12 oordeelde het hof vervolgens dat — behoudens tegenbewijs — op grond van voormelde feiten en omstandigheden voorshands aannemelijk is dat de door [eiser] aan Mol geleverde pootaardappelen niet beantwoordden aan de overeenkomst. [Eiser] heeft vooralsnog deze non-conformiteit onvoldoende weersproken, aldus het hof, maar heeft op p. 13 van de MvG onder 48, waarnaar het hof in rov. 4.5.12 ook verwees, een door het hof als een aanbod tot het leveren van tegenbewijs opgevat bewijsaanbod gedaan.
5.5.
Het hof heeft hiermee, ten voordele van Mol, de methode toegepast om door middel van ‘rechterlijke/feitelijke vermoedens’ aan de (eventuele) bewijsnood van een partij op wie de bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) rust tegemoet te komen. Mol, die eigenlijk bewijs zou moeten leveren wordt daarvan vrijgesteld op grond van een vermoeden dat haar stellingen waar zijn, bijvoorbeeld op grond van door haar overgelegde stukken (waartegen [eiser] in cassatie geen klachten heeft aangevoerd). In deze ‘voorshands bewezen’-constructie mag de wederpartij, die gemotiveerd stelling genomen heeft, desgewenst tegenbewijs leveren.27. Voor het slagen van dit tegenbewijs is dan voldoende dat het ten behoeve van de partij op wie de bewijslast rust aangenomen bewijsvermoeden wordt ontzenuwd28., zodat dus niet nodig is dat het tegendeel bewezen wordt.
5.6.
Onderdeel 1 van het incidentele middel berust op een verkeerde lezing van rov. 4.5.12. Onmiskenbaar heeft het hof — ten voordele van Mol — de hierboven bedoelde ‘voorshands bewezen’-constructie toegepast, met de als regel daarbij behorende mogelijkheid voor [eiser] tot het leveren van tegenbewijs. De woorden in rov. 4.5.12, dat [eiser]‘vooralsnog deze non-conformiteit onvoldoende weersproken [heeft]’, moeten klaarblijkelijk aldus begrepen worden dat [eiser] onvoldoende tegenspraak heeft geleverd om de bewijslast op Mol te laten blijven rusten; en niet in die zin dat [eiser] onvoldoende gemotiveerd verweer heeft geleverd om tot tegenbewijs te worden toegelaten. Deze lezing strookt ook met het door [eiser] inderdaad gevoerde verweer29..
Onderdeel 2: Toelating tot bewijs m.b.t. niet-toerekenbaarheid
5.7.
Onderdeel 2 klaagt voorts dat het hof een rechtens onjuiste althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde beslissing heeft gegeven door in rov. 4.5.13 en in het dictum onder b te oordelen dat [eiser] op grond van zijn algemene bewijsaanbod dient te worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Aldus heeft het hof miskend dat deze toerekenbaarheid geen voor bewijs vatbaar feit betreft, maar een juridische kwalificatie, althans diende het hof genoegzaam vast te stellen welke voor bewijs vatbare feitelijke stellingen [eiser] dienaangaande heeft aangevoerd, die, indien bewezen, tot de gevolgtrekking kunnen leiden dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend, zulks althans nu Mol in MvA § 31 e.v. (uitdrukkelijk in MvA § 32) had aangevoerd dat [eiser] dienaangaande onvoldoende had gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten.
5.8.
In rov. 4.5.13 overwoog het hof:
‘[Eiser] stelt dat de non-conformiteit (tekortkoming) hem niet kan worden toegerekend. Nu [eiser] zich op het rechtsgevolg van deze stelling beroept (namelijk dat hij om die reden niet op grond van artikel 7:17 BW aansprakelijk is), rust overeenkomstig artikel 150 Rv (artikel 177 oud Rv) op [eiser] de bewijslast van zijn stelling dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Het hof zal [eiser] conform zijn bewijsaanbod toelaten tot bewijslevering van zijn stelling dat de — voorshands door het hof aangenomen — tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst hem niet kan worden toegerekend. Ingeval [eiser] mocht slagen in deze bewijslevering, dient de vordering van Mol te worden afgewezen. Eerst ingeval [eiser] in deze bewijslevering niet mocht slagen, ligt de omvang van de schade van Mol ter beoordeling door het hof voor.’
5.9.
In de onderhavige zaak gaat het om een vordering tot schadevergoeding. Daarop zijn, voorzover hier van belang, art. 6:74 lid 1 en 6:75 BW van toepassing. Hieruit volgt dat [eiser] niet tot schadevergoeding gehouden is, indien de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. De tekortkoming kan hem niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Uit de structuur van deze wetsbepalingen vloeit voort dat op [eiser] als verkoper de daartoe strekkende stelplicht en bewijslast rustte. Het is aan de schuldenaar (in casu [eiser]) aan te tonen dat de tekortkoming het gevolg was van een oorzaak die hem niet kan worden toegerekend30..
Voor zover het onderdeel de klacht bevat, dat de niet-toerekenbaarheid geen onderwerp kan zijn van bewijslevering (van daartoe strekkende feiten en omstandigheden), berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het onderdeel klaagt dat [eiser] onvoldoende feitelijke stellingen heeft aangevoerd die, indien bewezen, tot de gevolgtrekking kunnen leiden dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend, miskent het dat het hierbij gaat om een aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van zodanige stellingen, die in cassatie niet op juistheid kan worden beoordeeld. In het licht van hetgeen [eiser] ten deze naar voren heeft gebracht31., is de toelating door het hof van [eiser] tot bewijslevering niet onbegrijpelijk.
6. Conclusie
Mijn conclusie strekt in het principale beroep tot vernietiging van het bestreden arrest, en in het incidentele beroep tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑03‑2008
AVP staat voor: Algemene Voorwaarden Pootaardappelen; overgelegd als prod. 12 bij conclusie na enquête zijdens Mol.
De CvA in incidenteel beroep spreekt bij wege van kennelijke verschrijving over het arrest van 19 september 2006; bedoeld wordt het arrest van 11 juli 2006.
Die bewijstoelatingen zijn onderwerp van de klachten uit het incidentele beroep.
Weergegeven in nr. 2.8 hierboven. De cassatiedagvaarding noemt op blz. 10 onderaan (met verwijzingen naar vindplaatsen van eerdere stellingnamen) ook het belang van [eiser] bij toepasselijkheid van art. 31 lid 6 en art. 37 AVP.
Het antwoord op deze vraag is overigens: ja. Nu niet voldaan was aan de ‘terhandstellingsplicht’ op grond van art. 6:233 sub b jo. art. 6:234 lid 1 BW kon [eiser] de gehele set algemene voorwaarden dan wel een beding c.q. meerdere bedingen in de algemene voorwaarden vernietigen. Vgl. HR 17 december 1999, NJ 2000, 140 (Breg/Asper) en Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1584–1585.
Vgl. ook G.T. de Jong, Niet-nakoming van verbintenissen, Mon.BW B33 (2006), p. 13.
Vgl. bijv. HR 15 september 1995, NJ 1996, 20 (Van Straaten/Fonds Kinderbescherming, rov. 3.3; HR 10 oktober 1997, NJ 1998, 473 m.nt. JBMV (Optimum/De Bruin), rov. 3.4; alsmede Hugenholtz/Heemskerk, 21e druk 2006, nr. 150, p. 174.
Ik veronderstel: de grond pootklaar maken voor nieuwe bepoting (met verwijdering van de ondeugdelijke aardappelen).
In de stukken komt ook de naam ‘[betrokkene 7]’ voor. Dat ‘[betrokkene 7]’ de juiste naam is, laat zich afleiden uit de ondertekening ‘[betrokkene 7]’ in het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 januari 2003.
De genoemde vindplaatsen zijn: antwoordconclusie na enquête d.d. 7 januari 2004 onder 4 en MvG, onder 39.
Artikel 7:25 geldt immers — blijkens de verwijzing naar art. 24 — alleen in gevallen waarbij de uiteindelijke koper een consument is, en dat is bij deze pootaardappelen niet het geval.
Vgl. ook HR 7 maart 1969, NJ 1969, 249 m.nt. GJS (Gegaste uien). Daarin werd overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of de Gemeente aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige daad tegenover de eigenaren van goederen, die zij bij het gassen ondeskundig, onvoorzichtig en/of roekeloos zou hebben behandeld, het onverschillig is of de Gemeente wist wie de eigenaren van die goederen zijn.
Vgl. bijv. reeds HR 3 mei 1946, NJ 1946, 323 (Staat/Degens) en (bij levering van gebrekkig materiaal, daar geen ‘pootgoed’, maar ‘kit’) HR 25 maart 1966, NJ 1966, 279 (Moffenkit). Vgl. voorts HR 12 oktober 1979, NJ 1980, 117 (Radio Modern/Edah) en HR 29 mei 1998, NJ 1999, 98 (Mooijman/Netjes).
Zie hierover ook Roos, Wanprestatie en onrechtmatige daad jegens een derde, MvV 2005/3, p. 49–51.
Vgl. C.E. du Perron, Overeenkomst en derden (1999), hoofdstuk 6, p. 277–278 en C.E. du Perron, Aansprakelijkheid in groepen van contracten, Derdenwerking van overeenkomsten: een Franse les over de contractueel betrokken derde? (1996), i.h.b. p. 34–37. Zie tevens J.L.P. Cahen, Overeenkomst en derden; Mon.BW, B57 (2004), i.h.b. p. 15–17.
In onderdelen 3.2 t/m 3.4 vervatte rechtsklachten komen hierna aan de orde.
Zie prod. 12 bij conclusie na enquête zijdens Mol.
Zie onderdeel 4.1, eerste alinea, met vindplaatsen daaronder, tweede alinea met vindplaatsen daaronder; onderdeel 4.2, eerste alinea, slot met verwijzing naar eerder bedoelde vindplaatsen alsmede de in onderdeel 4.2 opgenomen weergave; onderdeel 4.3.1, tweede alinea met daar vermelde vindplaatsen; onderdeel 4.3.2 met verwijzing naar de in onderdeel 4.3.1 genoemde vindplaatsen; en onderdeel 4.4 met de daar vermelde vindplaatsen.
Ik teken terzijde nog aan dat de redenering van het hof in rov. 4.5.16 te plaatsen is in het leerstuk van de derdenwerking van exoneratiebedingen, maar dat het bij de rechtspraak en literatuur terzake (waarover bijv. Asser-Hartkamp 4-II (2002), nr. 384–386c) hoofdzakelijk gaat om de vraag of C, die rechtstreeks door gelaedeerde A tot (volledige) schadevergoeding wordt aangesproken, zich kan beroepen op een door C met intermediair B overeengekomen aansprakelijkheidbeperkend beding. In casu is er geen sprake van zo'n claim van A (een eindafnemer van de pootaardappels) op C ([eiser]), maar is de vraag waartoe B door A (maximaal) aangesproken kon worden (wat dan als door B bij C te claimen ‘eigen’ schade zou gelden).
Zie o.a. Asser/Hartkamp; 4-I (2004), nrs. 453–453a, Boonekamp, in (losbl.) Schadevergoeding, art. 6:101, aant. 39–40, A.L.M. Keirse, Schadebeperkingsplicht: over eigen schuld aan de omvang van de schade (2003), p. 56 en 117 e.v., en H.B. Krans, Schadevergoeding bij wanprestatie (1999), p. 195 e.v.
HR 24 januari 1997, NJ 1999, 56, m.nt. CJHB, rov. 3.4.2. Zie ook HR 9 mei 1986, NJ 1987, 252, m.nt. MS, rov. 3.5; HR 21 december 1984, NJ 1985, 904, m.nt. MS, rov. 3.4; conclusie A-G Huydecoper voor HR 28 september 2001, NJ 2001, 650, nr. 6.7 en conclusie A-G Wesseling-van Gent voor HR 9 juni 2006, nr. C05/046, LJN AV6025, nrs. 3.22–3.23. Vgl. ook Keirse, a.w. (2003), p. 121 e.v.
Ook het feit dat Mol heeft voldaan aan haar klachtplicht op grond van art. 7:23 BW (vgl. nr. 4.1) brengt mee dat het voor de hand zou hebben gelegen dat [eiser] schadebeperkende maatregelen zou nemen. Artikel 7:23 BW beoogt de verkoper (in casu [eiser]) te beschermen tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten. De strekking van de klachtplicht is dat een verkoper een klacht van een koper kan onderzoeken en, zo nodig, tijdig maatregelen kan treffen tot aanvulling, herstel of vervanging van het afgeleverde. Vgl. Asser-Hijma 5-I (2007), nr. 541.
De s.t. namens Mol verwijst naar de brief namens [eiser] d.d. 19 juli 2001, prod. 4 bij inleidende dagvaarding.
Het ligt voor de hand dat Mol en/of diens afnemers meer zekerheid, althans meer toetsbare informatie over nieuw te poten partijen aardappels van [eiser] zouden (kunnen) wensen.
Vgl. bijv. Asser-Hartkamp 4-I (2004), nr. 346.
Vgl. H.L.G. Wieten, Bewijs (2004), nr. 3.7, p. 27; zie over rechterlijke/feitelijke vermoedens voorts W.D.H. Asser, Bewijslastverdeling (2004), nr. 44, pp. 105–107.
HR 2 mei 2003, NJ 2003, 468 (bewijs seksueel misbruik); zie hierover W.D.H. Asser, a.w. (2004), nr. 46, pp. 110–111.
Vgl. de MvG van [eiser], toelichting op grief 2, nrs. 11–13, met verwijzingen naar gehandhaafde eerdere stellingnamen.
Zie bijv. Asser-Hartkamp 4-I (2004), nr. 346 en HR 9 januari 1998, NJ 1998, 272, rov. 3.3 (Brok/Huberts).
Vgl. de MvG van [eiser], toelichting op grief 4, nrs. 20–25, met verwijzingen naar gehandhaafde eerdere stellingnamen.
Beroepschrift 06‑10‑2006
CASSATIEDAGVAARDING
Heden, de [zesde] oktober tweeduizend zes ten verzoeke van [requirant], wonende te [woonplaats], domicilie kiezende te (1076 HR) Amsterdam aan het Burgerweeshuispad 301, ten kantore van Mr B. Winters, alsmede te (2596 AL) 's‑Gravenhage aan de Zuid-Hollandlaan 7, ten kantore van Mr H.J.A. Knijff, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, die door mijn rekwirant is aangewezen om hem in het onderhavige geding in cassatie te vertegenwoordigen,
heb ik,
[Henricus Johannes Antonius Maria van de Waardt, gerechtsdeurwaarder met vestigingsplaats 's‑Hertogenbosch en aldaar kantoorhoudende aan de Van der Does de Willeboissingel 41/42;]
GEDAGVAARD:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gerequireerde] B.V., gevestigd te [woonplaats], in vorige instantie laatstelijk domicilie gekozen hebbende te 's‑Hertogenbosch aan de Statenlaan 9 ten kantore van de procureur Mr J.E. Lenglet, aldaar aan dat gekozen domicilie overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mijn exploot doende en afschrift dezes latende aan:
[Mw. J. Disco, aldaar werkzaam]
OM:
op vrijdag zevenentwintig oktober tweeduizend zes (27-10-2006) om 10.00 uur, niet in persoon maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, alsdan gehouden wordende in het gebouw van de Hoge Raad aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage,
MET AANZEGGING:
dat mijn rekwirant hierbij beroep in cassatie instelt tegen het arrest dat het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch in de procedure onder rolnummer C0400925/BR heeft gewezen en dat is uitgesproken op 11 juli 2006 (en ten aanzien waarvan voornoemd Gerechtshof bij arrest van 19 september 2006 heeft bepaald dat tegen dit (tussen)arrest van 11 juli 2006 (onmiddellijk) cassatieberoep kan worden ingesteld);
TENEINDE:
alsdan namens mijn rekwirant als eiser tot cassatie tegen voormeld arrest te horen aanvoeren het navolgende
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het Gerechtshof in zijn ten deze bestreden arrest op de daarin vermelde gronden heeft recht gedaan als in het dictum van dat arrest is aangegeven, zulks om de navolgende, zonodig in onderling verband en onderlinge samenhang te beschouwen redenen.
1.1
Door te overwegen zoals het Hof heeft gedaan in rechtsoverweging 4.5.1 — in het bijzonder door daarin te overwegen dat [requirant] bij conclusie van antwoord (punt 30) zou hebben gesteld dat hij ‘de algemene voorwaarden van [gerequireerde] had vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht’ (artikel 6:233 sub b BW) en dat uit de conclusie van antwoord zou blijken dat [requirant] de door [gerequireerde] gehanteerde algemene voorwaarden zou hebben vernietigd zodat deze tussen [requirant] en [gerequireerde] niet van toepassing zouden zijn — heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed. In nummer 10 van de inleidende dagvaarding heeft [gerequireerde] ter onderbouwing van de bevoegdheid van de rechtbank en de onbevoegdheid van de arbitragecommissie AVP naar voren gebracht dat [requirant] een beroep op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden van [gerequireerde] (de AVP)1. had gedaan, zodat niet de arbitragecommissie AVP maar de Rechtbank Breda bevoegd was kennis te nemen van het geschil:
‘Hoewel de AVP in de overeenkomst zijn genoemd, heeft [requirant] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van die voorwaarden, omdat die voorwaarden hem niet voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst zijn overhandigd. [gerequireerde] heeft hierin berust. Daarom is niet de Arbitragecommissie AVP, maar uw rechtbank bevoegd kennis te nemen van het geschil.’
In het kader van het ontbreken van buitengerechtelijke kosten aan de zijde van [gerequireerde] heeft [requirant] in nummer 30 van de conclusie van antwoord naar voren gebracht dat [gerequireerde] aanvankelijk een arbitraal verzoek had ingediend en dit arbitrale verzoek, nadat [requirant] de algemene voorwaarden van [gerequireerde] had vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht — tot een inleidende dagvaarding heeft omgewerkt:
‘[gerequireerde] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten (inleidende dagvaarding, sub 9). [requirant] betwist echter dat [gerequireerde] kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand heeft gemaakt. Voorzover [requirant] bekend heeft [gerequireerde] zich pas tot haar raadsman gewend toen zij had besloten een arbitrageprocedure tegen [requirant] aanhangig te maken. De raadsman van [gerequireerde] heeft geen preprocessuele werkzaamheden verricht. Hij heeft — zonder vooraankondiging — het verzoekschrift tot arbitrage ingediend en — nadat [requirant] de algemene voorwaarden van [gerequireerde] had vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht — ingetrokken, en het verzoekschrift vervolgens omgewerkt tot een inleidende dagvaarding. Buitengerechtelijke werkzaamheden die de raadsman van [gerequireerde] heeft verricht, hebben kortom uitsluitend gestrekt ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de onderhavige procedure. Dat zijn verrichtingen waarvoor de in de art. 237–240 NRv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Zie ook art. 241 Nrv.’
Hoewel (zoals uit het bovenstaande blijkt) het processuele debat over de vernietiging van de algemene voorwaarden van [gerequireerde] uitsluitend had plaatsgevonden in het kader van de niet-toepasselijkheid van het in de algemene voorwaarden van [gerequireerde] opgenomen arbitrale beding, verbond de Rechtbank Breda daaraan in rechtsoverweging 3.1 van haar tussenvonnis van 1 oktober 2002 geheel algemeen de conclusie dat algemene voorwaarden van [gerequireerde] (door de Rechtbank aangeduid als ‘A.V.P. van de N.A.O. voor in Nederland geteeld pootgoed’) niet van toepassing waren op de tussen [requirant] en [gerequireerde] totstandgekomen vier (koop)overeenkomsten:
‘Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet, niet langer of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede aan de hand van de onbetwiste inhoud van de producties staat tussen partijen het volgende vast:
(…)
- —
op de overeenkomsten [tussen [gerequireerde] en [requirant], advocaat] zijn de A.V.P. van de N.A.O. voor in Nederland geteeld pootgoed niet van toepassing.’
[requirant] heeft vervolgens in de nummers 8 en 9 van de antwoord-conclusie na enquête onmiddellijk verduidelijkt dat zij de algemene voorwaarden van [gerequireerde] (de AVP) niet in hun geheel had vernietigd, maar dat deze vernietiging (vooralsnog) slechts betrekking had op het door [gerequireerde] ingeroepen arbitrale beding:
‘8.
De AVP zijn niet alleen van toepassing tussen [gerequireerde] en haar afnemers, maar ook tussen [requirant] en [gerequireerde]. Uit de overeenkomsten tussen partijen (productie 1 bij dagvaarding) blijkt immers dat [gerequireerde] de AVP van toepassing heeft verklaard. Dat [gerequireerde] de AVP niet aan [gerequireerde][bedoeld wordt: [requirant], advocaat] ter hand heeft gesteld, laat de toepasselijkheid en rechtsgeldigheid van de AVP onverlet, behoudens voor zover [requirant] de vernietiging van een of meerdere bedingen inroept.
9.
Artikel 52 van de AVP behelst een arbitraal beding. Nadat [gerequireerde] met een beroep op artikel 52 AVP een arbitragezaak was gestart, heeft [requirant] de vernietiging van artikel 52 AVP ingeroepen. [gerequireerde] heeft in die vernietiging berust en heeft vervolgens de onderhavige procedure bij de rechtbank Breda aanhangig gemaakt.
Aangezien de overige AVP-bedingen niet door [requirant] zijn vernietigd, is [requirant] gerechtigd zonodig een beroep te doen op die bedingen, alsook deze aan [gerequireerde] tegen te werpen.’
Nadat de Rechtbank haar eindvonnis d.d. 31 maart 2004 had gewezen — waarin zij verder niet meer is ingegaan op de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gerequireerde]— heeft [requirant] in haar memorie van grieven, grief 1 en de toelichting daarop, wederom duidelijk gemaakt dat zij (vooralsnog) slechts het in de algemene voorwaarden van [gerequireerde] voorkomende arbitrale beding heeft vernietigd:
‘Grief 1
Ten onrechte heeft de Rechtbank Breda in haar tussenvonnis van 1 oktober 2002 (rov. 3.1.) overwogen dat vaststaat dat de algemene voorwaarden van [gerequireerde] (AVP) tussen partijen niet van toepassing zijn.
Toelichting bij de eerste grief
A. De vernietiging van het arbitragebeding in de algemene voorwaarden van [gerequireerde]
5.
Met een beroep op het arbitragebeding in haar algemene voorwaarden heeft [gerequireerde] de vordering tegen [requirant] aanvankelijk aanhangig gemaakt bij het Arbitragebureau Pootaardappelen. Op 13 december 2001 heeft [requirant] het standpunt ingenomen dat [gerequireerde] haar algemene voorwaarden niet voorafgaand aan of bij het sluiten van de koopovereenkomsten met [requirant] ter hand had gesteld. Daarom heeft zij de arbitrageclausule die kennelijk in de algemene voorwaarden van [gerequireerde] voorkomt, vernietigd. Zie in dit verband art. 6:233 sub b jo. art. 6:234 lid 1 BW.
6.
[gerequireerde] heeft in deze vernietiging berust, de procedure bij het Arbitragebureau ingetrokken en een nieuwe procedure aanhangig gemaakt bij de Rechtbank Breda.
B. De vernietigbaarheid van de overige algemene voorwaarden van [gerequireerde]
7.
[requirant] heeft geen andere algemene voorwaarden van [gerequireerde] vernietigd. Het is de vraag of [requirant] rechtens wel in staat was om algemene voorwaarden te vernietigen waarop [gerequireerde] (nog) geen beroep had of heeft gedaan; in elk geval begint de verjaringstermijn om een algemene voorwaarde te vernietigen pas te lopen nadat de gebruiker zich op de desbetreffende voorwaarde heeft beroepen (art. 6:235 lid 4 BW). Hoe dat ook zij, [requirant] was niet verplicht om onmiddellijk álle algemene voorwaarden van [gerequireerde] te vernietigen. Zie HR 17 december 1999, NJ 2000, 140 (Breg/Asper). Dat heeft [requirant] dan ook niet gedaan.
8.
De Rechtbank heeft dus ten onrechte overwogen dat de algemene voorwaarden van [gerequireerde] niet (niet meer?) tussen partijen van toepassing zijn. Deze algemene voorwaarden zijn wel van toepassing, maar vernietigbaar omdat [gerequireerde] haar terhandstellingsverplichting heeft verzaakt. Indien [gerequireerde] zich in haar relatie tot [requirant] op enige algemene voorwaarde beroept, zal [requirant] in overweging nemen of zij de desbetreffende algemene voorwaarde wenst te vernietigen.’
Daartegenover heeft [gerequireerde] zich er in de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel het volgende naar voren gebracht:
‘11.
Hoewel de AVP in de overeenkomst zijn genoemd, heeft [requirant] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van die voorwaarden, omdat die voorwaarden hem niet voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst zijn overhandigd. [gerequireerde] heeft hierin berust. Daarom is niet de Arbitragecommissie AVP, maar de gewone rechter bevoegd kennis te nemen van het geschil.
Ad grief 1
12.
Met grief 1 bestrijdt [requirant] ten onrechte de vaststelling door de rechtbank Breda van het feit dat de AVP niet tussen partijen van toepassing zijn.
13.
In strijd met hetgeen [requirant] stelt, heeft [requirant] wel degelijk in alinea 30 van zijn conclusie van antwoord erkend dat hij de algemene voorwaarden van [gerequireerde] heeft vernietigd. Alinea 30 conclusie van antwoord:
‘… Hij heeft — zonder vooraankondiging — het verzoekschrift tot arbitrage ingediend en —nadat[requirant]de algemene voorwaarden van[gerequireerde]had vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht— ingetrokken, en het verzoekschrift vervolgens omgewerkt tot een inleidende dagvaarding.’
14.
Ook tijdens de comparitie van partijen is dit aan de orde geweest. Hoewel dit niet in het proces-verbaal van de comparitie is opgenomen, hebben partijen op een daartoe strekkende vraag van de rechter-commissaris, beide aangegeven dat in deze procedure er van moet worden uitgegaan dat de AVP niet op de overeenkomst van toepassing zijn. [requirant] heeft in de conclusie van antwoord en tijdens de comparitie geen beroep gedaan op de AVP in de relatie [gerequireerde]—[requirant], maar uitsluitend in de relatie [gerequireerde]— afnemers van de pootaardappelen. Zo [gerequireerde] niet in een eerder stadium had mogen begrijpen dat [requirant] met de vernietiging beoogde de AVP in haar geheel te vernietigen, dan mocht [gerequireerde] dit in ieder geval wel zo begrijpen na ontvangst van de conclusie van antwoord en hetgeen [requirant] hieromtrent tijdens de comparitie heeft gesteld. [requirant] kan hier nu niet meer op terugkomen en als het ware de AVP laten ‘herleven’.’
In het licht van
- —
de inleidende dagvaarding waarin de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden uitsluitend aan de orde was in het kader van het daarin opgenomen arbitraal beding (dat door [requirant] vernietigd was, zodat de Rechtbank Breda en niet de arbitragecommissie AVP bevoegd was kennis te nemen van de voorliggende zaak);
- —
de conclusie van antwoord waarin de vernietiging van de algemene voorwaarden van [gerequireerde] (eveneens) uitsluitend in het kader van het daarin opgenomen arbitraal beding aan de orde was ([gerequireerde] had aanvankelijk een arbitraal verzoek ingediend en dat arbitrale verzoek na het inroepen van de vernietiging van het arbitrale beding omgewerkt tot een dagvaarding); en/of
- —
de verduidelijking (voor zover al nodig) in de antwoord-conclusie na enquête en de memorie van grieven dat de vernietiging (vooralsnog) slechts het in de algemene voorwaarden van [gerequireerde] voorkomende arbitraal beding betrof;
is het oordeel van het Hof dat [requirant] bij conclusie van antwoord (punt 30) heeft gesteld dat hij ‘’de algemene voorwaarden van [gerequireerde] had vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht’ (artikel 6:233 sub b BW) en dat uit de conclusie van antwoord blijkt dat [requirant] de door [gerequireerde] gehanteerde algemene voorwaarden heeft vernietigd zodat deze tussen [requirant] en [gerequireerde] niet van toepassing zijn, onbegrijpelijk. De conclusie van antwoord laat op zich beschouwd en/of in het licht van de inleidende dagvaarding en/of in het licht van de antwoordconclusie na enquête en de memorie van grieven, geen andere conclusie toe dan dat
- —
[requirant] in de conclusie van antwoord heeft gesteld (en heeft bedoeld te stellen); en
- —
dat uit de conclusie van antwoord blijkt;
dat [requirant] slechts het in de algemene voorwaarden van [gerequireerde] voorkomende arbitrale beding heeft vernietigd.
Vorenstaande klemt temeer, omdat uit de brief van Mr A.C. van Schaick, de advocaat van [requirant], aan Mr W.M. Bijloo, de advocaat van [gerequireerde], d.d. 13 december 2001, die [requirant] bij deze ad informandum aan de cassatiedagvaarding hecht, blijkt dat [requirant] slechts het in de algemene voorwaarden van [gerequireerde] opgenomen arbitraal beding heeft vernietigd. De brief houdt het volgende in:
‘In opgemelde zaak ontving ik vandaag van cliënt een kopie van de brief met bijlagen van 4 december jl. van het Arbitragebureau Pootaardappelen.
Ik constateer dat u op 22 november 2001 een verzoek tot arbitrage hebt ingediend in verband met de vermeende slechte kwaliteit van door cliënt geleverde aardappelen.
U stelt in uw verzoekschrift dat op de overeenkomst(en) met cliënt de AVP van toepassing zijn verklaard. Wat er van de toepasselijkheid van de AVP ook zij, deze zijn niet voorafgaand aan of bij het sluiten van de overeenkomst aan cliënt overhandigd. Cliënt vernietigt daarom bij dezen de arbitrageclausule die kennelijk in deze algemene voorwaarden voorkomt.
Teneinde te voorkomen dat onnodige kosten worden gemaakt, geef ik u in overweging het arbitrageverzoek in te trekken en de zaak aanhangig te maken bij de bevoegde rechter.’
1.2
In het licht van hetgeen [gerequireerde] (in haar inleidende dagvaarding en memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel; zie middelonderdeel 1.1) naar voren heeft gebracht, is het oordeel van het Hof in rechtsoverweging 4.5.1 dat [gerequireerde] heeft bevestigd dat [requirant] de algemene voorwaarden van [gerequireerde] heeft vernietigd wegens schending van de terhandstellingsplicht (artikel 6:233 sub b BW), onbegrijpelijk. Uit de inleidende dagvaarding blijkt immers niet meer dan dat [requirant] de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden van [gerequireerde] heeft ingeroepen in verband met het door [gerequireerde] ingeroepen, in de algemene voorwaarden van [gerequireerde] opgenomen arbitraal beding. Van een bevestiging door [gerequireerde] dat de algemene voorwaarden (in hun geheel) waren vernietigd, blijkt uit de inleidende dagvaarding niet. Hetzelfde geldt voor hetgeen [gerequireerde] in nummer 11 van de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel naar voren heeft gebracht. Voorts blijkt uit hetgeen [gerequireerde] ten aanzien van grief 1 in de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel naar voren brengt, slechts dat [gerequireerde] zich erop beroept dat [requirant] in zijn conclusie van antwoord zou hebben erkend dat zij de algemene voorwaarden van [gerequireerde] heeft vernietigd en dat [gerequireerde], zo zij al niet in een eerder stadium had mogen begrijpen dat [requirant] met de vernietiging beoogde de algemene voorwaarden van [gerequireerde] in haar geheel te vernietigen, zij dat in ieder geval mocht begrijpen uit de conclusie van antwoord en uit mededelingen van [requirant] ter comparitie. Ook hieruit blijkt niet dat [gerequireerde] bevestigde — dat wil zeggen: zei dat het zo was (zie T. den Boon c.s., Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal, 2005, p. 397, r.k., bij ‘bevestigen’ sub 4 en M. de Vries en A. Kluyver, Woordenboek der Nederlandsche Taal, tweede deel, eerste stuk, Akant-Berispelijk, 1898, p. 2332 bij ‘bevestigen’ sub 4) — dat [requirant] de algemene voorwaarden van [gerequireerde] (in hun geheel) had vernietigd.
Overigens kon [gerequireerde] ook niet bevestigen dat [requirant] de algemene voorwaarden van [gerequireerde] (in hun geheel) had vernietigd — en moest [gerequireerde] het hebben van de door haar beweerde erkenning door [requirant] in de conclusie van antwoord en van hetgeen [gerequireerde] beweerdelijk had mogen begrijpen uit de conclusie van antwoord en hetgeen ter comparitie door [requirant] zou zijn medegedeeld — omdat [gerequireerde] heel goed wist dat [requirant] slechts het in de algemene voorwaarden van [gerequireerde] opgenomen arbitrale beding had vernietigd (zie de in middelonderdeel 1.1 geciteerde, ad informandum aan de cassatiedagvaarding gehechte brief van Mr Van Schaick aan Mr Bijloo van 13 december 2001).
1.3
Het oordeel van het Hof in rechtsoverweging 4.5.1 dat [requirant] bij memorie van grieven heeft gesteld dat hij alleen de arbitragevoorwaarde en niet ook de overige door [gerequireerde] gehanteerde algemene voorwaarden heeft vernietigd, maar deze stelling niet heeft onderbouwd, is onbegrijpelijk. In de memorie van grieven heeft [requirant] immers — kort samengevat — gesteld dat hij nadat [gerequireerde] een arbitrageprocedure tegen hem was begonnen op 13 december 2001 de in de algemene voorwaarden van [gerequireerde] kennelijk opgenomen arbitrageclausule heeft vernietigd, omdat [gerequireerde] haar algemene voorwaarden niet voorafgaand aan of bij het sluiten van de koopovereenkomsten aan [requirant] ter hand had gesteld (een soortgelijke stelling van [requirant] is opgenomen in de antwoord-conclusie na enquête). Niet in te zien valt op welke wijze [requirant] deze stelling (nader) had moeten onderbouwen.
Overigens blijkt uit de in middelonderdeel 1.1 geciteerde, ad informandum aan de cassatiedagvaarding gehechte brief van Mr Van Schaick aan Mr Bijloo d.d. 13 december 2001 dat de hierboven kort weergegeven stelling van [requirant] in de memorie van grieven (en in de antwoord-conclusie na enquête) geheel overeenkomt met de werkelijke gang van zaken.
In verband met de middelonderdelen 1.1 tot en met 1.3 zij opgemerkt dat [requirant] belang heeft bij (gedeeltelijke) toepasselijkheid van de door [gerequireerde] gehanteerde algemene voorwaarden (de AVP) op de tussen [requirant] en [gerequireerde] gesloten overeenkomsten vanwege artikel 31 lid 6 AVP (zie antwoordmemorie na enquête, nummers 12–15 en 35; memorie van antwoord d.d. 26 april 2005, nummers 1–7), artikel 37 AVP (zie antwoordmemorie na enquête, nummers 18–20 en 35) en artikel 48 lid 2 AVP (zie antwoordmemorie na enquête, nummers 21–24, 33–35).
2.1
Door te overwegen en beslissen zoals het Hof heeft gedaan in rechtsoverweging 4.5.9 — waarin het Hof, kort gezegd, op grond dat de door [gerequireerde] gekochte pootaardappelen2. bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst en waaruit voortvloeit dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst en/of op grond dat de aardappelen reeds waren gepoot toen de kiemproblemen werden geconstateerd, heeft geoordeeld dat nakoming door [requirant] blijvend onmogelijk was, zodat er geen ingebrekestelling van [requirant] door [gerequireerde] was vereist — heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed. In rechtsoverweging 4.5.9 heeft het Hof het verweer gegrond bevonden dat [gerequireerde] voor het eerst in de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, nummers 43–47, naar voren heeft gebracht.
Kort samengevat komt dit verweer erop neer dat een ingebrekestelling niet was vereist omdat nakoming blijvend onmogelijk was. De pootaardappelen die [requirant] aan [gerequireerde] had geleverd, had [gerequireerde] al aan haar afnemers doorgeleverd, die de pootaardappelen in de grond hadden gepoot. [gerequireerde] kon deze aardappelen niet repareren of herstellen. Op het moment dat [gerequireerde], [requirant] en de afnemers het gebrek ontdekten, kon evenmin ongedaan worden gemaakt dat de telers een teeltperiode hadden gemist door het poten van het gebrekkige pootgoed. Op dat moment was de opbrengstschade een feit, doordat die nieuwe pootaardappelen later in het seizoen waren gepoot dan de bedoeling was, waardoor zij minder konden groeien en aardappelen konden produceren. Evenmin kon op dat moment nog worden voorkomen dat zij opnieuw moesten poten en de daarbij behorende werkzaamheden moesten verrichten. Aan al deze dingen kon [requirant] niets meer veranderen. Nakoming van de overeenkomst was dus niet meer mogelijk.
Het Hof heeft in rechtsoverweging 4.5.9 evenwel miskend dat het dit verweer niet gegrond had mogen bevinden en/of als onweersproken had mogen aanmerken, althans dit verweer niet gegrond had mogen bevinden en/of als onweersproken had mogen aanmerken zonder [requirant] eerst de gelegenheid te hebben geboden zich daarover uit te laten, waar dit verweer was voorgedragen in het laatste processtuk in het principale appel (memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, in het gedeelte van deze memorie dat betrekking heeft op het principale appel (nummers 43–47)) waarop [requirant] (appellant in het principaal appel) niet meer heeft gereageerd. De omstandigheid dat het principale appel is gevolgd door een incidenteel appel van de zijde van [gerequireerde], doet hieraan niet af, omdat van [requirant] niet kon worden verlangd dat [requirant] in zijn processtukken in het incidentele appel (memorie van antwoord d.d. 26 april 2005 en antwoordakte in incidenteel appel d.d. 21 juni 2005) reageerde op het vorenbedoelde verweer. Dat deze reactie van [requirant] in zijn processtukken in het incidentele appel niet kon worden verlangd, klemt temeer waar er i.c. van een belangrijke mate van verwevenheid tussen het principale appel3. en incidentele appel4. geen sprake was en/of het hierboven bedoelde verweer door [gerequireerde] niet (ook) in het incidentele appel naar voren is gebracht5.. Evenmin kon van [requirant] worden verlangd dat hij een akte nam in het principale appel of dat hij pleidooi vroeg (uitsluitend) om het door [gerequireerde] eerst bij memorie van antwoord in principaal appel naar voren gebrachte verweer te bestrijden. Indien het Hof het vorenstaande niet heeft miskend, is 's Hofs rechtsoverweging 4.5.9 onbegrijpelijk, omdat alsdan zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien dat en waarom het Hof het eerst bij het laatste processtuk in het principale appel naar voren gebrachte verweer van [gerequireerde] gegrond kon bevinden zonder [requirant] eerst de gelegenheid te hebben geboden zich daarover uit te laten.
2.2
In nummer 8 van de inleidende dagvaarding heeft [gerequireerde] (onder meer) het navolgende betoogd:
‘[gerequireerde] heeft aanzienlijke schade geleden. De schade bedraagt tenminste € 39.709,82 exclusief renten en kosten. [gerequireerde] is aangesproken door haar afnemers en [requirant] is aansprakelijk voor die schade. De akkerbouwers moesten opnieuw de grond bewerken en nieuwe pootaardappelen kopen. Vervolgens moesten zij opnieuw poten. Hieraan zijn kosten verbonden. Daarnaast derfden zij inkomsten, omdat de teelt een aantal weken later is aangevangen, waardoor de aardappelen minder lang konden groeien en minder kilo's hebben gevormd. Als productie 3 zal [gerequireerde] een schadespecificatie overleggen.’
In nummer 4 van haar conclusie na enquête heeft [gerequireerde] (onder meer) het volgende betoogd:
‘Naast bovenstaande betalingen, heeft [gerequireerde] ook nog bijkomende betalingsverplichtingen jegens [bedrijf 1] en [betrokkene 1] B.V. [gerequireerde] heeft daartoe verschillende afnemers, tussenpersonen en eindgebruikers onder ede laten horen. Uit die verklaringen volgt dat de akkerbouwers het gebrekkige pootgoed hadden gepoot. Hun schade bestond hieruit dat zij de grond opnieuw moesten bewerken, opnieuw pootaardappelen moesten poten en door dit tijdsverlies minder lang van het groeiseizoen hebben kunnen profiteren, waardoor zij minder kilo's hebben geoogst. De getuigenverklaringen zijn op dit punt helder.’
In nummer 9 van de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, heeft [gerequireerde] het in nummer 8 van de inleidende dagvaarding betoogde vrijwel woordelijk herhaald.
Verschillende door [gerequireerde] voorgedragen getuigen hebben in het kader van de aan [gerequireerde] gegeven opdracht om te bewijzen welke bedragen aan schadevergoeding [gerequireerde] aan haar afnemers heeft betaald en op grond waarvan zij daartoe gehouden was, langs bovenstaande lijnen verklaard.6.
Indien en voor zover 's Hofs beslissing in rechtsoverweging 4.5.9 dat geen ingebrekestelling was vereist omdat nakoming door [requirant] blijvend onmogelijk was, (mede) is gebaseerd op de bovengenoemde passages in de gedingstukken (erop neerkomende dat de akkerbouwers het gebrekkige pootgoed hadden gepoot, de grond opnieuw moesten bewerken, opnieuw pootaardappelen moesten poten en door dit tijdsverlies minder lang van het groeiseizoen hebben kunnen profiteren waardoor zij minder kilo's hebben geoogst), heeft het Hof miskend dat die passages slechts in het kader van — kort gezegd — (de vraag naar) de schade die [requirant] aan [gerequireerde] zou moeten vergoeden, naar voren zijn gebracht en dat [requirant] er niet op bedacht behoefde te zijn dat het Hof die passages (mede) ten grondslag zou leggen aan zijn in rechtsoverweging 4.5.9 opgenomen beslissing dat geen ingebrekestelling was vereist omdat nakoming door [requirant] blijvend onmogelijk was. Door aldus te overwegen en beslissen heeft het Hof [requirant] dan ook voor een ontoelaatbare verrassing gesteld en/of [requirant] tekort gedaan in zijn recht op verdediging. [requirant] is immers niet in de gelegenheid geweest om op vorenbedoelde passages te reageren in het kader van de vraag of nakoming door [requirant] blijvend onmogelijk en of een ingebrekestelling nodig was (hetgeen een geheel andere vraag is dan die naar de schade die [requirant] aan [gerequireerde] zou moeten vergoeden, in welk kader de bedoelde passages naar voren zijn gebracht/gekomen). Indien het Hof vorenstaande niet heeft miskend, is 's Hofs rechtsoverweging 4.5.9 onbegrijpelijk, omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien dat en waarom het Hof op basis van de in rechtsoverweging 4.5.9 aangenomen feiten en/of omstandigheden (dat de door [gerequireerde] gekochte pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst en waaruit voortvloeit dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst en/of op grond dat de aardappelen reeds waren gepoot toen de kiemproblemen werden geconstateerd) kon komen tot de in rechtsoverweging 4.5.9 opgenomen beslissing dat geen ingebrekestelling was vereist omdat nakoming door [requirant] blijvend onmogelijk was, terwijl de door het Hof aangenomen feiten en omstandigheden in geheel ander kader — te weten de schade die [requirant] aan [gerequireerde] zou moeten vergoeden — naar voren zijn gekomen en [requirant] er niet op bedacht behoefde te zijn dat deze door het Hof aangenomen feiten en omstandigheden een rol zouden spelen bij beantwoording van de vraag of i.c. een ingebrekestelling was vereist.
2.3
Door te overwegen en beslissen zoals het Hof heeft gedaan in rechtsoverweging 4.5.9 — in het bijzonder door uit de door het Hof aangenomen omstandigheid dat de door [gerequireerde] gekochte pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst, af te leiden dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst — heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed. In de voorliggende zaak:
- a.
heeft geen van beide partijen (in het bijzonder [gerequireerde]) ten processe gesteld dat tijdige levering deel uitmaakte van de tussen partijen gesloten overeenkomst(en);
- b.
blijkt uit de gedingstukken niet dat partijen van mening verschilden over de uitleg van de tussen hen gesloten overeenkomst(en) (ten aanzien van de vraag of tijdige levering deel uitmaakte van de tussen partijen gesloten overeenkomst(en));
- c.
hebben partijen ten processe (dan ook) niet gedebatteerd over de uitleg van de tussen hen gesloten overeenkomst(en); en
- d.
blijkt uit (de bewoordingen van) de tussen partijen gesloten overeenkomst(en) (op zich) niet dat tijdige levering deel van de overeenkomst(en) uitmaakte;
In de inkoopbevestiging van [gerequireerde] aan [requirant] d.d. 14 december 2000 wordt gesproken van een levertijd ‘najaar 2000’ en een leveringsperiode ‘december in goed overleg’;
in die van 5 april 2001 van een levertijd ‘voorjaar 2001’ en van een leveringsperiode ‘in overleg voor 15 april’;
in die van 18 april 2001 van een levertijd ‘voorjaar 2001’ en van een leveringsperiode ‘in de maand april’; en, tot slot
in die van 24 april 2001 van een levertijd ‘voorjaar 2001’ en een leveringsperiode ‘in de maand april’.
De inkoopbevestigingen (die de overeenkomsten belichamen; zie inleidende dagvaarding, nummers 1–4 en conclusie van antwoord, nummer 6; rechtsoverweging 3.1, eerste gedachtestreepje, van het tussenvonnis van de Rechtbank van 1 oktober 2002 en memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, nummer 5) zijn als productie 1 bij de inleidende dagvaarding d.d. 6 februari 2002 overgelegd.
Door onder de hierboven geschetste omstandigheden a–d te overwegen en beslissen zoals eerder in dit middelonderdeel 2.3 is aangegeven (in het bijzonder door uit de omstandigheid dat de door [gerequireerde] gekochte pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst, af te leiden dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst), heeft het Hof miskend dat het aan het Hof niet vrijstond (ambtshalve) de tussen partijen gesloten overeenkomst(en) (zie productie 1 bij de inleidende dagvaarding) aldus uit te leggen dat tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst(en). Van een dergelijke (ambtshalve) uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst(en) door het Hof kon eerst sprake zijn:
- —
indien (ten minste) één van partijen (in het bijzonder [gerequireerde]) ten processe deze uitleg zou hebben verdedigd;
of
- —
indien partijen blijkens de gedingstukken van mening zouden hebben verschild over de uitleg van de tussen hen gesloten overeenkomst(en) (ten aanzien van de vraag of tijdige levering deel uitmaakte van de tussen hen gesloten overeenkomst(en)) en/of daarover ten processe zouden hebben gedebatteerd;
althans
- —
indien de tussen partijen gesloten overeenkomst(en) er geen enkel misverstand over liet(en) bestaan dat tijdige levering deel uitmaakte van de tussen partijen gesloten overeenkomsten (zodat een processueel debat daarover (in redelijkheid) niet mogelijk was).
Door te overwegen en beslissen zoals het Hof heeft gedaan als eerder aangegeven in dit middelonderdeel 2.3 heeft het Hof dan ook ambtshalve feiten bijgebracht en/of is het Hof getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen. Het Hof had althans alvorens de vraag te beantwoorden of tijdige levering deel uitmaakte van de tussen partijen gesloten overeenkomst(en) partijen de gelegenheid moeten geven hierover het processuele debat aan te gaan (en zich van een beslissing op dit punt moeten onthouden als partijen dat debat niet wensten te voeren).
2.4
's Hofs in rechtsoverweging 4.5.9 opgenomen overweging dat de door [gerequireerde] gekochte pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst, waaruit voortvloeit dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst, is niet naar de eis der wet met redenen omkleed, omdat het Hof niet duidelijk maakt wat onder een ‘tijdige levering’, waardoor de pootaardappelen op een dusdanig tijdstip konden worden gepoot dat zij voldoende tijd hadden om te ontkiemen hetgeen ten goede komt aan de opbrengst, moet worden verstaan. Die duidelijkheid wordt evenmin verschaft door hetgeen ten processe is gesteld en/of gebleken. Uit de inkoopbevestigingen blijkt immers niet meer dan dat de levertijd najaar 2000 respectievelijk voorjaar 2001 was en dat de leverperiode ‘december in goed overleg’, ‘in overleg voor 15 april’ respectievelijk ‘in de maand april’ was (zie middelonderdeel 2.3 sub d). Uit de gedingstukken blijkt dat de pootaardappelen die van [requirant] afkomstig waren, in mei 2001 zijn gepoot7. (met uitzondering van die welke [gerequireerde] heeft doorgeleverd aan [A]8.). Uit de getuigenverklaring van [naam5] van [gerequireerde] (proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 september 2003, p. 2) blijkt dat er waarschijnlijk ook nog pootaardappelen die van [requirant] afkomstig waren, begin juni 2001 (aan [naam 4] en [betrokkene 1]) zijn geleverd:
‘Mijn volgende ervaring was begin juni, kort voordat ik op vakantie ging, toen de heer [requirant] mij belde met de mededeling dat er misschien kiemproblemen waren met een partij (…)
In diezelfde periode is er nog een partij naar Zeeuws Vlaanderen gegaan. Dat is de partij die terecht is gekomen bij onder andere [naam 4] en [betrokkene 1]. Ik weet niet of dat voor of na het moment was waarop [requirant] zijn vermoeden uitsprak. Dat is wel na te gaan. Mijn gevoel zegt dat die levering erna heeft plaatsgevonden.’
In het licht van de hierboven weergegeven gedingstukken (inclusief producties) is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk wat onder ‘tijdige levering’, waardoor de pootaardappelen op een dusdanig tijdstip konden worden gepoot dat zij voldoende tijd hadden om te ontkiemen hetgeen ten goede komt aan de opbrengst, moet worden verstaan. Vorenstaande klemt temeer waar een deel van de pootaardappelen die van [requirant] afkomstig waren, in Frankrijk is gepoot9. en het voor de hand ligt, althans niet valt uit te sluiten, dat vanwege verschillen tussen het klimaat in Nederland en dat in Frankrijk (het is immers een feit van algemene bekendheid en/of een algemene ervaringsregel dat het in Frankrijk warmer is c.q. pleegt te zijn dan in Nederland10.) de tijdigheid van levering van pootaardappels die van [requirant] afkomstig waren, voor van [requirant] afkomstige pootaardappels die in Frankrijk zijn gepoot, anders ligt dan voor van [requirant] afkomstige pootaardappels die in Nederland zijn gepoot. Vorenstaande klemt (evenzeer) temeer waar ten processe niets is gesteld of gebleken omtrent de wetenschap van [requirant] ten aanzien van het land (de land(en)) waar en het klimaat (de klimaten) waarin de door [requirant] aan [gerequireerde] geleverde pootaardappelen zouden worden gepoot (hetgeen van belang is, althans kan zijn, voor de teeltperiode).
2.5
Indien en voor zover 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 4.5.9 aldus moet worden begrepen dat nakoming blijvend onmogelijk was en een ingebrekestelling (dus) niet was vereist, mede omdat de verplichting van [requirant] om deugdelijke pootaardappelen aan [gerequireerde] te leveren slechts kon worden nagekomen binnen zekere tijd, die [requirant] voorbij heeft laten gaan (zie 's Hofs overweging in rechtsoverweging 4.5.9: ‘(…) van belang is dat de door [gerequireerde] gekochte pootaardappelen bestemd waren om op een zodanig tijdstip in 2001 te worden gepoot dat de aardappelen voldoende tijd zouden hebben om te ontkiemen, hetgeen ten goede komt aan de opbrengst. Daaruit vloeit voort dat een tijdige levering deel uitmaakte van de overeenkomst.’) heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed. In de voorliggende zaak hebben alle (indirecte) afnemers van [gerequireerde] de pootaardappelen die van [requirant] afkomstig waren, immers overgepoot met pootgoed (pootaardappelen) die van derden afkomstig was (waren) (zie conclusie van antwoord, nummer 25 en memorie van grieven, nummer 26). Het Hof heeft dan ook miskend dat zich in casu niet het geval voordoet dat [requirant] slechts binnen zekere tijd aan zijn verplichting om deugdelijke pootaardappelen te leveren, kon voldoen, althans die zekere tijd nog niet was verstreken toen de kiemproblemen ten aanzien van de door [requirant] aan [gerequireerde] geleverde pootaardappelen zich manifesteerden. Indien het Hof vorenstaande niet heeft miskend, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat en waarom het Hof tot het oordeel kon komen dat de verplichting van [requirant] om deugdelijke pootaardappelen aan [gerequireerde] te leveren slechts kon worden nagekomen binnen zekere tijd, die [requirant] voorbij heeft laten gaan, waar alle afnemers van [gerequireerde] de pootaardappelen die van [requirant] afkomstig waren, hebben overgepoot met pootgoed (pootaardappelen) dat (die) van derden afkomstig was (waren).
2.6.1
Indien en voor zover 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 4.5.9 aldus moet worden begrepen dat nakoming blijvend onmogelijk was en een ingebrekestelling (dus) niet was vereist, mede omdat als gevolg van het overpoten slechts een lagere opbrengst kon worden gerealiseerd vanwege de geringere tijd die de nieuw gepote pootaardappelen hebben gehad om te kunnen ontkiemen11., heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het Hof heeft miskend dat de omstandigheid dat als gevolg van het overpoten slechts een lagere opbrengst kon worden gerealiseerd vanwege de geringere tijd die de nieuw gepote pootaardappelen hadden om te kunnen ontkiemen, niet meebrengt dat nakoming door [requirant] (in alle opzichten) blijvend onmogelijk was. [requirant] had immers alsnog deugdelijke pootaardappels aan [gerequireerde] kunnen leveren (conclusie van antwoord, nummer 24 en memorie van grieven, nummer 29) waarmee de afnemers van [gerequireerde] dan in ieder geval de hierboven bedoelde lagere opbrengst hadden kunnen realiseren. Een ingebrekestelling door [gerequireerde] van [requirant] was dan ook vereist ten einde [requirant] de mogelijkheid te geven alsnog deugdelijke pootaardappelen aan [gerequireerde] te leveren, waarmee de afnemers van [gerequireerde] dan in ieder geval de hierboven bedoelde lagere opbrengst hadden kunnen realiseren.
[requirant] heeft zich ten processe ook (steeds) op het standpunt gesteld dat [gerequireerde] hem in gebreke had moeten stellen. Zie conclusie van antwoord, nummers 24 en 25; verklaring van [requirant], aangevuld door Mr Van Schaick, ter comparitie van partijen (zie proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 3 juni 2002, p. 2); en memorie van grieven, nummers 26 en 27.
Het gevolg van het eerder in dit middelonderdeel 2.6.1 gestelde is dat (in ieder geval) niet voor schadevergoeding in aanmerking komt de door [gerequireerde] geclaimde aanschafprijs van het nieuwe pootgoed (zie inleidende dagvaarding, nummer 8, conclusie na enquête, nummer 4 en memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, nummer 9).
2.6.2
Voor het geval 's Hofs rechtsoverweging 4.5.9 moet worden begrepen zoals uiteengezet in middelonderdeel 2.6.1, heeft het Hof (voorts) miskend dat een ingebrekestelling (bovendien) was vereist om als schadevergoeding te kunnen vorderen het verschil tussen de opbrengst die zou zijn gerealiseerd als [requirant] onmiddellijk deugdelijke pootaardappels aan [gerequireerde] zou hebben geleverd en de lagere opbrengst die kon worden gerealiseerd vanwege de geringere tijd die nieuw gepote pootaardappelen hebben gehad om te kunnen ontkiemen. Voormeld verschil (voormelde schade) is immers slechts een gevolg van niet-tijdigheid van levering van deugdelijke pootaardappels door [requirant] aan [gerequireerde], hetgeen meebrengt dat er geen sprake was van blijvende onmogelijkheid van nakoming door [requirant] en dat een ingebrekestelling van [requirant] door [gerequireerde] was vereist om vorenbedoeld verschil als schadevergoeding te kunnen vorderen.
Het gevolg van het in dit middelonderdeel 2.6.2 gestelde is dat (in ieder geval) niet voor schadevergoeding in aanmerking komt de door [gerequireerde] geclaimde inkomstenderving omdat de teelt een aantal weken later is aangevangen waardoor de aardappelen minder lang konden groeien en minder kilo's hebben gevormd (zie inleidende dagvaarding, nummer 8, conclusie na enquête, nummer 4 en memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, nummer 9).
2.7
Door te overwegen en beslissen dat nakoming blijvend onmogelijk was en een ingebrekestelling (dus) niet was vereist, mede omdat de pootaardappelen die van [requirant] afkomstig waren, reeds waren gepoot, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat de van [requirant] afkomstige pootaardappels reeds waren gepoot, laat immers onverlet dat deze pootaardappelen konden worden overgepoot (hetgeen ook is geschied, zij het dat de (indirecte) afnemers van [gerequireerde] het pootgoed van derden hebben betrokken; zie conclusie van antwoord, nummer 25 en memorie van grieven, nummer 26). Vorenbedoelde omstandigheid doet er dan ook niet aan af dat van blijvende onmogelijkheid om na te komen geen sprake was (waar het ging om de opbrengst die had kunnen worden gerealiseerd met overgepote pootaardappelen en/of waar het ging om het verschil tussen de opbrengst die zou zijn gerealiseerd als [requirant] onmiddellijk deugdelijke pootaardappels aan [gerequireerde] zou hebben geleverd en de lagere opbrengst die kon worden gerealiseerd vanwege de geringere tijd die nieuw gepote pootaardappelen hebben gehad om te kunnen ontkiemen).
3.1
[requirant] heeft gesteld dat [gerequireerde] jegens de afnemers van de contractspartijen van [gerequireerde] (aan welke afnemers de contractspartijen van [gerequireerde] de pootaardappelen die van [requirant] afkomstig waren, hebben doorgeleverd) — waarbij [requirant] in hoger beroep het oog had op [betrokkene 7], [betrokkene 8] en [betrokkene 9] (omdat de Rechtbank schadeplichtigheid van [requirant] ter zake van door hen geleden schade had aangenomen; zie te dien aanzien het eindvonnis van de Rechtbank d.d. 31 maart 2004) — niet aansprakelijk is, omdat [gerequireerde] en deze afnemers van de contractspartijen van [gerequireerde] geen contractuele relatie hebben (antwoord-conclusie na enquête, nummer 4 en memorie van grieven, nummer 39) en [gerequireerde] jegens deze afnemers van de contractspartijen van [gerequireerde] niet uit hoofde van een (toerekenbare) onrechtmatige daad aansprakelijk is of kan zijn (memorie van grieven, nummer 39). Naar aanleiding van deze stelling(en) van [requirant] overweegt het Hof in rechtsoverweging 4.5.15:
- —
dat [gerequireerde] in beginsel alleen vergoeding kan vorderen van de door haar geleden schade;
- —
dat er in dezen echter sprake is van een situatie waarin [requirant] op voorhand ervan op de hoogte was dat de door [gerequireerde] gekochte aardappelen bestemd waren om te worden doorgeleverd;
- —
dat de contractspartijen van [gerequireerde] de aardappelen hebben doorgeleverd aan hun eigen afnemers (derden);
- —
dat tussen [gerequireerde] en deze derden een rechtsverhouding bestaat krachtens welke [gerequireerde] (binnen de door art. 6:98 BW getrokken grenzen) gehouden is de schade die deze derden als gevolg van de non-conformiteit van de aardappelen hebben geleden, te vergoeden; en
- —
dat het enkele feit dat de afnemers van de contractspartijen van [gerequireerde], en niet de contractspartijen zelf, uiteindelijk de aardappelen hebben gepoot, op de schadevergoedingsplicht van [gerequireerde] niet van invloed is;
zodat
- —
[gerequireerde] voormelde schade van [requirant] kan vorderen.
's Hofs rechtsoverweging 4.5.15 is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Het Hof heeft geen inzicht gegeven in de door het Hof gevolgde gedachtegang. Het Hof heeft immers niets overwogen omtrent de inhoud van de door het Hof aangenomen rechtsverhouding die volgens het Hof bestaat tussen [gerequireerde] en de derden (afnemers van de contractspartijen van [gerequireerde]) en die volgens het Hof meebrengt dat [gerequireerde] gehouden is aan die derden hun schade te vergoeden die zij hebben geleden als gevolg van de non-conformiteit van de (poot)aardappelen (die uiteindelijk van [requirant] afkomstig waren en die de contractspartijen van [gerequireerde] hebben doorgeleverd aan hun afnemers). Uit 's Hofs rechtsoverweging 4.5.15 (en 's Hofs andere rechtsoverwegingen) blijkt (zelfs) niet of er naar het oordeel van het Hof sprake is van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid van [gerequireerde] jegens de derden (en nog minder wat de inhoud van die aansprakelijkheid zou zijn). Dientengevolge is voor partijen (in het bijzonder [requirant]) en/of de Hoge Raad niet na te gaan of het Hof al dan niet is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting.
3.2
Door te overwegen en beslissen zoals het Hof heeft gedaan in rechtsoverweging 4.5.15 (zie middelonderdeel 3.1) heeft het Hof miskend dat in een geval als het onderhavige — waarin het gaat om de levering door [gerequireerde] van non-conforme pootaardappelen aan haar contractuele wederpartijen die deze pootaardappelen hebben doorgeleverd aan hun afnemers — er slechts onder (bijzondere) omstandigheden een rechtsverhouding kan ontstaan tussen de leverancier ([gerequireerde]) van een non-conform product en de afnemers van de contractuele wederpartijen van die leverancier op grond waarvan de leverancier aan die afnemers de schade moet vergoeden die zij hebben geleden als gevolg van de non-conformiteit van dat product en dat de door het Hof (mogelijkerwijs) in aanmerking genomen omstandigheden, te weten:
- —
dat er in dezen sprake is van een situatie waarin [requirant] op voorhand ervan op de hoogte was dat de door [gerequireerde] gekochte aardappelen bestemd waren om te worden doorgeleverd (waarbij thans wordt daargelaten dat het Hof deze eventuele omstandigheid niet had mogen aannemen; zie middelonderdeel 3.3);
- —
dat de contractspartijen van [gerequireerde] de aardappelen hebben doorgeleverd aan hun eigen afnemers (derden);
- —
en/of
- —
dat het enkele feit dat de afnemers van de contractspartijen van [gerequireerde], en niet de contractspartijen zelf, uiteindelijk de aardappelen hebben gepoot, op de schadevergoedingsplicht van [gerequireerde] niet van invloed is (zie te dien aanzien ook middelonderdeel 3.4);
ieder op zich en in onderling verband en in onderlinge samenhang beschouwd, niet meebrengen dat er een rechtsverhouding tussen [gerequireerde] en de afnemers van haar contractuele wederpartijen is ontstaan op grond waarvan [gerequireerde] aan die afnemers de schade moet vergoeden die deze afnemers hebben geleden als gevolg van de non-conformiteit van dat product.
In verband met het vorenstaande zij opgemerkt:
- —
dat de door het Hof aangenomen omstandigheid dat [requirant] op voorhand ervan op de hoogte was dat de door [gerequireerde] gekochte aardappelen bestemd waren om te worden doorgeleverd, niets zegt over de vraag of een rechtsverhouding tussen [gerequireerde] en de afnemers van haar contractuele wederpartijen als door het Hof bedoeld is ontstaan;
- —
dat de omstandigheid dat de contractspartijen van [gerequireerde] de aardappelen hebben doorgeleverd aan hun eigen afnemers, in een geval als het onderhavige (waarin het gaat om de levering door [gerequireerde] van non-conforme pootaardappelen aan haar contractuele wederpartijen die deze pootaardappelen hebben doorgeleverd aan hun afnemers) wel een noodzakelijke maar geen voldoende omstandigheid is voor het ontstaan van een rechtsverhouding tussen [gerequireerde] en de afnemers van haar contractuele wederpartijen als door het Hof bedoeld;
- —
dat het antwoord op de vraag of de omstandigheid dat de afnemers van de contractspartijen van [gerequireerde], en niet de contractspartijen zelf, uiteindelijk de aardappelen hebben gepoot, op de schadevergoedingsplicht van [gerequireerde] al dan niet van invloed is, nu juist (onder meer) afhangt van het antwoord op de vraag of er een rechtsverhouding tussen [gerequireerde] en de afnemers van haar contractuele wederpartijen tot stand is gekomen en, zo ja, wat de inhoud van die rechtsverhouding dan is (vergelijk middelonderdeel 3.4).
3.3
's Hofs overweging in rechtsoverweging 4.5.15 dat [requirant] er op voorhand van op de hoogte was dat de door [gerequireerde] gekochte aardappelen bestemd waren om te worden doorgeleverd, is onbegrijpelijk, omdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk is wat het Hof verstaat onder ‘op voorhand’. Indien 's Hofs voormelde overweging in rechtsoverweging 4.5.15 aldus moet worden begrepen dat [requirant] er ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten met [gerequireerde] van op de hoogte was dat de door [gerequireerde] gekochte (poot)aardappelen waren bestemd om te worden doorgeleverd, heeft het Hof ambtshalve feiten bijgebracht en/of is het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden. Immers, partijen hebben ten processe niet gesteld, en ten processe is evenmin gebleken, dat [requirant] er ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten met [gerequireerde] van op de hoogte was dat de door [gerequireerde] (van [requirant]) gekochte (poot)aardappelen bestemd waren om te worden doorgeleverd (aan derden).
Uit de verklaring van [naam 5] en [naam 13] ter comparitie (proces-verbaal van comparitie van partijen, p. 2) volgt integendeel, althans veeleer, dat [requirant] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomsten niet wist (of behoefde te weten) dat [gerequireerde] doorverkocht aan derden:
‘Het pootgoed is van [requirant] naar een sorteerbedrijf gegaan en daar in opslag gebleven. Wij hebben de vier partijen gekocht onder de leveringsconditie ‘op auto’. Dit betekent dat levering heeft plaatsgevonden door het laden op de auto. In de praktijk zijn dat de auto's geweest van de afnemers aan wie wij hebben doorverkocht.’
3.4
's Hofs overweging in rechtsoverweging 4.5.15 dat het enkele feit dat de afnemers van de contractspartijen van [gerequireerde], en niet de contractspartijen zelf, uiteindelijk de aardappelen hebben gepoot, niet van invloed is op de schadevergoedingsplicht van [gerequireerde], is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Het Hof heeft miskend dat de omstandigheid dat de contractuele wederpartijen van [gerequireerde] de aardappelen niet zelf hebben gepoot maar deze aan hun afnemers hebben doorgeleverd en deze afnemers de aardappelen vervolgens hebben gepoot, wel van invloed is, althans kan zijn, op de schadevergoedingsverplichting van [gerequireerde]. Immers, zouden de contractuele wederpartijen van [gerequireerde] de aardappelen zelf hebben gepoot, dan zou [gerequireerde] contractueel aansprakelijk kunnen zijn jegens die wederpartijen (afhankelijk van de inhoud van de tussen [gerequireerde] en haar contractuele wederpartijen gesloten overeenkomsten). Waar de afnemers van de contractuele wederpartijen van [gerequireerde] de aardappelen hebben gepoot, kan [gerequireerde] jegens die afnemers hoogstens onder (bijzondere) omstandigheden aansprakelijk zijn (wegens schending door [gerequireerde] van een zorgplicht van [gerequireerde] jegens die afnemers). Het antwoord op de vraag of [gerequireerde] aansprakelijk is en, zo ja, welke schade dan (mogelijkerwijs) voor vergoeding door [gerequireerde] in aanmerking komt, moet voor ieder der geschetste gevallen (contractuele aansprakelijkheid van [gerequireerde] jegens haar contractuele wederpartijen en aansprakelijkheid van [gerequireerde] jegens de afnemers van haar contractuele wederpartijen wegens schending van een zorgplicht) derhalve op zijn eigen merites worden beoordeeld. Indien het Hof vorenstaande niet heeft miskend, is 's Hofs beslissing onbegrijpelijk, omdat alsdan niet valt in te zien waarom de omstandigheid dat niet de contractuele wederpartijen van [gerequireerde] maar afnemers van die contractuele wederpartijen uiteindelijk de aardappelen hebben gepoot, niet van invloed zou zijn, althans zou kunnen zijn, op de schadevergoedingsplicht van [gerequireerde], waar de basis voor aansprakelijkheid in het geval de contractuele wederpartijen van [gerequireerde] de aardappelen zouden hebben gepoot een andere is dan de basis voor aansprakelijkheid in het geval dat zich heeft voorgedaan, waarin de afnemers van de contractuele wederpartijen van [gerequireerde] de aardappelen hebben gepoot.
Hoewel 's Hofs rechtsoverweging 4.5.15 zich slechts richt op [betrokkene 7], [betrokkene 8] en [betrokkene 9] (omdat de Rechtbank schadeplichtigheid van [requirant] ter zake van door hen geleden schade had aangenomen; zie te dien aanzien het eindvonnis van de Rechtbank d.d. 31 maart 2004), kan deze rechtsoverweging ook van belang zijn ten aanzien van de schadevergoeding die [gerequireerde] heeft gevorderd in verband met schade van andere afnemers van haar contractuele wederpartijen, te weten [naam 8], [naam 9], [naam 10], [naam 11] en [naam 12]. Immers, tegen de afwijzing door de Rechtbank van de vordering van [gerequireerde] ter zake van deze schade is [gerequireerde] opgekomen in incidentele grief 2 (memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, p. 18–19).
4.1
[requirant] heeft zich er — kort gezegd — op beroepen dat [gerequireerde] slechts schade op [requirant] kan verhalen die [gerequireerde] heeft geleden doordat zij haar afnemers ([betrokkene 2] en [betrokkene 1]) schadeloos heeft gesteld en rechtens schadeloos heeft moeten stellen en dat het meerdere niet als schade in juridische zin kan worden gekwalificeerd, althans dat [gerequireerde] deze schade als gevolg van haar schadebeperkingsplicht (artikel 6:101 BW en artikel 50 AVP) niet op [requirant] kan verhalen, en dat [gerequireerde] ingevolge de in artikel 48 lid 2 AVP opgenomen aansprakelijkheidsbeperking niet verder aansprakelijk is jegens haar afnemers dan tot het bedrag van de koopprijs en de door die afnemers gemaakte kosten.
Zie antwoord-conclusie na enquête, in het bijzonder nummers 3–7, 10, 11 en 21–27 en memorie van grieven, grief 6 en de nummers 32–37.
Artikel 48 lid 2 AVP luidt als volgt: ‘Indien de verborgen gebreken in de geleverde pootaardappelen niet aan verkoper zijn te wijten, is verkoper, in afwijking van het gestelde in lid 1, slechts gehouden tot een schadevergoeding aan koper van ten hoogste de koopprijs, vermeerderd met de eventueel door koper gemaakte kosten.’
Voorts heeft [requirant] zich erop beroepen dat een aantal afnemers via één of meerdere tussenschakels pootaardappelen (die oorspronkelijk afkomstig waren van [requirant]) hebben betrokken van [betrokkene 1] (één van de contractuele wederpartijen van [gerequireerde]), dat [betrokkene 1] steeds op basis van de AVP (productie 12 bij de conclusie na enquête) heeft gecontracteerd en jegens haar afnemers — onder andere in verband met artikel 48 lid 2 AVP — niet aansprakelijk is voor de schade die deze afnemers eventueel hebben geleden, zodat het dus niet aangaat om [gerequireerde]— die zich zelf in haar verhouding tot [betrokkene 1] ook op de AVP kan beroepen — aansprakelijk te houden voor opbrengstderving van de afnemers van [betrokkene 1], laat staan dat [requirant] voor deze schade aansprakelijk is. Voorts heeft [requirant] zich erop beroepen dat uit de schadebeperkingsplicht, alsmede de redelijkheid en billijkheid, volgt dat [gerequireerde] niet gerechtigd was een of meer bedingen uit de AVP die aansprakelijkheid van [gerequireerde] uitsluiten en/of beperken, niet in te roepen.
Zie antwoord-conclusie na enquête, in het bijzonder de nummers 3–5, 7, 10, 11, 21–27; memorie van grieven, nummer 40 en antwoordakte in incidenteel appel, nummers 1–3.
In de eerste alinea van rechtsoverweging 4.5.16 heeft het Hof overwogen en beslist dat voor de in het kader van de omvang van de schade te beantwoorden vraag in hoeverre [gerequireerde] rechtens gehouden was de door haar betaalde schade te vergoeden, niet van belang is of de door [gerequireerde] en haar contractspartij [betrokkene 1] gehanteerde algemene voorwaarden (de AVP12.) van toepassing waren op de overeenkomsten op basis waarvan de door [requirant] geleverde aardappelen zijn doorgeleverd, nu deze algemene voorwaarden [requirant] in beginsel niet regarderen, omdat [requirant] derde is ten opzichte van die overeenkomsten en [requirant] niet, althans onvoldoende, heeft gesteld dat in de gegeven omstandigheden sprake is van doorwerking van deze voorwaarden te zijner gunste, 's Hofs voormelde rechtsoverweging is rechtens onjuist, althans niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het Hof heeft miskend dat voor de in het kader van de omvang van de schade te beantwoorden vraag in hoeverre [gerequireerde] rechtens gehouden was de door haar betaalde schade (aan (indirecte) afnemers) te vergoeden, wel van belang is, althans kan zijn, (het antwoord op) de vraag of de door [gerequireerde] en haar contractspartij [betrokkene 1] gehanteerde algemene voorwaarden (de AVP) van toepassing waren op de overeenkomsten op basis waarvan de door [requirant] geleverde aardappelen zijn doorgeleverd. Immers, waren de door [gerequireerde] en [betrokkene 1] gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing op de overeenkomsten op basis waarvan de door [requirant] geleverde aardappelen zijn doorgeleverd (waarvan in cassatie kan worden uitgegaan; zie de eerder in dit middelonderdeel 4.1 aangehaalde vindplaatsen, alsmede conclusie na enquête, nummers 7–9 en rechtsoverweging 2.3 van het eindvonnis van de Rechtbank), dan kon:
- —
[gerequireerde] zich op de van haar overeenkomsten met haar afnemers ([betrokkene 2] en [betrokkene 1]) deel uitmakende aansprakelijkheidsbeperking (artikel 48 lid 2 AVP) beroepen jegens die afnemers;
- —
[gerequireerde] zich (mogelijkerwijs) op doorwerking van de aansprakelijkheidsbeperking (artikel 48 lid 2 AVP) die deel uitmaakte van haar overeenkomst(en) met haar contractspartij [betrokkene 1], beroepen jegens (indirecte) afnemers van [betrokkene 1];
- —
[gerequireerde] zich (mogelijkerwijs) te eigener gunste op doorwerking van de(zelfde) aansprakelijkheidsbeperking (artikel 48 lid 2 AVP) die deel uitmaakte van de overeenkomsten met (indirecte) afnemers van [betrokkene 1], beroepen jegens die (indirecte) afnemers van [betrokkene 1]; en/of
- —
[gerequireerde] zich er (mogelijkerwijs) op beroepen dat de aansprakelijkheidsbeperking die in (de) verschillende schakels van de keten ([gerequireerde]—[betrokkene 1]— afnemers van [betrokkene 1], enzovoorts) steeds op grond van dezelfde (in de branche gebruikelijke) algemene voorwaarden (de AVP) was overeengekomen (artikel 48 lid 2 AVP), (op grond van de redelijkheid en billijkheid) ook gold indien (indirecte) afnemers van [betrokkene 1] zich rechtstreeks tot [gerequireerde] wendden.
Kon [gerequireerde] zich beroepen op aan de AVP ontleende aansprakelijkheidsbeperking jegens haar afnemers ([betrokkene 2] en [betrokkene 1]) en/of jegens de (indirecte) afnemers van [betrokkene 1], dan was [gerequireerde] in zoverre (mogelijkerwijs) rechtens niet gehouden de door de aansprakelijkheidsbeperking uitgesloten schade te vergoeden en heeft [gerequireerde] in zoverre dus (mogelijkerwijs) geen schade geleden, althans was [gerequireerde] in het kader van haar schadebeperkingsplicht en/of op grond van de redelijkheid en billijkheid niet gerechtigd een beroep op die aansprakelijkheidsbeperking achterwege te laten (zie de eerder in dit middelonderdeel 4.1 aangehaalde vindplaatsen in de gedingstukken van [requirant]). De omstandigheid dat [requirant] een derde is ten opzichte van de overeenkomsten op grond waarvan de door [requirant] aan [gerequireerde] geleverde pootaardappelen zijn doorgeleverd en/of dat [requirant] niet (voldoende) heeft gesteld dat er in de gegeven omstandigheden sprake is van doorwerking van deze voorwaarden te zijner gunste doet aan het voorafgaande niets af.
4.2
De overweging van het Hof in de eerste alinea van rechtsoverweging 4.5.16 dat [requirant] niet, althans onvoldoende, heeft gesteld dat in de gegeven omstandigheden sprake is geweest van doorwerking van de algemene voorwaarden die [gerequireerde] en haar contractspartij [betrokkene 1] hanteerden, is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het Hof is (kennelijk) van oordeel dat [requirant] zich erop zou hebben beroepen dat de algemene voorwaarden die [gerequireerde] en haar contractspartij [betrokkene 1] hanteerden, ten behoeve van haar zouden doorwerken. Daarmee heeft het Hof het verweer van [requirant] evenwel op onbegrijpelijke wijze uitgelegd. De in middelonderdeel 4.1 aangehaalde vindplaatsen in de gedingstukken van [requirant] laten er immers geen enkel misverstand over bestaan dat [requirant] zich erop heeft beroepen:
- —
dat hij niet aansprakelijk is voor schade die [gerequireerde] heeft vergoed aan haar afnemers ([betrokkene 2] en [betrokkene 1]) maar die [gerequireerde] rechtens niet gehouden was te vergoeden, omdat deze schade niet voor vergoeding in aanmerking kwam op grond van de in de AVP opgenomen aansprakelijkheidsbeperking (artikel 48 lid 2 AVP);
- —
dat hij niet aansprakelijk is voor schade die (indirecte) afnemers van [betrokkene 1] hebben geleden omdat [betrokkene 1] steeds op basis van de AVP heeft gecontracteerd en jegens haar afnemers — onder andere in verband met artikel 48 lid 2 AVP — niet aansprakelijk is voor de schade die deze afnemers eventueel hebben geleden, zodat het dus niet aangaat om [gerequireerde]— die zich zelf in haar verhouding tot [betrokkene 1] ook op de AVP kan beroepen — aansprakelijk te houden voor opbrengstderving van de afnemers van [betrokkene 1], laat staan dat [requirant] voor deze schade aansprakelijk is;
- —
dat (ook) uit de schadebeperkingsplicht, alsmede de redelijkheid en billijkheid, volgt dat [gerequireerde] niet gerechtigd was een beroep op een of meer bedingen uit de AVP die aansprakelijkheid van [gerequireerde] uitsluiten en/of beperken, achterwege te laten.
4.3.1
In de rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6 van het eindvonnis d.d. 31 maart 2004 heeft de Rechtbank het door [requirant] in de antwoord-conclusie na enquête (nummers 3–7 en 10–17) gevoerde verweer ten aanzien van de door [gerequireerde] vergoede schade van [A] gegrond bevonden:
‘2.5
In voormeld artikel 31, lid 6 AVP is bepaald dat de verkoper aansprakelijk is voor verborgen gebreken in de geleverde pootaardappelen t/m 30 april van het jaar waarin de aardappelen worden gepoot, tenzij de verborgen gebreken zijn ontstaan door grove schuld opzet of nalatigheid van de verkoper. Dat van dit laatste sprake zou zijn is niet gebleken. De levering aan [A] heeft in december 2000 plaatsgevonden, zodat [A] de pootaardappelen ruimschoots voor 30 april 2001 heeft kunnen poten en dus voor 30 april 2001 had kunnen vaststellen of de aardappelen al dan niet kiemden, zodat zij ook voor 30 april had kunnen en moeten reclameren tegen eventuele verborgen gebreken. Dit klemt te meer aangezien blijkens het als productie overgelegde expertiserapport op pootaardappelen in Frankrijk vanaf eind maart 2001 ETS Jeudy te Le Montet in Frankrijk, de importeur aan wie [A] heeft geleverd, onafhankelijk van elkaar in totaal een honderdtal klachten verzamelde over de slechte kiemkracht van deze partij pootaardappelen. [A] heeft echter pas omstreeks 15 mei 2001 gereclameerd.
2.6
Met [requirant] is de rechtbank van oordeel dat [gerequireerde] jegens [A] vanaf 30 april 2001 niet meer aansprakelijk was voor schade als gevolg van verborgen gebreken en dat [gerequireerde] dus niet schadeplichtig was jegens [A]. Voor zover [gerequireerde] uit zakelijk oogpunt heeft gemeend de schade aan [A] te vergoeden, kan zij die schadeloosstelling ad f. 12.349,= ofwel € 5.603,73 niet op [requirant] verhalen.’
Grief 1 in het incidenteel appel is tegen deze rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6 van de Rechtbank gericht (zie memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, nummers 64–66; zie voorts de akte van [gerequireerde] d.d. 24 mei 2005). [requirant] heeft haar verweer ten aanzien van de door [gerequireerde] aan [A] vergoede schade in hoger beroep gehandhaafd (zie memorie van antwoord d.d. 26 april 2005, nummers 1–7 en antwoordakte in incidenteel appel, nummers 1–3).
Het Hof heeft in de tweede alinea van rechtsoverweging 4.5.16 de tegen deze rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6 van de Rechtbank aangevoerde grief 1 in het incidenteel appel gegrond bevonden, hetgeen het Hof afleidt uit hetgeen het Hof in de eerste alinea van rechtsoverweging 4.5.16 heeft overwogen en beslist. De daartegen in de middelonderdelen 4.1 en 4.2 aangevoerde klachten zijn mutatis mutandis van toepassing op 's Hofs tweede alinea van rechtsoverweging 4.5.16.
- a.
Het Hof heeft miskend dat voor de in het kader van de omvang van de schade te beantwoorden vraag in hoeverre [gerequireerde] rechtens gehouden was de door haar betaalde schade aan (i.c.) haar afnemer [A] te vergoeden, wel van belang is, althans kan zijn, (het antwoord op) de vraag of de door [gerequireerde] gehanteerde algemene voorwaarden (de AVP) van toepassing waren op de overeenkomst(en) op basis waarvan de door [requirant] geleverde aardappelen zijn doorgeleverd aan (i.c.) [A]. Immers, waren de door [gerequireerde] gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing op de overeenkomst(en) op basis waarvan de door [requirant] geleverde aardappelen door [gerequireerde] zijn doorgeleverd aan [A] (waarvan in cassatie kan worden uitgegaan; zie de eerder in dit middelonderdeel 4.3 aangehaalde vindplaatsen in de gedingstukken van [requirant], conclusie na enquête, nummers 7–9, rechtsoverweging 2.3 van het eindvonnis van de Rechtbank en memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, nummer 65), dan kon [gerequireerde] zich jegens [A] (onder meer) op het van haar overeenkomst(en) met [A] deel uitmakende artikel 31 lid 6 AVP beroepen. (Vgl. middelonderdeel 4.1.)
- b.
's Hofs overweging dat [requirant] niet, althans onvoldoende, heeft gesteld dat in de gegeven omstandigheden sprake is geweest van doorwerking van de algemene voorwaarden die [gerequireerde] jegens [A] hanteerde, is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het Hof is (kennelijk) van oordeel dat [requirant] zich erop zou hebben beroepen dat de algemene voorwaarden die [gerequireerde] jegens [A] hanteerde, ten behoeve van haar zouden doorwerken. Daarmee heeft het Hof het verweer van [requirant] evenwel op onbegrijpelijke wijze uitgelegd. De eerder in middelonderdeel 4.3 aangehaalde vindplaatsen in de gedingstukken van [requirant] laten er immers geen enkel misverstand over bestaan dat [requirant] zich erop heeft beroepen dat hij niet aansprakelijk is voor schade die [gerequireerde] heeft vergoed aan haar afnemer [A] indien [gerequireerde] rechtens niet gehouden was deze schade te vergoeden, omdat deze schade niet voor vergoeding in aanmerking kwam op grond van (onder meer) artikel 31 lid 6 AVP, alsmede dat (ook) uit de schadebeperkingsplicht, alsmede de redelijkheid en billijkheid, volgt dat [gerequireerde] niet gerechtigd was een beroep op een of meer bedingen uit de AVP die aansprakelijkheid van [gerequireerde] uitsluiten en/of beperken, (jegens [A]) achterwege te laten. (Vgl. middelonderdeel 4.2.)
4.3.2
's Hofs overweging in de tweede alinea van rechtsoverweging 4.5.16 dat als de schade die [gerequireerde] aan [A] heeft vergoed op grond van artikel 6:98 BW als gevolg van de tekortkoming moet worden aangemerkt, deze schade immers op [requirant] kan worden verhaald, is rechtens onjuist of onbegrijpelijk. Waar op de overeenkomst(en) tussen [gerequireerde] en [A] de AVP van toepassing waren (zie de in middelonderdeel 4.3.1 sub a aangehaalde vindplaatsen), was [gerequireerde] op grond van (onder meer) artikel 31 lid 6 AVP jegens [A] rechtens niet gehouden de schade van [A] te vergoeden, zodat [gerequireerde] deze door haar rechtens onverplicht aan [A] vergoede schade niet kan verhalen op [gerequireerde].
4.4
Door in rechtsoverweging 4.5.16 te overwegen en beslissen zoals vermeld in de middelonderdelen 4.1 en 4.3.1 (en 4.3.2) is het Hof getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen en/of heeft het Hof ambtshalve feiten bijgebracht, althans heeft het Hof partijen, althans [requirant], voor een ontoelaatbare verrassing gesteld. Immers, noch [requirant], noch [gerequireerde] heeft ten processe het standpunt ingenomen dat bij de in het kader van de omvang van de schade te beantwoorden vraag in hoeverre [gerequireerde] rechtens gehouden was de door haar betaalde schade te vergoeden, niet van belang zou zijn of de door [gerequireerde] en haar contractspartij [betrokkene 1] gehanteerde algemene voorwaarden (de AVP) van toepassing waren op de overeenkomsten op basis waarvan de door [requirant] geleverde aardappelen zijn doorgeleverd. Beide partijen achtten die toepasselijkheid blijkens het processuele debat (juist) wel van belang. Zie de middelonderdelen 4.1 en 4.3 voor de stellingen van [requirant] te dien aanzien en voor de vindplaatsen van deze stellingen in de gedingstukken van [requirant]. Uit nummer 7 van de conclusie na enquête blijkt dat ook [gerequireerde] in het kader van de vraag of en zo ja, in hoeverre [gerequireerde] gehouden was de schade van (indirecte) afnemers van haar afnemers te vergoeden, van belang acht dat [gerequireerde] op haar overeenkomsten met haar afnemers de AVP van toepassing heeft verklaard:
‘Relevant is de vraag of en zo ja, in hoeverre [gerequireerde] gehouden is bovengenoemde schade te vergoeden. Op de overeenkomsten met haar afnemers, heeft [gerequireerde] de AVP van toepassing verklaard. (…).’
[gerequireerde] gaat er in het vervolg van de conclusie na enquête, alsmede in haar gedingstukken in appel steeds vanuit dat voor het antwoord op de vraag of en zo ja in hoeverre [gerequireerde] gehouden was de schade van haar (indirecte) afnemers te vergoeden de AVP van belang zijn en geeft (op inhoudelijke gronden) aan dat en waarom de AVP niet in de weg staan aan de gehoudenheid van [gerequireerde] om de schade van haar (indirecte) afnemers te vergoeden (zoals):
- —
[bedrijf 1] (één van de drie afnemers van [gerequireerde]) is (anders dan de andere twee afnemers van [gerequireerde], te weten [betrokkene 1] en [A]) op grond van artikel 6:233 BW niet aan de door [gerequireerde] gehanteerde AVP gebonden;
- —
[gerequireerde] kon jegens [A] geen beroep doen op artikel 36 lid 6 AVP, omdat de verborgen gebreken zich voor 30 april 2001 hebben geopenbaard en het (bovendien) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn geweest als [gerequireerde] zich op dit artikel(lid) zou hebben beroepen;
- —
een beroep van [gerequireerde] jegens haar afnemers op artikel 48 lid 2 AVP zou in het voorliggende geval in strijd zijn geweest met de redelijkheid en billijkheid en tot beëindiging van de relaties met haar afnemers hebben geleid (omdat in de relatie tot de boeren de AVP niet van toepassing waren en de afnemers van [gerequireerde] de schade van de boeren volledig moesten vergoeden, zodat als [gerequireerde] tegenover haar afnemers een succesvol beroep zou hebben gedaan op artikel 48 lid 2 AVP haar afnemers bekneld zouden zijn geraakt tussen [gerequireerde] en de boeren);
- —
een beroep op artikel 48 lid 2 AVP stond niet vrij aan [gerequireerde], althans zou in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn geweest, omdat het kiemgebrek dat te wijten is aan [requirant], in de relatie tot de afnemers van [gerequireerde] is toe te rekenen aan [gerequireerde] als opvolgend koper.
Zie voor de hierboven samengevat weergegeven stellingen van [gerequireerde] conclusie na enquête, nummers 7–12; memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, nummers 50–59 en 64–68 en akte van [gerequireerde] d.d. 24 mei 2005, nummers 1–4.
Waar noch [requirant], noch [gerequireerde] ten processe het standpunt heeft ingenomen dat bij de in het kader van de omvang van de schade te beantwoorden vraag in hoeverre [gerequireerde] rechtens gehouden was de door haar betaalde schade te vergoeden, niet van belang zou zijn of de door [gerequireerde] en haar contractspartij [betrokkene 1] gehanteerde algemene voorwaarden (de AVP) van toepassing waren op de overeenkomsten op basis waarvan de door [requirant] geleverde aardappelen zijn doorgeleverd, maar zij er beiden van uit gingen dat die toepasselijkheid wel van belang was, is het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden en/of heeft het Hof ambtshalve feiten bijgebracht, althans heeft het Hof partijen, althans [requirant], voor een ontoelaatbare verrassing gesteld door te oordelen dat bij de in het kader van de omvang van de schade te beantwoorden vraag in hoeverre [gerequireerde] rechtens gehouden was de door haar betaalde schade te vergoeden, niet van belang is of de door [gerequireerde] en haar contractspartij [betrokkene 1] gehanteerde algemene voorwaarden (de AVP) van toepassing waren op de overeenkomsten op basis waarvan de door [requirant] geleverde aardappelen zijn doorgeleverd, nu deze algemene voorwaarden [requirant] in beginsel niet regarderen, omdat [requirant] derde is ten opzichte van die overeenkomsten en [requirant] niet, althans onvoldoende, heeft gesteld dat in de gegeven omstandigheden sprake is van doorwerking van deze voorwaarden te zijner gunste.
5.1
[requirant] heeft gesteld dat [gerequireerde] in strijd met haar schadebeperkingsplicht heeft gehandeld door na te laten de leveranties aan [betrokkene 1] stop te zetten en/of [betrokkene 1] te waarschuwen, nadat [gerequireerde] en [requirant] telefonisch contact met elkaar hadden gehad over de klacht van [A] uit Frankrijk en de naar aanleiding daarvan door [requirant] in Nederland geconstateerde en veronderstelde kiemproblemen (antwoordconclusie na enquête, nummers 28–34, in het bijzonder nummers 29–31, en memorie van grieven, nummer 42; zie voorts het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 september 2003 (alle drie de getuigenverklaringen in contra-enquête). Deze stelling(en) van [requirant] zijn door [gerequireerde] niet, althans niet voldoende, weersproken. In de nummers 13–24 van de conclusie na enquête (derhalve voorafgaand het door [requirant] ter zake gevoerde verweer in de antwoord-conclusie na enquête en de memorie van grieven) is [gerequireerde] enigszins ingegaan op de vraag of zij een deel van de schade had kunnen voorkomen, maar gaat [gerequireerde] niet in op het feit dat zij nog leveranties aan [betrokkene 1] heeft gedaan en/of [betrokkene 1] niet heeft gewaarschuwd nadat [gerequireerde] zowel van [A] als van [requirant] omtrent kiemproblemen van de aardappelen die van [requirant] afkomstig waren, had gehoord. Door naar aanleiding van dit verweer van [requirant] in rechtsoverweging 4.5.17 te overwegen dat het Hof van oordeel is dat het meer op de weg van [requirant], die zelf (in tegenstelling tot [gerequireerde]) de kiemproblemen bij zijn familie had geconstateerd en de aardappelen in eerste instantie had verkocht, had gelegen om [betrokkene 1] te waarschuwen en de oude partij aardappelen terug te halen, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Door aldus te overwegen en beslissen heeft het Hof miskend dat het Hof voormeld verweer, dat door [gerequireerde] niet, althans niet voldoende, was weersproken, als vaststaand had moeten beschouwen (artikel 149 Rv). Althans heeft het hof door te overwegen en beslissen dat het meer op de weg van [requirant] had gelegen om [betrokkene 1] te waarschuwen en de oude partij aardappelen terug te halen, ambtshalve feiten bijgebracht en/of is het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden, waar een stelling van deze strekking niet door [gerequireerde] naar voren was gebracht.
5.2
Het Hof heeft door in rechtsoverweging 4.5.17 te overwegen en beslissen als bedoeld in middelonderdeel 5.1 zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed. [gerequireerde] en [requirant] beschikten in de periode waarin de leveranties aan [betrokkene 1] nog konden worden stopgezet en/of [betrokkene 1] nog kon worden gewaarschuwd over dezelfde informatie (en over hetzelfde gebrek aan informatie). [gerequireerde] en [requirant] hadden immers telefonisch contact met elkaar gehad over de klacht van [A] uit Frankrijk en de naar aanleiding daarvan door [requirant] in Nederland geconstateerde en veronderstelde kiemproblemen (door [requirant] geconstateerd bij familie). Waar [gerequireerde] en [requirant] over dezelfde informatie beschikten (en over hetzelfde gebrek aan informatie beschikten, in het bijzonder ten aanzien van de oorzaak van de veronderstelde kiemproblemen (antwoord-conclusie na enquête, nummers 29 en 30)), valt niet in te zien waarom het meer op de weg van [requirant] dan van [gerequireerde] had gelegen om [betrokkene 1] te waarschuwen en de oude partij terug te halen. De omstandigheid dat [requirant] de kiemproblemen had geconstateerd bij zijn familie, is irrelevant, omdat [requirant] die constatering heeft doorgegeven aan zijn afnemer [gerequireerde], waarmee [requirant] en [gerequireerde] weer over gelijke informatie beschikten. Bovendien was het [gerequireerde] die door [A] op de hoogte was gesteld van de veronderstelde kiemproblemen in Frankrijk (zie het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 september 2003 (alle drie de getuigenverklaringen in contra-enquête). Dat [requirant] eerste verkoper was, is evenmin relevant, omdat niet duidelijk was waardoor de veronderstelde kiemproblemen waren ontstaan en wie daarvoor verantwoordelijk was (antwoord-conclusie na enquête, nummers 29 en 30). Onder deze omstandigheden lag het (natuurlijk) meer voor de hand dat [gerequireerde] haar eigen contractuele wederpartij [betrokkene 1] zou en/of diende te benaderen (in plaats van [requirant] die niet in een contractuele relatie met [betrokkene 1] stond).
5.3
Naar aanleiding van het verwijt dat [gerequireerde][requirant] niet in de gelegenheid heeft gesteld andere pootaardappelen te leveren en [gerequireerde] aldus de schade niet heeft beperkt, overweegt het Hof in rechtsoverweging 4.5.17 dat [gerequireerde] ter zake geen verwijt tref, nu van [gerequireerde] (en/of haar contractspartijen en/of de derden die uiteindelijk de pootaardappelen hebben gepoot) niet kon worden verlangd dat zij [requirant] eerst in de gelegenheid had gesteld andere pootaardappelen te leveren. Daarbij wijst het Hof op het geschonden vertrouwen aan de zijde van [gerequireerde] (en haar afnemers/de poters van de aardappelen) en het feit dat er haast geboden was bij het poten van de nieuwe aardappelen teneinde de opbrengstderving beperkt te houden. Daarbij komt volgens het hof voorts dat het meer op de weg van [requirant]— als eerste verkoper — had gelegen om op eigen initiatief de geleverde aardappelen terug te halen en andere aardappelen te leveren. Door aldus te overwegen en beslissen heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed, om de volgende redenen die ieder op zich en in onderling verband en in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd.
5.3.1
Ten aanzien van het geschonden vertrouwen aan de zijde van [gerequireerde] (en haar afnemers/de poters van de aardappelen) geldt dat een betoog van deze strekking door [gerequireerde] voor het eerst in nummer 49 memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel naar voren is gebracht, in het gedeelte van deze memorie dat op het principale appel betrekking heeft. Het Hof had dit geschonden vertrouwen aan de zijde van [gerequireerde] (en haar afnemers/de poters van de aardappelen) in rechtsoverweging 4.5.17 dan ook niet als vaststaand mogen aanmerken, althans dit niet als vaststaand mogen aanmerken zonder [requirant] eerst de gelegenheid te hebben geboden zich daarover uit te laten, waar dit verweer was voorgedragen in het laatste processtuk in het principale appel (zie hierover nader de laatste alinea van middelonderdeel 2.1).
5.3.2
De door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat er haast was geboden bij het poten van nieuwe aardappelen ten einde de opbrengstderving beperkt te houden, kan slechts bijdragen aan 's Hofs oordeel dat van [gerequireerde] (en/of haar contractspartijen en/of de derden die uiteindelijk de pootaardappelen hebben gepoot) niet kon worden verlangd dat zij [requirant] eerst in de gelegenheid had(den) gesteld andere pootaardappelen te leveren, als [requirant] niet met de benodigde spoed nieuwe aardappelen had kunnen leveren ten einde de opbrengstderving beperkt te houden. Daaromtrent heeft het Hof in zijn arrest evenwel niets vastgesteld, zodat 's Hofs arrest niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
Indien in 's Hofs overweging dat er haast was geboden bij het poten van nieuwe aardappelen ten einde de opbrengstderving beperkt te houden, besloten ligt dat [requirant] niet met de benodigde spoed nieuwe aardappelen had kunnen leveren ten einde de opbrengstderving beperkt te houden, heeft het Hof ambtshalve feiten gebracht of is het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden. Ten processe is (door [gerequireerde]) immers niet gesteld en ten processe is evenmin gebleken dat [requirant] niet met de benodigde spoed nieuwe aardappelen had kunnen leveren ten einde de opbrengstderving beperkt te houden.
5.3.3
's Hofs overweging dat het meer op de weg van [requirant]— als eerste verkoper — zou hebben gelegen om op eigen initiatief de geleverde aardappelen terug te halen en andere aardappelen te leveren, is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Niet in te zien valt immers waarom de omstandigheid dat [requirant] eerste verkoper was, mee zou brengen dat het meer op de weg van [requirant] zou hebben gelegen om op eigen initiatief de geleverde aardappelen terug te halen en andere aardappelen te leveren. Vorenbedoelde omstandigheid had (wellicht) relevant kunnen zijn als op het moment waarop het terughalen van de oude aardappelen en het leveren van nieuwe aardappelen aan de orde was, duidelijk zou zijn geweest dat de (veronderstelde) kiemproblemen de verantwoordelijkheid waren van [requirant], maar daaromtrent heeft het Hof niets vastgesteld.
Op grond van dit middel:
vordert eiser tot cassatie dat het arrest waartegen het cassatieberoep is gericht door de Hoge Raad zal worden vernietigd, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend zal achten, kosten rechtens.
Deurwaarder
De kosten van dit exploot zijn: [€ 71.32 (+10.72 BTW) = € 84.87]
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 06‑10‑2006
De door [gerequireerde] gehanteerde algemene voorwaarden, de AVP (algemene voorwaarden pootaardappelen), zijn overgelegd als productie 12 bij de conclusie na enquête.
Potaardappelen zijn aardappelen die bestemd zijn om te poten en om na het poten te kiemen en tot planten uit te groeien die nieuwe aardappelen vormen (zie inleidende dagvaarding, nummer 14, tweede en derde zin).
Het principaal appel richtte zich tegen de oordelen van de Rechtbank betreffende niet toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gerequireerde] (rechtsoverweging 3.1 van het tussenvonnis van de Rechtbank d.d. 1 oktober 2002; grief 1 in principaal appel); non-conformiteit (rechtsoverweging 3.5 van het tussenvonnis van de Rechtbank; grief 2 in het principaal appel); klachtplicht (rechtsoverweging 3.4 van het tussenvonnis van de Rechtbank; grief 3 in het principaal appel); toerekenbaarheid van tekortkoming (rechtsoverweging 3.5 van het tussenvonnis en rechtsoverweging 2.13 van het eindvonnis van de Rechtbank d.d. 31 maart 2004; grief 4 in het principaal appel); verzuim (rechtsoverweging 3.6 van het tussenvonnis van de Rechtbank; grief 5 in het principaal appel); aansprakelijkheid [gerequireerde] jegens haar afnemers [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (rechtsoverweging 2.12 van het eindvonnis van de Rechtbank; grief 6 in het principaal appel); toegewezen schadebedrag ad EUR 26.798,09 (rechtsoverweging 2.14–21.18 van het eindvonnis van de Rechtbank; grief 7 in het principaal appel).
Het incidenteel appel richtte zich tegen de afwijzing van de door [gerequireerde] van [requirant] gevorderde schadevergoeding in verband met de vergoeding die [gerequireerde] aan [A] heeft betaald (rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6 van het eindvonnis van de Rechtbank; grief 1 in incidenteel appel) en in verband met de vergoedingen die [gerequireerde] heeft betaald c.q. zou moeten betalen aan de landbouwers [naam 8], [naam 9], [naam 10], [naam 11] en [naam 12] (grief 2 in het incidenteel appel).
Het desbetreffende verweer komt niet voor in de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel vanaf de kop ‘Incidenteel appel’ op p. 17 en evenmin in de akte van [gerequireerde] d.d. 24 mei 2005, die betrekking heeft op het incidenteel appel. In deze beide processtukken worden de stellingen in het principaal appel (zelfs) niet als herhaald en ingelast (o.i.d.) beschouwd (waarbij wordt daargelaten wat daarvan i.c. de betekenis zou zijn geweest).
Zie proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 januari 2003, p. 2 (getuigenverklaring van [betrokkene 2]), p. 4 (getuigenverklaring van [naam 1]) en p. 5 (getuigenverklaring van [betrokkene 7]); proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 17 juni 2003, p. 4 (getuigenverklaring van [betrokkene 8]).
Zie ten aanzien van het in mei 2001 gepoot zijn van de pootaardappelen die van [requirant] afkomstig waren: inleidende dagvaarding, nummer 4; rechtsoverweging 3.4 van het tussenvonnis van de Rechtbank van 1 oktober 2002; proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 januari 2003, p. 2 (getuigenverklaring van [betrokkene 2]) en p. 5 (getuigenverklaring van [betrokkene 7]); conclusie na enquête, nummers 8 en 15 (uit laatstgenoemd nummer blijkt dat [betrokkene 2] de pootaardappelen die oorspronkelijk van [requirant] afkomstig waren op zijn vroegst rond 15/16 mei 2001 heeft gepoot); antwoord-conclusie na enquête, nummer 34; memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, nummer 5, en rechtsoverweging 4.5.5 van 's Hofs arrest.
Zie ten aanzien van het eerder (dan mei 2001) gepoot zijn van de door [gerequireerde] aan [A] geleverde pootaardappelen die van [requirant] afkomstig waren: conclusie na enquête, nummers 8 en 16; antwoordconclusie na enquête, nummer 14; en memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, nummer 19).
Zie voor het feit dat een deel van de van [requirant] afkomstige pootaardappelen in Frankrijk is gepoot: factuur van [A] d.d. 19 juni 2001, overgelegd als achtste blad van productie 3 bij de inleidende dagvaarding; e-mail van [A] aan [gerequireerde] d.d. 22 mei 2001 en fax van [A] aan [gerequireerde] van 5 juni 2001 (overgelegd als eerste en tweede blad van productie 5 bij de inleidende dagvaarding); conclusie van antwoord, nummers 3, 4 en 13; expertiserapport op pootaardappelen in Frankrijk van NAK d.d. 31 mei 2001 (bijlage bij brief van Mr Bijloo aan de Rechtbank d.d. 28 juni 2002); proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 september 2003, p. 3 (getuigenverklaring van [betrokkene 3]) en p. 5 (getuigenverklaring van [naam 5]); conclusie na enquête, nummers 16, 19 en 21; antwoord-conclusie na enquête, nummers 19 en 20; memorie van grieven, nummer 12; memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, nummers 19 en 26; rechtsoverwegingen 4.2.7 en 4.2.10 van 's Hofs arrest).
In de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel heeft [gerequireerde] naar voren gebracht dat in Frankrijk vroeger wordt gepoot vanwege de meer zuidelijke ligging. Het is bepaald aannemelijk dat het teeltseizoen in Frankrijk vanwege die meer zuidelijke ligging ook langer doorloopt.
In verschillende gedingstukken heeft [gerequireerde]— steeds in het kader van de schade die [requirant] aan [gerequireerde] zou moeten vergoeden — naar voren gebracht, en verschillende door [gerequireerde] gehoorde getuigen hebben — in voornoemd kader — verklaard, dat door het overpoten de teeltperiode korter is geweest waardoor er minder kilo's aardappelen konden worden gevormd (zie bijvoorbeeld inleidende dagvaarding, nummer 8; proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 januari 2003, p. 2 (getuigenverklaring van [betrokkene 2]), p. 4 (getuigenverklaring van [naam 1]) en p. 5 (getuigenverklaring van [betrokkene 7]); proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 17 juni 2003, p. 4 (getuigenverklaring van [betrokkene 8]); conclusie na enquête, nummer 4 en memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, nummer 9). Een soortgelijk betoog heeft [gerequireerde] in de memorie van grieven in het incidenteel appel, nummer 43, naar voren gebracht, aldaar voor het eerst in het kader van de vraag of een ingebrekestelling nodig was.
De AVP zijn overgelegd als productie 12 bij de conclusie na enquête.