De volledigheid van de waarheidsvinding, vandaar te horen van alle ter zake doende bewijzen is een fundamenteel bestanddeel van het beginsel van hoor en verhoor. Dit algemene beginsel van behoorlijk proces is gegarandeerd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Een eerlijk proces (fair trial) is ook een grondrecht in het Nederlands recht.
HR, 13-04-2012, nr. 10/04707
ECLI:NL:HR:2012:BV8517
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-04-2012
- Zaaknummer
10/04707
- Conclusie
Mr. Wuisman
- LJN
BV8517
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BV8517, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑04‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV8517
ECLI:NL:HR:2012:BV8517, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑04‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BV8517
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑10‑2010
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑09‑2010
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑02‑2010
- Vindplaatsen
Conclusie 13‑04‑2012
Mr. Wuisman
Partij(en)
Zaaknummer: 10/04707
Mr. Wuisman
Roldatum: 17 februari 2012
CONCLUSIE inzake:
[Eiseres],
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. H. Zenghin;
tegen
ING Schadeverzekering Retail NV, (voorheen Postbank Schadeverzekering NV),
verweerster in cassatie,
in cassatie niet verschenen.
1. Feiten en procesverloop
1.1
Van de volgende feiten kan worden uitgegaan:
- (i)
Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) is de moeder en enig erfgename van de in Nederland woonachtige, op 3 oktober 2002 als gevolg van een verkeersongeval omgekomen [betrokkene 1].
- (ii)
[Betrokkene 1] had een ongevallenverzekering lopen bij Postbank Schadeverzekering NV (hierna: Postbank), waarvan de premie laatstelijk € 4,01 per maand bedroeg.
- (iii)
Onder de verzekering is aan [eiseres] een bedrag van € 23.690,- uitgekeerd.
1.2
In een bij dagvaarding d.d. 14 september 2007 bij de rechtbank Amsterdam tegen de Postbank aangespannen procedure vordert [eiseres] een veroordeling van Postbank tot betaling van een bedrag van € 36.460,-, daartoe stellende dat de ongevallenverzekering alleen betrekking had op het risico van overlijden en in geval van overlijden recht gaf op een uitkering van € 60.150,- en niet van € 23.690,-. Het bedrag van € 60.150,- baseert zij niet op een aan [betrokkene 1] verstrekte polis of een ander verzekeringsdocument, maar in het bijzonder op de premie van € 4,01 per maand. Aan de hand van een door de Postbank verstrekt overzicht van maandpremies en de daarmee correlerende verzekerde sommen ingeval van overlijden of blijvende invaliditeit, berekent zij dat bij een maandpremie van € 4,01 per maand een verzekerde som van € 60.150,- hoort.((1)) Verder dringt [eiseres] aan op het overleggen door de Postbank van de aanvraag van [betrokkene 1] voor de verzekering. Deze moet in het bezit zijn van de Postbank. Aan het nalaten van het overleggen van de aanvraag dient de rechtbank de gevolgen te verbinden die haar geraden achten.((2))
1.3
In haar vonnis d.d. 19 december 2007 verleent de rechtbank eerst verstek tegen de niet verschenen Postbank en wijst vervolgens de vordering van [eiseres] als niet bestreden toe.
1.4
In het kader van verzet tegen het tegen haar uitgesproken verstekvonnis d.d. 19 december 2007 bestrijdt de Postbank de vordering van [eiseres] alsnog. Zij voert, kort samengevat, het volgende aan. [Betrokkene 1] had sinds 11 juli 1999 een ongevallenverzekering voor een premie van - omgerekend - € 1,51 per maand, onder welke verzekering aanvankelijk alleen het overlijdensrisico was gedekt voor een verzekerde som van - omgerekend - € 22.690,-. Hij heeft in november 2001 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ook het invaliditeitsrisico te verzekeren. Per 2 november 2001 biedt de ongevallenverzekering ook dekking voor het risico van invaliditeit voor een bedrag van - omgerekend - € 25.000,- tegen een premie van - omgerekend - € 2,50 per maand. De gehele maandpremie bedroeg vanaf deze uitbreiding derhalve € 4,01 per maand. Een en ander onderbouwt Postbank met overzichten van betaaltermijnen en een uitdraai uit haar polisinformatiesysteem.((3)) De Postbank wijst er verder ook nog op dat ongevallenverzekeringen niet werden afgesloten na onderhandelingen over de hoogte van de verzekerde som, maar op basis van offertes met bepaalde verzekerde sommen, bestaande uit ronde bedragen, en daarbij horende premies. Een offerte met een verzekerde som bij overlijden van € 60.150,- is nimmer aangeboden.((4)) Naar aanleiding van het aandringen van [eiseres] - op basis van de exhibitieplicht als bedoeld in artikel 843a Rv bij de Postbank - op het overleggen van de aanvraag van [betrokkene 1] van de ongevallenverzekering merkt de Postbank op daartoe niet in staat te zijn, omdat de aanvraag verloren is geraakt.
1.5
De rechtbank wijst bij vonnis d.d. 12 november 2008 de eis van verzet toe en vernietigt het verstekvonnis. Het hof Amsterdam, waarbij [eiseres] in hoger beroep komt van het vonnis, bekrachtigt het vonnis bij arrest van 15 juni 2010. Daartoe overweegt het hof, kort weergegeven, onder meer dat [eiseres], in het licht van de onbestreden stellingen van de Postbank over de basis waarop door haar ongevallenverzekeringen werden afgesloten, onvoldoende heeft gesteld om begrijpelijk te doen zijn haar stelling dat een premie van € 4,01 noodzakelijkerwijs leidt tot een uitkering van € 60.150, dat zij dus niet aan haar stelplicht heeft voldaan en daarom haar bewijsaanbod niet relevant is (rov. 2.5). Omdat de stellingen van [eiseres] over de hoogte van de onder de ongevallenverzekering verschuldigde uitkering ten enenmale ontoereikend zijn, ziet het hof ook geen aanleiding om in te gaan op het door [eiseres], aanhakend bij de exhibitieplicht van de Postbank, gedane verzoek om ict-deskundigen te laten onderzoeken of het aanvraagformulier van [betrokkene 1] kan worden teruggevonden (rov. 2.6).
1.6
Bij exploot van 13 september 2010 stelt [eiseres] cassatieberoep tegen het arrest van het hof in. Er worden nog twee herstelexploten uitgebracht. De Postbank verschijnt niet.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit een 'Overzicht van de zaak' en vier onderdelen.
Onderdeel IV
2.2
In onderdeel IV wordt er bezwaar tegen gemaakt dat het hof de Postbank volgt in haar stelling dat zij - voor wat de verzekerde som betreft - nooit met niet-ronde cijfers werkte. Dat wordt in strijd geacht met het feit dat de Postbank ten aanzien van de ongevallenverzekering, waarop [eiseres] een beroep doet, uitgaat van een verzekerde som van een niet rond bedrag, te weten € 22.690,-.
2.3
Deze klacht strandt op de volgende gronden.
De stelling van de Postbank inzake de ronde/niet-ronde bedragen ziet op het offreren voor ongevallenverzekeringen als waarvan in casu sprake is. Bij die verzekeringen hield Postbank, zo heeft zij gesteld, altijd ronde bedragen aan. Het tegendeel volgt niet uit de ongevallenverzekering waarop [eiseres] zich beroept. Deze verzekering is voor de invoering van de euro gesloten; er is dus ook vóór dat tijdstip een offerte voor die verzekering uitgebracht. Het bedrag van € 22.690,- komt overeen met een bedrag van fl. 50.000,-.((5))
In rov. 2.5 heeft het hof omtrent de stelling van de Postbank dat zij nimmer in niet-ronde bedragen offreerde, geoordeeld dat [eiseres] deze onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat oordeel wordt als zodanig niet bestreden. Waar de genoegzame betwisting in appel zou hebben plaatsgevonden, wordt immers niet aangegeven. Die betwisting kan in cassatie niet voor het eerst geschieden. De stelling zal dan ook voor juist moeten worden gehouden.
Onderdeel I
2.4
Mede blijkens de toelichting op onderdeel I richt dit onderdeel zich tegen het oordeel aan het slot van rov. 2.5 dat het door [eiseres] gedane bewijsaanbod niet relevant is. Dit oordeel volgt op het daaraan voorafgaande oordeel dat [eiseres] niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Dit laatste oordeel houdt in dat door [eiseres] onvoldoende feiten zijn gesteld op basis waarvan zou kunnen worden aangenomen dat er door [betrokkene 1] een ongevallenverzekering is gesloten die recht geeft op een uitkering van € 60.150,- in geval van overlijden. Het oordeel is onbestreden gebleven en moet dus voor juist worden gehouden. Tegen die achtergrond oordeelt het hof terecht dat het bewijsaanbod van [eiseres] niet relevant is.
Onderdelen II en III
2.5
Beide onderdelen beginnen ieder met het citeren van een overweging uit het arrest. Beide overwegingen hebben te maken met het verzoek van [eiseres] om de Postbank te gelasten om de door [betrokkene 1] in verband met de ongevallenverzekering bij de Postbank ingediende aanvraagformulieren beschikbaar te stellen. Het is niet goed mogelijk om uit hetgeen op de citaten volgt te achterhalen welke bezwaren er nu precies tegen deze overwegingen bestaan. De beide onderdelen kunnen dan ook reeds geen doel treffen, omdat daarin geen klachten zijn opgenomen die voldoen aan de eisen, die aan een cassatieklacht mogen worden gesteld. Maar wat hiervan ook zij, het hof heeft aan het slot van rov. 2.6 kunnen oordelen dat er geen aanleiding bestaat voor een onderzoek naar de vraag of het aanvraagformulier van [betrokkene 1] door ict-deskundigen eenvoudig zou kunnen worden teruggevonden. Zoals hierboven in 2.3 al aangestipt, volgt dient vanwege onbestreden gebleven stellingen van de Postbank ervan te worden uitgegaan dat een ongevallenverzekering voor het niet-ronde bedrag van € 60.150,- niet door [betrokkene 1] kan zijn afgesloten. Dan is het verlangde onderzoek zonder belang.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1. Zie de dagvaarding in eerste aanleg, sub 6 jo. bijlage 2. Uit gegeven dat in het overzicht van de Postbank bij een maandpremie van € 5,- een bij overlijden uit te keren verzekerde som van € 75.000,- wordt vermeld, wordt afgeleid dat dan bij een maandpremie van € 4,01 een bij overlijden uit te keren verzekerde som van € 60.150,- (4,01 / 5 x75.000) hoort.
2. Zie de dagvaarding in eerste aanleg, met name sub 16 en 17.
3. Zie de verzetdagvaarding, sub 2 t/m 4.
4. Zie de verzetdagvaarding sub 10.
5. Zie voor een en ander de verzetdagvaarding van de Postbank, sub 10, de memorie van antwoord van de Postbank in appel, sub 5, en de Pleitaantekeningen van mr. Fledderus in appel, sub 6 t/m 11.
Uitspraak 13‑04‑2012
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Ongevallenverzekering. Overlijdensrisico. Hoogte van aan erfgenaam verschuldigde uitkering.
Partij(en)
13 april 2012
Eerste Kamer
10/04707
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats], Iran,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H. Zengin,
t e g e n
ING SCHADEVERZEKERING RETAIL N.V. (Rechtsopvolger van Postbank Schadeverzekering N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en ING.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
- a.
de vonnissen in de zaken 3798001/HA ZA 07-2598 en TH 390798 / HA ZA 08-480 van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2007 (tussenvonnis), 19 december 2007 (verstekvonnis), 12 maart 2008 (tussenvonnis) en 12 november 2008 (eindvonnis);
- b.
de arresten in de zaak 200.027.276/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 24 november 2009 (tussenarrest) en 15 juni 2010 (eindarrest).
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen ING is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft op 27 maart 2012 gereageerd op die conclusie.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Postbank begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.B. Bakels, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 13 april 2012.
Beroepschrift 14‑10‑2010
Toevoeging aangevraagd op 7 september 2010 bij de Raad voor Rechtsbijstand te's‑Gravenhage
Heden, de [veertiende oktober] tweeduizendentien, ten verzoeke van mevrouw [requirante] wonende te [woonplaats] (Iran) en te dezer zake woonplaats kiezende te Wassenaar aan de Van Zuylen van Nijeveltstraat 110, ten verzoeke van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, Mr. H. Zengin, die in na te melden geding voor requirante als zodanig zal occuperen;
[Heb ik, MANDY VEGTER, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam op het kantoor van JOHANNES CORNELIS MARIA VAN DER WEIJDEN als gerechtsdeurwaarder gevestigd te Amsterdam en aldaar kantoorhoudende aan het adres Kon. Wilhelminaplein 30;]
AAN:
de naamloze vennootschap ING SCHADEVERZEKERING RETAIL N.V. als rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap POSTBANK SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Amsterdam, die voor deze procedure geacht wordt woonplaats gekozen te hebben ten kantore van advocaat mr. A. van Hees, aldaar aan dit gekozen domicilie aan de Strawinskylaan 2001,1077 ZZ Amsterdam mijn exploot doende, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
[Mw. P. Henriët, aldaar werkzaam]
onder de vermelding dat er een gebrek kleeft aan de dagvaarding, dit laatste door het niet tijdig indienen van de dagvaarding ter griffie, namelijk vóór de roldatum van 1 oktober 2010 te 10.00 uur voormiddags (dit gebrek is thans in het navolgende van de dagvaarding juist vermeld, zodat de dagvaarding in zoverre hersteld is, confrom artikel 125 lid 4 Rv);
Io
AANGEZEGD DAT:
het door Erik de Meij als (t.k.-) deurwaarder werkzaam ten kantore van Dennis Joustra, als gerechtsdeurwaarder gevestigd te Amsterdam, op dertien september tweeduizend en tien aan gerequireerde betekende exploot van dagvaarding voor het overige wordt gehandhaafd en in stand gehouden;
Ik, deurwaarder, heb gerequireerde vervolgens
OPGEROEPEN:
op vrijdag 12 november tweeduizend en tien, des voormiddags te 10:00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, kamer voor burgerlijke zaken alsdan gehouden wordende in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage;
TENEINDE:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarmee niet inachtneming nietigheid met zich meebrengt, meer in het bijzonder schending van het wettelijke vereiste van artikel 121 van de Grondwet over de noodzaak van motivering in het algemeen en bepalingen van de artikelen 150 Rv. 843 sub a en artikel 7:932, lid 3, BW over bewijsrecht en exhibitieplicht in het bijzonder en het overtreden van de regels van behoorlijk procesrecht.
Ik, deurwaarder, heb gerequireerde tot slot
2o
AANGEZEGD:
dat requirante, mevrouw [requirante] beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, vijfde meervoudige burgerlijke kamer in de zaak met zaaknummer 200.027.276/01, op 15 juni 2010 gewezen door de meesters R.J.Q. Klomp, C.A. Joustra en J.C.W. Rang ter openbare terechtzitting op 15 juni 2010.
De kosten dezes van mij, deurwaarder zijn:[€ 87,93]
[M. Vegter]
Beroepschrift 13‑09‑2010
Heden, de dertiende september tweeduizendentien, ten verzoeke van mevrouw [requirante] wonende te [woonplaats] (Iran) en te dezer zake woonplaats kiezende te Wassenaar aan de Van Zuylen van Nijeveltstraat 110, ten verzoeke van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, Mr. H. Zengin, die in na te melden geding voor requirante tot advocaat is gesteld en als zodanig optreedt;
[Heb ik, ERIK DE MEIJ, als toegevoegd kandidaat- gerechtsdeurwaarder werkzaam op het kantoor van DENNIS JOUSTRA, als gerechtsdeurwaarder gevestigd te Amsterdam en aldaar kantoorhoudende aan het adres Kon. Wilhelminaplein 30;]
AAN:
De naamloze vennootschap ING SCHADEVERZEKERING RETAIL N.V. als rechts-opvolgster van de naamloze vennootschap POSTBANK SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Amsterdam, die voor deze procedure geacht wordt woonplaats gekozen te hebben ten kantore van de advocaat Mr. A. van Hees, aldaar aan dit gekozen domicilie aan de Strawinskylaan 2001, 1077 ZZ te Amsterdam mijn exploot doende, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
[M. SPOOR]
Aldaar ten voormelde kantore werkzaam;
AANGEZEGD:
dat mijn requirante, mevrouw [requirante], beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, vijfde meervoudige burgerlijke kamer in de zaak met zaaknummer 200.027.276/01, op 15 juni 2010 gewezen door de meesters R.J.Q. Klomp, C.A. Joustra en J.C.W. Rang ter openbare terechtzitting op 15 juni 2010.
Voorts heb ik, deurwaarder, geheel exploot doende als voorschreven domiciliekeuze en met advocaatstelling als voormeld, de gerequireerde voornoemd:
GEDAGVAARD:
Om op vrijdag 1 oktober 2010 des voormiddags te 10.00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, kamer voor burgerlijke zaken alsdan gehouden wordende in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage;
TENEINDE:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarmee niet inachtneming nietigheid met zich meebrengt, meer in het bijzonder schending van het wettelijke vereiste van artikel 121 van de. Grondwet over de noodzaak van motivering in het algemeen en bepalingen van artikel 150 Rv, artikel 843 sub a Rv en artikel 7:932, lid 3, BW over bewijsrecht en exhibitieplicht in het bijzonder en het overtreden van de regels van behoorlijk procesrecht.
Overzicht van de zaak
1.
De zaak heeft betrekking op de overlijdensdekking door verzekering van de heer wijlen [betrokkene 1] (hierna te noemen ‘[betrokkene 1]’). [betrokkene 1], een Nederlander van Iraanse afkomst, is op 3 oktober 2002 door een auto ongeval in Eindhoven om het leven gekomen. [betrokkene 1] had, voor zover de moeder op de hoogte was, een ongevallenverzekering afgesloten uitsluitend voor het overlijden — niet voor invaliditeit — bij de naamloze vennootschap ING SCHADEVERZEKERING RETAIL N.V. als rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap POSTBANK SCHADEVERZEKERING N.V (hierna te noemen ‘Postbank’). De requirante, mevrouw Mervash Javan (hierna te noemen ‘[requirante]’) is de moeder en enig erfgename van [betrokkene 1].
2.
[requirante] geloofde niet de juistheid van het aangeboden lage bedrag van € 22.690,- als haar zoons overlijdensdekking. [requirante] had natuurlijk geen kopie van de polis van haar plotseling overleden zoon om aan te tonen hoeveel het correcte bedrag was. De reden was simpelweg dat het niet [requirante] zelf in [a-plaats] was, maar haar in Nederland wonende zoon, die de verzekeringspolis had moeten hebben. Het lichaam van [betrokkene 1] werd in het midden van de rouw, een week vóór begrafenis vanuit Nederland naar [a-plaats] gebracht, zoals dat is vereist volgens de Iraanse religieuze en culturele gebruiken. [betrokkene 1]s huurhuis werd ook direct leeg gemaakt en aan de verhuurder opgeleverd.
3.
[requirante], die het geringe bedrag vermeld als overlijdensdekking van haar zoon niet geloofde, verzocht een gemachtigde in Nederland om uit te zoeken wat het juiste bedrag zou moeten zijn.
4.
De gemachtigde vraagt de Postbank om het bedrag te specificeren. Hij vertelde de Postbank dat volgens de drie standaard aanvraagformulieren die hij in zijn bezit had, het vastgestelde bedrag bij een maandelijkse premie van € 4.1,- die [betrokkene 1] betaalde, een uitkering bij overlijden van € 60.150,- bedroeg en niet € 22.690,-, zoals gemeld door de Postbank.
5.
De Postbank verklaart dat [betrokkene 1] aanvankelijk in juli 1999 uitsluitend een ongevallenverzekering voor het overlijden had afgesloten, maar stelt, zonder enige onderbouwing, dat [betrokkene 1] later, in november 2001, ook een ongevallenverzekering voor invaliditeit afgesloten had. De Postbank stelt derhalve dat uit de maandelijkse premie van € 4,1, alleen € .1,51 bestemd was voor de overlijdensdekking en dat € 2,50 bestemd was voor invaliditeit waar in casu geen sprake van was.
6.
De gemachtigde verzoekt de Postbank om een kopie van het aanvraagformulier getekend door [betrokkene 1] aan hem op te sturen. Dit aanvraagformulier vormt volgens artikel 4 van de polisvoorwaarden van [betrokkene 1]s polisblad (Dagvaarding in eerste aanleg, productie 11)‘de grondslag van de verzekering’. De Postbank belooft hem een aantal keren deze op te sturen. Zij houdt zich echter niet aan haar woord en schrijft daarentegen tegenstrijdige brieven naar de gemachtigde. De ene keer zegt de Postbank dat zij het aanvraagformulier slechts aan het adres van [betrokkene 1], waar hij destijds woonde, mogen sturen en een andere keer vertelt de Postbank dat zij het aanvraagformulier alleen aan de nabestaanden, niet aan de gemachtigde, mogen versturen. Vervolgens bleef ook de beloofde toezending van het aanvraagformulier aan de gemachtigde zo maar uit.
7.
In eerste aanleg verschijnt de Postbank niet bij de terechtzitting, ondanks herhaald uitstel van termijnen. De rechtbank, die [requirante]s vordering niet ongegrond of onrechtvaardig vindt, wijst het gevorderde bedrag van € 60.150,- plus wettelijke rente en proceskosten toe door een verstekvonnis, krachtens art. 139 Rv.
8.
Vervolgens heeft de Postbank een verzetprocedure gestart. In deze procedure deed de Postbank niets meer dan het aanvoeren van onbewezen stellingen. De stellingen van de Postbank waren ook opvallend ongeloofwaardig. De Postbank beweerde onder andere, dat de maandelijkse premie van € 4.1 uit een premie voor [betrokkene 1] en zijn partner bestond. Dit terwijl het niet in geschil is dat [betrokkene 1] nimmer een partner heeft gehad. Voorts heeft de Postbank op de comparitie van partijen beloofd om een bankafschrift van de hand van [requirante] over te leggen om aan te tonen dat [betrokkene 1] in het begin een maandelijkse premie minder dan € 4.1 voor overlijdensdekking betaalde. Deze toezegging bleef ook uit.
9.
Omtrent het aanvraagformulier neemt de Postbank de tegengestelde positie in dat zij de originelen, van het aanvraagformulier niet heeft bewaard, maar alleen een gescande kopie daarvan. Zij beweert verder dat die gescande kopie samen met die van de andere klanten verloren is gegaan door een administratieve fout. De Postbank geeft evenwel geen enkele uitleg, laat staan bewijslevering, om aan te tonen hoe dit precies gebeurde of waarom zij geen poging heeft gedaan om dit beslissende bewijsmiddel, grondslag van de verzekeringsovereenkomst, terug te vinden door gebruik van een reeds op de markt beschikbare software om zulke problemen te verhelpen. In dit verband is het vermeldenswaardig dat de Postbank zelf aanvaart dat deze nieuwe positie tegenstrijdig is met haar antwoorden aan de gemachtigde, als verwezen naar in alinea 6, maar om de bewijswaarde van haar bekentenissen van het bezit van het aanvraagformulier daardoor te bagatelliseren gebruikt zij als understatement dat die antwoorden ‘niet de schoonheidsprijs verdienen’
10.
Later wijst de rechtbank nochtans [requirante]s vordering af in de voornoemde verzetprocedure. Zij doet dit ondanks het feit dat de Postbank haar stellingen helemaal niet kon rechtvaardigen en bewijzen. De aangevoerde stellingen trokken de waarheid van het voornoemde bedrag dat de Postbank aan [requirante] heeft uitgekeerd nog meer in twijfel.
11.
Voor wat betreft de exhibitieplicht beweerde de Postbank alleen dat zij niet in het bezit van een aanvraagformulier was. De Postbank zei dat alle bewijsstukken door een ‘administratieve fout’ verloren zijn gegaan. De Postbank kon ook geen uitleg geven over hetgeen de medewerkers van de Postbank aan [requirante]s gemachtigde hadden verteld, namelijk dat er wel degelijk een originele kopie van het aanvraagformulier aanwezig was en dat ze aan een andere klant (de heer [naam 1]) hadden meegedeeld dat kopieën van alle aanvraagformulieren in de kelder lagen. Tevens is niet uitgelegd hoe die gegevens uit de computer zijn verdwenen.
12.
Tegen het vonnis van de rechtbank werd hoger beroep ingesteld. Het hof heeft een vluchtig arrest gewezen. Dit arrest is verpest, nog afgezien van het onbegrijpelijke waarderen van feiten die niet in cassatie ter discussie zou kunnen staan, met verkeerde toepassing van bewijsrecht en exhibitieplicht. Het hof heeft vergissingen op het gebied van bewijslast (stelplicht) en exhibitieplicht gemaakt, namelijk: het hof heeft deze twee verschillende afzonderlijke begrippen van het vaststellen van feiten kennelijk door elkaar gehaald en heeft ook in de vier beoogde gevallen de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht (hoor en wederhoor) ten nadele van [requirante] geschonden.
Onjuiste toepassing van weten
en schending van behoorlijk procesrecht (beginsel van hoor en wederhoor)
Dit cassatieberoep betreft:
- 1)
schending van het verdedigingsbeginsel (hoor en wederhoor);
- 2)
verwarring van bewijsrecht (stelplicht) en exhibitieplicht regels, vandaar onjuiste toepassing van de toepasselijke wetsbepalingen en verder met schending van het verdedigingsbeginsel (hoor en wederhoor);
- 3)
verkeerde toepassing van de regels inzake exhibitieplicht samen met het verdedigingsbeginsel (hoor en wederhoor); en
- 4)
het negeren van het bewijs dat al in het dossier was zonder enige aanleiding of rechtvaardiging, en derhalve het trekken van een conclusie in strijd met [requirante]s overgelegde bewijsstukken, en daarom schending van het verdedigingsbeginsel (hoor en wederhoor).
Deze rechtsvragen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. De waardering van feitelijke aard, of de discretie van het hof om over de bewijswaarde van de bewijsmaterialen te beslissen is niet op zichzelf gezien in kwestie. Het punt is niet of al dan niet de feiten die de lagere rechter heeft vastgesteld juist zijn, dat de juistheid daarvan voor het overige in cassatie niet kan worden beoordeeld, maar alleen of het recht, inclusief de procesregels, juist is toegepast. De feiten waarnaar wordt verwezen staan slechts venneld om de rechtsvragen in hun juiste context te laten zien.
I.
Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat een bewijsaanbod door een partij niet relevant is omdat haar andere in geding gebrachte bewijzen, zonder de aangeboden bewijzen, ontoereikend zijn
Het hof heeft overwogen dat:
‘ Het door [requirante] gedane bewijsaanbod om deze redenen [ het ‘gemotiveerde en gedocumenteerd’ beschouwen van de betwisting door de Postbank van [requirante]s al in geding gebrachte bewijzen] ook niet relevant is.’
13.
Voor wat betreft de bewijslast van [requirante] is het onbegrijpelijk waarom voor het geding de onder ede af te leggen getuigenis van een getuige, de heer [getuige] (Dagvaarding in eerste aanleg, productie 1) over de hoogte van de overlijdensdekking irrelevant zou kunnen zijn. Dit is eigenlijk het kerngeschilpunt, make-or-break, in de onderhavige zaak. Een getuigenis (onder ede) is ongetwijfeld een belangrijk bewijsmiddel. Een geloofwaardige getuigenis, als met, de getuigenis van [betrokkene 1]s boezemvriend het geval was, zou de balans van de bewijslast ten voordele van [requirante] kunnen doen doorslaan.
14.
Het universele, fundamentele beginsel van rechtspleging van het verdedigingsbeginsel (hoor en wederhoor), audi alteram partem. vereist dat een beoordeling van toereikendheid van bewijs slechts na het horen van alle bewijzen van partijen plaats vindt. Het is aan het einde van de dag, na het horen van alle bewijsmiddelen die partijen naar voren willen brengen, dat de waardering van het bewijsgewicht van de partijen tegen elkaar overwogen dient te worden. Het kan slechts op dat moment worden bezien of het rechterlijke vermoeden, of ‘preponderance of evidence’ zoals het in het Engels wordt gezegd, ten voordele van de eiser bestaat om de vordering toe te wijzen1.. Het hof heeft wel de discretie om de waarde van bewijsmiddelen te beoordelen zoals het wil, maar heeft geen discretie om de bewijzen van een partij willekeurig niet te horen. Er bestaat geen discretie voor willekeur en redeloosheid. Recht is wezenlijk rationaliteit (Lex est dictamen rationis) en discretie dient ook op een redelijke wijze uitgeoefend te worden (Discretio est discernere per legem quid sit justum).
15.
Evenzo was het horen van [requirante]s aangeboden getuigenis over de exhibitieplicht van de Postbank van groot belang, om de volgende reden. Het hof heeft geen gevolgtrekking gegeven aan de weigering van de Postbank om het aanvraagformulier te produceren, met de redengeving dat, ‘ Aan dit verzoek heeft de Postbank niet kunnen voldoen, omdat zij niet meer over het formulier beschikt.’ (Rov.2.6) Het is klaarblijkelijk dat het aangeboden bewijs, de getuigenis, ten doel had om precies de onjuistheid van deze enkele stelling te bewijzen. Het hof is blijkbaar door de misleidende stelling van de Postbank over de relevantie van dit bewijs op het verkeerde spoor gebracht. In antwoord op deze onrechtvaardige bewering van de Postbank bij het Hof had [requirante] al gezegd:
Bovenvermelde bewering van de geïntimeerde, ‘Het door mevrouw [requirante] gedane bewijsaanbod is evenwel niet terzake dienend’ ( Memorie van Antwoord, alinea 41), is hetzij zinloos hetzij betekent dat zij de waarheid aanvaardt alsmede wat de getuigen willen zeggen. Deze onbetwiste punten die eigenlijk per implicatie zijn geaccepteerd, zijn de volgende.
- —
De heer [medewerker 1] en mevrouw [medewerkster 2], medewerkers van de Postbank, hebben de heer [naam 1] op 7 juni 2006 (zie inleidende dagvaarding, productie 14) verteld dat [betrokkene 1]s getekende aanvraagformulier bewaard werd in een kelder en binnen twee weken verstrekt zou kunnen worden.
- —
Mevrouw de [medewerkster 3], een andere medewerker van de Postbank, had [requirante]s gemachtigde beloofd om [betrokkene 1]s getekende aanvraagformulier aan hem toe te zenden.
- —
De heer [naam 2] heeft gezegd dat [requirante]s gemachtigde hem had verteld in 2006 dat de Postbank had beloofd om [betrokkene 1]s getekende aanvraagformulier aan zijn adres, waar [betrokkene 1] woonde, te sturen.
- —
De heer [naam 3] van Reqor Data Recovery te Amsterdam en de heer [naam 4] van A&A Service te Den Haag verklaren dat het gescande aanvraagformulier van [betrokkene 1] op eenvoudige wijze via bepaalde recovery software kan worden teruggehaald.’
16.
In tegenstelling tot wat het hof gezegd heeft is een bewijsaanbod in feite uitsluitend relevant indien alle andere al ingediende bewijsstukken niet toereikend zijn. Anders, d.w.z indien de al in geding gebrachte bewijzen om de bewijslast van de betreffende partij te dragen toereikend was, en extra bewijs onnodig zou zijn. Het hof had wel de discretie om geen bewijswaarde aan de aangeboden getuigenis te geven, maar het had geen discretie om het aangeboden bewijs willekeurig uit te sluiten.
II.
Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat ontoereikendheid van een partij bij de voldoening aan haar bewijslast (stelplicht) bewijsaanbod verbiedt om aan te tonen dat de stelling van de wederpartij dat zij het gewenste document niet in haar bezit heeft onwaar is
Het hof heeft overgewogen dat:
‘Voor een onderzoek naar de vraag of zoals [requirante] stelt, het aanvraagformulier door ict-deskundigen eenvoudig zou kunnen worden teruggevonden, ziet het hof geen aanleiding, omdat de overige stellingen van [requirante] [op het gebied van stelplicht], zoals reeds overwogen, ten enenmale ontoereikend zijn. Grief 2 faalt eveneens.’
17.
‘Bewijslast’ [stelplicht] en ‘exhibitieplicht’ zijn twee afzonderlijke begrippen. Het zou kunnen zijn dat een partij niet in staat is om haar bewijslast te dragen, maar zij de zaak op basis van het verzuim van de andere partij inzake exhibitieplicht, wanneer deze plicht bestaat, zou mogen winnen. Artikel 22 Rv. en artikel 843, en zoveel andere wettelijk bepalingen over gevolgtrekking2., zijn niet slechts een tautologische herhaling van artikel 150 Rv. In de onderhavige zaak staat bovendien een bijzondere exhibitieplicht, artikel 7:932, lid 3, BW. Deze wettelijk bepalingen dienen niet met die over de bewijslast (stelplicht) door elkaar gehaald te worden.
18.
Een exhibitieplicht, anders dan wat het hof gevonden heeft, veronderstelt redelijkerwijs dat de verzoekende partij haar vordering niet zonder het verzochte document zou kunnen voldoen. Anders zou er geen behoefte aan het gevraagde document zijn. Met andere worden is het, in tegenstelling tot wat het hof gezegd heeft, het enenmale toereikend, niet ontoereikend, voldoening van bewijslast (stelplicht) die de exhibitieplicht onnodig maakt. Vide alinea 14 supra.
III
Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat een partij van haar exhibitieplicht vrijgesteld wordt zonder enige consequentie door slechts ontkenning van het noodzakelijke document in het bezit te hebben, in het bijzonder wanneer duidelijk bewijs van het tegenovergestelde bestaat.
Het hof heeft overwogen dat:
‘Met grief 2 bestrijdt [requirante] het oordeel van de rechtbank dat de exhibitieplicht voor zover het de Postbank betreft niet ter zake doende is dan wel dat de Postbank daaraan heeft voldaan. Hiermee doelt [requirante] op haar verzoek aan de Postbank om het aanvraagformulier voor de door [betrokkene 1] afgesloten verzekering in het geding te brengen. Aan dit verzoek heeft de Postbank niet kunnen voldoen, omdat zij niet meer over het formulier beschikt.’
Rov.2.6
19.
De getrokken conclusie dat ‘zij [de Postbank] niet meer over het formulier beschikt’ is gebaseerd op geen enkel bewijs anders dan het ontkennende antwoord van de Postbank.
De Postbank heeft, anders dan wat het hof zegt (Rov.1.2: de Postbank heeft …en bewijs aangeboden) noch geen enkel bewijs ingediend, noch geen enkel bewijs aangeboden. Er is eigenlijk bewijs van het tegenovergestelde. Het bestaande bewijs (alinea's 6 en 15 supra) wijst erop dat de Postbank het verhaal van het verlies van [betrokkene 1]s aanvraagformulier omwille van het huidige rechterlijke proces heeft verzonnen. Het hof heeft onrechtvaardig geweigerd deze getuigenis te horen om te beslissen of de weigering gerechtvaardigd is en of zij bij gebreke daarvan daaruit de gevolgtrekking moest maken die het hof geraden acht. Het hof had zeker de discretie om de gevolgtrekking te maken als zij wilde, maar had geen discretie om het bewijs zonder enige aanleiding of rechtvaardiging niet te horen. Vide supra. Alinea 14.
20.
In dat verband is een opvallend bewijsstuk in het bijzonder noemenswaardig. Met de memorie van grieven en pleitnotitie heeft [requirante] twee kopieën van twee handschriften als bewijs ingediend. Deze bankafschriften tonen aan dat de Postbank als dagelijkse praktijk, op aanvraag de gegevens van de bijschrijvingen en afschrijvingen van de rekeningen van klanten van jaren geleden aan hen toestuurt. De Postbank heeft echter geen enkel zodanig bankafschrift van [betrokkene 1]s bankrekening verschaft om te tonen dat hij ooit een maandelijkse premie minder dan € 4.1 voor een bedoeling anders dan voor een overlijdens(ongevallen)verzekering betaalde.
Dit is ondanks het feit dat de Postbank nooit heeft gesteld dat zij zodanige bankafschriften niet in haar bezit heeft. Integendeel, de Postbank heeft tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg toegezegd om kopieën van die afschriften aan [requirante] te geven, maar dit bleef zonder gevolg. Het hof heeft dit punt ook helemaal uit het oog verloren. Hier is dan een kwestie van het negeren van het bewijs zonder enige aanleiding of rechtvaardiging, niet de kwestie van de discretie van waardering ervan.
21.
De weigering van de Postbank om de verzochte bewijsstukken beschikbaar te stellen, zonder zelfs een geloofwaardig verhaal te kunnen verzinnen, kan niet zonder consequenties blijven. Anders gezegd, exhibitieplicht, een middel van universele werking in de rechtspleging, wordt onzinnig. Indien de gevolgtrekking in de besproken omstandigheden ongepast is, is het nauwelijks voorstelbaar wat in het andere geval gepast zou kunnen zijn.
IV.
Het hof heeft ten onrechte [requirante]s beslissende bewijsstuk uit het oog verloren, en is op deze grond tot een tegenstrijdig conclusie gekomen
22.
Het hof heeft de vordering afgewezen voornamelijk op basis van de stelling van de Postbank dat zij nooit met niet-ronde cijfers, zoals gevorderd door [requirante] werkt. De onderbouwing van deze stelling is echter niets anders dan een paar exemplaren van standaardoffertes voor een ongevallenverzekering. Deze offertes zijn hetzij de recente offerts ingediend door [requirante] om de verhouding tussen de hoogte van de premie en de overlijdensdekking aan te tonen, hetzij degene die de Postbank zelf — begrijpelijkerwijs selectief — uit haar eigen uitgebreide dossier voor de bedoeling van een lopende rechtszaak als bewijs geleverd heeft. Het is zo dat het hof geconcludeerd heeft dat de Postbank ‘altijd alleen ronde bedragen van een vooraf bepaalde hoogte aanbiedt.’ (Rov.2.5).
23.
Deze redenering is in strijd met al het bestaande bewijs in het dossier. [requirante] heeft een exemplaar van een aanbod van een ongevallenverzekering in het geding gebracht, uit welke blijkt dat de Postbank, anders dan wat zij beweert, niet altijd alleen ronde bedragen aanbiedt. Dit aanbod houdt in een niet-rond bedrag van € 22.690,-, reeds ten tijde van de invoering van de euro. Dit document werd twee weken voor de comparitie van partijen in eerste aanleg in het geding gebracht, maar is aan het oog van het hof ontsnapt.
Mitsdien:
Op grond van vorenstaande middelen van cassatie te horen vernietigen het arrest waartegen deze middelen zich richten met zodanige verdere behandeling en beslissing als Uw Hoge Raad zal vermenen dat in goede justitie behoort; Kosten rechtens.
De kosten dezes zijn voor mij deurwaarder: € 87,93
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑09‑2010
de Bewijslastverdeling, Serie Burgerlijk Proces & Praktijk 3, Kluwer, Prof mr. W.D.H. Asser. p.89 nr.36.
Beroepschrift 21‑02‑2010
Heden, [eenentwintigste februari] tweeduizendenelf, ten verzoeke van mevrouw [requirante] wonende te [woonplaats] (Iran) en te dezer zake woonplaats kiezende te Wassenaar aan de Van Zuylen van Nijeveltstraat 110, ten verzoeke van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, Mr. H. Zengin, die in na te melden geding voor requirante als zodanig zal occuperen;
[Heb ik, ERIK DE MEIJ, als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, werkzaam op het kantoor van DENNIS JOUSTRA, als gerechtsdeurwaarder gevestigd te Amsterdam en aldaar kantoorhoudende aan het adres Kon. Wilhelminaplein 30;]
AAN:
De naamloze vennootschap ING SCHADEVERZEKERING RETAIL N.V. als rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap POSTBANK SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Amsterdam, die voor deze procedure geacht wordt woonplaats gekozen te hebben ten kantore van advocaat mr. A. van Hees, aldaar aan dit gekozen domicilie aan de Strawinskylaan 2001,1077 ZZ Amsterdam mijn exploot doende, sprekende met en afschrift dezes latende aan:
[Y. HELLEMONS, AAN DAT KANTOOR VERBONDEN]
onder de vermelding dat door een misverstand bij de rolwaarnemer, de rolwaarnemer op vrijdag 12 november 2010 niet heeft geoccupeerd in de zaak waadoor de Hoge Raad de zaak niet in behandeling heeft genomen.
1o
AANGEZEGD DAT:
het door mij, deurwaarder, op dertien september tweeduizend en tien aan gerequireerde betekende exploot van dagvaarding voor het overige wordt gehandhaafd en in stand gehouden;
2o
AANGEZEGD DAT:
het door mij, deurwaarder, op veertien oktober tweeduizend en tien aan gerequireerde betekende herstelexploot voor het overige wordt gehandhaafd en in stand gehouden;
Ik, deurwaarder, heb gerequireerde vervolgens
OPGEROEPEN:
op vrijdag 18 maart tweeduizend en elf, des voormiddags te 10:00 uur, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad der Nederlanden, kamer voor burgerlijke zaken alsdan gehouden wordende in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden aan de Kazernestraat 52 te 's‑Gravenhage;
TENEINDE:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarmee niet inachtneming nietigheid met zich meebrengt, meer in het bijzonder schending van het wettelijke vereiste van artikel 121 van de Grondwet over de noodzaak van motivering in het algemeen en bepalingen van de artikelen 150 Rv. 843 sub a en artikel 7:932, lid 3, BW over bewijsrecht en exhibitieplicht in het bijzonder en het overtreden van de regels van behoorlijk procesrecht.
Ik, deurwaarder, heb gerequireerde tot slot
3o
AANGEZEGD:
dat requirante, mevrouw [requirante] beroep in cassatie instelt tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam, vijfde meervoudige burgerlijke kamer in de zaak met zaaknummer 200.027.276/01, op 15 juni 2010 gewezen door de meesters R.J.Q. Klomp, C.A. Joustra en J.C.W. Rang ter openbare terechtzitting op 15 juni 2010.
De kosten dezes van mij, deurwaarder zien: € 90.62