Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, Straatsburg 27 januari 1977, Trb. 1977, 63; in werking getreden op 4 augustus 1978, voor Nederland op 19 juli 1985, Trb. 1985, 66 p. 5 voor Turkije op 20 augustus 1981, Trb. 2012, 66, p. 3.
HR, 09-10-2012, nr. 12/01624 U
ECLI:NL:HR:2012:BX6945
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-10-2012
- Zaaknummer
12/01624 U
- Conclusie
Mr. Vegter
- LJN
BX6945
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX6945, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑10‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX6945
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBZLY:2012:BV8282
ECLI:NL:HR:2012:BX6945, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑10‑2012; (Cassatie)
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBZLY:2012:BV8282, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX6945
Beroepschrift, Hoge Raad, 30‑03‑2012
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2013/61 met annotatie van A.H. Klip
SR-Updates.nl 2013-0053
NbSr 2012/393
Conclusie 09‑10‑2012
Mr. Vegter
Partij(en)
Nr. 12/01624
Mr. Vegter
Zitting: 28 augustus 2012
Conclusie inzake:
[De opgeëiste persoon]
1.
De Rechtbank Zwolle-Lelystad, zitting houdende te Groningen, heeft in haar uitspraak van 7 maart 2012 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Turkije ontoelaatbaar verklaard.
2.
Tegen deze uitspraak heeft mr. E.H.G. Kwakman, officier van justitie in het arrondissement Groningen, beroep in cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, plaatsvervangend officier van justitie in het arrondissement Groningen, heeft een schriftuur ingediend houdende een middel van cassatie. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. Y. Özdemir, advocaat te 's-Gravenhage, het cassatieberoep schriftelijk tegengesproken.
Het middel
3.
Het middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de feiten waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht, als een politiek delict moeten worden gekwalificeerd. De rechtbank heeft een onvolledige en daarmee onjuiste maatstaf toegepast door niet mede te toetsen aan het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, althans haar oordeel dat (alle) feiten moeten worden aangemerkt als politiek delict is zonder nadere motivering niet zonder meer begrijpelijk.
Oordeel van de Rechtbank
4.
De Rechtbank heeft de uitlevering ontoelaatbaar verklaard - kort gezegd - omdat de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter zake van een politiek delict. De Rechtbank heeft hieromtrent in haar uitspraak het volgende overwogen:
'Het vereiste van de dubbele strafbaarheid vergt dat het materiële feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar is naar het recht van de verzoekende staat en valt binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling. De uiteenzetting van de feiten is daarvoor mede bepalend, maar deze moeten worden bezien in de gehele context van het uitleveringsverzoek en de daarbij gevoegde stukken.
Bij de beoordeling van de vraag naar de dubbele strafbaarheid neemt de rechtbank het volgende in aanmerking (vergelijk: HR 17 april 2007, LJN BA1764 n.a.v. Rechtbank Roermond 8 september 2006, LJN: AY8874).
Uit (de Nederlandse vertaling van) het uitleveringsverzoek d.d. 23 november 2011, het bevel tot aanhouding d.d. 20 september 2011 en het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 26 januari 2011, blijkt dat de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd om hem in Turkije te kunnen berechten voor de verdenking van het misdrijf van artikel 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht. In het aanhoudingsbevel wordt specifiek artikel 146 vermeld en andere artikelen die zien op commune delicten worden niet vermeld. Ook is de tekst van dit artikel als enige materieelrechtelijk relevante wetsbepaling bij het uitleveringsverzoek gevoegd. Voorts blijkt uit de volgende passages in het uitleveringsverzoek dat uitlevering wordt verzocht voor de beoogde vervolging op grond van artikel 146 (letterlijk geciteerd):
- -
Verdachte [de opgeëiste persoon] wordt momenteel gezocht vanwege het ten laste gelegde feit. Voor het aan verdachte ten laste gelegde feit voorziet artikel 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht in een levenslange gevangenisstraf onder verzwaard regime.
- -
Verdachte zal slechts worden berecht voor het delict waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft.
In het arrest van het Hof van Cassatie is de volgende passage van belang (letterlijk geciteerd):
Deze handelingen, waarmee de beide verdachten het doel van de organisatie waar ze lid van waren nastreefden, namelijk om de grondwet van de Republiek onder dwang te wijzigen en in de plaats hiervan een systeem op te zetten gebaseerd op religieuze grondslagen, en die gezien de verwezenlijking van het strafbaar feit overeenstemmen met het nagestreefde doel, leveren het strafbaar feit op dat is vastgelegd in artikel 146/1 van het Turks Wetboek van Strafrecht, dat van kracht was op de datum van het strafbaar feit.
Bovenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat Turkije een vervolging beoogt die ziet op artikel 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht. Dit artikel luidt, volgens de door de Turkse autoriteiten bijgevoegde lijst van artikelen als volgt:
Zij, die pogen de Constitutie van de Republiek Turkije om te vormen, te wijzigen dan wel te elimineren, hetzij geheel, hetzij ten dele, de bij deze wet ingestelde Grote Nationale Assemblee uit zijn functie te ontheffen dan wel met geweld te verhinderen zijn taken uit te oefenen, worden veroordeeld met een verzwaarde levenslange gevangenisstraf onder zwaar regime.
De rechtbank is van oordeel dat dit feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert, en wel het in het Wetboek van Strafrecht omschreven artikel 94, dat als volgt luidt:
De aanslag ondernomen met het oogmerk om de grondwettige regeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen of op onwettige wijze te veranderen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
De omschreven gedragingen leveren dus zowel in de verzoekende staat als in Nederland een strafbaar feit op, waarvoor volgens zowel de Turkse als de Nederlandse strafwet een vrijheidsstraf van één jaar of meer kan worden opgelegd.
Gelet op vorenstaande is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.
De rechtbank overweegt vervolgens dat uit de jurisprudentie blijkt dat artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht een absoluut politiek delict behelst. Ingevolge artikel 3 van het Europees Verdrag betreffende Uitlevering en artikel 11, eerste lid, van de Uitleveringswet, wordt uitlevering niet toegestaan indien het strafbare feit door de aangezochte partij als politiek delict wordt beschouwd. De rechtbank concludeert dan ook dat de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar moet worden verklaard.'
Feiten waarvoor de uitlevering is verzocht
5.
Voor de beoordeling van het middel is van belang, welke feiten aan het uitleveringsverzoek ten grondslag zijn gelegd. De Rechtbank heeft in haar uitspraak de feiten waarvoor de uitlevering werd verzocht, niet gespecificeerd. Uit de uitspraak van de Rechtbank kan worden opgemaakt dat de Rechtbank zich heeft gebaseerd op de feiten zoals die uiteen zijn gezet in het op 7 oktober 2011 aan Interpol gerichte verzoek tot voorlopige aanhouding. In haar uitspraak geeft de Rechtbank namelijk aan kennis te hebben genomen van de bij het uitleveringsverzoek behoren stukken waarbij wordt gewezen op 'een overzicht van feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, de tijd waarop en de plaats waar de feiten zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen, gedateerd 7 oktober 2011'.
6.
Voor de beoordeling van het cassatieberoep moet evenwel worden uitgegaan van de feiten waarvoor de verzoekende Staat, in casu de Republiek Turkije, de uitlevering uiteindelijk heeft verzocht. Het verschil is van belang omdat het uitleveringsverzoek d.d. 23 november 2011 een uiteenzetting van de feiten behelst die niet geheel overeenkomt met de uiteenzetting van de feiten waarvoor d.d. 7 oktober 2011 de voorlopige aanhouding is verzocht. In het uitleveringsverzoek d.d. 23 november 2011 wordt de uitlevering ook verzocht voor - kort gezegd - de ondervraging van en moord op [slachtoffer 11]. Dit feit was niet opgenomen in het verzoek tot voorlopige aanhouding. Daarin ontbrak ook het door [de opgeëiste persoon] organiseren van activiteiten voor de terroristische organisatie Hizbullah in een zevental met name genoemde moskeeën.
7.
In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de uitlevering wordt verzocht ter zake van de navolgende feiten zoals deze uiteen zijn gezet in het uitleveringsverzoek d.d. 23 november 2011:
VERDACHTE OM WIENS UITLEVERING WORDT VERZOCHT: [de opgeëiste persoon] [...]
die is aangehouden bij operaties, gericht op de terroristische organisatie Hizbollah in Istanbul, zich in 1991 aansloot bij de terroristische organisatie Hizbullah toen hij studeerde aan de faculteit Tandheelkunde van de Dicle Universiteit. Vanaf die tijd heeft hij, na een politieke training te hebben gevolgd aan de Haci Hamit moskee in Diyarbakrir, gefungeerd als verantwoordelijke persoon voor de Hamit-, Hasirli-, Dortayakli-, Hocaoglu-, Kavas-i-Sagir- Hüsrevpasa en de Hz. Ömermoskee. Hij organiseerde activiteiten vanuit de organisatie in deze moskeeën, waarvoor hij verantwoordelijk was en verstrekte activiteitenverslagen aan zijn meerderen. In 1993 verstrekt hij een curriculum vitae en een foto aan de organisatie waarvan hij lid was. In 1994 werd hij in het kader van een herindeling van de organisatie aangesteld als verantwoordelijke voor het gebied Sur Içi en werd hem de codenaam Isa verstrekt om zijn anonimiteit te waarborgen. In 1996 richtte hij aan hemzelf gelieerde actie- en ondervragingseenheden van de militaire vleugel op. Door middel van deze eenheden heeft in overeenstemming met de doelen van de organisatie waarvan hij lid was [het volgende plaatsgevonden];
- 1)
Voor de ontvoering van en, nadat zij waren ondervraagd, de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in april 1996 werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de ontvoering was [de opgeëiste persoon], uitvoerders van de actie waren [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Ondervragers waren [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en schutter was [betrokkene 7].
- 2)
Voor de ontvoering van en, nadat hij was ondervraagd, de moord op [slachtoffer 3] op 06-04-1997 werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht oor [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de ontvoering was [de opgeëiste persoon]. Ondervragers waren [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en schutter was [betrokkene 7].
- 3)
Voor de ondervraging en de moord op [slachtoffer 11]kan op 06-09-1997 omdat hij spion zou zijn, waren instructies gegeven door [betrokkene 1]. De verantwoordelijke voor de actie binnen de eenheid was [betrokkene 2]. Ondervragers waren [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en schutter was [betrokkene 7].
- 4)
Voor de ondervraging en de moord op [slachtoffer 5] op 29-07-1997 werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgevracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de ontvoering was [de opgeëiste persoon]. Ondervragers waren [betrokkene 5] en [betrokkene 8] en schutter was [betrokkene 7].
- 5)
Voor de ondervraging en de moord op [slachtoffer 6], oud-Hizbullahlid, op 02-08-1997 werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de ontvoering binnen de eenheid was [de opgeëiste persoon]. De ontvoering werd uitgevoerd door [betrokkene 13], [betrokkene 4] en [de opgeëiste persoon]. Ondervrager was [betrokkene 6].
- 6)
Voor de ondervraging en de moord op [slachtoffer 7], oud-Hizbollahlid, in 1997, werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de ontvoering was [de opgeëiste persoon], verantwoordelijken voor de eenheid waren [betrokkene 9], [betrokkene 10], [betrokkene 11] en [betrokkene 12]. Schutter was [betrokkene 11].
- 7)
Voor de moord op [slachtoffer 8], Hizbollahlid, in 1997, werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de actie binnen de eenheid was [de opgeëiste persoon], schutters waren [betrokkene 11] en [betrokkene 14].
- 8)
Voor de moord op [slachtoffer 9], Hizbullahlid, in 1997, werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de actie binnen de eenheid was [de opgeëiste persoon], schutters waren [betrokkene 4] en [betrokkene 13].
- 9)
Voor het toebrengen van verwondingen met een mes aan [slachtoffer 10] op 03-12-1997 werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de actie binnen de eenheid was [de opgeëiste persoon], degenen die de actie uitvoeren waren [betrokkene 15] ... en [betrokkene 16] ...
In januari 1998 is hij na toestemming van de organisatie te hebben verkregen voor de behandeling van zijn aandoening naar de provincie Istanbul gegaan. Op aanwijzing van [betrokkene 17], die in maart 1998 was aangehouden, werden in de woning waar hij verbleef en die behoorde tot de betreffende cel van de organisatie in de provincie Diyarbakir, 2 pistolen in beslag genomen. Bij de herindeling van de provincie Istanbul nam hij de verantwoordelijkheid op zich voor het Anatolische deel van de stad.
De feiten zijn naar Turks recht strafbaar krachtens artikel 146 Wetboek van Strafrecht Turkije
8.
Uit het uitleveringsverzoek volgt dat de opgeëiste persoon wordt gezocht wegens overtreding van art. 146 Turks Wetboek van Strafrecht. Het uitleveringsverzoek houdt hierover het volgende in:
'Verdachte [de opgeëiste persoon] wordt momenteel gezocht vanwege het ten laste gelegde feit. Voor het aan verdachte ten laste gelegde feit voorziet artikel 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht nr. 765 in een levenslange gevangenisstraf onder verzwaard regime.'
9.
Bij het uitleveringsverzoek is de tekst gevoegd van de toepasselijke rechtsvoorschriften (art. 18 lid 3 onder c Uitleveringswet). Daaronder is de tekst van artikel 146 Turks Wetboek van Strafrecht dat als volgt in het Nederlands is vertaald:
'Zij, die pogen de Constitutie van de Republiek Turkije om te vormen, te wijzigen dan wel te elimineren, hetzij geheel, hetzij ten dele, de bij deze wet ingestelde Grote Nationale Assemblee uit zijn functie te ontheffen dan wel met geweld te verhinderen zijn taken uit te oefenen, worden veroordeeld met een verzwaarde levenslange gevangenisstraf onder zwaar regime.'
Uitleveringsverzoek berust mede op het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme
10.
Aan het uitleveringsverzoek is mede ten grondslag gelegd het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (hierna: EVT 1977).1. Het uitleveringsverzoek houdt hieromtrent het volgende in (ik citeer de Nederlandse vertaling):
'Ik verzoek u dan ook ingevolge artikel 16 van het Europees Uitleveringsverdrag en artikel 1/d, e en f van het Europees Verdrag tot Bestrijding van Terrorisme verdachte Abdulhavap EKINCI op internationaal niveau door middel van een "rood bulletin" op te sporen en hem bij aanhouding uit te leveren aan ons land, en hem tot aan zijn uitlevering tijdelijk in bewaring te stellen.'
11.
In dit verband wijs ik op een bericht afkomstig van de Ambassade van de Republiek Turkije gedateerd 5 januari 2012 waarin wordt ingegaan op de door het Nederlandse Ministerie van Veiligheid & Justitie aan de Turkse autoriteiten voorgelegde vraag of de uitlevering van [de opgeëiste persoon] enkel is verzocht ter zake van de vervolging van feiten die strafbaar zijn gesteld krachtens art. 146, eerste lid, Turkse Wetboek van Strafrecht. In haar uitspraak verwijst de Rechtbank naar dit bericht.
12.
In het bericht van de Ambassade van de Republiek Turkije d.d. 5 januari 2012 wordt (impliciet) bevestigd dat de uitlevering inderdaad wordt verzocht ter zake van feiten die strafbaar zijn gesteld krachtens art. 146, eerste lid, Turkse Wetboek van Strafrecht. Voorts houdt het bericht het volgende in:
'[De opgeëiste persoon] wordt onder meer beschuldigd van het plegen van de delicten ontvoering, moord en leiding geven aan een terroristische groepering. De acties van Hezbollah hebben geleid tot de dood van een groot aantal slachtoffers. Deze acties te zien als een politiek delict en het uitleveringsverzoek mogelijk af te wijzen op grond van deze overweging zou indruisen tegen de bepalingen van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, en in het bijzonder tegen de artikelen 1 en 2 van dit Verdrag, De instemming met de vervolging van [de opgeëiste persoon] zou passen binnen de gemeenschappelijke inspanningen van de beide landen in de gezamenlijke strijd tegen terrorisme.'
Terroristische misdrijven als misdrijven van politieke aard?
13.
In de toelichting op het middel worden twee klachten naar voren gebracht. Beide houden verband met het terroristische karakter van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. De eerste klacht houdt in dat de Rechtbank heeft nagelaten na te gaan of de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht vallen onder het toepassingsbereik van het EVT 1977. In deze klacht ligt besloten dat als de Rechtbank dat had gedaan, zij de feiten niet als feiten van politieke aard had aangemerkt zoals bedoeld in art. 11 Uitleveringswet (hierna ook kortheidshalve aangeduid als: politieke delicten). De tweede klacht houdt in dat de feiten naar Nederlands recht niet zonder meer als politieke delicten zouden zijn aan te merken omdat in de onderhavige zaak ook de artikelen 83 en 83a Sr van toepassing zijn. Daaruit zou volgen dat de feiten (tenminste: tevens) als terroristische misdrijven moeten worden aangemerkt. De tweede klacht faalt, de eerste klacht slaagt. Ik begin met de tweede klacht.
14.
Ook de Officier van Justitie heeft ter zitting aangevoerd dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht niet als delicten van politieke aard mogen worden aangemerkt omdat het naar Nederlands recht terroristische misdrijven opleveren. Net als in de toelichting op het middel is daarbij een beroep gedaan op de artikelen 83 en 83a Sr. Het ongemotiveerd voorbijgaan door de Rechtbank aan dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt leidt niet tot een motiveringsgebrek nu art. 359 lid 2 Sv niet van toepassing is verklaard op de uitleveringsprocedure (art. 29 Uitleveringswet) zodat hierover in cassatie terecht niet wordt geklaagd.
15.
De Rechtbank heeft aangenomen dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, naar Nederlands recht geen terroristisch misdrijf maar 'gewoon' als een aanslag op de grondwettige regeringsvorm en aldus een absoluut politiek delict moeten worden gekwalificeerd. De Rechtbank doet daarbij een beroep op HR 17 april 2007, LJN BA1764, NJ 2007/399. In dit arrest heeft de Hoge Raad - voor zover dat hier van belang is - in rechtsoverweging 3.4 het navolgende overwogen:
'De Rechtbank heeft vastgesteld dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de verzoekende Staat de uitlevering van de opgeëiste persoon uitsluitend heeft verzocht om hem te kunnen vervolgen ter zake van art. 146/1 van het Turkse Wetboek van Strafrecht. Die uitleg van de stukken is - mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is weergegeven - niet onverenigbaar met de bewoordingen waarin zij zijn gesteld, en moet derhalve in cassatie worden geëerbiedigd.'
16.
Hetzelfde geldt voor het oordeel van de Rechtbank in de onderhavige zaak. Ook de uitleg die de Rechtbank in de onderhavige zaak aan de stukken heeft gegeven is niet onverenigbaar met de bewoordingen waarin zij zijn gesteld zodat deze in cassatie moeten worden geëerbiedigd. Hieraan doet niet af dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht ook (tevens) zijn te kwalificeren als terroristische misdrijven. Hetzelfde gold voor de feiten waarvoor de uitlevering werd verzocht in de zaak die leidde tot het hierboven onder 15 genoemde arrest van de Hoge Raad. De Rechtbank mocht dus het uitleveringsverzoek aldus uitleggen dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht naar Nederlands recht niet als terroristisch misdrijf zijn te kwalificeren. Er zijn ook inhoudelijke argumenten om de klacht te verwerpen.
17.
De benadering die aan de klacht ten grondslag ligt, komt erop neer dat als het feit naar Nederlands recht als een terroristisch misdrijf kan worden gekwalificeerd er derhalve geen sprake meer kan zijn van politieke delicten. Deze opvatting is onjuist. De kwalificatie als terroristisch misdrijf laat onverlet dat sprake kan zijn van een delict van politieke aard. Het is zelfs niet ongebruikelijk dat de ene Staat delicten als terroristisch kwalificeert terwijl het in feite delicten van politieke aard betreft, indachtig de stelling dat de vrijheidsstrijder voor de een de terrorist is voor de ander.2. Het onderscheid tussen terroristische misdrijven en misdrijven van politieke aard wordt bevestigd door de toepasselijke verdragen waarin is bepaald dat feiten die daarin worden aangewezen ten behoeve van uitlevering niet langer als politieke delicten worden aangemerkt. De feiten worden met andere woorden 'gedepolitiseerd'. Uit het 'depolitiseren' volgt dat deze terroristische misdrijven zonder het desbetreffende verdrag als politieke delicten zouden kunnen worden aangemerkt niettegenstaande het terroristische karakter ervan. Aldus volgt uit de verdragen tevens dat niet alle als terroristisch te kwalificeren misdrijven per definitie niet van politieke aard zijn. Alleen voor de misdrijven die onder het toepassingsbereik van de 'depolitiserende' verdragen vallen, wordt vastgelegd dat deze binnen de door de verdragen getrokken grenzen ten behoeve van uitlevering niet meer als delicten van politieke aard zullen worden aangemerkt. Van een terroristisch misdrijf kan dus niet worden gezegd dat het per definitie niet van politieke aard kan zijn.
18.
Deze klacht faalt.
Vallen de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht onder het toepassingsbereik van het EVT 1977?
19.
Dan nu aandacht voor de klacht, dat de Rechtbank heeft nagelaten na te gaan of de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht vallen onder het toepassingsbereik van het EVT 1977. Het verdrag strekt ertoe de bestraffing van terrorisme te vergemakkelijken, onder meer door een belemmering bij de uitlevering van verdachten weg te nemen door bepaalde terroristisch te noemen delicten te 'depolitiseren'. Daartoe worden in het verdrag feiten aangewezen die ten behoeve van uitlevering niet als van politieke aard mogen worden beschouwd. Het verdrag maakt in twee artikelen een onderscheid tussen twee categorieën misdrijven. In art. 1 EVT 1977 worden feiten aangewezen die in verband met uitlevering niet langer als een politiek delict worden beschouwd. In art. 2 EVT 1977 worden gedragingen aangewezen waarbij de Staten ervoor mogen kiezen die in verband met uitlevering niet langer als een politiek delict te beschouwen. Op dit onderscheid tussen het imperatief te noemen art. 1 en het facultatief te noemen art. 2 moet meteen een nuancering worden aangebracht omdat van harde verplichtingen nauwelijks sprake is, in ieder geval niet voor Nederland. Bij de meest dwingende verplichting die in art. 1 EVT 1977 is opgenomen, heeft Nederland een voorbehoud gemaakt waarop hierna nog zal worden ingegaan terwijl art. 2 EVT 1977 geen verplichting maar meer een 'intentieverklaring' tot 'depolitiseren' biedt.
20.
De artikelen 1 en 2 EVT 1977 luiden als volgt:3.
Article 1
For the purposes of extradition between Contracting States, none of the following offences shall be regarded as a political offence or as an offence connected with a political offence or as an offence inspired by political motives:
- a.
an offence within the scope of the Convention for the Suppression of Unlawful Seizure of Aircraft, signed at The Hague on 16 December 1970;
- b.
an offence within the scope of the Convention for the Suppression of Unlawful Acts against the Safety of Civil Aviation, signed at Montreal on 23 September 1971;
- c.
a serious offence involving an attack against the life, physical integrity or liberty of internationally protected persons, including diplomatic agents;
- d.
an offence involving kidnapping, the taking of a hostage or serious unlawful detention;
- e.
an offence involving the use of a bomb, grenade, rocket, automatic firearm or letter or parcel bomb if this use endangers persons;
- f.
an attempt to commit any of the foregoing offences or participation as an accomplice of a person who commits or attempts to commit such an offence.
Article 2
- 1.
For the purposes of extradition between Contracting States, a Contracting State may decide not to regard as a political offence or as an offence connected with a political offence or as an offence inspired by political motives a serious offence involving an act of violence, other than one covered by Article 1, against the life, physical integrity or liberty of a person.
- 2.
The same shall apply to a serious offence involving an act against property, other than one covered by Article 1, if the act created a collective danger for persons.
- 3.
The same shall apply to an attempt to commit any of the foregoing offences or participation as an accomplice of a person who commits or attempts to commit such an offence.'
21.
Bij het merendeel van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, is sprake van moord dat kan worden aangemerkt als 'a serious offence involging an act of violence [...] against the life, physical integrity or liberty of a person' als bedoeld in art. 2 EVT 1977. Voor het in de uiteenzetting van de feiten onder 9 genoemde toebrengen van verwondingen met een mes aan [slachtoffer 10], kan worden betwijfeld of het aan deze kwalificatie voldoet. Verder valt de onder 1, 2, 4, 5 en 6 genoemde ontvoering van het later gedode slachtoffer onder de in art. 1 sub d EVT 1977 genoemde 'offence involving kidnapping'. Met uitzondering van het onder 9 genoemde feit, moet voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht worden aangenomen dat daarop het bepaalde in de artt. 1 en 2 EVT 1977 van toepassing is.4. Alvorens de vraag te bespreken wat dit betekent voor de beslissing van de uitleveringsrechter eerst nog aandacht voor het volgende.
Vallen de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht onder andere, nieuwere verdragen?
22.
Inmiddels is naast het EVT 1977 een tweede verdrag in werking getreden dat relevant is voor het antwoord op de vraag of feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, als een politiek delict kunnen worden gekwalificeerd. Dit is het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme dat op 16 mei 2005 te Warschau tot stand is gekomen.5. Het verdrag is op 1 juni 2007 in werking getreden, voor Nederland op 1 november 2010 en voor Turkije op 1 juli 2012.6. Dit verdrag wordt verder aangeduid als EVT 2005.
23.
De opzet van dit verdrag sluit op enkele hier relevante hoofdpunten aan bij het EVT 1977. Het depolitiseert een reeks terroristisch te noemen feiten die worden omschreven in een reeks verdragen die als bijlage bij het verdrag zijn gevoegd. Net als het EVT 1977 kan een voorbehoud worden gemaakt. De Staat verplicht zich dan dit voorbehoud per geval toe te passen op basis van een naar behoren onderbouwde beslissing (art. 20 lid 2). Anders dan het EVT 1977 biedt dit verdrag geen ijkpunten die bij het nemen van de beslissing in aanmerking moeten worden genomen. Nederland heeft een voorbehoud gemaakt.7.
24.
Van de terroristisch te noemen feiten waarop het EVT 2005 betrekking heeft, komt het aan ontvoering verwante misdrijf van gijzeling in aanmerking zoals omschreven in het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979.8. Nederland en Turkije zijn partij bij dit verdrag dat is opgenomen onder 4 van de bijlage bij het EVT 2005.9. Toch kunnen de gevallen van ontvoering waarvoor de uitlevering wordt verzocht, niet (zonder meer) worden aangemerkt als gijzeling zoals omschreven in het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979.
25.
Voor de toepassing van het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979, wordt het misdrijf van 'gijzeling' in art. 1, eerste lid, als volgt omschreven:
'Any person who seizes or detains and treatens to kill, to injure or to continue to detain another person (hereinafter referred to as the "hostage") in order to compel a third party, namely, a State, an international intergovernmental organization, a natural or juridical person, or a group of persons, to do or abstain from doing any act as an explicit or implicit condition for the release of the hostage commits the offence of taking of hostages ("hostage-taking") within the meaning of this Convention.'
26.
Een kenmerk van dit misdrijf is het stellen van eisen aan derden.10. Uit de stukken kan ik niet opmaken dat de ontvoeringen hebben plaatsgevonden om aan derden eisen te stellen. De slotsom is daarmee voor wat betreft het EVT 2005, dat daaruit niet voortvloeit dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht als terroristiche misdrijven kunnen worden aangemerkt waarvoor art. 20 van het EVT 2005 bepaalt dat deze ten behoeve van uitlevering niet mogen worden beschouwd als een politiek delict, nog afgezien van het bij dit artikel gemaakte Nederlandse voorbehoud. Ten overvloede stip ik nog het volgende aan. Voor zover in de uiteenzetting van de feiten besloten ligt, dat deze ertoe strekten de Turkse Staat ergens toe te dwingen, moet de vraag worden beantwoord of deze zijn begaan in het kader van een gewapend conflict als bedoeld in art. 12 van het Verdrag.11. Indien deze politiek uiterst gevoelige vraag bevestigend zou worden beantwoord, is het Verdrag niet van toepassing op de gijzeling maar de specifiek voor gewapende conflicten geschreven regels. Verdere uitwerking van dit thema voert hier te ver.
27.
Terug naar het EVT 1977 waarvoor het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979 ook van belang is. Thans wordt in art. 1 onder d EVT 1977 gewezen op 'offence involving kidnapping, the taking of a hostage or serious unlawful detention'. Dit zal veranderen indien het Protocol tot wijziging van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme 2003 in werking is getreden.12. De artikelen 1 en 2 EVT 1977 zullen worden aangevuld c.q. gewijzigd door de artikelen 1 en 2 Protocol. Nederland en Turkije hebben het Protocol geratificeerd maar het is nog niet in werking getreden.13. Gelet op het feit dat 15 Staten nog moeten ratificeren voordat het Protocol in werking zal treden, valt dit niet op korte termijn te verwachten. Desondanks is de tendens die uit de voorgenomen wijziging naar voren komt, interessant bij de beoordeling van het middel.
28.
Met het Protocol, zal art. 1 onder d EVT 1977 worden vervangen door een verwijzing naar het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979 ('offence within the scope of the International Convention Against the Taking of Hostages, adopted at New York on 17 December 1979'). Daarnaast worden aan art. 1 EVT 1977 nog feiten toegevoegd die in een zestal verdragen zijn omschreven, zodat de reikwijdte op dit punt gelijk zal zijn aan het EVT 2005 dat op precies dezelfde tien verdragen betrekking heeft.
29.
Toegespitst op de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zal het resultaat van het Protocol zijn dat het gewijzigde verdrag niet langer zal verplichten tot het depolitiseren van 'kidnapping'. In art. 1 onder d EVT 1977 resteert gijzeling zoals bedoeld in het Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979 maar uit de stukken blijkt niet dat de feiten als zodanig zijn te kwalificeren, zoals ik hierboven onder reeds opmerekte.
30.
Na de wijziging van het EVT 1977 zal een feit als ontvoering nog kunnen vallen onder de feiten genoemd in het gewijzigde art. 2 lid 1: 'a serious offence involving an act of violence, other than one covered by Article 1, against the life, physical integrity or liberty of a person.' Maar de betekenis van art. 2 EVT 1977 blijft ook onder het gewijzigde verdrag voor de Nederlandse praktijk, gelet op het facultaire karakter, naar alle waarschijnlijkheid klein.
31.
Uit het bovenstaande volgt dat een deel van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, valt onder het toepassingsbereik van art. 1 onder d EVT 1977 maar dat deze niet vallen onder het toepassingsbereik van het EVT 2005 en dat de feiten evenmin zouden vallen onder het toepassingsbereik van art. 1 onder d EVT 1977 zoals dat zal komen te luiden na inwerkingtreding van het Protocol.
De toepasselijkheid van het EVT 1977 en de beslissing van de uitleveringsrechter
32.
De betekenis van het EVT 1977 voor de Nederlandse praktijk is tamelijk beperkt. Voor wat betreft art. 2 EVT 1977 volgt dit uit de inhoud van het artikel zelf. Voor wat betreft de daarin aangewezen feiten, staat het de verdragsluitende Staten vrij deze niet te beschouwen als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven.14. Art. 2 EVT 1977 behelst geen verplichting om de daarin opgesomde feiten te 'depolitiseren' maar opent daartoe de mogelijkheid voor Staten die dat wenselijk achten.15. De bepaling heeft daarmee een facultatief karakter. Stein kwalificeert het artikel als een 'Optionsklausel'.16. Swart noemt het een 'merkwaardige bepaling, waarvan men zich kan afvragen welke praktische betekenis zij eigenlijk heeft.'17. In de Memorie van Toelichting bij de goedkeuringswet wordt art. 2 EVT 1977 gekwalificeerd als een 'intentieverklaring, een soort van richtlijn aan de verdragsstaten bij het bepalen van hun beleid.'18. Nu art. 2 EVT 1977 slechts de mogelijkheid biedt ('may') om de daar genoemde feiten niet als politiek delict aan te merken, 'derogeert artikel 2 niet aan de bestaande regels met betrekking tot de niet-uitlevering ter zake van politieke delicten' aldus dezelfde Memorie van Toelichting.19. Voor deze delicten blijft daarom alle bij het oude, concludeert Swart.(20)
33.
De betekenis van het EVT 1977 voor de Nederlandse praktijk is gelet op het imperatieve karakter het grootst voor wat betreft de feiten genoemd in art. 1. Hieraan doet niet af dat Nederland bij art. 1 een voorbehoud heeft gemaakt.
34.
Nederland heeft gebruik gemaakt van de in art. 13 EVT 1977 gegeven mogelijkheid een voorbehoud te maken. Het bij de ratificatie op 18 april 1985 gemaakte voorbehoud luidt als volgt:
'With due observance of Article 13, paragraph 1, of the Convention, the Kingdom of the Netherlands reserves the right to refuse extradition in respect of any offence mentioned in Article 1 of the Convention including the attempt to commit or participation in one of these offences, which it considers to be a political offence or an offence connected with a political offence.'21.
35.
Artikel 13, eerste lid, EVT 1977 bepaalt echter dat indien een voorbehoud wordt gemaakt, bij de waardering van het karakter van het delict een aantal gezichtspunten in de beschouwingen dienen te worden betrokken. Artikel 13, eerste lid, EVT 1977, luidt als volgt:
'Any State may, at the time of signature or when depositing its instrument of ratification, acceptance or approval, declare that it reserves the right to refuse extradition in respect of any offence mentioned in Article 1 which it considers to be a political offence, an offence connected with a political offence or an offence inspired by political motives, provided that it undertakes to take into due consideration, when evaluating the character of the offence, any particularly serious aspects of the offence, including:
- a.
that it created a collective danger to the life, physical integrity or liberty of persons; or
- b.
that it affected persons foreign to the motives behind it; or
- c.
that cruel or vicious means have been used in the commission of the offence.'
36.
Met het voorbehoud heeft Nederland zich het recht voorbehouden de uitlevering voor bepaalde feiten, die behoren tot de in art. 1 EVT genoemde categorieën, te weigeren in geval het deze als politiek delict beschouwt.22. Helemaal vrij is de Nederlandse rechter daarbij echter niet. Swart heeft opgemerkt dat het Nederlandse voorbehoud niet zal 'toelaten' dat de in art. 1 genoemde delicten 'zonder meer als politieke delicten worden beschouwd.'23. Het gemaakte voorbehoud heeft niet tot gevolg dat de desbetreffende gedragingen zonder meer worden 'gedepolitiseerd', maar verplicht de Nederlandse rechter om bij de beoordeling van het politieke karakter van een strafbaar feit als bedoeld in art. 1 'kenmerken van "bijzonder gewicht" mede in acht te nemen.'24.
37.
Als deze uitleg juist is, dan moet de vraag worden beantwoord in hoeverre de onderhavige zaak verschilt van de zaak die ten grondslag lag aan HR 17 april 2007, LJN BA1764, NJ 2007/399. De Rechtbank te Roermond had de uitlevering aan de Republiek Turkije ontoelaatbaar verklaard om redenen die vergelijkbaar zijn met de overwegingen van de Rechtbank in de onderhavige zaak. De Hoge Raad verwierp het hiertegen gerichte cassatieberoep met een beroep op de uitleg van de stukken door de Rechtbank die hij niet onverenigbaar oordeelde met de bewoordingen waarin zij zijn gesteld (hierboven onder 15 geciteerd).25.
38.
De feiten waarvoor in die zaak de uitlevering werd gevraagd, kunnen echter niet onder art. 1 EVT 1977 worden gebracht, als ik het goed zie: 1. afpersing (overval confectieatelier); 2. afpersing (gewapende overval op een juwelierswinkel); 5. afpersing (gewapende overval op een deviezenkantoor); 7. protestbetoging houden waarbij molotow cocktails op de weg zijn geworpen; 8. een ruit inslaan en 3. molotow cocktails gooien in het gebouw van een politieke partij.26. De Rechtbank had in die zaak ambtshalve vastgesteld dat het politieke delicten betrof. De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt toetst of de feiten kunnen worden aangemerkt als politieke delicten maar betrekt daarbij niet het EVT 1977 . De verklaring daarvoor kan goed zijn dat de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft niet onder vallen onder het EVT 1977 en op dat verdrag in cassatie geen beroep is gedaan.
39.
In de onderhavige zaak gaat het dus niet slechts om de uitleg die de Rechtbank aan het uitleveringsverzoek heeft gegeven, maar ook om de wijze waarop de Rechtbank zich rekenschap heeft gegeven van de vraag of de feiten gelet op het EVT 1977 als delicten van politieke aard kunnen c.q. moeten worden aangemerkt.
40.
De verplichting om de in art. 1 EVT 1977 genoemde 'particularly serious aspects' in acht te nemen voor de daar genoemde delicten, is niet verder omschreven. Wellicht oordeelt Stein daarom dat voor de Staten 'ihre Entscheidungsfreiheit nicht nennenswert einschränken können' zal.27.
41.
In de zaak Nuriye Kesbir, welke eveneens een uitleveringsverzoek van de Republiek Turkije betrof, heeft de Hoge Raad overwogen dat het aan de uitleveringsrechter is om te beoordelen of bij onder art. 1 EVT 1977 vallende feiten sprake is van een politiek delict.28. Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt echter niet dat zij zich enige rekenschap heeft gegeven van de genoemde factoren. De uitspraak van de Rechtbank lijdt daarom aan een motiveringsgebrek en kan niet in stand blijven.
42.
Ik heb me nog afgevraagd of de wijze waarop de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht door de Turkse autoriteiten zijn gekwalificeerd, doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of de uitlevering ter zake van delicten van politieke aard wordt verzocht. De Nederlandse autoriteiten hebben de Turkse autoriteiten in de gelegenheid gesteld de kwalificatie naar Turks recht uit te breiden, zoals blijkt uit het hierboven genoemde bericht afkomstig van de Ambassade van de Republiek Turkije gedateerd 5 januari 2012 waarin wordt ingegaan op de door het Nederlandse Ministerie van Veiligheid & Justitie aan de Turkse autoriteiten voorgelegde vraag of de uitlevering van [de opgeëiste persoon] enkel is verzocht ter zake van vervolging feiten die strafbaar zijn gesteld krachtens art. 146, eerste lid, Turkse Wetboek van Strafrecht. De Turkse autoriteiten hebben echter vastgehouden aan het in een uitleveringsrelatie enigszins ongemakkelijke art. 146 Turkse Wetboek van Strafrecht dat overduidelijk wijst op een absoluut politiek delict.
43.
Aan de toepasselijkheid van het EVT 1977 doet een en ander niets af, zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij het voorstel voor de goedkeuringswet voor het EVT 1977. Als primaire bedoeling van het EVT 1977 wordt daarin onder meer opgemerkt dat niet wordt gelet op de kwalificatie van de feiten volgens het recht van de verdragsstaten:
'De primaire bedoeling van het verdrag is om, voor wat de behandeling van uitleveringsverzoeken tussen verdragsstaten betreft, uitsluitend het materiële karakter van het feit, dus bij voorbeeld wederrechtelijke vrijheidsberoving te laten meetellen, en niet te letten op de bedoeling die bij de daders heeft voorgezeten en evenmin op de kwalificatie van de feiten volgens het recht van de verdragsstaten.'29.
Conclusie
44.
De uitkomst van de conclusie is enigszins curieus. De in cassatie opgeworpen vraag of de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast door niet mede te toetsen aan het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme is bevestigend beantwoord gelet op artikel 1 onder d EVT 1977. Sinds de inwerkingtreding van dat verdrag is er een tendens verder te depolitiseren. Merkwaardig is dat onder het EVT 2005 de hier aan de orde zijnde feiten nu juist niet meer gedepolitiseerd zouden moeten worden omdat ontvoering niet onder het toepassingsbereik van het verdrag valt. Na toekomstige inwerkingtreding van de wijziging van het EVT 1977 door het Protocol geldt voor art. 1 EVT 1977 hetzelfde. Gelet op het imperatieve karakter van het vigerende artikel 1 onder d EVT 1977 kon de rechtbank echter niet aan de ook door het OM in feitelijke instantie opgeworpen vraag, of er niet sprake is van een terroristisch misdrijf, voorbij gaan. Gelet op het voorbehoud van Nederland bij artikel 1 EVT 1977 is de rechter gehouden daaromtrent opheldering te geven. Daaraan lijkt mij niet af te doen dat na toekomstige inwerkingtreding van de het gewijzigde artikel 1 EVT 1977 die eis niet meer van zelf spreekt.
45.
Het middel is terecht voorgesteld.
46.
Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd en dat verzoeker zal worden opgeroepen voor een nader te bepalen zitting van de Hoge Raad teneinde omtrent het verzoek tot zijn uitlevering te worden gehoord.
De Procureur-Generaal
Bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑10‑2012
Art. 12 Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars (New York 17 december 1979, Trb. 1981, 53) waarover Lambert schrijft dat het waarschijnlijk is opgenomen 'to satisfy those States which wanted to emphasize that national liberation struggles can be seen as 'armed conflicts' rather than as terrorist activity'. J.J. Lambert, Terrorism and Hostages in International Law - A Commentary on the Hostages Convention 1979, Cambridge: Grotius Publications Limited 1990, p. 279. Art. 12 luidt als volgt: 'In so far as the Geneva Conventions of 1949 for the protection of war victims or the Additional Protocols to those Conventions are applicable to a particular act of hostage-taking, and in so far as States Parties to this Convention are bound under those conventions to prosecute or hand over the hostage-taker, the present Convention shall not apply to an act of hostage-taking committed in the course of armed conflicts as defined in the Geneva Conventions of 1949 and the Protocols thereto, including armed conflicts mentioned in article 1, paragraph 4, of Additional Protocol I of 1977, in which peoples are fighting against colonial domination and alien occupation and against racist regimes in the exercise of their right of self-determination, as enshrined in the Charter of the United Nations and the Declaration on Principles of International Law concerning Friendly Relations and Co-operation among States in accordance with the Charter of the United Nations.'
Zie over toekomstige wijzigingen van beide artikelen nader hieronder nrs. 27 e.v.
Trb. 2005, 2006, 36.
Trb. 2010, 244, p. 5-6 'With due regard to Article 20, paragraph 2, of the Convention, the Kingdom of the Netherlands reserves the right to refuse to extradite an alleged offender for any of the offences referred to in Articles 5 to 7 and 9 of the Convention that are regarded as political offences or as offences connected with a political offence, where such offences do not relate to the offences described in the Conventions referred to under points 9 and 10 of the Appendix to the Convention.'
New York 17 december 1979, Trb. 1981, 53.
Nederland: 5 januari 1989, Trb. 1989, 6, p. 7; Turkije: 14 september 1989, Trb. 1995, 246, p. 2.
Kamerstukken II 1983/84, 18 438 (R 1261), nr. 3, p. 9.
Kamerstukken II 1983/84, 18 438 (R 1261), nr. 3, p. 12. Zie voor de tekst van art. 12 hierboven noot 5.
Straatsburg 15 mei 2003, Trb. 2003, 133.
<http://conventions.coe.int/Treaty/Commun/ChercheSig.asp?NT=190&CM=8&DF=10/08/2012&CL=ENG>
In de authentieke Engels- en Franstalige versies staat 'may' respectievelijk 'peut'.
M.R. Mok, 'Het Europees verdrag tot bestrijding van terrorisme', NJB 52 (1977) p. 665 e.v. op p. 667.
T. Stein, Die Auslieferungsausnahme bei politischen Delikte, Berlijn-Heidelber-New York-Tokyo: Springer-Verlag 1983, p. 148.
A.H.J. Swart m.m.v. K. Helder, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 275 nr. 240.
Kamerstukken II 1979/80, 15 971 (R 1133), nr. 3, p. 9.
Kamerstukken II 1979/80, 15 971 (R 1133), nr. 3, p. 9.
Trb. 2012, 66, p. 9.
HR 7 mei 2004, LJN AF6988, NJ 2007/276 rov. 3.4.6.
Swart, a.w., p. 273 nr. 238.
Swart, a.w., p. 277 nr. 241.
HR 17 april 2007, LJN BA1764, NJ 2007/399 rov. 3.4.
Ik volg de nummering van het uitleveringsverzoek zoals dat in het arrest sub 3.2 is weergegeven.
Stein, a.w., p. 150.
HR 7 mei 2004, LJN AF6988, NJ 2007/276 rov. 3.4.6.
Kamerstukken II 1979/80, 15 971 (R 1132), nr. 3, p. 8.
Uitspraak 09‑10‑2012
Inhoudsindicatie
Uitlevering. OM-cassatie. De Rb heeft vastgesteld dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de verzoekende Staat de uitlevering van de opgeëiste persoon uitsluitend heeft verzocht om hem te kunnen vervolgen t.z.v. het in art. 146 van het Turkse WvSr omschreven delict. Die uitleg van de stukken is niet onverenigbaar met de bewoordingen waarin zij zijn gesteld, en moet derhalve in cassatie worden geëerbiedigd. De enkele omstandigheid dat het uitleveringsverzoek onderscheidenlijk de nota van de ambassade van de Republiek Turkije aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken te ’s-Gravenhage een verwijzing bevat naar de art. 1 en 2 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, dwingt niet tot een ander oordeel. In aanmerking genomen dat blijkens voormelde nota de verzoekende Staat op de hoogte was gesteld van het lot van een eerder uitleveringsverzoek in een andere zaak dat uitsluitend was gebaseerd op voormeld art. 146, en dat door het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie nadrukkelijk de vraag was gesteld of de onderhavige uitlevering enkel werd verzocht t.z.v. art. 146, had het op de weg van de verzoekende Staat gelegen expliciet aan te geven dat en in hoeverre het uitleveringsverzoek niet alleen o.b.v. art. 146 diende te worden beoordeeld, en kon de Rb oordelen dat zulks in onvoldoende mate was geschied.
Partij(en)
9 oktober 2012
Strafkamer
nr. S 12/01624 U
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, zitting houdende te Groningen, van 7 maart 2012, nummer 18/810015-11, op een verzoek van de Republiek Turkije tot uitlevering van:
[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. Y. Özdemir, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot oproeping van de opgeëiste persoon voor een nader te bepalen zitting van de Hoge Raad teneinde omtrent het verzoek tot zijn uitlevering te worden gehoord.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank de verzochte uitlevering ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd ontoelaatbaar heeft verklaard.
2.2.1.
Bij de stukken van het geding bevindt zich het door de verzoekende Staat gedane verzoek tot uitlevering van 23 november 2011. Dat verzoek, dat ertoe strekt de opgeëiste persoon (verder) te kunnen vervolgen ter zake van de daarin omschreven feiten, houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:
"Verdachte om wiens uitlevering wordt verzocht: [de opgeëiste persoon] (...) die is aangehouden bij operaties, gericht op de terroristische organisatie Hizbollah in Istanbul, zich in 1991 aansloot bij de terroristische organisatie Hizbullah toen hij studeerde aan de faculteit Tandheelkunde van de Dicle Universiteit. Vanaf die tijd heeft hij, na een politieke training te hebben gevolgd aan de Haci Hamit moskee in Diyarbakir, gefungeerd als verantwoordelijke persoon voor de Hamit-, Hasirli-, Dortayakli-, Hocaoglu-, Kavas-i-Sagir- Hüsrevpasa en de Hz. Ömermoskee. Hij organiseerde activiteiten vanuit de organisatie in deze moskeeën, waarvoor hij verantwoordelijk was en verstrekte activiteitenverslagen aan zijn meerderen. In 1993 verstrekt hij een curriculum vitae en een foto aan de organisatie waarvan hij lid was. In 1994 werd hij in het kader van een herindeling van de organisatie aangesteld als verantwoordelijke voor het gebied Sur Içi en werd hem de codenaam Isa verstrekt om zijn anonimiteit te waarborgen. In 1996 richtte hij aan hemzelf gelieerde actie- en ondervragingseenheden van de militaire vleugel op. Door middel van deze eenheden heeft in overeenstemming met de doelen van de organisatie waarvan hij lid was [het volgende plaatsgevonden];
- 1)
Voor de ontvoering van en, nadat zij waren ondervraagd, de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in april 1996 werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de ontvoering was [De opgeëiste persoon], uitvoerders van de actie waren [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Ondervragers waren [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en schutter was [betrokkene 7].
- 2)
Voor de ontvoering van en, nadat hij was ondervraagd, de moord op [slachtoffer 3] op 06-04-1997 werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de ontvoering was [de opgeëiste persoon]. Ondervragers waren [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en schutter was [betrokkene 7].
- 3)
Voor de ondervraging en de moord op [slachtoffer 4] op 06-09-1997 omdat hij spion zou zijn, waren instructies gegeven door [betrokkene 1]. De verantwoordelijke voor de actie binnen de eenheid was [betrokkene 2]. Ondervragers waren [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en schutter was [betrokkene 7].
- 4)
Voor de ondervraging en de moord op [slachtoffer 5] op 29-07-1997 werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de ontvoering was [De opgeëiste persoon]. Ondervragers waren [betrokkene 5] en [betrokkene 8] en schutter was [betrokkene 7].
- 5)
Voor de ondervraging en de moord op [slachtoffer 6], oud-Hizbullahlid, op 02-08-1997 werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de ontvoering binnen de eenheid was [de opgeëiste persoon]. De ontvoering werd uitgevoerd door [betrokkene 13], [betrokkene 4] en [de opgeëiste persoon]. Ondervrager was [betrokkene 6].
- 6)
Voor de ondervraging en de moord op [slachtoffer 7], oud-Hizbollahlid, in 1997, werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de ontvoering was [de opgeëiste persoon], verantwoordelijken voor de eenheid waren [betrokkene 9], [betrokkene 10], [betrokkene 11] en [betrokkene 12]. Schutter was [betrokkene 11].
- 7)
Voor de moord op [slachtoffer 8], Hizbollahlid, in 1997, werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de actie binnen de eenheid was [De opgeëiste persoon], schutters waren [betrokkene 11] en [betrokkene 14].
- 8)
Voor de moord op [slachtoffer 9], Hizbullahlid, in 1997, werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de actie binnen de eenheid was [de opgeëiste persoon], schutters waren [betrokkene 4] en [betrokkene 13].
- 9)
Voor het toebrengen van verwondingen met een mes aan [slachtoffer 10] op 03-12-1997 werden instructies gegeven door [betrokkene 1]. De instructies voor de actie werden overgebracht door [betrokkene 2]. Verantwoordelijk voor de actie binnen de eenheid was [de opgeëiste persoon], degenen die de actie uitvoeren waren [betrokkene 15] ... en [betrokkene 16] ...
In januari 1998 is hij na toestemming van de organisatie te hebben verkregen voor de behandeling van zijn aandoening naar de provincie Istanbul gegaan. Op aanwijzing van [betrokkene 17], die in maart 1998 was aangehouden, werden in de woning waar hij verbleef en die behoorde tot de desbetreffende cel van de organisatie in de provincie Diyarbakir, 2 pistolen in beslag genomen. Bij de herindeling van de provincie Istanbul nam hij de verantwoordelijkheid op zich voor het Anatolische deel van de stad.
Nadat op 27-10-2000 [betrokkene 18], de provinciaal verantwoordelijke voor Istanbul, werd aangehouden, werd hij voorgedragen voor de functie van verantwoordelijke voor de provincie Istanbul. Daar bleek dat op 28-05-2001 in de aan de betreffende cel van de organisatie behorende woning een groot aantal documenten van de organisatie in beslag was genomen, is door het Openbaar Ministerie een proces aanhangig gemaakt bij de Staatsveiligheidsrechtbank nr. 3 te Diyarbakir met de eis verdachte te straffen ingevolge het op zijn handelen van toepassing zijnde artikel 146/1 van het Turks Wetboek van Strafrecht (TCK) nr. 765. Het proces tegen verdachte is ingeschreven onder zaaknr. 2001/265 bij de Staatsveiligheidsrechtbank nr. 3 te Diyarbakir. Bij vonnis d.d. 04-04-2002 zaaknr. 2001/265 vonnisnr. 2002/93 is het tegen verdachte door het Openbaar Ministerie aanhangig gemaakte proces vanwege de juridische en feitelijke relatie die er tussen beide zaken bestaat samengevoegd met het procesdossier bij onze rechtbank met zaaknummer 2000/171. Behandeling van de zaak is voortgezet op basis van het dossier bij deze rechtbank met zaaknr. 2000/171. Vanwege het lidmaatschap van een terroristische organisatie, procesdossier van deze rechtbank met zaaknr. 2000/171 is verdachte ingevolge artikel 314/2 van het Turks Wetboek van Strafrecht nr. 5237 veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar. Nadat beroep is aangetekend, is bij arrest van de 9e Strafkamer van het Hof van Cassatie d.d. 26-01-2011, zaaknr. 2010/15387, arrest nr. 2011/359 het vonnis van deze rechtbank vernietigd waarna het dossier aan deze rechtbank is toegezonden met de mededeling, dat het handelen van verdachte valt onder de werkingssfeer van artikel 146/1 van het Turks Wetboek van Strafrecht nr. 765. Het dossier is ingeschreven hij deze rechtbank met zaaknr. 2011/76, waarna de behandeling is voortgezet.
Gebleken is dat verdachte in het procesdossier met zaaknr. 2011/76 als gedetineerd was vermeld en dat de behandeling van de zaak als zodanig is voortgezet.
Verdachte [de opgeëiste persoon] wordt momenteel gezocht vanwege het ten laste gelegde feit. Voor het aan verdachte ten laste gelegde feit voorziet artikel 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht nr. 765 in een levenslange gevangenisstraf onder verzwaard regime. Conform artikel 102/1 van het Turks Wetboek van Strafrecht geldt voor dit type delicten een verjaringstermijn van 20 jaar. Niettegenstaande het feit dat het Turks Wetboek van Strafrecht nr. 5237 op 01-06-2005 in werking is getreden is bij vergelijking met verdachten die vanwege soortgelijke beschuldigingen terechtgestaan hebben, vastgesteld dat het Turks Wetboek van Strafrecht nr. 765 meer in het voordeel van verdachte is.
Volgens de Turkse nationale wet- en regelgeving geldt het door verdachte gepleegde delict niet als een politiek, militair of economisch delict, maar als terreurdelict.
Bij uitlevering van verdachte [de opgeëiste persoon] aan Turkije zal hij ingevolge de regel "non bis in idem" in ons land niet terechtstaan vanwege een in uw land gepleegd delict waarvoor hij in uw land berecht is.
Verdachte zal slechts worden berecht voor het delict waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft. In het geval dat er sprake blijkt te zijn van een delict dat onder de werkingssfeer van het Turks strafrecht valt en vóór de datum van de uitlevering is gepleegd zal ingevolge het "Specialiteitsbeginsel" een verzoek om toestemming worden gedaan, en wanneer geen toestemming wordt verleend zal er geen sprake zijn van berechting vanwege feiten die niet vallen onder het delict waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft.
Wanneer er nadat uitlevering heeft plaatsgevonden een wijziging optreedt in de aard of hoedanigheid van het delict dan wel er sprake is van straf voor een nieuw delict, zal voor het in ons verzoek vermelde delict toestemming worden gevraagd van de uitleverende staat en wanneer geen toestemming wordt verleend zal het, ook als het delict volgens de rechtbank wettig en overtuigend is vast komen te staan, niet mogelijk zijn een zwaardere straf op te leggen dan welke vermeld is in het uitleveringsverzoek.
Bij wet nr. 5190 zijn de Staatsveiligheidsrechtbanken opgeheven en ingevolge de aan het Turks Wetboek van Strafvordering nr. 1412 toegevoegde artikelen 394/a, b, c en d zijn de Rechtbanken voor Zware Strafzaken opgericht om recht te spreken met betrekking tot terreurdelicten. De wettelijke regeling hiervan alsmede de oprichting van de rechtbanken is d.d. 04-12-2004 aanvaard door de Turkse Grote Nationale Assemblee en is opnieuw geregeld in de artikelen 250, 251 en 252 van het Turks Wetboek van Strafrecht dat op 01-06-2005 in werking is getreden.
De betreffende wettelijke regelingen zijn getroffen in het kader van aanpassing aan de Europese Unie. Ingeval van verschillen ten aanzien van strafmaat en overige bepalingen tussen de artikelen van de d.d. 01-06-2005 in werking getreden wet en die van de eerder vigerende wet zal worden vastgesteld welke wetsartikelen in het voordeel van verdachte zijn, en zullen deze worden toegepast.
Bij uitlevering van verdachte zal hij zich uiteraard kunnen beroepen op de rechten en garanties die de Turkse nationale wet- en regelgeving, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bieden.
Als bijlage bij het verzoek zijn gevoegd de volgens het Europees Uitleveringsverdrag en de Turkse nationale wet- en regelgeving benodigde informatie en documenten. Indien gewenst zal aanvullende informatie worden verstrekt wanneer daartoe een redelijke extra termijn wordt verleend.
Ik verzoek u dan ook ingevolge artikel 16 van het Europees Uitleveringsverdrag en artikel 1/d, e en f van het Europees Verdrag tot Bestrijding van Terrorisme verdachte [de opgeëiste persoon] op internationaal niveau door middel van een "rood bulletin" op te sporen en hem bij aanhouding uit te leveren aan ons land, en hem tot aan zijn uitlevering tijdelijk in bewaring te stellen."
2.2.2.
Bij het uitleveringsverzoek is gevoegd de tekst van voormeld art. 146 van het Turkse Wetboek van Strafrecht dat in de Nederlandse vertaling luidt:
"Zij, die pogen de Constitutie van de Republiek Turkije om te vormen, te wijzigen dan wel te elimineren, hetzij geheel, hetzij ten dele, de bij deze wet ingestelde Grote Nationale Assemblee uit haar functie te ontheffen dan wel met geweld te verhinderen haar taken uit te oefenen, worden veroordeeld met een verzwaarde levenslange gevangenisstraf onder zwaar regime."
2.2.3.
Bij de stukken bevindt zich voorts een nota van de ambassade van de Republiek Turkije aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken te 's-Gravenhage van 5 januari 2012, inhoudende onder meer:
"Bij brief van 7 december 2011 heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie van het Koninkrijk der Nederlanden de Ambassade op de hoogte gesteld van het feit dat een ander uitleveringsverzoek betreffende een Turks onderdaan dat was gebaseerd op artikel 146, lid 1 van het vorige Turkse Wetboek van Strafrecht (nr. 765) door de Rechtbank van Roermond niet-ontvankelijk was verklaard aangezien het delict genoemd in dit artikel strafbaar is onder artikel 94 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht en wordt gezien als een politiek delict. De Officier van Justitie heeft tegen deze beslissing beroep aangetekend, maar de Hoge Raad heeft de beslissing van de Rechtbank van Roermond bevestigd.
In dit verband vroeg het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie door de Ambassade te worden geïnformeerd of de uitlevering van [de opgeëiste persoon] enkel is verzocht voor vervolging krachtens artikel 146, lid l van het vorige Turkse Wetboek van Strafrecht (nr. 765).
De Ambassade heeft bovengenoemd verzoek doorgestuurd naar het Turkse Ministerie van Justitie en werd als volgt geïnformeerd:
- -
[De opgeëiste persoon] sloot zich in 1991 aan bij de terroristische groepering Hezbollah (een informatieblad over de Hezbollah treft u bijgaand aan). Hij heeft de gewapende eenheden van Hezbollah opgericht die onder zijn directe verantwoordelijkheid deelnamen aan de ontvoering, het verhoren en vermoorden van een aantal slachtoffers. [De opgeëiste persoon] werd in 2000 door de Hezbollah aangesteld als verantwoordelijke voor de provincie Istanbul.
- -
Het Hooggerechtshof voor Strafzaken van Diyarbakir, Kamer nr. 6, heeft [de opgeëiste persoon] veroordeeld tot tien jaren gevangenisstraf wegens het delict lidmaatschap van een terroristische organisatie. De Hoge Raad voor Strafzaken, Kamer nr. 9, heeft de beslissing echter vernietigd op grond van het feit dat de handelingen van [de opgeëiste persoon] binnen de werkingssfeer vielen van artikel 146, lid 1 van het vorige Turkse Wetboek van Strafrecht (nr. 765).
- -
De rechtszaak tegen [de opgeëiste persoon] met rolnummer 2011/76 waarin de aanhouding van [de opgeëiste persoon] wordt geëist is nog steeds in behandeling bij het Hooggerechtshof voor Strafzaken van Diyarbakir.
[De opgeëiste persoon] wordt onder meer beschuldigd van het plegen van de delicten ontvoering, moord en leiding geven aan een terroristische groepering. De acties van Hezbollah hebben geleid tot de dood van een groot aantal slachtoffers. Deze acties te zien als een politiek delict en het uitleveringsverzoek mogelijk af te wijzen op grond van deze overweging zou indruisen tegen de bepalingen van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, en in het bijzonder tegen de artikelen 1 en 2 van dit Verdrag. De instemming met de vervolging van [de opgeëiste persoon] zou passen binnen de gemeenschappelijke inspanningen van de beide landen in de gezamenlijke strijd tegen terrorisme."
2.3.
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:
"Het vereiste van de dubbele strafbaarheid vergt dat het materiële feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar is naar het recht van de verzoekende staat en valt binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling. De uiteenzetting van de feiten is daarvoor mede bepalend, maar deze moeten worden bezien in de gehele context van het uitleveringsverzoek en de daarbij gevoegde stukken.
Bij de beoordeling van de vraag naar de dubbele strafbaarheid neemt de rechtbank het volgende in aanmerking (vergelijk: HR 17 april 2007, LJN BA1764 n.a.v. Rechtbank Roermond 8 september 2006, LJN: AY8874).
Uit (de Nederlandse vertaling van) het uitleveringsverzoek d.d. 23 november 2011, het bevel tot aanhouding d.d. 20 september 2011 en het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 26 januari 2011, blijkt dat de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd om hem in Turkije te kunnen berechten voor de verdenking van het misdrijf van artikel 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht. In het aanhoudingsbevel wordt specifiek artikel 146 vermeld en andere artikelen die zien op commune delicten worden niet vermeld. Ook is de tekst van dit artikel als enige materieelrechtelijk relevante wetsbepaling bij het uitleveringsverzoek gevoegd. Voorts blijkt uit de volgende passages in het uitleveringsverzoek dat uitlevering wordt verzocht voor de beoogde vervolging op grond van artikel 146 (letterlijk geciteerd):
- -
Verdachte [de opgeëiste persoon] wordt momenteel gezocht vanwege het ten laste gelegde feit. Voor het aan verdachte ten laste gelegde feit voorziet artikel 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht in een levenslange gevangenisstraf onder verzwaard regime.
- -
Verdachte zal slechts worden berecht voor het delict waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft.
In het arrest van het Hof van Cassatie is de volgende passage van belang (letterlijk geciteerd):
- -
Deze handelingen, waarmee de beide verdachten het doel van de organisatie waar ze lid van waren nastreefden, namelijk om de grondwet van de Republiek onder dwang te wijzigen en in de plaats hiervan een systeem op te zetten gebaseerd op religieuze grondslagen, en die gezien de verwezenlijking van het strafbaar feit overeenstemmen met het nagestreefde doel, leveren het strafbaar feit op dat is vastgelegd in artikel 146/1 van het Turks Wetboek van Strafrecht, dat van kracht was op de datum van het strafbaar feit.
Bovenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat Turkije een vervolging beoogt die ziet op artikel 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht. Dit artikel luidt volgens de door de Turkse autoriteiten bijgevoegde lijst van artikelen als volgt:
Zij, die pogen de Constitutie van de Republiek Turkije om te vormen, te wijzigen dan wel te elimineren, hetzij geheel, hetzij ten dele, de bij deze wet ingestelde Grote Nationale Assemblee uit haar functie te ontheffen dan wel met geweld te verhinderen haar taken uit te oefenen, worden veroordeeld met een verzwaarde levenslange gevangenisstraf onder zwaar regime.
De rechtbank is van oordeel dat dit feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert, en wel het in het Wetboek van Strafrecht omschreven artikel 94, dat als volgt luidt:
De aanslag ondernomen met het oogmerk om de grondwettige regeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen of op onwettige wijze te veranderen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
De omschreven gedragingen leveren dus zowel in de verzoekende staat als in Nederland een strafbaar feit op, waarvoor volgens zowel de Turkse als de Nederlandse strafwet een vrijheidsstraf van één jaar of meer kan worden opgelegd.
Gelet op vorenstaande is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.
De rechtbank overweegt vervolgens dat uit de jurisprudentie blijkt dat artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht een absoluut politiek delict behelst. Ingevolge artikel 3 van het Europees Verdrag betreffende Uitlevering en artikel 11, eerste lid, van de Uitleveringswet, wordt uitlevering niet toegestaan indien het strafbare feit door de aangezochte partij als politiek delict wordt beschouwd. De rechtbank concludeert dan ook dat de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar moet worden verklaard."
2.4.
De Rechtbank heeft vastgesteld dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de verzoekende Staat de uitlevering van de opgeëiste persoon uitsluitend heeft verzocht om hem te kunnen vervolgen ter zake van het in art. 146 van het Turkse Wetboek van Strafrecht omschreven delict. Die uitleg van de stukken is - mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 is weergegeven - niet onverenigbaar met de bewoordingen waarin zij zijn gesteld, en moet derhalve in cassatie worden geëerbiedigd. De enkele omstandigheid dat het uitleveringsverzoek onderscheidenlijk de hiervoor onder 2.2.3 genoemde nota een verwijzing bevat naar de art. 1 en 2 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, dwingt niet tot een ander oordeel. In aanmerking genomen dat blijkens voormelde nota de verzoekende Staat op de hoogte was gesteld van het lot van een eerder uitleveringsverzoek in een andere zaak dat - kort gezegd - uitsluitend was gebaseerd op voormeld art. 146, en dat door het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie nadrukkelijk de vraag was gesteld of de onderhavige uitlevering enkel werd verzocht ter zake van art. 146, had het op de weg van de verzoekende Staat gelegen expliciet aan te geven dat en in hoeverre het uitleveringsverzoek niet alleen op basis van art. 146 diende te worden beoordeeld, en kon de Rechtbank oordelen dat zulks in onvoldoende mate was geschied.
2.5.
Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savonin Lohman, J. de Hullu, Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 9 oktober 2012.
Beroepschrift 30‑03‑2012
Aan de Hoge Raad der Nederlanden:
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de uitspraak van de meervoudige kamer van de Rechtbank te Zwolle-Lelystad, zittinghoudende te Groningen, waarbij de Rechtbank de door de Republiek Turkije verzochte uitlevering ter strafvervolging van:
[rekwirant],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1971,
ontoelaatbaar heeft verklaard.
Rekwirant kan zich met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en legt aan de Hoge Raad voor het volgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, waarbij in het bijzonder zijn (is) geschonden, althans niet zijn (is) nageleefd art. 11 en/of art. 28 Uitleveringswet en/of art. 3 Europees Uitleveringsverdrag en/of art. 1 en/of 13 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme,
aangezien de Rechtbank bij haar oordeel dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard nu de uitlevering wordt verzocht ter zake een politiek delict, een onvolledige en daarmee onjuiste maatstaf heeft toegepast door niet mede te toetsen aan het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, althans is haar oordeel dat (alle) feiten moeten worden aangemerkt als politiek delict zonder nadere motivering niet zonder meer begrijpelijk.
Toelichting:
1.
De Rechtbank heeft de verzochte uitlevering ter strafvervolging van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar verklaard en daartoe overwogen:
‘Dubbele strafbaarheid/politiek delict
Het vereiste van de dubbele strafbaarheid vergt dat het materiële feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar is naar het recht van de verzoekende staat en valt binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling. De uiteenzetting van de feiten is daarvoor mede bepalend, maar deze moeten worden bezien in de gehele context van het uitleveringsverzoek en de daarbij gevoegde stukken.
Bij de beoordeling van de vraag naar de dubbele strafbaarheid neemt de rechtbank het volgende in aanmerking (vergelijk: HR 17 april 2007, LJN BA1764 n.a.v. Rechtbank Roermond 8 september 2006, LJN: AY8874).
Uit (de Nederlandse vertaling van) het uitleveringsverzoek d.d. 23 november 2011, het bevel tot aanhouding d.d. 20 september 2011 en het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 26 januari 2011, blijkt dat de uitlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd om hem in Turkije te kunnen berechten voor de verdenking van het misdrijf van art. 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht. In het aanhoudingsbevel wordt specifiek artikel 146 vermeld en andere artikelen die zien op commune delicten worden niet vermeld. Ook is de tekst van dit artikel als enige materieelrechtelijke relevante wetsbepaling bij het uitleveringsverzoek gevoegd. Voorts blijkt uit de volgende passages in het uitleveringsverzoek dat uitlevering wordt verzocht voor de beoogde vervolging op grond van artikel 146 (letterlijk geciteerd):
- —
Verdachte [rekwirant] wordt momenteel gezocht vanwege het ten laste gelegde feit. Voor het aan verdachte ten laste gelegde feit voorziet artikel 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht in een levenslange gevangenisstraf onder verzwaard regime.
- —
Verdachte zal slechts worden berecht voor het delict waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft.
In het arrest van het Hof van Cassatie is de volgende passage van belang (letterlijk geciteerd)
- —
Deze handelingen, waarmee de beide verdachten het doel van de organisatie waar ze lid van waren nastreefden, namelijk om de grondwet van de Republiek onder dwang te wijzigen en in de plaats hiervan een systeem op te zetten gebaseerd op religieuze grondslagen, en die gezien de verwezenlijking van het strafbaar feit overeenstemmen met het nagestreefde doel, leveren het strafbaar feit op dat is vastgelegd in artikel 146/1 van het Turks Wetboek van Strafrecht, dat van kracht was op de datum van het strafbaar feit.
Bovenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat Turkije een vervolging beoogt die ziet op artikel 146 van het Turks Wetboek van Strafrecht. Dit artikel luidt, volgens de door de Turkse autoriteiten bijgevoegde lijst van artikelen als volgt:
Zij, die pogen de Constitutie van de Republiek Turkije om te vormen, te wijzigen dan wel te elimineren, hetzij geheel, hetzij ten dele, de bij deze wet ingestelde Grote Nationale Assemblee uit zijn functie te ontheffen dan wel met geweld te verhinderen zijn taken uit te oefenen, worden veroordeeld met een verzwaarde levenslange gevangenisstraf onder zwaar regime.
De rechtbank is van oordeel dat dit feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert, en wel het in het Wetboek van Strafrecht omschreven artikel 94, dat als volgt luidt:
De aanslag ondernomen met het oogmerk om de grondwettige regeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen of op onwettige wijze te veranderen, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.
De omschreven gedragingen leveren dus zowel in de verzoekende staat als in Nederland een strafbaar feit op, waarvoor volgens zowel de Turkse als de Nederlandse strafwet een vrijheidsstraf van één jaar of meer kan worden opgelegd.
Gelet op vorenstaande is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.
De rechtbank overweegt vervolgens dat uit de jurisprudentie blijkt dat artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht een absoluut politiek delict behelst. Ingevolge artikel 3 van het Europees Verdrag betreffende Uitlevering en artikel 11, eerste lid, van de Uitleveringswet, wordt uitlevering niet toegestaan indien het strafbare feit door de aangezochte partij als politiek delict wordt beschouwd. De rechtbank concludeert dan ook dat de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar moet worden verklaard.’
2.
Blijkens het uitleveringsverzoek wordt [rekwirant] ervan verdacht dat hij zich heeft aangesloten bij de terroristische organisatie Hizbullah. Hij richtte een aan hemzelf gelieerde actie- en ondervragingseenheid van de militaire vleugel van die organisatie op. In het kader daarvan wordt [rekwirant] ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij
- 1)
de ontvoering van en de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2],
- 2)
de ontvoering van en de moord op [slachtoffer 3],
- 3)
de ondervraging van en de moord op [slachtoffer 4],
- 4)
de ondervraging van en de moord op [slachtoffer 5],
- 5)
de ondervraging van en de moord op [slachtoffer 6],
- 6)
de ondervraging van en de moord op [slachtoffer 7],
- 7)
de moord op [slachtoffer 8],
- 8)
de moord op [slachtoffer 9] en
- 9)
het toebrengen van verwondingen met een mes aan [slachtoffer 10].
In het uitleveringsverzoek wordt gesteld dat sprake was van een terreurdelict, zoals ook door de officier van justitie is aangegeven in zijn requisitoir. Door de Turkse autoriteiten wordt het uitleveringsverzoek gebaseerd op het Europees Uitleveringsverdrag alsmede op art. 1 onder d, e en f van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme.
3.1.
Art. 11 Uitleveringswet luidt — voor zover thans van belang —:
- ‘1.
Uitlevering wordt niet toegestaan voor strafbare feiten van politieke aard, met inbegrip van daarmee samenhangende feiten.
(…)
- 3.
Het eerste lid is niet van toepassing op uitlevering wegens een van de strafbare feiten, omschreven in de artikelen 1 en 2 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1977, 63) (…), aan een staat die gehouden is in een overeenkomstig geval uitlevering aan Nederland niet te weigeren wegens de politieke aard van het feit.
(…)’
3.2.
Art. 3 Europees Uitleveringsverdrag luidt — voor zover thans van belang —:
- ‘1.
Uitlevering wordt niet toegestaan, indien het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht, door de aangezochte Partij als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit wordt beschouwd.
(…)
- 4.
De toepassing van dit artikel tast de verplichtingen die de Partijen op zich hebben genomen of zullen nemen uit hoofde van andere internationale overeenkomsten van multilaterale aard niet aan.’
3.3.
Het toepasselijke Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme (EVT), waarbij zowel Nederland als Turkije partij is, luidt — voor zover thans van belang —:
‘Artikel 1.Ten behoeve van uitlevering tussen Verdragsluitende Staten, wordt geen van de hierna te noemen strafbare feiten beschouwd als een politiek delict, een met een politie delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven:
(…)
- d)
strafbare feiten, die ontvoering, gijzeling of wederrechtelijke vrijheidsberoving inhouden;
- e)
de strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van bommen, (hand-)granaten, raketten, automatische vuurwapens of bombrieven of-pakje, voor zover dit gebruik gevaar voor personen oplevert;
- f)
de poging tot één van de bovengenoemde strafbare feiten of de deelneming eraan als medepleger of medeplichtige van een persoon die een zodanig feit pleegt of daartoe een poging doet.
(…)
Artikel 13.- 1. Iedere Staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring verklaren dat hij zich het recht voorbehoudt de uitlevering te weigeren voor elk in artikel 1 genoemd strafbaar feit dat hij beschouwt als een politiek delict, als een met een politiek delict samenhangend feit of als een feit ingegeven door politieke motieven, mits hij de verplichting op zich neemt om bij de beoordeling van de aard van het strafbaar feit naar behoren rekening te houden met kenmerken die het een bijzonder gewicht verlenen zoals:
- a)
dat door het feit gemeen gevaar is ontstaan voor het leven of de vrijheid van personen dan wel gevaar dat personen lichamelijk letsel oplopen; of
- b)
dat door het feit personen zijn geschaad die niets hebben uit te staan met de achterliggende motieven; of
- c)
dat wrede of verraderlijke middelen zijn gebruikt bij het plegen van het feit.
(…)’
3.4.
Nederland heeft dit verdrag bekrachtigd onder het volgende voorbehoud:
‘With due observance of Article 13, first paragraph, of the Convention, the Kingdom of the Netherlands reserves the right to refuse extradition in respect of any offence mentioned in Article 1 of the Convention including the attempt tot commit or participation in one of these offences, which it considers to be a political offence or an offence connected with a political offence.’
3.5.
Het is aan de uitleveringsrechter om te beoordelen of bij onder art. 1 EVT vallende feiten sprake is van een politiek delict (vgl. HR 7 mei 2004, NJ 2007/276).
4.
Dat de Rechtbank de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd naar Nederlands recht heeft gekwalificeerd als het feit omschreven in art. 94 Sr — welk oordeel op zich niet onverenigbaar is met de bewoordingen van het uitleveringsverzoek (vgl. HR 17 april 2007, NJ 2007/399) — betekent nog niet dat het geen terroristisch misdrijf zou betreffen. Uit artt. 83 en 83a Sr volgt dat art. 94 Sr een terroristisch misdrijf is, indien het wordt begaan met het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Hoewel Hezbollah1. niet op de Europese lijst van terroristische organisaties staat, wordt die organisatie door de Nederlandse regering wel als terroristische organisatie aangemerkt.2.
5.
De Rechtbank heeft bij haar oordeel dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard aangezien de uitlevering wordt verzocht ter zake een absoluut politiek delict, uitsluitend getoetst aan art. 3 van het Europees Uitleveringsverdrag en art. 11 lid 1 Uitleveringswet. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, de Rechtbank tevens had moeten toetsen of de hiervoor onder 2. vermelde feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht moeten worden aangemerkt als delicten, zoals omschreven in art. 1 EVT in combinatie met het Nederlandse voorbehoud bij het EVT, heeft de Rechtbank naar de mening van rekwirant een onvolledige maatstaf toegepast en in zoverre blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Tevens is het oordeel van de Rechtbank dat (alle) feiten moeten worden aangemerkt als politiek delict zonder nadere motivering niet zonder meer begrijpelijk, nu de Rechtbank er geen blijk van heeft gegeven rekening te hebben gehouden met de kenmerken, zoals genoemd in art. 13 EVT.
Indien het cassatiemiddel doel treft zal de uitspraak van de Rechtbank te Zwolle-Lelystad, zittinghoudende te Groningen, niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze uitspraak te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 30 maart 2012
Mr H.H.J. Knol, plaatsvervangend Officier van Justitie bij het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad en Groningen.