Hof Amsterdam, 15-04-2025, nr. 200.338.732/01
ECLI:NL:GHAMS:2025:1003
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
15-04-2025
- Zaaknummer
200.338.732/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2025:1003, Uitspraak, Hof Amsterdam, 15‑04‑2025; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2024:3573, Uitspraak, Hof Amsterdam, 10‑12‑2024; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:99
- Vindplaatsen
AR-Updates.nl 2024-1601
VAAN-AR-Updates.nl 2024-1601
Uitspraak 15‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Beschikking tot verbetering (31 Rv) en aanvulling (32 Rv).
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1
zaaknummer: 200.338.732/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam: 10542864 EA VERZ 23-555
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 april 2025
inzake
1.de vennootschap onder firma [appellant 1],
gevestigd te [plaats] ,
2. [appellant 2] en
3. [appellant 3],
beiden wonende te [plaats] ,
appellanten in principaal appel,
geïntimeerden in incidenteel appel,
advocaat: mr. B. Coskun te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats] ,
geïntimeerde in principaal appel,
appellant in incidenteel appel,
advocaat: mr. L.N. Huizenga te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant 1] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Op 10 december 2024 heeft het hof (in dezelfde samenstelling) een beschikking gegeven in bovenvermelde zaak. [geïntimeerde] verzoekt om verbetering op grond van het bepaalde in artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en om aanvulling op grond van het bepaalde in artikel 32 Rv. Beide verzoeken worden toegewezen.
2. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellant 1] en [geïntimeerde] genoemd.
Het hof heeft in deze zaak op 14 december 2024 een eindbeschikking gegeven. Bij brief d.d. 14 januari 2025 heeft [geïntimeerde] het hof verzocht om een verbetering op grond van het bepaalde in artikel 31 Rv en om een aanvulling op grond van het bepaalde in artikel 32 Rv.
[appellant 1] heeft daarop per mailbericht van 16 januari 2025 gereageerd en verzocht beide verzoeken af te wijzen.
Uitspraak is nader bepaald op heden.
3. Beoordeling
3.1
Op 14 januari 2025 heeft [geïntimeerde] het hof per brief verzocht om:
- a.
verbetering van de beschikking in hoger beroep, strekkende tot het uitzonderen van de vernietiging van het vonnis voor zover door de kantonrechter is beslist over de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen;
- b.
aanvulling van de beschikking in hoger beroep, omdat het hof heeft verzuimd te beslissen over de – in eerste aanleg toegewezen – wettelijke verhoging van 50%,waartegen in hoger beroep door [appellant 1] is gegriefd.
3.2
Aan [appellant 1] is verzocht om een reactie, welke is gegeven bij e-mail bericht van 16 januari 2025. [appellant 1] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een fout als bedoeld in artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), noch van het achterwege gelaten hebben van een beslissing ten aanzien van de wettelijke verhoging.
3.3
Voor toewijzing van een verbeterverzoek op grond van artikel 31 Rv is noodzakelijk dat het gaat om een uit de beschikking zelf blijkende fout (‘kennelijke rekenfout, kennelijke schrijffout of andere kennelijke fout’). In dit geval is sprake van een ‘andere kennelijke fout’. In rechtsoverweging 5.6 van de eerdere beschikking van het hof stelt het hof immers vast dat de veroordeling van [appellant 1] tot betaling van de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen geen onderwerp is dat in hoger beroep aan het hof is voorgelegd. Daarmee verdraagt zich niet de algehele vernietiging van de ten laste van [appellant 1] door de kantonrechter gegeven beschikking, omdat [appellant 1] niet alle veroordelingen ter beoordeling aan het hof heeft voorgelegd, zodat de veroordeling van [appellant 1] tot betaling van bedoelde vergoeding overeind dient te blijven. Het hof zal daarom aan het dictum toevoegen na ‘voor zover tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] gegeven’ de woorden: ‘behoudens de veroordeling van [appellant 1] tot betaling van de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen ten bedrage van € 6.448,30’.
3.4
Voor een verzoek tot aanvulling op de grondslag dat op een deel van het verzochte nog niet is beslist, heeft te gelden dat aanvulling mogelijk is als aan een deel van het verzochte geen kenbare overweging is gewijd. De enkele beslissing ‘wijst af het meer of anders verzochte’ is niet beslissend als het hof tot de conclusie komt dat het heeft verzuimd om op enig punt te beslissen, zoals in deze zaak het geval is. Daartoe is mede redengevend dat er door het hof aan de grief (II) van [appellant 1] tegen de toewijzing (door de kantonrechter) van 50% wettelijke verhoging geen enkele specifieke overweging is besteed. Het hof oordeelt thans dat er alsnog over de toewijsbaarheid en de hoogte van de verzochte wettelijke verhoging moet worden beslist.
3.5
Het toegewezen deel van de loonvordering betreft achterstallig salaris, dat [appellant 1] ten onrechte niet tijdig aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Daar staat tegenover dat de vordering van [geïntimeerde] aan achterstallig loon aanmerkelijk hoger was (ruim 5x het toegewezen bedrag) zodat ook niet geheel onbegrijpelijk is dat [appellant 1] het verzochte loon niet heeft voldaan. Het hof ziet hierin redenen de wettelijke verhoging te matigen tot 10% van het toegewezen bruto-salaris, respectievelijk het met het toegewezen nettoloon corrresponderende bruto-salaris.
3.6
De motivering van het verzoek tot aanvulling vermeldt ook dat de kantonrechter de wettelijke rente over de wettelijke verhoging heeft toegewezen. Dat blijkt niet voldoende uit het dictum van de bestreden beslissing. Bovendien blijkt dat er ook geen veroordeling tot betaling van wettelijke rente was verzocht. Bij die stand van zaken ziet het hof geen termen voor toewijzing van de gevraagde aanvulling, indien en voor zover het verzoek om aanvulling zo gelezen zou moeten worden (hetgeen dus in het midden kan blijven).
4. Beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel appel:
verbetert het dictum van de op 10 december 2024 uitgesproken beschikking zodat deze luidt als volgt:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] gegeven, behoudens de veroordeling van [appellant 1] tot betaling van de vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen ten bedrage van € 6.448,30;
en opnieuw rechtdoende vult het hof de beschikking aan als volgt:
veroordeelt de v.o.f. [appellant 1] en haar vennoten [appellant 2] en [appellant 3] , hoofdelijk, om aan [geïntimeerde] te betalen:
€ 4.075,08 netto
€ 1.417,50 bruto,
beide wegens achterstallig salaris en beide te verhogen met de tot 10% over de bruto-bedragen beperkte wettelijke verhoging
en stelt de verbetering en de aanvulling op de minuut van de beschikking;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C. Boot, H.T. van der Meer en M. Kullmann en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 april 2025.
Uitspraak 10‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Loonvorderingen c.a. grotendeels tegen verkeerde (oude) werkgever toegewezen. Hof vernietigt beschikking kantonrechter.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1
zaaknummer: 200.338.732/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam: 10542864 EA VERZ 23-555
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 december 2024
inzake
1.de vennootschap onder firma MERAM BURGER CAFÉ RESTAURANT,
gevestigd te Amsterdam,
2. [appellant 2] en
3. [appellant 3],
beiden wonende te [plaats 1] ,
appellanten in principaal appel,
geïntimeerden in incidenteel appel,
advocaat: mr. B. Coskun te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats 1] ,
geïntimeerde in principaal appel,
appellant in incidenteel appel,
advocaat: mr. L.N. Huizenga te Amsterdam.
Partijen worden hierna Meram en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Meram is door de kantonrechter veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van achterstallig salaris, vermeerderd met wettelijke verhoging en rente, een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen, de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en de proceskosten. In hoger beroep komt vast te staan dat [geïntimeerde] niet meer bij Meram in dienst was, maar bij een andere vennootschap. Slechts een deel van het achterstallig salaris wordt door het hof toegewezen.
2. Het geding in hoger beroep
VOF Meram [plaats 2] en haar vennoten zijn bij beroepschrift (met producties), ontvangen ter griffie van het hof op 12 maart 2024, in hoger beroep gekomen van de mondelinge uitspraak die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) blijkens daarvan opgemaakt proces-verbaal op 13 december 2023 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
Op 27 september 2024 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep (met producties), van [geïntimeerde] ingekomen, tevens beroepschrift in (on)voorwaardelijk incidenteel appel.
Bij brieven d.d. 29 oktober 2024 en 6 november 2024 heeft mr. Huizenga namens [geïntimeerde] en buiten bezwaar van Meram nadere producties in het geding gebracht.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 8 november 2024 laten toelichten door voornoemde advocaten, mr. Huizenga aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.
Uitspraak is nader bepaald op heden.
3. Eerste aanleg
3.1.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verzocht om vof Meram [plaats 2] , haar vennoten alsmede Dizayno Home Nederland B.V. (hierna: Dizayno) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:
- € 67.434,73 ( naar het hof begrijpt:) netto wegens achterstallig salaris over de periode 1 juli 2021 tot en met 6 april 2023;
- € 6.448,30 wegens opgebouwde niet genoten vakantiedagen;
- € 1.552,14 als transitievergoeding;
- € 2.916,00 als gefixeerde schadevergoeding;
- evt. bonussen/toeslagen op grond van de cao;
- € 15.000,00 als billijke vergoeding;
- de proceskosten van [geïntimeerde] .
3.2.
Vof Meram en Dizayno hebben in eerste aanleg een gezamenlijk verweerschrift ingediend, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van [geïntimeerde] , dan wel afwijzing van zijn verzoeken.
3.3
De zaak is behandeld door de kantonrechter ter terechtzitting van 13 december 2023. Verschenen en gehoord zijn [geïntimeerde] en [appellant 3] (naar het hof aanneemt: namens alle verweerders). De kantonrechter heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan, en alle verweerders (niet hoofdelijk) veroordeeld tot betaling van € 55.877,04 bruto wegens salaris, onder aftrek van het al betaalde salaris ad € 19.615,91 (bedoeld zal zijn: netto, hof), alsmede de gevorderde vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, als transitievergoeding een bedrag van € 1.860,00 bruto en de gevorderde gefixeerde schadevergoeding, met veroordeling van verweerders in de kosten, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde.
Partijen hebben desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep verklaard het ontbreken van hoofdelijkheid in deze veroordeling als een kennelijke verschrijving te beschouwen.
4. Feiten
De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking niet expliciet de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep zal het hof de feiten wel expliciet vaststellen op basis van hetgeen over en weer is gesteld en betwist. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
4.1
[geïntimeerde] is met ingang van 1 juli 2021 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst getreden van de vof genaamd ‘Meram Burger Café Restaurant’, waarvan de handelsnaam is Meram [plaats 2] . De uitspraak in eerste aanleg vermeldt deze handelsnaam, als ook de dagvaarding in hoger beroep. Partijen hebben, desgevraagd, in hoger beroep verklaard dat de onderhavige procedure geacht moet worden gevoerd te worden door de v.o.f. Meram Burger Café Restaurant, zodat het hof daar ook vanuit zal gaan en de gevraagde rectificatie zal toestaan.
4.2
De kantonrechter heeft over de hoogte van het tussen partijen in geschil zijnde salaris beslist dat het salaris € 10,50 bruto per uur is (het hof beschouwt ‘per maand’ als een kennelijke verschrijving). Tegen deze vaststelling is door geen van partijen gegriefd zodat het hof daarvan zal uitgaan. Het hof begrijpt dat de kantonrechter met de vaststellingen “dat wordt later een ander bedrag” en “later tegen een uurloon van € 13,50 bruto” de salariswijziging per datum functiewijziging (1 november 2022) heeft bedoeld. Ook hiertegen is niet gegriefd, zodat het hof ook van die vaststelling zal uitgaan.
4.3
Tussen partijen staat vast dat namens Meram eind oktober 2022 aan [geïntimeerde] is medegedeeld dat het café-restaurant waar hij voor Meram werkte gaat sluiten en zal worden overgenomen. Ook staat tussen partijen vast dat in het daaropvolgende overleg tussen Meram en [geïntimeerde] is overeengekomen dat [geïntimeerde] met ingang van 1 november 2022 zal gaan werken voor Dizayno, een andere vennootschap van [appellant 2] , en wel als verkoopmedewerker in haar meubelzaak. Ten tijde van deze functiewisseling is het salaris van [geïntimeerde] verhoogd naar € 13,50 bruto (zie onder 4.2).
4.4
De arbeidsovereenkomst is op 6 april 2023 geëindigd, volgens [geïntimeerde] doordat hij zelf ontslag op staande voet heeft genomen omdat hij zijn salaris over maart 2023 nog niet (en dus niet tijdig) had ontvangen, volgens Meram door het [geïntimeerde] door haar gegeven ontslag op staande voet omdat [geïntimeerde] ongeoorloofd afwezig was en een andere baan had.
5. Beoordeling
principaal appel
5.1
Meram heeft in hoger beroep grieven aangevoerd, welke zich gedeeltelijk lenen voor gezamenlijke behandeling. Het hof beoordeelt deze als volgt.
5.2
Meram heeft gegriefd tegen het ontbreken van een beslissing van de kantonrechter op haar in eerste aanleg gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer. Feitelijk is daar inderdaad niet op beslist, maar Meram heeft bij deze grief geen belang omdat het hof het – in hoger beroep herhaalde – verweer als onjuist verwerpt. De verzoeken van [geïntimeerde] hebben immers mede betrekking op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (bijvoorbeeld de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding), die hij bij verzoekschrift moet indienen. Daarbij mag hij nevenvorderingen als achterstallig salaris bij datzelfde verzoekschrift indienen, zoals hij heeft gedaan. De grief van Meram kan daarom niet slagen.
5.3
Partijen zijn verdeeld over de vraag of [geïntimeerde] ook per datum functiewisseling uit dienst van Meram en in dienst van Dizayno is getreden. [geïntimeerde] heeft dit in het inleidend verzoekschrift min of meer in het midden gelaten. Meram en Dizayno hebben in het verweerschrift in eerste aanleg gesteld dat [geïntimeerde] er zelf voor gekozen heeft niet ‘mee te gaan’ bij de overgang van onderneming, maar in dienst te treden bij Dizayno als nieuwe werkgever. De kantonrechter heeft zich hier niet expliciet over uitgelaten en beide ‘werkgevers’ voor het volle pond veroordeeld tot betaling. Dizayno heeft de beslissing van de kantonrechter op dit punt onbegrijpelijk en ‘niet te volgen’ genoemd. Het hof beschouwt dit als een grief tegen de impliciete vaststelling dat beide ‘werkgevers’ voor het geheel aansprakelijk gehouden kunnen worden, zoals door de kantonrechter lijkt te zijn aangenomen.
5.4
De klachten van Meram zijn terecht voorgesteld. De kantonrechter had niet in het midden mogen laten bij wie [geïntimeerde] gedurende welke periode in dienst is geweest, noch had hij beide werkgevers tot betaling van het totaal over beide arbeidsovereenkomsten verschuldigde bedrag mogen veroordelen. De beschikking waarvan beroep dient reeds om die reden vernietigd te worden. Voor de stelling van [geïntimeerde] dat de kantonrechter kennelijk beide vennootschappen heeft ‘vereenzelvigd’ biedt de tekst van het proces-verbaal houdende de uitspraak geen enkel aanknopingspunt. Voor die ‘vereenzelviging’ is ook onvoldoende grondslag aanwezig.
5.5
Het hof komt tot de slotsom dat [geïntimeerde] ten tijde van de functiewisseling bij een andere werkgever, namelijk Dizayno, in dienst is getreden, onder gelijktijdige beëindiging (met wederzijds goedvinden) van de arbeidsovereenkomst met Meram. Dit laatste omdat tussen partijen vaststaat dat [geïntimeerde] met één van de vennoten van Meram expliciet heeft besproken om niet over te gaan naar de nieuwe eigenaar van het restaurant, maar te gaan werken voor één van de andere bedrijven van die vennoot, namelijk Dizayno. Onvoldoende is komen vast te staan dat tussen partijen bij de oude arbeidsovereenkomst zou zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] door Meram aan Dizayno zou worden uitgeleend. Hiervoor biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten. Dit standpunt heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg niet, althans niet voldoende duidelijk, ingenomen, noch in de eerdere correspondentie en appwisseling tussen partijen. Bovendien is na de ‘functiewisseling’ het (aanmerkelijk hogere) salaris ook niet meer door Meram betaald, maar door Dizayno en was dit voor [geïntimeerde] kenbaar uit diens bankafschriften. In het midden kan daarbij blijven wanneer [geïntimeerde] de loonstroken van Meram, respectievelijk Dizayno heeft ontvangen (waarop wel de naam van de werkgever is vermeld). Ook zonder die loonstroken is voldoende komen vast te staan dat [geïntimeerde] moest uitgaan van de overgang naar een nieuwe werkgever. Het hof hecht daarbij wel belang aan de brief die [geïntimeerde] op 19 april 2023 (dus na einde van het dienstverband) zelf aan Dizayno heeft gestuurd, waarvan de openingszinnen luiden: “Ik was bij u in dienst als verkoopmedewerker. Mijn arbeidsovereenkomst stopte op 6 april 2023.”. Illustratief acht het hof de reactie van [geïntimeerde] op de vragen naar het ontvangen van berichten rond aan- en afmelding bij het pensioenfonds horeca, waarop [geïntimeerde] reageerde met de opmerking dat hij niet op het adres woonde waar zijn officiële post naar toe ging en dat hij wel post gemist kan hebben.
Het hof stelt daarom vast dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in beroep heeft geduurd van 1 juli 2021 tot en met 31 oktober 2022. Voor zover [geïntimeerde] in deze procedure salaris c.a. claimt over de periode na 31 oktober 2022 wordt dit afgewezen, omdat de arbeidsovereenkomst met Meram per genoemde datum is geëindigd.
5.6
Vorenstaande vaststelling betekent dat aan het partijdebat over de gang van zaken op 6 april 2023 (de datum van ontslag) in dit geding geen betekenis toekomt, omdat [geïntimeerde] toen bij Dizayno in dienst was en Dizayno in hoger beroep geen partij meer is. Ook de verzoeken die zijn gebaseerd op dit ontslag, voor zover voorgelegd aan het hof (tegen de toewijzing van de gevraagde vergoeding voor niet genoten vakantiedagen is niet geappelleerd), zijn daarmee niet toewijsbaar jegens Meram. Zij zullen worden afgewezen.
5.5
Resteert ter beoordeling de vordering van [geïntimeerde] op Meram met betrekking tot achterstallig salaris over de periode 1 juli 2021 tot en met 31 oktober 2022. [geïntimeerde] heeft maandelijks salaris ontvangen, maar meent dat dit (telkens) te weinig is geweest. [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij per bank in totaal over genoemde periode een bedrag van € 11.011,00 netto heeft ontvangen en deze ontvangsten (bedragen en data) voldoende gespecificeerd. Volgens de door Meram in het geding gebrachte loonstroken zou Meram in totaal over genoemde periode aan [geïntimeerde] € 15.086,08 netto hebben betaald. [geïntimeerde] heeft consistent betwist dat hij meer heeft ontvangen dan eerstgenoemd bedrag. Het had op de weg van Meram gelegen om betalingsbewijzen over te leggen die de door haar gestelde betalingen (voor zover die afweken van de door [geïntimeerde] gespecificeerde ontvangsten) zouden ondersteunen. Meram heeft dat nagelaten, zodat het hof zal uitgaan van de berekening door [geïntimeerde] en het saldo vaststellen op
€ 4.075,08 netto, welk bedrag als achterstallig salaris zal worden toegewezen.
5.6
Ook het in hoger beroep door [geïntimeerde] zelf opgegeven aantal gewerkte uren wijkt af van de opgave door Meram via de per maand opgestelde loonstroken, maar ook (en nogal fors) van de door [geïntimeerde] in eerste aanleg geclaimde en door de kantonrechter toegewezen 50 uur per week. Omdat het op de weg van Meram als werkgeefster lag om een juiste urenregistratie bij te houden en over te leggen, dan wel gedetailleerd in te gaan op de (soms beperkte) verschillen tussen beide opgaven, zal het hof, bij gebreke van enige urenregistratie anders dan de achteraf vastgestelde loonstroken, uitgaan van de voldoende gespecificeerde opgave (met begin- en eindtijden per werkdag) van [geïntimeerde] over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 augustus 2022, neerkomend op 135 extra gewerkte uren ad € 10,50 bruto. Het hiermee corresponderende salaris is € 1.417,50 bruto. Dit bedrag zal worden toegewezen en de bestreden beschikking zal ook op dit punt worden vernietigd, voor zover er meer salaris is toegewezen. Door [geïntimeerde] is geen gespecificeerde urenopgave gedaan over 2021 en over de maanden september en oktober 2022, zodat het hof de vordering over die maanden als onvoldoende onderbouwd en gespecificeerd zal afwijzen, temeer omdat voldoende gebleken is dat het opgegeven urental van 50 per week nagenoeg niet is gehaald en daarmee als gemiddelde evident onjuist is.
5.7
Aangezien de bestreden beschikking, voor zover gegeven tussen Meram en [geïntimeerde] , zal worden vernietigd en een (veel) lager bedrag aan achterstallig salaris zal worden toegewezen, onder afwijzing van de diverse aan ontslag gerelateerde vergoedingen, dienen beide partijen als in vergelijkbare mate in het ongelijk gesteld te worden beschouwd en zullen de proceskosten in eerste aanleg en in principaal appel worden gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.
incidenteel beroep
5.8
De grieven in incidenteel beroep zien op de periode dat [geïntimeerde] in dienst was van Dizayno en kunnen in dit geding dus niet tot een andere beslissing leiden. Het incidenteel beroep is daarom vergeefs ingesteld. Het hof ziet echter wel redenen om de kosten te compenseren, omdat ook Meram het verwijt treft dat zij de bij [geïntimeerde] ontstane onduidelijkheid heeft laten ontstaan en voortduren.
5.9
De voorwaarde van het voorwaardelijk incidenteel beroep is niet vervuld, zodat daarop niet behoeft te worden beslist.
6. Beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel appel:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover tussen Meram en [geïntimeerde] gegeven,
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de v.o.f. Meram Burger Café Restaurant en haar vennoten [appellant 2] en [appellant 3] , hoofdelijk, om aan [geïntimeerde] te betalen:
€ 4.075,08 netto
€ 1.417,50 bruto,
beide wegens achterstallig salaris;
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.C. Boot, H.T. van der Meer en M. Kullmann en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024.