Voluit: Wet van 12 oktober 1995, houdende regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Wet vervoer gevaarlijke stoffen) (Stb. 1995, 525) in werking getreden op 1 augustus 1996 (Stb. 1996, 297) voor het tenlastegelegde feit laatstelijk gewijzigd door de Wet van 10 juli 2013 (Stb. 2013, 307).
HR, 18-03-2025, nr. 22/02073 E
ECLI:NL:HR:2025:330
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-03-2025
- Zaaknummer
22/02073 E
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:330, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:2079
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1186
ECLI:NL:PHR:2024:1186, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:330
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Meerdere (opzettelijk begane) overtredingen van Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door rechtspersoon door als professionele vervoerder van gevaarlijke stoffen niet met inachtneming van alle veiligheidsvoorschriften te handelen, art. 5 Wet vervoer gevaarlijke stoffen. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat aan bestuurder van transporteenheid gevaarlijke stoffen geen strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt, art. 359.2 Sv. 2. Kon hof oordelen dat gedragingen van bestuurder van transporteenheid redelijkerwijs aan verdachte kunnen worden toegerekend? 3. Kon hof oordelen dat “feit dat UN-nummer 3264 op certificaat wordt vermeld” niet betekent dat “alle stoffen die daaronder vallen in tankoplegger zijn toegelaten” en dat dit slechts geldt “voor specifiek vermelde stoffen”? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02114 E.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02073 E
Datum 18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 31 mei 2022, nummer 23-001513-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V. ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.H. van Steijn, advocaat in Berlicum, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van één van de opgelegde geldboetes, namelijk die van € 1.500.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- vermindert de geldboete van € 1.500 in die zin dat deze € 1.350 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Conclusie 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Economische zaak. Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens art. 5 Wvgs, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens art. 5 Wvgs, begaan door een rechtspersoon, opzettelijk begaan. 1. Bewijsklachten m.b.t. overtreding 4.3.2.3.3 en 4.3.2.3.5 ADR. 2. Klacht m.b.t. toerekening gedragingen bestuurder tankwagen aan rechtspersoon. 3. Klacht dat door specifiek benoemen van stoffen in goedkeuringscertificaat geen beperking kan worden aangebracht aan de stoffen met een verzamelaanduiding voor het vervoer waarvan tankwagen is goedgekeurd. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02073 E
Zitting 19 november 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 31 mei 2022 door de economische kamer van het gerechtshof Den Haag wegens "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon, opzettelijk begaan", veroordeeld tot een geldboete van telkens € 1.000,00 en een geldboete van € 1.500,00.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02114. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.H. van Steijn, advocaat in Berlicum, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“a. zij op 25 juli 2016 te Oisterwijk handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft zij met een door [betrokkene 1] bestuurde transporteenheid een gevaarlijke stof, te weten een bijtende zure anorganische vloeistof n.e.g. (bevat zwavelzuur en ijzersulfaat), UN nummer 3264, klasse 8, vervoerd over de voor het openbaar verkeer openstaande weg A58 terwijl de bij of krachtens het besluit vervoer gevaarlijke stoffen terzake gestelde regels niet in acht waren genomen, immers,
1. was de tank niet zodanig gesloten dat van de inhoud niets ongecontroleerd naar buiten kon treden en
2. bevonden zich tijdens het vervoer gevaarlijke resten van de vervoerde stoffen aan de buitenzijde van de tank,
en,
b. zij op 25 juli 2016 te Oisterwijk opzettelijk een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft zij met een door [betrokkene 1] bestuurde transporteenheid een gevaarlijke stof, te weten een bijtende zure anorganische vloeistof n.e.g. (bevat zwavelzuur en ijzersulfaat), UN nummer 3264, klasse 8, vervoerd over de voor het openbaar verkeer openstaande weg A58, terwijl de bij of krachtens het besluit vervoer gevaarlijke stoffen terzake gestelde regels niet in acht waren genomen, immers
- was de tank beladen met een gevaarlijke stof, te weten een bijtende zure anorganische vloeistof n.e.g. (bevat zwavelzuur en ijzersulfaat), UN nummer 3264, klasse 8, terwijl deze niet volgens 6.8.2.3.1 voor het vervoer was toegelaten.”
5. De middelen bevatten elk de klacht dat het “recht is geschonden en/of de naleving van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften is verzuimd”, doordat het hof – kort gezegd – tot de in het arrest opgenomen bewezenverklaring is gekomen, deze heeft gekwalificeerd als onder 1 vermeld, de verdachte ter zake strafbaar heeft geacht en de verdachte heeft veroordeeld tot een geldboete. De tekst van de middelen zelf leveren elk niet een middel van cassatie in de zin van art. 437, tweede lid, Sv op. De deelklachten die in de toelichting op de middelen zijn geformuleerd en die ik hieronder zal bespreken brengen evenwel mee dat met welwillende lezing van middelen van cassatie in de zin der wet gesproken kan worden. Voordat ik deze middelen bespreek geef ik de toepasselijke regelgeving weer.
Toepasselijke regelgeving
6. De Wet vervoer gevaarlijke stoffen hield ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder meer het volgende in:1.
“Hoofdstuk I Inleidende bepalingen
(…)
§ 2 Reikwijdte
Artikel 2
1. Deze wet is van toepassing op:
a. het vervoeren van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel over land, per spoor en over de binnenwateren;
(…)
Hoofdstuk II Algemene bepalingen
Artikel 3
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen, ten aanzien waarvan het verrichten van de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, en het verrichten van deze handelingen met bij of krachtens die maatregel aangewezen vervoermiddelen:
a. niet is toegestaan; of
b. is toegestaan mits de bij of krachtens die maatregel terzake gestelde regels in acht zijn genomen.
(…)
Artikel 5
Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels.”
6.1
Het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen hield ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder meer het volgende in:2.
“§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet vervoer gevaarlijke stoffen;
b. ADR: Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route;
(…)
Artikel 2
1. Overeenkomstig het ADR (…) worden bij ministeriële regeling gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen ten aanzien waarvan het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet met daarbij aangewezen vervoermiddelen:
a. niet is toegestaan; of
b. is toegestaan mits daarbij gestelde regels in acht zijn genomen.
2. Een regeling als bedoeld in het eerste lid kan aanvullende voorschriften bevatten.”
6.2
De Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen hield ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder meer het volgende in:3.
“Artikel 2
Bij deze regeling behoren vier bijlagen:
a. bijlage 1: voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen over land, zijnde de Nederlandse vertaling van de bijlagen A en B van het ADR en de daarbij behorende aanhangsels;”
6.3
Bijlage A van het ADR hield ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder meer het volgende in (met weglating van een voetnoot):4.
“Bijlage A Algemene bepalingen en bepalingen betreffende gevaarlijke stoffen en voorwerpen
(…)
DEEL 4
Voorschriften voor verpakkingen en tanks
(…)
HOOFDSTUK 4.3
Gebruik van vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks, tankcontainers en wissellaadtanks met metalen reservoirs en batterijwagens en gascontainers met verscheidene elementen (MEGC’s)
(…)
4.3.2 Voorschriften van toepassing op alle klassen
4 3.2.1 Gebruik
(…)
4.3.2.1.5
Tanks, batterijwagens en MEGC's mogen slechts worden beladen met de gevaarlijke stoffen, voor het vervoer waarvan ze volgens 6.8.2.3.1 zijn toegelaten, en die in aanraking met de materialen van het reservoir, de pakkingen, de uitrusting, alsook de beschermende bekleding niet gevaarlijk kunnen reageren (zie "gevaarlijke reactie" in 1.2.1), gevaarlijke producten kunnen vormen of deze materialen merkbaar kunnen verzwakken.
(…)
4 3.2.3. Bedrijf
(…)
4.3.2.3.3
Bij het vullen en lossen van de tanks, batterijwagens en MEGC's moeten geschikte maatregelen worden genomen om te verhinderen dat gevaarlijke hoeveelheden gassen en dampen vrijkomen. De tanks, batterijwagens en MEGC's moeten zodanig gesloten zijn dat van de inhoud niets ongecontroleerd naar buiten kan treden. De openingen van tanks met onderlossing moeten gesloten worden door middel van schroefdoppen, blindflenzen of andere even doelmatige voorzieningen. Na het vullen moet de vuller ervoor zorgen dat alle sluitingsinrichtingen van de tanks, batterijwagens en MEGC's in een gesloten positie zijn en dat er geen lekkage optreedt. Dit geldt ook voor het bovenste gedeelte van de standpijp.
(…)
4.3.2.3.5
Tijdens het vervoer mogen zich aan de buitenzijde van de tanks geen gevaarlijke resten van de vervoerde stof bevinden.
(…)
DEEL 6
Voorschriften voor de constructie en beproeving van verpakkingen, IBC’s, grote verpakking en tanks
(…)
HOOFDSTUK 6.8
Voorschriften voor de constructie, uitrusting, typegoedkeuring, het onderzoek en de beproeving en de kenmerking van vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks en tankcontainers en wissellaadtanks, met reservoirs van metaal, en batterijwagens en gascontainers met verscheidene elementen (MEGC’s)
(…)
6.8.2 Voorschriften van toepassing op alle klassen
(…)
6 8.2.3 Typegoedkeuring
6.8.2.3.1
Voor elk nieuw type tankwagen, afneembare tank, tankcontainer, wissellaadtank, batterijwagen of MEGC moet de bevoegde autoriteit of een door haar aangewezen instantie een certificaat opmaken, waaruit blijkt dat het door haar onderzochte type alsmede de bevestigingsmiddelen van de tank geschikt zijn voor het beoogde gebruik en voor de uitrusting, omschreven in 6.8.2.2., alsmede aan de bijzondere voorschriften voor de te vervoeren stoffen.
In het certificaat moet worden vermeld:
(…)
- zo nodig, de stoffen en/of de groepen van stoffen, voor het vervoer waarvan de tank is goedgekeurd. De toegelaten stoffen of groepen van stoffen moeten worden aangegeven met hun chemische benaming of betreffende verzamelaanduiding (zie 2.1.1.2) tezamen met hun indeling (klasse, classificatiecode en verpakkingsgroep). Met uitzondering van stoffen van klasse 2 en de in 4.3.2.1.3 genoemde stoffen, kan worden afgezien van het aangeven van toegelaten stoffen in het certificaat. In dat geval zijn groepen stoffen, toegestaan op grond van de in de gerationaliseerde benadering in 4.3.4.1.2 aangegeven tankcode, ten vervoer toegelaten met inachtneming van alle toepasselijke bijzondere bepalingen.”
6.4
De Wet op de economische delicten hield ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder meer het volgende in:5.
“Artikel 1a
Economische delicten zijn eveneens:
1. °.overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
(…)
de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, de artikelen 4, 5, 10, 19, 26, eerste lid, 27, zesde lid, 28 en 29, vierde lid”.
Het eerste middel
7. Het middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel, dat de verdachte wordt vrijgesproken van “het opzettelijk begaan van de eerste twee deelverwijten in de tenlastelegging en de “ook ten laste gelegde culpoze variant daarvan” wel is bewezen, zonder toelichting onbegrijpelijk is.
7.1
Op de terechtzitting van 17 mei 2022 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in:
“Parketnummer 23-0001513-21
(…)
Lekkage en noodreparatie
(…)
21. [betrokkene 1] heeft de lekkage provisorisch gedicht en heeft vastgesteld dat de tank een half uur later nog steeds niet lekte bij de betreffende flens. Hij heeft daaruit geconcludeerd dat werd voldaan aan het gestelde in 4.3 2.3.3 ADR. De lekkage kon hoe dan ook niet ter plaatse definitief verholpen worden en de tankwagen moest dus op enig moment toch de reis naar Delft aanvaarden zonder dat er meer aan was gedaan dan lossen en een noodreparatie. Pas toen de tankwagen is gaan rijden, bleek er nog wat van de oorspronkelijke lading door het lek naar buiten te treden. Daarbij is deze gevaarlijke stof ook weer aan de buitenzijde van de tank terechtgekomen.
22. De inhoud van de tankwagen was volledig gelost bij de geadresseerde van het transport en het lek was zo goed als mogelijk gedicht. Onder deze omstandigheden kan niet bewezen worden verklaard dat [betrokkene 1] opzettelijk een handeling als bedoeld in artikel 2 lid 1 Wvgs heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen, anders dan met inachtneming van de in artikel 3, onderdeel b van genoemde wet bedoelde regels. Met de gevolgde handelwijze is ook niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het uitgevoerde noodherstel niet afdoende zou blijken te zijn.
23. Het valt niet vast te stellen of de kans dat het uitgevoerde noodherstel niet afdoende zou blijken, wel aanmerkelijk was en bovenal hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] juist al het mogelijk gedaan om er wel voor te zorgen dat de noodreparatie afdoende zou zijn. De aanvaarding van enige kans op lekkage volgt daarom hoe dan ook niet uit de bewijsmiddelen, te meer niet omdat slechts een zeer kleine hoeveelheid van de oorspronkelijke lading resteert in de tank na lossing.
24. Om deze redenen kan evenmin worden bewezen worden verklaard dat [betrokkene 1] opzet heeft gehad op het vervoer van gevaarlijke stoffen (in de zin van rijden met een leeg maar ongereinigd voertuig) waarbij zich tijdens het vervoer gevaarlijke resten van de vervoerde stoffen aan de buitenzijde van de tank bevonden”.
7.2
Het hof heeft inzake de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:
“Bewijsoverweging
Een transporteenheid van de verdachte, bestuurd door [betrokkene 1] , heeft de in de hierna in de bewezenverklaring genoemde gevaarlijke stof vervoerd. Bij een lossing in Oirschot bleek dat de flens van de tankoplegger een klein lekje vertoonde. De verdachte heeft hiervan melding gemaakt bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De chauffeur heeft de lekkage gedicht door het plaatsen van een houten keg in het gat bij de flens en heeft zijn weg vervolgd. Even later is hij staande gehouden door de inspecteur van de ILT, die constateerde dat er een lek was waardoor druppels van de vervoerde stof op het wegdek terechtkwamen en dat de lekkage ook verontreiniging van de buitenzijde van de tank had veroorzaakt.
Op het keuringsdocument van de desbetreffende tankoplegger, geldig tot 8 juni 2017, staat onder punt 10.2 vermeld dat alleen stoffen, die niet gevaarlijk kunnen reageren met de materialen van het reservoir, de pakkingen, de uitrusting en de beschermende bekleding, mogen worden vervoerd. Onder punt 11 bij opmerkingen staat de in de tankpoplegger vervoerde gevaarlijke stof, UN 3264, bijtende zure anorganische vloeistof n.e.g. (bevat zwavelzuur en ijzersulfaat), 8, III niet specifiek vermeld.
(…)
Opzet
(…)
Gelet op de handelingen die de bestuurder van de transporteenheid en zijn collega hebben verricht kan niet gezegd worden dat de bestuurder bewust een aanmerkelijke kans - zo die er al was - heeft aanvaard dat de inhoud van de tank ongecontroleerd naar buiten zou treden. De verdachte wordt derhalve vrijgesproken van het opzettelijk begaan van de eerste twee deelverwijten in de tenlastelegging. De ook ten laste gelegde culpoze variant daarvan is wel bewezen.”
7.3
Allereerst dient opgemerkt te worden dat het hof, door te verwijzen naar de “ook ten laste gelegde culpoze variant” van het delict kennelijk het oog heeft gehad op de niet-opzettelijke oftewel ‘kleurloze’ variant van het delict. Culpa oftewel het bestanddeel schuld komt daarin niet voor en is ook niet in de tenlastelegging opgenomen. Het door het hof niettemin hanteren van het begrip ‘culpa’ in dat verband is dus op zijn minst ongebruikelijk, maar dat doet geen afbreuk aan de redenering van het hof. Het hof heeft immers overwogen dat bij “een lossing in Oirschot bleek dat de flens van de tankoplegger een klein lekje vertoonde”, dat de verdachte hiervan melding heeft “gemaakt bij de Inspectie Leefomgeving en Transport”, dat de chauffeur de lekkage heeft gedicht “door het plaatsen van een houten keg in het gat bij de flens”, dat de chauffeur zijn weg heeft vervolgd en dat de chauffeur even later staande is gehouden door de inspecteur van de ILT en “dat die constateerde dat er een lek was waardoor druppels van de vervoerde stof op het wegdek terechtkwamen en dat de lekkage ook verontreiniging van de buitenzijde van de tank had veroorzaakt”.
7.4
Uit ’s hofs overweging volgt dat de in 4.3.2.3.3 en 4.3.2.3.5 geformuleerde regels, die dienen om het in de onderhavige zaak ingetreden gevolg te voorkomen, zijn geschonden. Dat de chauffeur, alvorens zijn weg te vervolgen, zich er samen met een andere medewerker van had vergewist dat de tankwagen gedurende een half uur geen enkele lekkage meer vertoonde, brengt daarin geen verandering.
7.5
Het middel bevat voorts de klacht dat door het hof “in het geheel niet gereageerd” is op het door de raadsman van de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat “aan [betrokkene 1] geen strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt”.
7.6
De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van een voetnoot):
“Functioneel daderschap
25. Zoals in eerste aanleg al is aangevoerd, kan bovenal geen daderschap van [verdachte] worden geconstrueerd. Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat zij met de door [betrokkene 1] bestuurde transporteenheid, gevaarlijke stoffen vervoerde over de voor het openbaar verkeer opënstaande weg A58, in elk geval over land, terwijl de bij of krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen terzake gestelde regels niet in acht waren genomen.
26. Het vervoeren van gevaarlijke stoffen terwijl sommige van de krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen gestelde regels niet in acht waren genomen, heeft -uiteraard- niet [verdachte] gedaan, maar de chauffeur [betrokkene 1] . Zoals gezegd is er in ieder geval geen bewijs voor opzettelijke overtreding van genoemde bepalingen uit het ADR door [betrokkene 1] . [verdachte] merkt op dat deze overtreding ook geen culpoos delict van [betrokkene 1] oplevert.
27. De enkele constatering achteraf dat de noodreparatie niet afdoende was en er daardoor resten van de vervoerde stof aan de buitenzijde van de tank terecht zijn gekomen, betekent nog niet dat de niet-naleving van de bij of krachtens het Besluit voervoer van gevaarlijke stoffen gestelde regels aan de schuld van [betrokkene 1] te wijten is. Aan [betrokkene 1] zal ten minste een strafrechtelijk relevant verwijt gemaakt moeten kunnen worden ten aanzien van de overtreding van de betreffende voorschriften uit het ADR: “Niet de uiterste nadenkendheid, niet de grootste voorzichtigheid worden geëist. De strafwetgever heeft - aldus de regering (MvA) - niet de diligentissimus pater familias op het oog, maar de burger in het algemeen. Om strafbaar te zijn is nodig een min of meer ernstige domheid, een min of meer grote onachtzaamheid, geen culpa levis dus maar culpa lata. [...] Waar de wet zelf geen onderscheid maakt, wordt die door de rechtspraak op deze wijze aangebracht. Een weinig domheid, een gering gebrek aan beleid wordt strafrechtelijk niet aangerekend. 'Aanmerkelijke' schuld is nodig (aldus de HR”.
28. De vraag is dan ook wat [betrokkene 1] onder de gegeven omstandigheden meer had kunnen doen om te voorkomen dat de tank tijdens het onvermijdelijke vervoer vanaf de losplaats naar Delft niet zou voldoen aan deze voorschriften. De lekkage is gedicht en [betrokkene 1] heeft gedurende een half uur afgewacht en heeft bezien of de tank inderdaad gesloten bleef. Hij is slechts gaan rijden omdat hem was gebleken dat de lekkage echt gestopt was. Dat de tank toch is gaan lekken, is dus zelfs niet aan een weinig domheid of een gering gebrek aan beleid toe te schrijven.”
7.7
Gelet op hetgeen onder 7.4 is opgenomen, ben ik van oordeel dat in ’s hofs bewijsoverweging de weerlegging van het standpunt, dat door de verdediging onder het hoofd ‘functioneel daderschap’ naar voren is gebracht, evenzeer besloten ligt.
7.8
Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
8. Het tweede middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel, dat de gedragingen van de bestuurder van de transporteenheid redelijkerwijs aan de verdachte kunnen worden toegerekend, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is.
8.1
Het hof heeft inzake de toerekening van de gedraging aan de verdachte onder meer als volgt overwogen:
“De bestuurder in de onderhavige zaak is in dienst van de verdachte en de gedragingen die hij heeft verricht passen in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, hetgeen ook blijkt uit het overleg dat hij met collega’s heeft gevoerd en de komst van een collega ter plaatse om het lek te helpen dichten. De gedragingen zijn de rechtspersoon dienstig geweest, want de bestuurder en zijn collega meenden dat de lekkage was opgelost zodat de bestuurder zijn vervoershandelingen - de normale werkzaamheden van het bedrijf - kon vervolgen. De rechtspersoon vermocht over de gedragingen van de bestuurder te beschikken nu de bestuurder bij de rechtspersoon in dienst was en daarover (bijvoorbeeld tijdens het overleg dat heeft plaatsgevonden) had kunnen beschikken.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de gedragingen van de bestuurder van de transporteenheid aan de verdachte redelijkerwijs kunnen worden toegerekend. Het verweer dienaangaande wordt verworpen.”
8.2
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de vervoershandelingen die zijn uitgevoerd nadat de bestuurder en zijn collega meenden de lekkage te hebben opgelost, geen onderdeel uitmaakten van de normale bedrijfsvoering van de verdachte, omdat de “tankwagen met het oog op uit te voeren herstelwerkzaamheden aan de flens naar de hoofdvestiging van [verdachte] moest worden overgebracht” en de verdachte “de tankoplegger meteen na het voorval heeft afgestoten”. ’s Hofs oordeel dat de gedraging van de chauffeur de verdachte dienstig is geweest zou in zoverre getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.
8.3
Het hof heeft kort gezegd overwogen dat de normale werkzaamheden van de verdachte bestaan uit het doen uitvoeren van vervoershandelingen. Daaronder valt ook, zo blijkt uit ’s hofs bewijsoverweging, het vervolgen van bestuurders vervoershandelingen nadat de bestuurder en zijn collega meenden dat de lekkage was opgelost. Niet valt in te zien dat door het koppelen van een specifiek doel aan de vervoershandeling – dat wil zeggen, het overbrengen van de transporteenheid voor herstel naar de hoofdvestiging van de verdachte – de ten laste gelegde vervoershandeling daardoor niet onder de normale werkzaamheden van de verdachte zou vallen. Hetzelfde geldt mijns inziens voor wat betreft het uiteindelijke lot dat de transporteenheid is toegekomen. De wel zeer beperkte lezing van verdachtes normale werkzaamheden die de steller van het middel voorstaat klemt temeer gelet op ’s hofs eerdere overweging, inhoudende dat de gedragingen van de chauffeur passen in de normale bedrijfsvoering van de verdachte, “hetgeen ook blijkt uit het overleg dat hij met collega’s heeft gevoerd en de komst van een collega ter plaatse om het lek te helpen dichten”. ’s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
8.4
In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat het oordeel, dat de gedragingen van de bestuurder van de transporteenheid redelijkerwijs aan de verdachte kunnen worden toegerekend, onbegrijpelijk is, omdat het hof slechts heeft vastgesteld dat de verdachte over de gedragingen van de bestuurder vermocht te beschikken “nu de bestuurder bij de rechtspersoon in dienst was en daarover (bijvoorbeeld tijdens het overleg dat heeft plaatsgevonden) had kunnen beschikken” en niet heeft “vastgesteld (en ook niet uit de bewijsmiddelen blijkt) dat zodanig of vergelijkbaar gedrag (…) blijkens de feitelijke gang van zaken door [verdachte] werd aanvaard of placht te worden aanvaard”.
8.5
Uit ’s hofs bewijsoverweging blijkt dat de verdachte over de gedragingen van de bestuurder kon beschikken, omdat de bestuurder in dienst was van de rechtspersoon. Uit ’s hofs overweging blijkt voorts dat de rechtspersoon ten aanzien van de gedragingen van de bestuurder, bijvoorbeeld tijdens het overleg, daadwerkelijk zeggenschap had kunnen uitoefenen doch niettemin het (verdere) vervoer heeft toegelaten. In deze, door het hof genoemde, omstandigheden ligt besloten dat de rechtspersoon niet de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging heeft betracht en deze aldus heeft aanvaard.6.’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk.
8.6
Het tweede middel faalt.
Het derde middel
9. Het derde middel bevat de klacht dat ’s hofs oordeel, dat het “feit dat UN-nummer 3264 op het certificaat wordt vermeld” niet betekent dat “alle stoffen die daaronder vallen in de tankoplegger zijn toegelaten” en dat dat slechts geldt “voor de specifiek vermelde stoffen”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en onbegrijpelijk is, omdat uit 6.8.2.3.1 ADR zou volgen dat “de eventueel specifiek in het certificaat genoemde stoffen geen beperking kunnen aanbrengen aan de stoffen met een verzamelaanduiding voor het vervoer waarvan de tankwagen is goedgekeurd”.
9.1 6.8.2.3.1
6.8.2.3.1 ADR hield ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder meer het volgende in:
“Voor elk nieuw type tankwagen, afneembare tank, tankcontainer, wissellaadtank, batterijwagen of MEGC moet de bevoegde autoriteit of een door haar aangewezen instantie een certificaat opmaken, waaruit blijkt dat het door haar onderzochte type alsmede de bevestigingsmiddelen van de tank geschikt zijn voor het beoogde gebruik en voor de uitrusting, omschreven in 6.8.2.2., alsmede aan de bijzondere voorschriften voor de te vervoeren stoffen.
In het certificaat moet worden vermeld:
(…)
- zo nodig, de stoffen en/of de groepen van stoffen, voor het vervoer waarvan de tank is goedgekeurd. De toegelaten stoffen of groepen van stoffen moeten worden aangegeven met hun chemische benaming of betreffende verzamelaanduiding (zie 2.1.1.2) tezamen met hun indeling (klasse, classificatiecode en verpakkingsgroep). Met uitzondering van stoffen van klasse 2 en de in 4.3.2.1.3 genoemde stoffen, kan worden afgezien van het aangeven van toegelaten stoffen in het certificaat. In dat geval zijn groepen stoffen, toegestaan op grond van de in de gerationaliseerde benadering in 4.3.4.1.2 aangegeven tankcode, ten vervoer toegelaten met inachtneming van alle toepasselijke bijzondere bepalingen.”
9.2
Het hof heeft inzake de lading van de gevaarlijke stof als volgt overwogen:
“Op het certificaat van goedkeuring dat bij de desbetreffende tankoplegger hoorde zijn specifieke stoffen die vallen onder het UN-nummer 3264 vermeld. Het feit dat UN-nummer 3264 op het certificaat wordt vermeld betekent niet dat alle stoffen die daaronder vallen in de tankoplegger zijn toegelaten. Dat geldt slechts voor de specifiek vermelde stoffen. Onvoldoende is gebleken dat de Rijksdienst voor het Wegverkeer, de instantie die de certificaten afgeeft, destijds volstond met generieke aanduidingen en dat alle onder die categorie vallende stoffen waren toegelaten. Het verweer wordt verworpen”.
9.3
Een blik over de papieren muur leert inderdaad dat het certificaat van goedkeuring van de tankoplegger, waar het hof naar heeft verwezen, alleen toeliet dat de volgende specifieke onder UN-nummer 3264 vallende stoffen vervoerd mochten worden: “afgewerkte koperhoudende zure etsvloeistof”, “Sachtoklar (Sachtleben GmbH)”, “fluorwaterstofzuur 5%”, “ammoniumfluoride 2%” en “salpeterzuur 3%”. De “bijtende zure anorganische vloeistof n.e.g. (bevat zwavelzuur en ijzersulfaat)” die in de door [betrokkene 1] bestuurde transporteenheid op 25 juli 2016 is vervoerd, is niet opgenomen in het certificaat van goedkeuring.
9.4
De tekst van 6.8.2.3.1 ADR biedt geen aanknopingspunten voor de door de steller van het middel voorgestane lezing dat “de eventueel specifiek in het certificaat genoemde stoffen geen beperking kunnen aanbrengen aan de stoffen met een verzamelaanduiding voor het vervoer waarvan de tankwagen is goedgekeurd”. ’s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
9.5
Het middel klaagt voorts dat het hof niet heeft gerespondeerd op het (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt, dat “op basis van de zogeheten gerationaliseerde benadering in 4.3.4.1.2 ADR groepen stoffen [zijn] toegestaan voor de betreffende tankcode”.
9.6
Het hof heeft het door de raadsman gevoerde verweer verworpen en heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat op het certificaat specifieke (andere) stoffen die vallen onder het UN-nummer 3264 zijn vermeld. In ’s hofs overweging ligt besloten dat de bevoegde autoriteit niet heeft afgezien van het aangeven van de toegelaten stoffen op het certificaat en dat, om die reden, de regel neergelegd in de laatste volzin van 6.8.2.3.1 ADR niet van toepassing is. Daarmee is het hof toereikend gemotiveerd ingegaan op het standpunt van de verdediging. Onbegrijpelijk is die motivering niet.
9.7
Het middel faalt.
Slotsom
10. De drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 7 juni 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van (een van) de opgelegde geldboetes naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑11‑2024
Voluit: Besluit van 5 juni 1996, houdende vaststelling van nadere regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Besluit vervoer gevaarlijke stoffen) (Stb. 1996, 297) in werking getreden op 1 augustus 1996 (Stb. 1996, 297) voor het tenlastegelegde feit laatstelijk gewijzigd door het Besluit van 3 september 2013 (Stb. 2013, 340).
Voluit: Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (Stcrt. 1998, 241) in werking getreden op 1 januari 1999 (Stcrt. 1998, 241) voor het tenlastegelegde feit laatstelijk gewijzigd door de Regeling van 18 november 2015 (Stcrt. 2015, 40443).
Voluit: Overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR) (Trb. 1959, 171). De wijzigingen van 26 september 2015 van Bijlagen A en B bij de Overeenkomst zijn ingevolge artikel 14, derde lid, van de Overeenkomst op 26 december 2015 voor de overeenkomstsluitende partijen, waaronder het Koninkrijk der Nederlanden, in werking getreden (Trb. 2016, 38).
Voluit: Wet van 22 juni 1950, houdende vaststelling van regelen voor de opsporing, de vervolging en de berechting van economische delicten (Stb. 1950, K 258) in werking getreden op 1 mei 1951 (Stb. 1951, 91) voor het tenlastegelegde feit laatstelijk gewijzigd door de Wet van 9 december 2015 (Stb. 2015, 511) in werking getreden op 1 juli 2016 (Stb. 2016, 14).
Vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006, 328 m.nt. Mevis, rov. 3.5.