HR, 17-11-2009, nr. 07/11546 Hs
ECLI:NL:HR:2009:BJ7226
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
17-11-2009
- Zaaknummer
07/11546 Hs
- Conclusie
Mr. Fokkens
- LJN
BJ7226
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BJ7226, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑11‑2009; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ7226
ECLI:NL:PHR:2009:BJ7226, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 08‑09‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7226
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑11‑2009
Inhoudsindicatie
Herziening geurproef.
17 november 2009
Strafkamer
nr. 07/11546 Hs
Hoge Raad der Nederland
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 24 maart 2003, nummer 07/280011-03, ingediend door V.C. van der Velde, advocaat te Almere, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van honderd dagen, waarvan negentien dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en de wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.
3. De conclusie van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
4. Achtergrond van de aanvrage
Aan de aanvrage is gehecht een brief van mei 2007 van het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.
5. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing
5.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591).
5.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.
5.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.
6. Beoordeling van de aanvrage
6.1. Ten laste van de aanvrager is bij het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd bewezenverklaard dat:
"hij op 03 januari 2003 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een of meer kluisje(s) heeft weggenomen een tas/geldbuidel, inhoudende een geldbedrag van ongeveer 1.500 Euro, geheel of ten dele toebehorende aan [A], waarbij verdachte en/of zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel".
6.2. De Politierechter heeft het mondeling vonnis op de voet van art. 378, tweede lid, Sv aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen waarvan de inhoud is weergegeven in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 5.
6.3. Aannemelijk is dat de Politierechter in het bijzonder aan het resultaat van de in bewijsmiddel 7 vermelde geuridentificatieproef heeft ontleend dat de aanvrager in verband moet worden gebracht met het tenlastegelegde feit. In het onderhavige geval moet het daarom ervoor worden gehouden dat de Politierechter zonder de uitkomst van deze geuridentificatieproef uit het beschikbare andere bewijsmateriaal niet met voldoende mate van aannemelijkheid zou hebben afgeleid dat de aanvrager op de in de uitspraak omschreven wijze betrokken is bij dat feit.
Dit betekent dat het hiervoor onder 5.3 bedoelde geval zich ten aanzien van het bewezenverklaarde feit voordoet, zodat sprake is van een ernstig vermoeden dat de Politierechter de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.
6.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 24 maart 2003;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 17 november 2009.
Conclusie 08‑09‑2009
Mr. Fokkens
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1.
De Politierechter in de Rechtbank te Zwolle heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 24 maart 2003 wegens ‘diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen waarvan 19 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2.
De raadsman van aanvrager heeft namens hem herziening gevraagd van dat vonnis. Die aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2o Sv. Wat de raadsman daartoe aanvoert komt erop neer dat de vervolging in deze zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling ter zake van het tenlastegelegde feit, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.
3.
Voor wat betreft de aanleiding van het verzoek verwijs ik naar wat in HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592 in rubriek 4 ten aanzien van soortgelijke zaken is vermeld. In die uitspraak heeft de Hoge Raad verder overwogen dat hij tegen de achtergrond van wat in zijn arrest eerder was vastgesteld aanneemt:
‘dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek — behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel — heeft plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dat brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden’.
In de onderhavige zaak is door genoemde geurhondendienst op 13 januari 2003 een geuridentificatieproef gehouden.
4.
Ten laste van aanvrager is bij het vonnis waarvan herziening wordt verzocht bewezenverklaard dat:
‘hij op 03 januari 2003 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een of meer kluisje(s) heeft weggenomen een tas/geldbuidel, inhoudende een geldbedrag van ongeveer 1.500 Euro, geheel of ten dele toebehorende aan [A], waarbij verdachte en/of zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel’.
5.
De Politierechter heeft het mondeling vonnis op de voet van art. 378 lid 2 Sv aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
- ‘1—
het door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, Groep Noordoostpolder, op 03 januari 2003 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 2003000567-7,
voorzover als verklaring van aangever [betrokkene 1], zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:
Ik ben mede-eigenaar van [A], gevestigd aan de [a-straat 1] te [plaats] en als zodanig bevoegd tot het doen van aangifte. Op 03 januari 2003, omstreeks 18.45 uur, was ik in de showroom van genoemd bedrijf achter de balie, waar ik zat te eten met mede-eigenaar [betrokkene 2] en een medewerker. Omstreeks 19.00 uur kwam de verkoper van het bedrijf, [betrokkene 3], binnen rennen via de achterdeur en werkplaats van het bedrijf. Hij vroeg ons of wij twee donkere mannen gezien hadden. De werkplaats en achterdeur waren open in verband met de koopavond. [Betrokkene 3] zei ons dat de kluis geopend was en dat een geldmapje was meegenomen. Hierop ben ik naar het kantoortje gelopen, dat via de showroom middels een deur is te bereiken. Ik zag vervolgens dat in het kantoortje, twee kluisjes waren geopend, terwijl deze tevoren waren afgesloten met een sleutel. Ik zag ook dat een lade van het buro openstond. De sleutels van de kluisjes, welke zich daarin normaal bevinden, waren verdwenen en zaten in de kluisjes. Ik zag dat er uit de onderste kluis een Samsonite geldbuidel was verdwenen. Daarin zat ongeveer € 1.500,00 aan bankbiljetten, voornamelijk van € 20,00 en € 50.00.
- 2—
het door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, Groep Noordoostpolder op 03 januari 2003 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 2003000567-2,
voorzover als verklaring van getuige [betrokkene 3], zakelijk weergegeven, ondermeer inhoudende:
Op 03 januari 2003, omstreeks 18.45 uur, liep ik op de [a-straat] te [plaats] om mijn hond uit te laten. Ik zag dat een donkere Opel Omega mij tegemoet reed. Ik zag dat er twee personen in zaten. De passagier was een forse man, donker gekleurd. Ik hoorde dat de bestuurder de auto keerde. Hij reed mij weer voorbij. Ik zag dat de bestuurder het terrein van het [A] op reed. Ik zag dat het kenteken [AA-00-BB] was. Ik heb mijn hond naar huis gebracht ( [a-straat 2]) en ben daarna naar [A], gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] gegaan, waar ik werk. Buiten mijn woning gekomen zag ik net de Opel Omega weer wegrijden in oostelijke richting. Toen ik via de achterzijde het gebouw van [A] weer binnen kwam, zag ik dat de deur van het kantoor open stond. Ik zag dat de beide kluisdeurtjes open stonden. Ik zag dat uit de onderste kluis een geldbuidel was weggenomen. Ik heb geroepen dat de kluis was leeggehaald en ben direct in mijn auto gestapt en in de richting van Lelystad gereden om te kijken of ik de Opel Omega zag rijden. Ter hoogte van de Ketelbrug haalde ik de auto in. Ik ben voor de bewuste auto gaan rijden. Deze had een kapotte koplamp. Ik heb aan de politie doorgegeven waar ik reed en zag vervolgens dat zij ter hoogte van de afslag Almere-Vaart werden staande gehouden. Ik weet zeker dat het dezelfde auto was als welke in bij [A] gezien had.
- 3—
het door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, groep Noordoostpolder op 04 januari 2003 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 2003000567-19,
voorzover als verklaring van getuige [betrokkene 3], zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:
Gisteravond 03 januari 2003, omstreeks 18.45 uur, was in bij [A] aan de [a-straat] te [plaats]. Ik heb het bedrijf verlaten via de showroom. Er waren in de showroom drie medewerkers van het bedrijf. Verder heb ik daar niemand gezien. Toen ik wilde wegrijden, zag ik dat een oude Opel Omega , die geparkeerd stond bij het hek van het achterterrein van [A] vanuit een doodlopend straatje naderde. Ik wachtte nog op deze auto, welke een kapot dimlicht had. Ik zag dat de bestuurder met zijn voorlichten seinde naar mij en zijn auto tot stilstand bracht.
- 4—
het door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, Groep Noordoostpolder op 04 januari 2003 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 2003000567-18,
voorzover als verklaring van getuige [betrokkene 2], zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:
Ik ben mede-eigenaar van de motorspeciaalzaak [A] te [plaats] aan de [a-straat]. Gisteravond, 03 januari 2003, omstreeks 18.45 uur, kwam [betrokkene 3], medewerker van het bedrijf, de showroom, waar ik mij bevond met mede-eigenaar [betrokkene 1] en een medewerker [betrokkene 4], binnenrennen. Hij vroeg of wij twee donkere mannen hadden gezien. Hij zei dat deze twee vermoedelijk geld uit de kluis hadden meegenomen. Ze reden in een Opel Omega met kenteken [AA-00-BB]. Later die avond zijn twee inzittenden van deze auto aangehouden. Vier tot acht weken geleden zijn hier twee donkere mannen binnen geweest, waarvan een duidelijk groter was dan de ander. Ze hadden overal belangstelling voor, behalve voor de motoren die in de showroom stonden. Daarom vertrouwde in het niet.Ik denk dat er een lager bedrag dan de € 1.500,00, die mijn medewerker noemt, weg is. Ik heb namelijk kassageld uit de kluis gehaald. Ik denk dat er ongeveer tussen de € 700,00 en € 1.000,00 in de kluis zat. Ik ben de laatste geweest die geld in handen heeft gehad. Ik weet dat een gedeelte van het geld dubbel in elkaar gevouwen zat.
- 5—
het door [verbalisant 2], agent van politie, Groep Noordoostpolder op 03 januari 2003 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 2003000567-10 van inbeslagneming onder de verdachte [medeverdachte], waaruit blijkt dat o.a. in beslag is genomen 3× 50 euro, 11 × 20 euro, 13×10 euro, 20 × 5 euro ( totaal ) 600 euro.
- 6—
het door [verbalisant 2], agent van politie, Groep Noordoostpolder, en [verbalisant 3], brigadier van politie, Groep Urk in de wettelijke vorm opgemaakt procesverbaal, nummer 2003 000567-11 van inbeslagneming onder de verdachte [aanvrager], waaruit blijkt dat o.a. in beslag is genomen 520 euro.
- 7—
het proces-verbaal betreffende het uitvoeren van een geuridentificatieproef door [verbalisant 4], speurhondengeleider, tevens brigadier van politie, op 13 januari 2003 met speurhond Rex, waaruit blijkt dat geurovereenkomst is geconstateerd tussen het corpus delicti (geurmonster kluissleutel) en de geurdragers, welke waren vastgehouden door de verdachte [aanvrager].
- 8—
het door [verbalisant 5], hoofdagent van politie, dienstdoende bij Groep Noordoostpolder op 11 januari 2003 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer 2003000567-33, voorzover als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:
Op 11 januari 2003 heb ik, verbalisant, een onderzoek ingesteld naar de onder verdachte [medeverdachte] in beslag genomen bankbiljetten. Alle in beslag genomen bankbiljetten waren voorzien van een scherpe vouw over het midden van de bankbiljetten.
- 9—
een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 25 januari 2003 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst.
De verdachte verklaart ter terechtzitting, zakelijk weergegeven, onder meer:
Ik was in [plaats], omdat ik op zoek was naar een auto. Ik heb 1 keer de weg gevraagd.
Toen ben ik even uit de auto gestapt. Het geld dat ik bij me had, wilde ik als aanbetaling voor een auto gebruiken.’
6.
Samengevat komt de hierboven onder 5. weergegeven bewijsconstructie van de Politierechter op het volgende neer. Het feit betreft een diefstal uit het [A] aan de [a-straat 1] te [plaats]. Bewijsmiddel 7 houdt in dat de speurhond een geurovereenkomst waarneemt tussen de buisjes met daaraan de menselijke geur van de aanvrager en de kluissleutel.
7.
Behoudens de positieve geuridentificatieproef houdt het dossier geen bewijsmateriaal in, waaruit kan volgen dat aanvrager daadwerkelijk bij de diefstal betrokken is geweest. Dat betekent dat niet aannemelijk is dat de Politierechter zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit zou zijn gekomen.
Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat de Politierechter, ware hij op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze is uitgevoerd, tot een vrijspraak van het tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592, rov. 5.3.2).
8.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening in voege als voormeld gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden