Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.3.1:2.3.1 Het eigendomsvoorbehoud
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/2.3.1
2.3.1 Het eigendomsvoorbehoud
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90979:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Serick 1963, p. 77.
Serick 1963, p. 75-77, 95; Brinkmann 2011, p. 181.
Serick 1963, p. 76-78, 129-132.
Verheul 2018, p. 63 en verwijzingen aldaar.
Schubert 1966, p. 157; Brinkmann 2011, p. 187.
Brinkmann 2011, p. 188.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Duitse recht kent één rechtsfiguur die een voorrangspositie voor leverancierskrediet creëert: het eigendomsvoorbehoud.1 Deze rechtsfiguur ontwikkelde zich in de praktijk tegelijkertijd met de zekerheidsoverdracht ten gunste van geldkredietverstrekkers. Er bestond namelijk een dringende behoefte bij beide typen kredietgevers om een bezitloos zekerheidsrecht te kunnen verkrijgen. Het vuistpandrecht was de enige wettelijke mogelijkheid die hen ten dienste stond om zekerheid te verkrijgen op roerende zaken of vorderingen. Dit zekerheidsrecht was niet in het belang van de kredietgever noch van de kredietnemer. Voor de leverancier als kredietverstrekker betekende dit bijvoorbeeld hij de zaken onder zich moest houden. De koper kon deze zaken niet al onder zich nemen en gebruiken.2
Geïnspireerd door het afbetalingscontract uit de Verenigde Staten van Amerika ontstond een praktijk waarin leveranciers zaken overdroegen onder eigendomsvoorbehoud.3 Door deze rechtsfiguur hoeft de leverancier de zaken niet ongesecureerd op krediet te leveren of de levering uit te stellen tot het moment van betaling zodat de levering en betaling ‘Zug um Zug’ (tegelijkertijd) plaatsvonden.4 Het eigendomsvoorbehoud faciliteert het handelsverkeer doordat de leverancier zaken op krediet kan leveren en daarbij zekerheid kan verkrijgen voor de koopprijsvordering.5 Deze zekerheid is vormgegeven doordat de leverancier eigenaar blijft van de zaken en zijn revindicatieaanspraak daarmee behoudt. Hij kan de koopovereenkomst ontbinden als de koper in gebreke is met betaling van de koopprijs en als eigenaar de zaken revindiceren.6 Het BGH omschreef deze functie in 1961 als het ‘pfandähnlichen Sicherungszweck’ (met het pandrecht vergelijkbare zekerheidsdoel) van het eigendomsvoorbehoud.7
Het eigendomsvoorbehoud groeide in de praktijk uit tot de belangrijkste zekerheidsfiguur voor de kredietverstekkende leverancier en kreeg een wettelijke grondslag in het BGB in 1900.8 De eerste ontwerpcommissie van het BGB schreef dat het eigendomsvoorbehoud onontbeerlijk was voor het economisch verkeer.9 In het eerste ontwerp van het BGB stond echter geen bepaling over het eigendomsvoorbehoud. Dit werd niet nodig geacht. In het uiteindelijke wetboek is wel een summiere bepaling over het eigendomsvoorbehoud opgenomen.10 Er worden in de parlementaire geschiedenis geen verdere argumenten genoemd ter rechtvaardiging van de voorrangspositie voor leverancierskrediet.