HR 14 maart 2006, LJN AU8923.
HR, 12-02-2013, nr. 12/03535 W
ECLI:NL:HR:2013:BZ1967
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-02-2013
- Zaaknummer
12/03535 W
- Conclusie
Mr. Aben
- LJN
BZ1967
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BZ1967, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑02‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1967
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBROE:2012:BW7437, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2013:BZ1967, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑12‑2012
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBROE:2012:BW7437
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ1967
- Vindplaatsen
Uitspraak 12‑02‑2013
Inhoudsindicatie
WOTS-zaak. Art. 81.1 RO.
12 februari 2013
Strafkamer
nr. S 12/03535 W
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Roermond van 5 juni 2012, nummer 04/898005-10, omtrent een verzoek van het Koninkrijk België tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen:
[De veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft verlof verleend tot de tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing van het Hof van Beroep te Antwerpen (België) van 28 juni 2007 waarbij aan de veroordeelde een gevangenisstraf van zes jaren is opgelegd. De Rechtbank heeft de veroordeelde ter zake van de in die beslissing vermelde feiten een gevangenisstraf opgelegd van (de Hoge Raad verstaat:) 48 maanden en 12 dagen, waarvan 21 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Voorts heeft de Rechtbank bevolen dat de tijd, welke de veroordeelde in de onderhavige zaak in voorarrest in Duitsland, België en Nederland, heeft doorgebracht, in totaal 822 dagen, bij de uitvoering van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 12 februari 2013.
Conclusie 11‑12‑2012
Mr. Aben
Partij(en)
Nr. 12/03535 W
Mr. Aben
Zitting 11 december 2012
Conclusie inzake:
[De veroordeelde]
1.
De rechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 5 juni 2012 toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Hof van beroep van Antwerpen van 28 juni 2007 waarbij Pommé is veroordeeld tot 6 jaren gevangenisstraf. De rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de genoemde beslissing en de veroordeelde ter zake van het in die beslissing vermelde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 822 dagen waarbij de rechtbank heeft bevolen dat de tijd welke de veroordeelde in Duitsland, België en Nederland in de onderhavige zaak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Voorts heeft de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 21 maanden opgelegd met een proeftijd van 1 jaar.
2.
De veroordeelde heeft beroep in cassatie ingesteld en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft namens de veroordeelde een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1.
Het eerste middel klaagt dat de rechtbank niet heeft gerespondeerd op het verweer dat bij de oplegging van de straf rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat sprake is van schending van het "ne bis in idem"-beginsel, nu de veroordeelde eerder terzake van het zelfde delict is veroordeeld door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, en wel bij arrest van 18 april 2006.
3.2.
In de toelichting op het middel wordt onder meer gewezen op hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsvrouw is aangevoerd op de terechtzitting van 27 oktober 2010. Nu op de daaropvolgende terechtzitting van 1 februari 2012 het onderzoek van de zaak opnieuw is aangevangen en de bestreden uitspraak dus niet mede berust op hetgeen op die terechtzitting van 27 oktober 2010 heeft plaatsgevonden, ga ik in zoverre aan het middel voorbij.
3.3.
Het middel doelt blijkens de toelichting voorts op hetgeen de raadsvrouw van de veroordeelde ter terechtzitting van 22 mei 2012 aan de hand van haar pleitaantekening heeft aangevoerd, voor zover inhoudend:
"( )
Van belang is allereerst de bijzondere omstandigheden waaronder cliënt in de afgelopen jaren voorwerp is geweest niet alleen van dubbele vervolgingen omtrent dezelfde feitencomplexen, maar tevens steeds valselijk is beschuldigd van gewelddadige handelingen.
Gesproken moet thans worden van een executie in strijd met het ne bis in idem beginsel, het specialiteitsbeginsel en uiteindelijk zelfs inmiddels moet worden begrepen, dat de oorspronkelijk Bosche veroordeling met kennis van het inmiddels in de fiscale zaak omtrent de aan de strafzaak ten grondslag liggende onderliggende vermeende fiscale fraude/ vervalsingen/ten onrechte claimen van het nultarief kennelijk anders diende te worden beoordeeld en gelet op de eerst na het arrest van het Bosche Hof in de strafzaak gebleken ontlastende stukken (namelijk de CMR's die nog bij de FIOD opdoken) minimaal tot een aanzienlijk lagere straf had dienen te worden gekomen.
Ik moge u verwijzen naar de bijbehorende brief van 6 juni 2010 van mr. Weski, waarin het gehele traject aan procedures wordt toegelicht.
( )
Gelet op hetgeen al namens cliënt beschreven wordt in het bijgaande document omtrent de sinds 2000 tegen hem lopende procedures in Nederland en met name België en de lijdensweg en kennelijke en ongegronde demonisering waarmee de presentatie en behandeling van die procedures gepaard gingen, moet de thans geconstateerde buitenwettelijke besluitvorming omtrent cliënts detentie daar een zorgwekkende toegift bij worden beschouwd.
Redenen waarom, cliënt omgezette straf dient te worden bepaald op hetgeen hij reeds in België en vervolgens in Nederland heeft uitgezeten en de voorlopige hechtenis per heden op te heffen.
Indien u van mening bent dat cliënt een hogere straf verdient dan hij thans heeft ondergaan, ondanks hetgeen de verdediging heeft medegedeeld in het kader van het ne bis in idem en de dagen die cliënt reeds in detentie heeft doorgebracht, dan verzoek ik u de resterende Belgische straf om te zetten in een werkstraf gelet op al de benoemde omstandigheden en de reeds verstreken termijnen van de berechting.
( )"
Tenslotte wordt in de toelichting op het middel nog erop gewezen dat, blijkens het proces-verbaal van de zitting van 22 mei 2012, de raadsvrouw in antwoord op de vraag van de voorzitter of het ne bis in idem verweer gevoerd werd als beletsel van executie of als strafmaatverweer, heeft medegedeeld dat dat laatste het geval was.
3.4.
Het bestreden arrest houdt in, voor zover van belang:
"De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, bij het bepalen van de aan veroordeelde op te leggen straf als uitgangspunt nemen een detentieduur van vier jaar omdat veroordeelde, indien hij niet in het kader van de WOTS vanuit België naar Nederland zou zijn overgedragen, hij in België minimaal vier jaar gevangenisstraf zou hebben moeten ondergaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde in de onderhavige zaak tot de datum van schorsing op 28 oktober 2010 in totaliteit 822 dagen in voorarrest in Duitsland, België en Nederland heeft doorgebracht en dat hij bij een detentieduur van 4 jaar (=1460 dagen) - zoals hiervoor is overwogen - na aftrek van het voorarrest van 822 dagen nog 638 dagen detentie zou moeten ondergaan. De rechtbank zag zich geplaatst voor de vraag of veroordeelde deze restdetentie van 638 dagen nog zou moeten ondergaan. Alles afwegende is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De rechtbank zal dan ook niet een zodanige gevangenisstraf, die hernieuwde verdere vrijheidsbeneming met zich mee brengt, aan veroordeelde opleggen. Veroordeelde is ruim een decennium lang in binnen- en buitenland bij meerdere complexe (straf) rechtelijke procedures betrokken geweest waarbij hij tot meerdere aanzienlijke gevangenisstraffen werd veroordeeld. Al deze procedures en opgelegde straffen hebben een behoorlijke impact op veroordeelde gehad. De rechtbank acht op grond van het vorenstaande en het totale tijdsverloop dat met deze procedures gemoeid is geweest en de omstandigheid dat veroordeelde alle straffen in Nederland heeft uitgezeten en zijn leven inmiddels een positieve wending heeft weten te geven, termen aanwezig om aan veroordeelde thans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de duur van het voorarrest, op te leggen. Daarnaast zal nog een voorwaardelijke gevangenisstraf van 21 maanden worden opgelegd met een - in verband met het reeds gememoreerde tijdsverloop - proeftijd van 1 jaar. Met het opleggen van het voorwaardelijk gedeelte beoogt de rechtbank uitdrukkelijk dat veroordeelde zich (mede daardoor) zal laten weerhouden tot het plegen van nieuwe strafbare feiten.
(...)
9.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Hof van Beroep te Antwerpen (Koninkrijk België) van 28 juni 2007 met betrekking tot de gevangenisstraf toelaatbaar;
verleent verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van voormelde rechterlijke beslissing;
legt veroordeelde een gevangenisstraf op voor de duur van 822 dagen;
beveelt dat de tijd gedurende welke veroordeelde in de onderhavige zaak in voorarrest in Duitsland, België en Nederland, totaal 822 dagen, heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
legt veroordeelde daarnaast een gevangenisstraf op voor de tijd van 21 maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op één jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;"
3.5.
Door onder meer te overwegen dat de veroordeelde in de onderhavige zaak reeds 822 dagen in voorarrest heeft doorgebracht in Duitsland, Nederland en België en dat er termen aanwezig zijn om aan de veroordeelde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van dat voorarrest op te leggen, en door vervolgens te bevelen dat die reeds in voorarrest doorgebrachte dagen bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf van 822 dagen geheel in mindering zullen worden gebracht, heeft de rechtbank voldoende gereageerd op hetgeen door de raadsvrouw in het kader van de strafoplegging naar voren is gebracht omtrent de eerdere vervolgingen en reeds ondergane detenties. Ik merk op dat ik in het in de schriftuur geciteerde onderdeel van de pleitaantekeningen, noch overigens in hetgeen de raadsvrouw van de veroordeelde ter zitting heeft aangevoerd, een expliciet en onderbouwd verweer lees dat inhoudt dat sprake is geweest van schending van het "ne bis in idem"-beginsel hetgeen door de rechtbank in het kader van de strafoplegging zou moeten worden meegewogen, en/of dat de veroordeelde eerder al ter zake van hetzelfde feit is veroordeeld door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 18 april 2006. Voor zover wordt geklaagd dat de rechtbank niet heeft gerespondeerd op die verweren, faalt het middel derhalve reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.6.
Het middel faalt.
4.1.
Het tweede middel klaagt dat de opgelegde straf in strijd is met art. 57 Sr en onvoldoende met redenen is omkleed.
4.2.
Art. 57 Sr luidt:
"1.
Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2.
Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum."
4.3.
Blijkens de bestreden uitspraak betreft de rechterlijke beslissing ten aanzien waarvan in de onderhavige procedure tenuitvoerlegging is gevorderd, de veroordeling ter zake van verschillende feiten, waaronder de misdrijven die strafbaar zijn gesteld bij art. 140 en 225 Sr en waarop een gevangenisstraf of geldboete als straf is gesteld. Een en ander kan worden aangemerkt als een samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd die meer dan één misdrijf opleveren. Art. 57 Sr ziet op een dergelijke situatie. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ook bij strafoplegging op de voet van art. 31 WOTS plaats is voor toepassing van art. 57 Sr1.. Ik wil zelfs iets verder gaan dan deze formulering, die vermoedelijk door cassatietechniek is ingegeven.2. Ik meen dat artikel 31 WOTS niet alleen ruimte laat voor, doch zelfs noopt tot de toepassing van de samenloopbepalingen, en dit doordat de exequaturrechter bij de verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing de straf oplegt "die op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld".3.
Niettemin heeft de rechtbank art. 57 Sr niet opgenomen bij de toepasselijke wettelijke bepalingen waarop de uitspraak is gebaseerd, noch overigens in de uitspraak aangegeven dat zij die bepaling heeft toegepast. Bovendien heeft de rechtbank de opgelegde gevangenisstraf gesplitst in een onvoorwaardelijk deel en een voorwaardelijk deel en deze als afzonderlijke gevangenisstraffen opgelegd. Dat laatste verhoudt zich slecht met art. 57 Sr, welke bepaling ertoe strekt dat bij een samenloop van feiten niet voor elk feit afzonderlijk een straf wordt opgelegd maar dat één straf voor alle feiten gezamenlijk wordt bepaald en dat cumulatie van vrijheidsstraffen wordt beperkt. Weliswaar heeft de rechtbank niet tegen dit voorschrift gezondigd door voor ieder misdrijf afzonderlijk straf op te leggen, maar (zoals gezegd) heeft zij twee hoofdstraffen van dezelfde categorie opgelegd, namelijk een onvoorwaardelijke en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze strafoplegging vindt evenmin een toereikende grondslag in de leden 2, 3 en 4 van art. 9 Sr, waarin de mogelijkheden van cumulatie van straffen tot uitdrukking zijn gebracht.
De klacht is in zoverre terecht voorgesteld.
4.4.
Ik meen evenwel dat cassatie achterwege kan blijven indien Uw Raad bereid is de strafoplegging verbeterd te lezen. Het is immers volstrekt duidelijk welke strafoplegging de rechtbank voor ogen stond. De strafmotivering in de bestreden uitspraak brengt tot uitdrukking dat de rechtbank een gevangenisstraf heeft willen opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de duur van de reeds ondergane (kort gezegd) voorlopige detentie. Bovendien heeft de rechtbank een gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm willen opleggen, te weten een gedeelte van 21 maanden. Een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden en twaalf dagen, met aftrek, waarvan 21 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van één jaar voorziet hierin.4. In dat geval komt de feitelijke grondslag aan het middel te ontvallen.
5.
Beide middelen falen.
6.
Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.
7.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑12‑2012
Zie ook het standpunt van mijn voormalige ambtgenoot Wortel in zijn conclusie voorafgaande aan dit arrest.
Ten overvloede merk ik op dat deze strafoplegging blijft binnen de door art. 14a, tweede lid Sr gedicteerde grens van vier jaren waarbinnen de duur van de gevangenisstraf moet zijn gelegen wil de oplegging van een voorwaardelijk gedeelte tot de wettelijke mogelijkheden behoren. Eén jaar gevangenisstraf staat immers gelijk aan 12 maanden (van dertig dagen) en vijf dagen.