FED 2025/93
De Hoge Raad oordeelt na beantwoording van aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen dat de meldingsregeling van artikel 36, lid 4 IW voor btw-schulden niet in strijd is met het communautaire evenredigheids-beginsel (de zaak Herdijk).
HR 11-07-2025, ECLI:NL:HR:2025:1128, m.nt. mr. dr. J.A. Booij
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11 juli 2025
- Magistraten
Mrs. Van Eijsden, Feteris, Cools, Van der Voort Maarschalk, Van Roij
- Zaaknummer
21/03566 bis
- Noot
mr. dr. J.A. Booij
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD29196:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Aansprakelijkheid
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Europees belastingrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1128, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑07‑2025
- Wetingang
Essentie
De Hoge Raad oordeelt na beantwoording van aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen dat de meldingsregeling van artikel 36, lid 4 IW voor btw-schulden niet in strijd is met het communautaire evenredigheids-beginsel (de zaak Herdijk).
Samenvatting
Een bestuurder van een BV is aansprakelijk gesteld voor niet-betaalde omzetbelasting, terwijl de vennootschap wel tijdig de juiste aangiften heeft ingediend. De bestuurder wordt geconfronteerd met de bewijslast inzake de niet-melding van betalingsonmacht conform artikel 36 IW en de bewijslast ten aanzien van de niet-betaling van de omzetbelasting. Deze bewijslast is ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.