HR, 18-03-2025, nr. 23/04377 P
ECLI:NL:HR:2025:392
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-03-2025
- Zaaknummer
23/04377 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:392, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:326
ECLI:NL:PHR:2025:326, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:392
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0101
Uitspraak 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit oplichting. Nietigheid uitspraak, nu beëdiging raadsheer-plaatsvervanger die zitting had in meervoudige kamer hof niet had plaatsgevonden waardoor benoeming niet was ingegaan. Is uitspraak hof gewezen door vereist aantal raadsheren (art. 5.2 RO)? Uit stukken, die zijn weergegeven in CAG PHR:2024:435, blijkt dat bedoelde persoon bij koninklijk besluit van 14-3-2023 is benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger “met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging”. Op moment van uitspraak hof (op 27-10-2023) was deze persoon niet beëdigd als raadsheer-plaatsvervanger, zodat betreffende benoeming nog niet was ingegaan. Dat betekent dat arrest van meervoudige kamer hof niet door 3, maar door 2 raadsheren is gewezen en dat die uitspraak daarom nietig is o.g.v. art. 5.2 RO (vgl. HR:2017:2561). Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/04376.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04377 P
Datum 18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 oktober 2023, nummer 21-004424-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft K.W. van Nieuwkerk, advocaat in Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het arrest van het hof nietig is, omdat één van de personen die dit arrest heeft gewezen, op het moment van de uitspraak niet als raadsheer-plaatsvervanger beëdigd was, waardoor de benoeming van deze persoon tot raadsheer-plaatsvervanger nog niet was ingegaan.
2.2
Uit de stukken die zijn weergegeven in de conclusie van de procureur-generaal in de zaak onder nummer 23/04238, ECLI:NL:PHR:2024:435, blijkt dat de hiervoor bedoelde persoon bij koninklijk besluit van 14 maart 2023 is benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger “met als datum van indiensttreding de datum van beëdiging”. Op het moment van de uitspraak van het hof (op 27 oktober 2023) was deze persoon niet beëdigd als raadsheer-plaatsvervanger, zodat de betreffende benoeming nog niet was ingegaan. Dat betekent dat het arrest van de meervoudige kamer van het hof niet door drie, maar door twee raadsheren is gewezen en dat die uitspraak daarom nietig is op grond van artikel 5 lid 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie (vgl. HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2561).
2.3
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Conclusie 18‑02‑2025
Inhoudsindicatie
-
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04377 P
Zitting 18 februari 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de betrokkene
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 27 oktober 2023 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 5.185,80 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. De duur van de gijzeling is daarbij bepaald op 103 dagen.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 23/04376. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. K.W. van Nieuwkerk, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het cassatiemiddel is ingediend naar aanleiding van een brief van de president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 februari 2024, die kort gezegd inhoudt dat een van de raadsheren van de zittingscombinatie ten tijde van de behandeling van de zaak niet in de hoedanigheid als raadsheer-plaatsvervanger de ambtseed had afgelegd. Volgens de steller van het middel kan daardoor niet gezegd worden dat de uitspraak is gedaan door het door de wet vereiste aantal rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast.
5. Op de gronden als vermeld in de conclusie van de procureur-generaal d.d. 23 april 2024 in de zaak met het nummer 23/042381.is het middel terecht voorgesteld.2.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑02‑2025
Uitspraak Hoge Raad 2 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:956.