Een wettelijke grondslag voor de staande praktijk van het verkorte vonnis met latere aanvulling ontbreekt. Zie HR 8 februari 2011, LJN BO9974; HR 2 november 2010, LJN BN9359; HR 2 november 2010, LJN BN9358 en HR 13 juli 2010, LJN BJ8669, NJ 2010/572 m.nt. Schalken.
HR, 13-09-2011, nr. 10/05292 A
ECLI:NL:HR:2011:BQ9108
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
13-09-2011
- Zaaknummer
10/05292 A
- Conclusie
Mr. Aben
- LJN
BQ9108
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2011:BQ9108, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 13‑09‑2011; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ9108
ECLI:NL:PHR:2011:BQ9108, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑06‑2011
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ9108
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑09‑2011
Inhoudsindicatie
Antilliaanse zaak. ’s Hofs verzuim om in het vonnis zelf de inhoud van de bewijsmiddelen op te nemen, leidt ingevolge art. 402.7 SvNA tot nietigheid.
13 september 2011
Strafkamer
nr. 10/05292 A
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 10 juni 2010, nummer H 63/2010, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Bonaire" te Kralendijk.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel klaagt dat het bestreden vonnis in strijd met art. 402, eerste lid, SvNA niet de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen bevat.
2.2. Art. 402 SvNA luidt, voor zover hier van belang:
"1. Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsmede de inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot bewijs daarvan geldt.
(...)
7. Alles op straffe van nietigheid."
2.3. Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich:
a. het bestreden vonnis van 10 juni 2010, dat onder "de bewijsmiddelen" inhoudt:
"Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
De bewijsmiddelen zullen in geval van cassatie in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen."
b. een bijlage bevattende de bewijsmiddelen, getekend op 16 juli 2010, behorende bij voormeld vonnis.
2.4. Het Hof heeft verzuimd in het bestreden vonnis zelf de inhoud van de bewijsmiddelen op te nemen. Ingevolge art. 402, zevende lid, SvNA leidt dit verzuim tot nietigheid.
2.5. Het middel slaagt.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verwijst de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 13 september 2011.
Conclusie 07‑06‑2011
Mr. Aben
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba te Curaçao heeft bij strafvonnis van 10 juni 2010 het strafvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen te Curaçao van 9 maart 2010, waarbij de verdachte wegens de feiten 1 en 2 ‘telkens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een verbod gesteld bij artikel 3 eerste lid onder A van de Opiumlandsverordening 1960, strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening en artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, bevestigd, behoudens ten aanzien van de bewijsvoeringen, de strafoplegging en de toepasselijke wettelijke voorschriften en de verdachte — met aanvulling van gronden — tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden veroordeeld.
2.
Namens de verdachte heeft mr. C. Wendenburg, advocaat te Maastricht, cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1.
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof de opgelegde straf niet overeenkomstig de wettelijke eisen heeft gemotiveerd nu het een aanzienlijk hogere straf heeft opgelegd dan in eerste aanleg is opgelegd en uit de strafmotivering niet blijkt waarom het hof tot een hogere strafoplegging komt.
3.2.
Het hof heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:
‘Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het Hof verwijst naar de strafmotivering van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Bonaire, in zijn vonnis van 9 maart 2010, neemt die over en vult deze als volgt aan.
Het Hof is van oordeel dat aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde misdrijf en de generaal preventieve werking van strafoplegging onvoldoende recht is gedaan door de strafoplegging in eerste aanleg. De verdachte is reeds meerdere malen veroordeeld voor drugsdelicten. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden zich daaraan wederom schuldig te maken. Voor een deels voorwaardelijke straf bestaat derhalve thans geen aanleiding meer. Op grond van het voorgaande acht het Hof na te melden straf passend en geboden.’
3.3.
Gelet hierop mist het middel feitelijke grondslag. Het hof heeft immers geoordeeld dat de in eerste aanleg opgelegde straf — een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk — onvoldoende recht doet aan de aard en ernst van het misdrijf en de generaal preventieve werking die van de straf behoort uit te gaan, op grond waarvan het hof een hogere straf — een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden zonder voorwaardelijk deel — passend en geboden heeft geacht.
4.1.
Het tweede middel klaagt dat artikel 402 lid 1 SvA is geschonden nu het hof in het strafvonnis heeft verzuimd de inhoud van de bewijsmiddelen op te nemen.
4.2.
Art. 402 SvA luidt, voor zover hier van belang:
- ‘1.
Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsmede de inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot bewijs daarvan geldt.
(…)
- 7.
Alles op straffe van nietigheid.’
4.3.
Het strafvonnis vermeldt onder de kop ‘De bewijsmiddelen’ het volgende:
‘Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
De bewijsmiddelen zullen in geval van beroep in cassatie in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen’
4.4.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich voorts een bijlage inhoudende de bewijsmiddelen, behorende bij voormeld strafvonnis. Deze bijlage is door de voorzitter van het hof niet eerder getekend dan op 16 juli 2010.
4.5.
Uit het vorenstaande blijkt dat het hof heeft verzuimd de inhoud van de bewijsmiddelen in het strafvonnis zelf (als bijlage) op te nemen. Dit verzuim leidt op grond van art. 402, zevende lid, SvA tot nietigheid.1.
5.
Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
6.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
7.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑06‑2011