Zo ook A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 89.
HR, 12-11-2024, nr. 22/04249
ECLI:NL:HR:2024:1650
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-11-2024
- Zaaknummer
22/04249
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1650, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:869
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3946
ECLI:NL:PHR:2024:869, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1650
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0273
Uitspraak 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Eendaadse samenloop van wederspannigheid met lichamelijk letsel tot gevolg (art. 180 jo. 181.1 Sr) en mishandeling van ambtenaar (art. 300.1 jo. 304.1.3 Sr). Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 437.2 Sv. Schriftuur te laat. Is aanzegging in cassatie rechtsgeldig betekend, nu niet blijkt dat aanzegging is uitgereikt aan autoriteit van welke zij is uitgegaan en dat afschrift van aanzegging is verzonden naar adres van verdachte a.b.i. art. 36e.2.b Sv? HR: Om redenen vermeld in CAG kan HR cassatieberoep niet in behandeling nemen. CAG: Uit akte van uitreiking bij aanzegging blijkt dat tevergeefs is geprobeerd aanzegging aan verdachte uit te reiken op zijn BRP-adres. Uit tweede akte van uitreiking, die door vergissing pas aan raadsman is toegezonden nadat hij schriftuur had ingediend, blijkt dat aanzegging o.g.v. art. 36e.2.b Sv is uitgereikt aan medewerker van parket PG HR. Ook blijkt daaruit dat afschrift van aanzegging is verzonden naar BRP-adres van verdachte. Dat wat raadsman heeft aangevoerd over niet rechtsgeldige betekening van aanzegging mist daarmee feitelijke grondslag. Nu betekening van aanzegging rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, waarbij ook voldoende inspanningen zijn verricht om ervoor te zorgen dat aanzegging de verdachte daadwerkelijk bereikt, maar namens verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend binnen de in art. 437.2 Sv bedoelde termijn, kan verdachte niet worden ontvangen in zijn beroep. Verdachte n-o.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04249
Datum 12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 november 2022, nummer 23-000388-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, een ‘schriftuur, houdende klachten over de betekening van de aanzegging in cassatie’ ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de verdachte niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2024.
Conclusie 10‑09‑2024
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04249
Zitting 10 september 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 2 november 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "de eendaadse samenloop van wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben en mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening", veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van één jaar en een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. In deze zaak zijn de stukken van het geding op 12 september 2023 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De binnenkomst van de stukken is de verdachte op grond van art. 435 lid 1 Sv schriftelijk aangezegd. Namens de verdachte is binnen de in art. 437 lid 2 Sv neergelegde termijn van 60 dagen geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Wel heeft de raadsman van de verdachte in cassatie, W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, met een schriftuur gereageerd op de mededeling van de rechtsdag als bedoeld in art. 436 Sv.
De raadsman stelt in zijn schriftuur dat niet blijkt dat de aanzegging is uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan en dat evenmin blijkt dat een afschrift van de aanzegging is verzonden naar het adres van de verdachte, zoals art. 36e lid 2 aanhef en onder sub b Sv onder de gegeven omstandigheden voorschrijft. Dat betekent volgens de raadsman dat de aanzegging niet rechtsgeldig is betekend en opnieuw moet worden betekend. Daarnaast levert het niet opnieuw betekenen van de aanzegging volgens de raadsman strijd op met art. 6 EVRM. Ik zal hierna eerst ingaan op de vraag of de aanzegging rechtsgeldig is betekend.
De rechtsgeldigheid van de betekening van de aanzegging
4. Op grond van art. 437 lid 2 Sv is de verdachte verplicht binnen twee maanden nadat hem overeenkomstig art. 435 lid 1 Sv is aangezegd dat de stukken van het geding door de Hoge Raad zijn ontvangen, een schriftuur houdende middelen van cassatie in te dienen. Als de verdachte dit verzuimt, is hij niet-ontvankelijk in het door of namens hem ingestelde beroep in cassatie. De aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad opgedragen aanzegging aan natuurlijke personen moet plaatsvinden door middel van betekening als bedoeld in art. 36b lid 2 Sv. De betekening moet voldoen aan de voorschriften van art. 36e Sv.1.
5. Art. 36e Sv luidt voor zover hier van belang:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.
[…]”
6. Uit de ‘Akte van uitreiking’ die hoort bij de aanzegging van 13 oktober 2023 blijkt dat in deze zaak tevergeefs is geprobeerd de aanzegging aan de verdachte uit te reiken op het adres waarop de verdachte bij de basisregistratie personen (BRP) stond ingeschreven als ingezetene. Daarom moest de aanzegging op grond van art. 36e lid 2 aanhef en sub b Sv worden uitgereikt aan (een medewerker van) het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Uit de bij de aanzegging van 1 november 2023 behorende ‘Akte van uitreiking’, die door een vergissing pas aan de raadsman is toegezonden nadat hij voornoemde schriftuur had ingediend, blijkt dat deze uitreiking weldegelijk heeft plaatsgevonden. Ook blijkt uit dit stuk dat een afschrift van de aanzegging is verzonden naar het eerder bedoelde BRP-adres. Dat wat de raadsman heeft aangevoerd over de niet rechtsgeldige betekening van de aanzegging mist daarmee feitelijke grondslag.
Schending art. 6 EVRM zonder nieuwe betekening?
7. Het standpunt van de raadsman dat het niet opnieuw betekenen van de aanzegging voorts strijd oplevert met art. 6 EVRM is – als ik de schriftuur goed begrijp – gebaseerd op de veronderstelling dat de verdachte (door ingeschreven te zijn in de BRP) de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de aanzegging hem niet zou bereiken, maar dat aan zijn BRP-adres vervolgens geen afschrift van de aanzegging is gezonden waardoor onvoldoende inspanningen zijn verricht om ervoor te zorgen dat de aanzegging de verdachte daadwerkelijk bereikt. Uit hetgeen hiervoor onder 6 is opgemerkt, blijkt dat dit afschrift wel degelijk is verzonden, zodat hetgeen door de raadsman daaromtrent is aangevoerd (eveneens) feitelijke grondslag mist.
Slotsom
8. Nu de betekening van de aanzegging rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, waarbij ook voldoende inspanningen zijn verricht om ervoor te zorgen dat de aanzegging de verdachte daadwerkelijk bereikt, maar namens de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend binnen de in art. 437 lid 2 Sv neergelegde termijn, kan de verdachte niet worden ontvangen in zijn beroep in cassatie.
9. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑09‑2024