Hof Amsterdam, 30-11-2010, nr. 200.031.996/01 NOT
ECLI:NL:GHAMS:2010:BO5772
- Instantie
Hof Amsterdam (Notariskamer)
- Datum
30-11-2010
- Magistraten
Mrs. A.D.R.M. Boumans, L. Verheij, F.A.A. Duynstee
- Zaaknummer
200.031.996/01 NOT
- LJN
BO5772
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Tuchtrecht
Juridische beroepen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2010:BO5772, Uitspraak, Hof Amsterdam (Notariskamer), 30‑11‑2010
Uitspraak 30‑11‑2010
Mrs. A.D.R.M. Boumans, L. Verheij, F.A.A. Duynstee
Partij(en)
Beslissing van 30 november 2010 in de zaak van:
BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT,
gevestigd te Utrecht,
APPELLANT,
gemachtigden: mr. M.F. Beumer,
drs. M.J.V. Freijssen RA,
F.J. Winkel RA,
tegen
MR. [notaris],
notaris te [plaats],
GEÏNTIMEERDE,
gemachtigde: mr. A. Knigge.
1. Het geding in hoger beroep
1.1
Ter griffie van het hof is van de zijde van appellant, hierna het BFT, op 1 mei 2009 een verzoekschrift met bijlage ingekomen waarin hoger beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Amsterdam, hierna de kamer, van 16 april 2009. De kamer heeft in deze beslissing het BFT ontvankelijk verklaard in zijn klacht(en) en vervolgens deze klacht(en) ongegrond verklaard.
1.2
Van de zijde van het BFT is op 4 juni 2010 een aanvullend beroepschrift — met bijlagen — ter griffie van het hof ingekomen.
1.3
Namens de notaris is op 17 augustus 2009 een verweerschrift — met bijlagen — ter griffie van het hof ingekomen waarbij eveneens voorwaardelijk incidenteel appel is ingesteld tegen voormelde beslissing van de kamer, alsmede tegen haar tussenbeslissing van 6 december 2007.
1.4
Bij brief van 15 september 2009 is namens het BFT nog een nadere productie ten behoeve van de mondelinge behandeling ter terechtzitting aan de griffie van het hof verzonden en tijdig ontvangen.
1.5
De zaak is — uitsluitend voor zover het de ontvankelijkheid van de klachten betreft — behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 september 2009.
Verschenen zijn de gemachtigden van het BFT en de notaris vergezeld van zijn gemachtigde. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van een pleitnotitie.
2. De stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.
3. De inleiding en opbouw van de beslissing
Het hof stelt vast dat in hoger beroep zowel het BFT als de notaris vragen hebben opgeworpen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het BFT, die zijn gebaseerd op het door medewerkers van het BFT op 18 juli 2005 bij de notaris ingestelde onderzoek waarbij de naleving door de notaris van de Wet identificatie bij dienstverlening, hierna de Wid, en de Wet melding ongebruikelijke transacties, hierna de Wet Mot, is onderzocht.
De notaris heeft zijn vragen weliswaar opgeworpen in de vorm van een ‘voorwaardelijk incidenteel appel’, maar het hof acht de door het BFT en de notaris aan de orde gestelde vragen van een zodanig gewicht dat het hof die vragen, zoals bij de behandeling ter zitting aangekondigd, eerst zal behandelen en beantwoorden.
Het hof heeft bij die keuze laten meewegen dat in de praktijk regelmatig vragen zijn gerezen rond de (grenzen van de) bevoegdheden van het BFT en het eigen klachtrecht van het BFT. Bovendien dient het hof ingevolge artikel 107 lid 4 van de Wet op het notarisambt, hierna de Wna, de zaak in volle omvang te behandelen.
Eerst zal het hof weergeven de concrete vragen ten aanzien van de ontvankelijkheid in de onderhavige zaak, de standpunten van partijen en het oordeel van de kamer daaromtrent.
Vervolgens zal het hof een algemene beschouwing wijden aan de bevoegdheden van het BFT in het kader van de Wna enerzijds en — in casu — de Wet Mot anderzijds. Omdat de naar aanleiding van het onderzoek door het BFT tegen de notaris ingediende klachten geen betrekking hebben op de naleving van de Wid door de notaris, blijft de Wid in dit kader buiten beschouwing.
Ten slotte zal het hof komen tot een eigen beoordeling van de klachten in het licht van de hierna onder 5. gegeven beschouwing.
4. De ontvankelijkheid van het BFT — de opgeworpen vragen
4.1
Het BFT heeft op basis van het bij de notaris ingestelde onderzoek onder 4. van zijn inleidende verzoekschrift de dato 31 januari 2007 aan de kamer de volgende klachten geformuleerd.
Met betrekking tot de transactie geconstateerd bij akte van 15 januari 2004:
- I.
De notaris heeft geen onderzoek gedaan naar de waarde in het economisch verkeer van het op 15 december 2003 verkochte onroerend goed.
- II.
De notaris heeft een melding ongebruikelijke transactie inzake een onverklaarde waardestijging achterwege gelaten.
- III.
De notaris heeft geen nadere vragen gesteld naar aanleiding van een transactie die naar aard en uitvoering ongebruikelijk is.
- IV.
De notaris heeft een melding ongebruikelijke transactie inzake een transactie die naar aard en uitvoering ongebruikelijk is achterwege gelaten.
- V.
De notaris heeft op de nota van afrekening van de koper een onjuist feit opgenomen.
- VI.
De notaris had zijn dienst moeten weigeren.
Met betrekking tot de transactie geconstateerd bij akte van 13 juli 2004:
- VII.
De notaris heeft geen onderzoek gedaan naar de waarde in het economisch verkeer van het ergens tussen 15 december 2003 en 9 februari 2004, maar wellicht nog eerder, verkochte onroerend goed.
- VIII.
De notaris heeft een melding ongebruikelijke transactie inzake een onverklaarde waardestijging achterwege gelaten.
- IX.
De notaris heeft geen nadere vragen gesteld naar aanleiding van een transactie die naar aard en uitvoering ongebruikelijk is.
- X.
De notaris heeft een melding ongebruikelijke transactie inzake een transactie die naar aard en uitvoering ongebruikelijk is achterwege gelaten.
- XI.
De notaris had zijn dienst moeten weigeren.
4.2
Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling heeft de notaris de kamer verzocht om de voorvraag naar de ontvankelijkheid van het BFT te beantwoorden.
De mondelinge behandeling van deze voorvraag heeft op 9 oktober 2007 plaatsgevonden, waarna de kamer bij tussenbeslissing uitspraak heeft gedaan op 6 december 2007, waarbij het BFT in al zijn klachten ontvankelijk is verklaard.
Het standpunt van de notaris (1)
4.3
Het standpunt van de notaris valt — kort en zakelijk samengevat — uiteen in de navolgende zes onderdelen:
- 1.
Het BFT komt geen klachtrecht ingevolge artikel 112 lid 3 van de Wna toe, aangezien de door het BFT tegen de notaris ingediende klacht niet berust op bevindingen van het BFT die — in het kader van de uitoefening van het financiële toezicht krachtens de Wna — in de vorm van een klacht ter kennis van de voorzitter van de kamer van toezicht kunnen worden gebracht.
- 2.
- 3.
- 4.
Het is onduidelijk of het optreden van het BFT krachtens de Wet Mot berust op een rechtsgeldige grondslag.
De notaris wijst er in dit verband op dat, anders dan door artikel 17b lid 1 van de Wet Mot wordt voorgeschreven, de aanwijzing van het BFT als toezichthouder in het kader van die wet niet is gebaseerd op een gezamenlijk besluit van de Ministers van Financiën en Justitie, doch slechts op een besluit van de Minister van Financiën.
- 5.
Het optreden van de werknemers van het BFT berust op een onverbindende regeling.
Daartoe voert de notaris aan dat door artikel 17b lid 2 van de Wet Mot wordt voorgeschreven, dat rechtspersonen als toezichthouder in het kader van die wet dienen te worden aangewezen, terwijl in de uitvoeringsregeling de werknemers van het BFT met het toezicht worden belast en niet het BFT zelf.
- 6.
Hij, de notaris, wordt in zijn verdediging geschaad als het BFT ontvankelijk wordt verklaard, omdat hij in verband met zijn geheimhoudingsplicht niet vrijuit verweer kan voeren.
Daarbij is volgens de notaris van belang dat in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna de Awb, wordt bepaald dat ‘geheimhouders’ als de notaris zich kunnen verschonen. Dit artikel staat in afdeling 5.2 van de Awb, welke afdeling van toepassing is verklaard ten aanzien van het toezicht op de naleving van artikel 9 van de Wet Mot.
Het oordeel van de kamer in de tussenbeslissing van 6 december 2007
4.4
Door de kamer is aangegeven dat het standpunt van het BFT — voor zover van belang — bij de beoordeling aan de orde komt.
In de beoordeling van de kamer kunnen de navolgende drie onderwerpen worden onderscheiden.
4.4.1
De kamer stelt vast dat een overtreding van de Wet Mot valt onder enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt, zoals omschreven in artikel 98 lid 1 van de Wna, ten aanzien waarvan (kandidaat-)notarissen zijn onderworpen aan het tuchtrecht. Vervolgens wordt door de kamer de vraag opgeworpen of het BFT in de onderhavige zaak als belanghebbende kan worden aangemerkt, aangezien klachten over (kandidaat-) notarissen uitsluitend kunnen worden ingediend door belanghebbenden. Naar het oordeel van de kamer kan die vraag, mede gezien vaste jurisprudentie van het hof op dit punt, bevestigend worden beantwoord. Niet alleen voldoet het BFT aan de door het hof gestelde eis dat sprake moet zijn van een zodanige betrokkenheid dat klager belang heeft bij een uitspraak over het handelen en/of nalaten van de notaris, maar dit belang valt volgens de kamer ook af te leiden uit het feit dat het toezicht op de naleving van de Wid en de Wet Mot aan het BFT is opgedragen.
4.4.2
De volgende vraag die de kamer diende te beantwoorden in haar tussenbeslissing, is of de werknemers van het BFT bevoegd zijn om onderzoek in het kader van de Wid en de Wet Mot te verrichten.
Anders dan de notaris is de kamer tot de conclusie gekomen dat de uitvoeringsregeling van 3 september 2003, waarbij de medewerkers van het BFT als toezichthouder zijn aangewezen, niet onverbindend kan worden geacht. De kamer is het met het BFT eens dat het besluit voldoet aan de in het toenmalige artikel 17b van de Wet Mot gestelde eis, te weten: vaststelling van het besluit door de Minister van Financiën, handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie.
Gezien de tekst van het toen geldende artikel 17b lid 1 van de Wet Mot, stelt de kamer voorts vast dat ook het feit dat de werknemers van het BFT zijn aangewezen als toezichthouder doch zelf geen rechtspersonen zijn, geen gebrekkig besluit oplevert. Ook de latere wijziging van de tekst van dit artikel brengt niet mee dat de eerder aangewezen toezichthouders daardoor onbevoegd zijn geworden.
4.4.3
Gezien het vorenstaande komt de kamer tot de slotsom dat het BFT ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klachten.
4.4.4
Ten aanzien van het slotverweer van de notaris, dat hij in zijn verdediging wordt geschaad bij ontvankelijkheid van het BFT, oordeelt de kamer dat ontvankelijkheid van het BFT niet zonder meer meebrengt dat de notaris zich in de klachtprocedure niet kan verschonen.
Ter onderbouwing van haar standpunt wijst de kamer er op dat het hof op 25 oktober 2007 (LJN: BB6708) heeft besloten dat de geheimhoudingsplicht van een notaris meebrengt dat hij niet gehouden is de door het BFT verlangde inlichtingen in het kader van de Wid en de Wet Mot te verstrekken.
De eindbeslissing van de kamer van 16 april 2009
4.5
In de eindbeslissing stelt de kamer voorop dat zij reeds bij tussenbeslissing van 6 december 2007 heeft geoordeeld dat het BFT ontvankelijk is in zijn klachten.
Hieromtrent heeft de kamer voorts nog te kennen gegeven dat de daarna voortgezette behandeling geen (verkapt) hoger beroep van de zaak is, zodat de kamer zich aan haar eerder gegeven tussenbeslissing houdt. Dit geldt volgens de kamer ook voor het antwoord op de vraag of het BFT gehouden was de notaris de cautie te geven voorafgaand aan het onderzoek, welke vraag immers bij de mondelinge behandeling aan de orde was geweest, zodat de tussenbeslissing ook een oordeel inhoudt over dit onderdeel van het verweer van de notaris.
In verband hiermee heeft de kamer uitsluitend aandacht besteed aan niet eerder door partijen aangevoerde argumenten waarover de kamer in haar tussenbeslissing niet heeft kunnen oordelen. Dit betekent volgens de kamer dat zij uitsluitend nog kan oordelen over de na 6 december 2007 door partijen aan de orde gestelde argumenten.
Het standpunt van de notaris (2)
4.6
Na 6 december 2007 heeft de notaris nog de navolgende twee argumenten betreffende de niet-ontvankelijkheid van het BFT opgeworpen.
4.6.1
De medewerkers van het BFT hebben zich bij de uitvoering van het onderzoek niet gehouden aan de voorschriften voor een zorgvuldig onderzoek neergelegd in de ‘Gedragslijn inzake persoonsgerichte accountantsonderzoeken’, hierna de Gedragslijn. Deze klacht van de notaris is vooral gericht op het feit dat bij de uitvoering van het onderzoek het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht is genomen.
4.6.2
De notaris heeft voorts aangevoerd dat het klachtrecht van het BFT is vervallen op grond van overschrijding van de klachttermijn van drie jaar zoals vermeld in artikel 99 lid 12 van de Wna.
Het oordeel van de kamer in de eindbeslissing
4.7
De kamer heeft een aparte beoordeling gewijd aan de ontvankelijkheid van het BFT met betrekking tot de twee, na 6 december 2007 aangevoerde argumenten van de notaris omtrent de niet-ontvankelijkheid van het BFT zoals hiervoor onder 4.6 vermeld.
4.7.1
De kamer is van oordeel dat de Gedragslijn uitsluitend de accountants bindt die zijn aangesloten bij de organisatie die de Gedragslijn heeft uitgebracht. De kamer vraagt zich af, of de medewerkers van het BFT die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van het onderzoek tot die groep van aangesloten accountants behoren en is van mening dat de vraag of zij laakbaar hebben gehandeld krachtens de Gedragslijn beoordeeld dient te worden door de daartoe aangewezen tuchtrechter.
Met betrekking tot de schending van het beginsel van hoor en wederhoor is de kamer met de notaris van oordeel dat deze ook in de onderzoeksfase van elementair belang is, echter dat schending daarvan of van enig ander voorschrift van de Gedragslijn — hetgeen door de kamer niet is vastgesteld — niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het BFT.
Verder is de kamer met het BFT van oordeel dat de notaris in de fase waarin het geding zich bevindt, zowel bij dupliek als bij de mondelinge behandeling ter zitting van de kamer, de gelegenheid heeft gehad om te reageren op de bevindingen van het BFT en om al hetgeen hij van belang acht voor zijn verweer aan te voeren.
4.7.2
Het standpunt van de notaris dat het klachtrecht van het BFT vervalt zodra het klachtrecht van direct belanghebbenden is vervallen, deelt de kamer niet.
Ook de opvatting van het BFT — gebaseerd op een uitspraak afkomstig van de kamer van toezicht te 's‑Gravenhage van 11 februari 2009 (LJN: YC0126) — dat de vervaltermijn begint te lopen vanaf de startdatum van het onderzoek, wordt niet door de kamer gedeeld. Die startdatum kan volgens de kamer wel worden beschouwd als de vroegste datum waarop de vervaltermijn kan aanvangen, hoewel de kamer signaleert dat dit in een aantal gevallen kan leiden tot blootstelling aan een onwenselijk lange — en door de wetgever niet beoogde — vervaltermijn.
De kamer is van oordeel dat in de onderhavige zaak dient te worden vastgesteld wanneer het BFT als toezichthouder redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van het handelen of nalaten van de notaris.
De kamer stelt vast dat het BFT kennis kon nemen van het handelen dan wel nalaten van de notaris, op grond waarvan door het BFT nader onderzoek noodzakelijk werd geacht en vervolgens een klacht werd ingediend, op het moment dat de afzonderlijke — door verschillende notarissen gepasseerde — leveringsakten met elkaar in verband konden worden gebracht. Daarbij wordt door de kamer erkend dat het in verband brengen van die akten een zekere verwerkingstijd met zich meebrengt. Volgens de kamer begint de klachttermijn van artikel 99 lid 12 van de Wna op zijn vroegst te lopen vanaf 15 januari 2004, de datum waarop de eerste leveringsakte door de notaris werd gepasseerd. De kamer stelt vast dat de klacht van het BFT op 2 februari 2007 bij de kamer is ingediend.
De kamer komt tot de slotsom dat het BFT de redelijke termijn, die geldt voor het met elkaar in verband brengen van de afzonderlijke leveringsakten, niet al op 2 februari 2004 heeft overschreden, waardoor de klacht van het BFT niet buiten de vervaltermijn van drie jaar is ingediend.
Het standpunt van de notaris in hoger beroep
4.8
Volgens de notaris heeft de kamer het BFT ten onrechte ontvankelijk verklaard in zijn klachten.
4.8.1
De notaris kan zich niet verenigen met het oordeel van de kamer, waarin het navolgende volgens de notaris door de kamer is miskend.
- (i)
Aan het BFT is bij of krachtens de wet — waaronder de Wna, de Wet Mot of de ministeriële uitvoeringsregeling van 3 september 2003 inzake de Wid en de Wet Mot, hierna de uitvoeringsregeling — niet expliciet de taak opgedragen om klachten in het kader van de naleving van artikel 9 van de Wet Mot in te dienen.
- (ii)
De kamer heeft een onjuiste uitleg gegeven aan het begrip belanghebbende door het BFT als belanghebbende in de zin van artikel 98 van de Wna aan te merken.
- (iii)
Het enkele feit dat het BFT een bepaald belang heeft bij een uitspraak over het handelen en/of nalaten van de notaris, brengt niet mee dat aan het BFT bij of krachtens de wet de taak is opgedragen om klachten in te dienen.
- (iv)
- (v)
- (vi)
De bevoegdheid van de notaris om zich te verschonen doet niet af aan de omstandigheid dat hij vanwege de — tegenover het BFT in acht te nemen —geheimhoudingsplicht ernstig wordt beperkt in zijn verdediging. Volgens de notaris geldt dit temeer voor de verwijten van het BFT die verder gaan dan een juiste naleving van artikel 9 van de Wet Mot.
4.8.2
Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep is door de notaris aangevoerd dat het voor de beoordeling van de ontvankelijkheid nog van belang is dat het BFT in onderhavige zaak optreedt als toezichthouder van de Wid/Wet Mot onder het regime van de Awb. Het optreden van het BFT in de onderhavige zaak staat derhalve geheel los van het door het BFT uit te oefenen toezicht in het kader van de Wna.
Volgens de notaris treedt het BFT in de onderhavige zaak niet op als financieel toezichthouder en evenmin ligt aan het optreden van het BFT een ‘voorzittersonderzoek’ ten grondslag. Nu zowel de Wet Mot als de Awb geen grondslag biedt om klachten in te dienen, nog daargelaten de klachten die de naleving van artikel 9 van de Wet Mot te buiten gaan, dient het BFT naar de mening van de notaris alleen op deze grond geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Ten slotte voert de notaris nog aan dat de wijze waarop het BFT het onderzoek heeft uitgevoerd — er is geen cautie gegeven — de beslissing dat het BFT niet kan worden ontvangen in zijn klacht, rechtvaardigt. Daarbij komt volgens de notaris nog, dat de medewerkers van het BFT het onderzoek hebben uitgevoerd zonder inachtneming van de voor registeraccountants toepasselijke gedragsregels, zodat een deugdelijke grondslag voor hun bevindingen moet worden geacht te ontbreken.
Het standpunt van het BFT in hoger beroep
4.9
Het BFT is van mening dat de kamer het BFT op goede gronden ontvankelijk heeft verklaard in zijn klachten en verwijst naar de reactie die door het BFT met betrekking tot de ontvankelijkheidsvragen bij de kamer is gegeven. Het BFT is het eens met de conclusie van de kamer in de eindbeslissing dat het BFT zijn klachten niet buiten de vervaltermijn van artikel 99 lid 12 van de Wna heeft ingediend. Het BFT kan echter niet instemmen met de uitleg die de kamer daarbij heeft gegeven.
4.9.1
Volgens het BFT heeft de kamer onder 4.3 van de eindbeslissing ten onrechte overwogen dat:
- (i)
het BFT vanaf de inschrijvingsdatum van de betreffende akten in het openbare register kennis heeft kunnen nemen van de ABC transacties;
- (ii)
het BFT vervolgens met inachtneming van een redelijke termijn (‘verwerkingstijd’) de afzonderlijke akten (dus ook die van de andere notarissen) met elkaar in verband heeft kunnen brengen;
- (iii)
de termijn van artikel 99 lid 12 van de Wna voor het BFT begint te lopen na ommekomst van de verwerkingstijd.
4.9.2
Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst het BFT naar de uitspraak van de kamer van toezicht te 's‑Gravenhage als hiervoor onder 4.7.2 vermeld.
Bij de mondelinge behandeling verwijst het BFT ook nog naar een uitspraak van de kamer van toezicht te Rotterdam van 10 september 2009 (LJN: YC0309).
Uit de genoemde uitspraken valt volgens het BFT voor onderhavige zaak af te leiden dat het BFT in ieder geval tot 18 juli 2008 de tijd had om een klacht tegen de notaris in te dienen, nu het onderzoek bij de notaris is gestart op 18 juli 2005.
5. De bevoegdheden van het BFT
De bevoegdheden krachtens de Wna
5.1
Het BFT is ingesteld bij de Wna. Artikel 110 lid 1 van de Wna vermeldt de in het kader van de Wna aan het BFT toekomende toezichthoudende taken.
5.1.1
De tekst van artikel 110 leden 1 en 2 van de Wna luidt:
- 1.
Er is een Bureau Financieel Toezicht, dat gevestigd is te Utrecht. Het Bureau bezit rechtspersoonlijkheid. Het Bureau houdt toezicht op de naleving door de notaris van de artikelen 23, 24 en 25 eerste lid en tweede lid, derde volzin, alsmede de verordeningen, bedoeld in artikel 18, tweede zin, en 24 derde lid, en de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 25, zevende lid. Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
- 2.
Bij algemene maatregel van bestuur kan zonodig worden bepaald dat het Bureau daarbij aangegeven andere taken kan verrichten dan die, bedoeld in het eerste lid, indien deze taken verband houden met de in dat lid genoemde taken. Onze Minister is bevoegd tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels ten aanzien van de uitoefening van de taken van het Bureau.
Een algemeen verbindend voorschrift of een ministeriële regeling als bedoeld in lid 2 van genoemd artikel is niet vastgesteld.
5.1.2
Het onder 5.1 bedoelde bijzondere toezicht door het BFT staat naast het meer algemene toezicht op de naleving door (kandidaat-)notarissen van de bepalingen van de Wna en andere bepalingen als omschreven in artikel 96 lid 1 van de Wna dat ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wna wordt uitgeoefend door de kamer van toezicht. In het kader van dat toezicht kan de voorzitter van de kamer van toezicht een onderzoek gelasten, zoals bepaald in artikel 96 lid 2 van de Wna. Indien het bestuur van het BFT daarom verzoekt, is de voorzitter verplicht om een dergelijk onderzoek te gelasten. De voorzitter of de met het onderzoek belaste plaatsvervangend voorzitter kan het BFT op grond van lid 5 van laatstgenoemd artikel opdragen om een onderzoek in te stellen en van zijn bevindingen verslag uit te brengen. Een dergelijk onderzoek dient wel te vallen binnen het kader van het bij de artikelen 96 en 110 van de Wna aan de kamer van toezicht en het BFT opgedragen toezicht, zoals door het hof is besloten bij uitspraak van 17 november 2009 (LJN: BK3931).
Het door het BFT in het kader van de Wna uitgeoefende toezicht levert een zelfstandig klachtrecht op bij de voorzitter van de kamer van toezicht ingevolge artikel 112 lid 3 van de Wna. Voorts wordt het bestuur van het BFT voor wat betreft de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep op grond van artikel 107 lid 1 van de Wna als klager aangemerkt, indien de zaak door de voorzitter van de kamer van toezicht ter behandeling aan de betreffende kamer is voorgelegd na een onderzoek ingevolge artikel 96, tweede lid, tweede volzin van de Wna.
Bevoegdheden krachtens de Wet Mot
5.2
Ten tijde van het bij de notaris ingestelde onderzoek luidde artikel 17b lid 1 van de Wet Mot als volgt:
Met het toezicht op de naleving van artikel 9 kunnen worden belast de bij besluit van Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, aangewezen personen.
Ingevolge artikel 8a lid 1 sub h. van de ministeriële uitvoeringsregeling van 3 september 2003 inzake de Wid en de Wet Mot, hierna de uitvoeringsregeling, is het toezicht op de naleving van de Wet Mot door (kandidaat-)notarissen opgedragen aan de werknemers van het BFT die daarmee door het BFT zijn belast. Een expliciete aanwijzing van het BFT als toezichthouder ontbreekt.
Na de wetswijziging van 1 mei 2006 luidde de tekst van artikel 17b lid 1 van de Wet Mot:
- 1.
Bij besluit van Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Justitie gezamenlijk kunnen een of meer rechtspersonen worden aangewezen, die belast zijn met het toezicht op de naleving van artikel 9, 10, tweede lid, 17u en 19 door degene die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent.
Voorts is een nieuw lid 2 ingevoegd, waarin de navolgende tekst is opgenomen:
- 2.
Ten aanzien van personen die door een op grond van het eerste lid aangewezen rechtspersoon belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen, genoemd in het eerste lid, zijn de bepalingen van hoofdstuk 5, afdeling 5.2, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Na de wetswijziging van 1 mei 2006 is artikel 8a lid 1 sub h. van de uitvoeringsregeling niet meer gewijzigd.
5.2.1
De wijziging van 3 september 2003 en de daaropvolgende wijziging van 13 april 2005 van de uitvoeringsregeling zijn beide, conform de in het toenmalige artikel 17b lid 1 van de Wet Mot gestelde eis en zoals hiervoor onder 5.2 vermeld, vastgesteld door de Minister van Financiën, handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie.
Hoewel, zoals hiervoor onder 5.2 geconstateerd, een expliciete aanwijzing van het BFT als toezichthouder in de uitvoeringsregeling ontbreekt, blijkt uit de toelichting bij de wijziging op 3 september 2003 van de uitvoeringsregeling dat het de bedoeling is geweest, het BFT aan te wijzen als toezichthouder voor het notariaat en dat dit toezicht zal worden uitgevoerd door speciaal daartoe door het BFT aan te wijzen werknemers.
Het hof is derhalve van oordeel dat de opdracht in de uitvoeringsregeling aan ‘de werknemers van het Bureau Financieel Toezicht die daarmee door het Bureau Financieel Toezicht belast zijn’ een aanwijzing van het BFT als toezichthouder impliceert. Deze aanwijzing is ook na de wijziging van de Wet Mot per 1 mei 2006 van kracht gebleven.
5.2.2
De Wet Mot bepaalt niet expliciet dat aan de toezichthouder de bevoegdheid toekomt om bezwaren tegen het handelen of nalaten in de beroepsuitoefening in het kader van de Wet Mot te laten toetsen door de tuchtrechter.
In de parlementaire geschiedenis van de op 1 mei 2006 in werking getreden wijziging van de Wet Mot wordt echter uitgesproken dat de toezichthouder bij overtreding van de Wet Mot een keuze dient te maken tussen strafrechtelijke en tuchtrechtelijke afdoening. De keuze voor tuchtrechtelijke afdoening sluit strafrechtelijke afdoening uit en andersom. Hieruit kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat de opdracht aan het BFT als toezichthouder krachtens de Wet Mot eveneens de bevoegdheid omvat om gebruik te maken van het klachtrecht in het kader van het tuchtrecht. Naar het oordeel van het hof kan geconstateerd handelen in strijd met de Wet Mot in voorkomende gevallen ‘handelen of nalaten dat een behoorlijke notaris of kandidaat-notaris niet betaamt’, zoals bedoeld in artikel 98 lid 1 van de Wna, opleveren.
Waar het gaat om dergelijke klachten tegen een notaris kunnen deze door het BFT rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van de voorzitter van de kamer van toezicht, worden voorgelegd aan de kamer van toezicht op de voet van artikel 99 van de Wna. Het hof komt hiermee terug op een eerdere uitspraak van 21 augustus 2008 (LJN: BE9100), waarin het klachtrecht van het BFT werd beschouwd als voortvloeiend uit het bepaalde in artikel 112 lid 3 Wna.
5.2.3
Op de uitvoering van de krachtens artikel 110 van de Wna aan het BFT opgedragen toezichthoudende taken zijn de leden 1 en 2 van artikel 112 van de Wna van toepassing. Artikel 110 lid 1 slot van de Wna bepaalt dat Afdeling 5.2 van de Awb niet van toepassing is.
Op de uitvoering van het ingevolge de Wet Mot aan de toezichthouder opgedragen toezicht zijn de bepalingen van de Wna niet van toepassing, aangezien de toezichthouder zijn bevoegdheden rechtstreeks ontleent aan de Wet Mot. In artikel 17b lid 2 van de Wet Mot, zoals deze luidde per 1 mei 2006 en zoals hiervoor onder 5.2 weergegeven, wordt Afdeling 5.2 van de Awb van overeenkomstige toepassing verklaard ten aanzien van de personen die door de toezichthouder met toezichthoudende taken zijn belast. Hoewel voor de wetswijziging van 1 mei 2006 Afdeling 5.2 van de Awb niet uitdrukkelijk toepasselijk werd verklaard, waren die bepalingen naar het oordeel van het hof ook toen op het toezicht krachtens de Wet Mot van toepassing omdat de Wet Mot deze niet uitdrukkelijk uitsloot, zoals wel het geval was in de Wna.
5.2.4
In artikel 18 van de Wet Mot wordt bepaald:
Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld verboden van gegevens of inlichtingen, die ingevolge deze wet zijn verstrekt of ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn taak of door deze wet wordt geëist.
Uit de tekst van dit artikel kan worden afgeleid dat de toezichthoudende taken van het BFT ten aanzien van het notariaat in het kader van de Wna en in het kader van de Wet Mot gescheiden dienen te worden uitgeoefend. In de praktijk is dat ook het geval, nu de Sector Financieel Toezicht de toezichthoudende taken krachtens de Wna uitoefent, terwijl aan de Sector Wwft (toezicht krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme, voorheen Wet Mot en Wid) het toezicht ingevolge de Wet Mot is opgedragen. Verder brengt de tekst van genoemd artikel mee, dat het BFT hetgeen haar bekend is geworden door de uitoefening van het toezicht krachtens de Wet Mot, niet mag gebruiken voor andere doeleinden dan door de Wet Mot beoogd, en dus bijvoorbeeld niet voor het toezicht houden krachtens de Wna.
Conclusies
5.3
Op grond van voorgaande beschouwingen komt het hof tot de volgende conclusies.
5.3.1
5.3.2
Op het toezicht door het BFT krachtens de Wna en op het toezicht krachtens de Wet Mot zijn zowel voor als na 1 mei 2006 verschillende regels en waarborgen van toepassing. Het toezicht in het kader van de Wna en het toezicht in het kader van de Wet Mot dient door het BFT gescheiden te worden uitgeoefend en gegevens door het BFT verkregen in het kader van de Wet Mot mogen door het BFT niet worden gebruikt in het kader van het toezicht krachtens de Wna.
6. De ontvankelijkheid van het BFT — de beoordeling
6.1
6.2
Ook heeft het hof vastgesteld dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om het BFT in het kader van de Wet Mot als toezichthouder over de (kandidaat-)notarissen aan te stellen, hoewel een expliciete aanwijzing van het BFT als toezichthouder in de uitvoeringsregeling ontbreekt. Naar het oordeel van het hof is de opdracht in de uitvoeringsregeling aan de werknemers van het BFT die daarmee door het BFT zijn belast een impliciete aanwijzing van het BFT als toezichthouder, welke aanwijzing ook na de wijziging van de Wet Mot per 1 mei 2006 van kracht is gebleven.
6.3
Voorts is het hof van oordeel dat de aanwijzing als toezichthouder van het BFT in het kader van de Wet Mot eveneens de bevoegdheid omvat om gebruik te maken van het klachtrecht in het kader van het tuchtrecht. Volgens het hof kan door het BFT geconstateerd handelen van een (kandidaat-)notaris in strijd met de Wet Mot in voorkomende gevallen een handelen of nalaten in de zin van artikel 98 lid 1 van de Wna opleveren. Het hof komt tot de conclusie dat dergelijke klachten tegen (kandidaat-)notarissen bij de kamers van toezicht kunnen worden ingediend op grond van artikel 99 van de Wna.
6.4
Voorts staat vast dat de bepalingen van Afdeling 5.2 van de Awb ook voor de wetswijziging per 1 mei 2006 van toepassing waren op de personen die krachtens de Wet Mot met toezichthoudende taken zijn belast, omdat de Wet Mot deze bepalingen niet uitdrukkelijk uitsloot zoals wel het geval is in de Wna.
Het hof is van oordeel dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het BFT bij de uitoefening van het toezicht conform de Wet Mot kennis heeft verkregen van feiten, welke het BFT niet verkregen zou kunnen hebben zonder gebruikmaking van de bevoegdheden als bedoeld in Afdeling 5.2 van de Awb. Uit artikel 18 van de Wet Mot leidt het hof, zoals hiervoor onder 5.2.4 overwogen, af dat deze kennis niet gebruikt mag worden voor andere doeleinden dan door de Wet Mot beoogd.
Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat, nu het onderzoek van 18 juli 2005 een onderzoek in het kader van de Wid en de Wet Mot betrof, het BFT alleen ontvankelijk kan worden verklaard ten aanzien van de klachten die betrekking hebben op overtreding van de Wet Mot door de notaris. Ten aanzien van de overige klachten, die betrekking hebben op ander mogelijk klachtwaardig handelen van de notaris, oordeelt het hof derhalve dat het BFT niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
6.5
Het feit dat door het BFT in onderhavige zaak voorafgaand aan het onderzoek geen cautie is gegeven, heeft naar het oordeel van het hof geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het BFT ten aanzien van de klachten inzake de Wet Mot. Daarbij is van belang dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de toezichthouder bij overtreding van de Wet Mot een keuze dient te maken tussen strafrechtelijke en tuchtrechtelijke afdoening. Het entameren van een tuchtprocedure door de toezichthouder betekent dat — anders dan de notaris kennelijk meent — daarmee een strafrechtelijke procedure is uitgesloten. Het (notariële) tuchtrecht kent niet de verplichting tot het geven van de cautie en in artikel 6 EVRM valt evenmin de eis te lezen dat een dergelijke cautie moet worden gegeven.
6.6
Ten aanzien van de na 6 december 2007 door de notaris tegen de ontvankelijkheid van het BFT aangevoerde argumenten, zoals hiervoor onder 4.6 omschreven, oordeelt het hof als volgt.
6.6.1
Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer met betrekking tot het verweer van de notaris dat de medewerkers van het BFT zich bij de uitvoering van het onderzoek niet hebben gehouden aan de voorschriften die zijn neergelegd in de Gedragslijn, zoals hiervoor onder 4.7.1 vermeld.
6.6.2
Betreffende het verweer van de notaris dat het klachtrecht van het BFT is vervallen in verband met overschrijding van de klachttermijn, als vervat in artikel 99 lid 12 van de Wna, wordt door het hof het navolgende overwogen. Het hof stelt vast dat overtreding van artikel 9 van de Wet Mot een nalaten betreft, te weten: van het doen van een melding, waarbij kennisname daarvan onder omstandigheden door een klager eerst veel later plaats kan vinden. Hieruit volgt dat het oordeel van de kamer, dat in de onderhavige zaak dient te worden vastgesteld wanneer het BFT redelijkerwijs kennis had kunnen nemen van het handelen van de notaris, zoals hiervoor onder 4.7.2 vermeld, niet door het hof wordt gedeeld. De vervaltermijn van artikel 99 lid 12 van de Wna neemt een aanvang zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van een notaris. Niet gesteld of gebleken is dat het BFT voorafgaand aan de startdatum van zijn onderzoek kennis droeg van het handelen of nalaten van de notaris waarop de klachten betrekking hebben.
Naar het oordeel van het hof is de vervaltermijn in de onderhavige zaak in ieder geval niet eerder beginnen te lopen dan op de startdatum van het onderzoek — 18 juli 2005 — en is de klacht op 2 februari 2007 derhalve tijdig door het BFT bij de kamer ingediend.
Teneinde vast te stellen of in een bepaald geval sprake is van blootstelling aan een onwenselijk lange — en door de wetgever niet beoogde — vervaltermijn, dient door de tuchtrechter, in navolging van de op 12 mei 2009 uitgesproken beslissing van het hof (LJN: BI4240), te worden onderzocht of de aangeklaagde notaris door het verloop van tijd, gelegen tussen het moment van het verweten handelen en nalaten tot het moment van indiening van de klachten, onredelijk in (de mogelijkheden van) zijn verdediging is geschaad. In het onderhavige geval is dat gesteld noch gebleken.
6.7
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7. De beslissing
Het hof:
- —
vernietigt de bestreden beslissing en, opnieuw rechtdoende:
- —
verklaart het BFT ontvankelijk voor wat betreft de klachten geformuleerd onder 4.1 sub II., IV., VIII., en X.;
- —
verklaart het BFT niet-ontvankelijk in zijn overige klachten;
- —
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, L. Verheij en F.A.A. Duynstee en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 30 november 2010 door de rolraadsheer.