HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1440, NJ 2023/365, m.nt. N. Jörg.
HR, 02-07-2024, nr. 22/01398
ECLI:NL:HR:2024:969, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-07-2024
- Zaaknummer
22/01398
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:969, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑07‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:446
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:11704, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
ECLI:NL:PHR:2024:446, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:969
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑10‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0158
Uitspraak 02‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Poging tot afpersing (art. 317.1 Sr) en poging tot afdreiging (art. 318.1 Sr) van zijn voormalige werkgever (vervoersmaatschappij) en collega’s. Klachttermijnvereiste, art. 66.1 Sr. Verweer dat t.a.v. onder 2 tlgd. poging tot afdreiging niet is voldaan aan klachtvereiste a.b.i. art. 66.1 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:2242 m.b.t. klachttermijn. Hof heeft aan verwerping van verweer ten grondslag gelegd dat in tll. onder 2 genoemde e-mailberichten en in tll. onder 1 genoemd sms-bericht met elkaar samenhangen en moeten worden gezien als 1 voortdurende poging om klachtgerechtigde te bewegen tot afgifte van geldbedrag, dat klachtgerechtigde daarom pas na ontvangst van genoemd sms-bericht op 17-6-2019 in volle omvang heeft kennisgenomen van gepleegd feit en dat klachttermijn wat betreft onder 2 tlgd. op 17-6-2019 is gaan lopen. Hof heeft hiermee verweer verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. Klachttermijn a.b.i. art. 66.1 Sr begint op dag na die waarop klachtgerechtigde kennisneemt van gepleegd feit. Tll. onder 2 heeft betrekking op poging tot afdreiging, waartoe in of omstreeks periode van 17-1-2019 t/m 8-3-2019 e-mailberichten zijn verstuurd. Nu uit ’s hofs vaststellingen volgt dat klachtgerechtigde uiterlijk op 14-3-2019 (datum waarop klachtgerechtigde verdachte bij ontslagbrief op staande voet heeft ontslagen a.g.v. uitkomsten van een in opdracht van klachtgerechtigde uitgevoerd onderzoek waaruit bleek dat verdachte afzender was van bewuste e-mailberichten) kennis heeft genomen van gepleegd delict, is ’s hofs oordeel dat klachttermijn wat betreft onder 2 tlgd. pas op 17-6-2019 aanvang heeft genomen, niet begrijpelijk. Dat zowel onder 1 als onder 2 tlgd. tot doel had vervoersmaatschappij te bewegen tot afgifte van geldbedrag, brengt (anders dan hof kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen) niet met zich dat deze tlgd. feiten voor toepassing van art. 66.1. Sr als 1 (voortdurend) feit kunnen worden beschouwd. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01398
Datum 2 juli 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 april 2022, nummer 21-002533-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.K. Hummen, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet is voldaan aan het klachtvereiste als bedoeld in artikel 66 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“1.hij op of omstreeks 17 juni 2019 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe en/of Breda en/of Rotterdam en/of Culemborg, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [aangever 1] of aan een derde, te weten aan [A] BV toebehoorde een SMS-bericht naar de mobiele telefoon van die [aangever 1] heeft gezonden met de hiernavolgende inhoud: “1 week voor het geld of ik snij je ope met een machete. Heb je in de gate gehoude. Weet alles van je en je gezin. Heb niks te verlieze. Word zelf dood gemaakt als ik de geld niet heb. Dus als ik ga ga je ook. Betrek de politie erbij en je maak het erger. Ze kan me niet levenlang geven. Kom op een dag vrij en dan ga niet alleen jij maar ook je gezin onder de grond. Jij kiest zelf dan voor om je gezin te betrekke. Geef me Geld en onz wege scheide voor altijd. Kies maar betalen of jij en je gezin onder de grond. 1 week de tijd. Anders Kan ik elk moment komen. over maand over jaar over 5 jaar. Ik kom. Houdoe”,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2019 tot en met 8 maart 2019te Geldermalsen, gemeente West Betuwe en/of in de gemeente Breda en/of Rotterdam en/of Culemborg, in ieder geval in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf ommet het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaarmaking van een geheim, (een) medewerker(s) van [A] BV en/of [aangever 1] , te dwingen tot de afgifte van 250.000 Euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde medewerker(s) van [A] BV en/of die [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, in mailberichten heeft gedreigd/aangegeven- gegevens (waaronder salarisgegevens, burgerservicenummers en contactgegevens) van medewerkers van [A] BV openbaar te maken en/of- openbaar te maken dat [A] BV niet voldoet aan de privacy wetgeving,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“II. Afdreiging
6. Ten aanzien van de afdreiging dient het OM niet-ontvankelijk te worden verklaard.
7. Op grond van art. 66, eerste lid, Sr dient binnen drie maanden na de dag waarop de tot klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het feit de klacht te worden ingediend. De e-mails waarnaar de tenlastelegging verwijst dateren van (onder andere) 28 januari, 8 februari, 27 februari 2019. Vanaf dat moment is de termijn gaan lopen. Op 14 maart 2019 heeft een arbeidsrechtelijk gesprek plaatsgevonden met cliënt en een week voor die tijd is bekend geworden dat cliënt de e-mails heeft verzonden.
8. Ondanks dat is er tot en met juli 2019 geen aangifte gedaan. Dat is niet per toeval; het was een bewuste keuze om géén aangifte te doen. Zoals [aangever 1] zelf ook bij de RC heeft verklaard was het de uitdrukkelijke bedoeling om de zaak civielrechtelijk af te doen. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat [A] de zaak in der minne wilde schikken en een opening had gelaten om een beëindigingsovereenkomst te sluiten.
9. Met het oordeel dat de klachttermijn pas op 17 juni 2019 (datum sms-bericht) zou zijn gaan lopen verbindt de rechtbank ten onrechte de twee feiten aan elkaar, terwijl de feiten los op de tenlastelegging staan en derhalve los dienen te worden gezien. Daarnaast is er kennelijk bewust voor gekozen om de e-mails niet mee te nemen in de aangifte van 18 juni 2019, tegelijk met de aangifte van afpersing, maar is dat pas later (om onbekende redenen) gedaan.
10. In reactie op jurisprudentie van AG: dat is wel echt iets anders dus; aangifte van ander feit, niet van een nieuwe afdreiging. Daarmee zeg je feitelijk; elke van buiten komende omstandigheid kan ervoor zorgen dat de klacht alsnog tijdig is, want onduidelijk van wie sms is. Daarom ook reden nu behandelen.
11. Dan valt op dat cliënt wordt aangehouden op verdenking van afpersing, tijdens de eerste verhoren allerlei vragen worden gesteld over de e-mailwisseling en pas daarna de aangifte en de klacht worden gedaan.
12. De klachtdelicten zijn er niet voor niets; de wetgever heeft willen voorkomen dat aangever zo lang als mogelijk gaat wachten voor aangifte te doen, maar dat zij een beperkte tijd krijgt om aan te geven of zij vervolging wenst dan wel niet, mede omdat het persoonlijke belang voor het algemene belang gaat. In dit geval is het overduidelijk dat het de voorkeur en in het belang van [A] was om dit feit niet tot vervolging over te laten gaan en heeft zij ook niet binnen de drie maanden termijn de wens kenbaar gemaakt om alsnog aangifte te doen / klacht in te dienen.
13. Gezien dit alles; niet-ontvankelijk.”
2.2.3
Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:
“In de periode van 28 januari 2019 tot en met 8 maart 2019 heeft [A] , met name medewerker [aangever 1] , e-mailberichten ontvangen waarop het onder 2 tenlastegelegde betrekking heeft. De strekking van deze berichten is dat:- de afzender te weten is gekomen dat [A] handelt in strijd met voorschriften die strekken tot bescherming van de persoonsgegevens van werknemers en- de afzender dit niet openbaar zal maken mits [A] de afzender € 250.000,- betaalt.
Aanvankelijk is van deze strafwaardige e-mailberichten geen aangifte gedaan. Nadat onderzoek in opdracht van [A] had uitgewezen dat de verdachte, destijds werkzaam bij [A] , de afzender was, is een traject ingezet dat ertoe heeft geleid dat de verdachte op staande voet is ontslagen. De ontslagbrief dateert van 14 maart 2019.
Op 17 juni 2019 ontving de eerder genoemde [aangever 1] het sms-bericht waarop het onder 1 tenlastegelegde betrekking heeft. Het bericht strekt ertoe dat, als de afzender niet binnen één week wordt betaald, dit ernstige gevolgen zou hebben voor [aangever 1] en zijn gezin.
Op 18 juni 2019 heeft [aangever 1] aangifte gedaan van (een poging tot) afpersing. In diens aangifte wordt zowel ingegaan op het sms-bericht van 17 juni 2019 als op de genoemde e-mailberichten afkomstig van [e-mail address] .
Op 2 juli 2019 heeft [aangever 2] namens [A] aangifte gedaan van (een poging tot) afdreiging. Diezelfde dag heeft [aangever 2] een klacht ingediend, inhoudende het uitdrukkelijke verzoek tot vervolging van degene die verdacht wordt van het plegen van de (poging tot) afdreiging.
De voorliggende vraag is of de klacht, daterend van 2 juli 2019, is ingediend binnen de klachttermijn als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze bepaling houdt in dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.
Hoewel de e-mailberichten en het sms-bericht in de tenlastelegging van elkaar zijn gescheiden - deze scheiding is kennelijk ingegeven doordat de e-mailberichten door het Openbaar Ministerie in juridische zin worden aangemerkt als een poging tot afdreiging (in de zin van art. 318 Sr) en het sms-bericht als een poging tot afpersing (in de zin van art. 317 Sr) - stelt het hof vast dat deze berichten met elkaar samenhangen en moeten worden beschouwd als één voortdurende poging om [A] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag. Naar het oordeel van het hof brengt dit mee dat de tot klacht gerechtigde, [A] , pas op 17 juni 2019 in volle omvang heeft kennisgenomen van het gepleegde feit, waardoor de klachttermijn op die datum is begonnen te lopen.
Dit brengt mee dat de klacht is ingediend binnen de klachttermijn als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.Het verweer wordt als gezegd verworpen: het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.”
2.3
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- artikel 66 lid 1 Sr:
“De klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.”
“1. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim iemand dwingt hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens, wordt als schuldig aan afdreiging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.3. Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is.”
2.4.1
Op grond van artikel 318 lid 3 Sr kan dit misdrijf alleen worden vervolgd op klacht van hem tegen wie het is gepleegd.
2.4.2
De klachtgerechtigde kan bij een klachtdelict als dit zijn bevoegdheid alleen gedurende de in de wet genoemde klachttermijn uitoefenen. Dat betekent dat wanneer voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennis genomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit. In het geval dat de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn van drie maanden moeten zijn gebleken. (Vgl. HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242, rechtsoverweging 4.3.2.)
2.5.1
Het hof heeft aan de verwerping van het onder 2.2.2 weergegeven verweer ten grondslag gelegd dat de in de tenlastelegging onder 2 genoemde e-mailberichten en het in de tenlastelegging onder 1 genoemde sms-bericht met elkaar samenhangen en moeten worden gezien als één voortdurende poging om de klachtgerechtigde, [A] , te bewegen tot afgifte van een geldbedrag, dat de klachtgerechtigde daarom pas na ontvangst van het genoemde sms-bericht op 17 juni 2019 in volle omvang heeft kennisgenomen van het gepleegde feit en dat de klachttermijn wat betreft het onder 2 tenlastegelegde op 17 juni 2019 is gaan lopen.
2.5.2
Het hof heeft hiermee het verweer verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. De klachttermijn als bedoeld in artikel 66 lid 1 Sr begint op de dag na die waarop de klachtgerechtigde kennisneemt van het gepleegde feit. De tenlastelegging onder 2 heeft betrekking op, kort gezegd, een poging tot afdreiging, waartoe in of omstreeks de periode van 17 januari 2019 tot en met 8 maart 2019 e-mailberichten zijn verstuurd. Nu uit de vaststellingen van het hof volgt dat de klachtgerechtigde uiterlijk op 14 maart 2019 (te weten de datum waarop de klachtgerechtigde de verdachte bij ontslagbrief op staande voet heeft ontslagen als gevolg van de uitkomsten van een in opdracht van de klachtgerechtigde uitgevoerd onderzoek waaruit bleek dat de verdachte de afzender was van de bewuste e-mailberichten) kennis heeft genomen van het gepleegde delict, is het oordeel van het hof dat de klachttermijn wat betreft het onder 2 tenlastegelegde pas op 17 juni 2019 een aanvang heeft genomen, niet begrijpelijk. Dat zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde tot doel had [A] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag, brengt ‑ anders dan het hof kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen - niet met zich dat deze tenlastegelegde feiten voor de toepassing van artikel 66 lid 1 Sr als één (voortdurend) feit kunnen worden beschouwd.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2024.
Conclusie 23‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Klachtdelict. Art. 66.1 Sr. Slagend middel over oordeel dat openbaar ministerie ontvankelijk is in vervolging. Niet is binnen de termijn een klacht ingediend. Conclusie strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01398
Zitting 23 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 4 april 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens onder 1 “poging tot afpersing” en onder 2 “poging tot afdreiging” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 234 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft B.K. Hummen, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel klaagt over de beslissing van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit.
4. Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep, tenlastegelegd dat:
“1.
hij op of omstreeks 17 juni 2019 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe en/of Breda en/of Rotterdam en/of Culemborg, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [aangever 1] of aan een derde, te weten aan [A] BV toebehoorde een SMS-bericht naar de mobiele telefoon van die [aangever 1] heeft gezonden met de hiernavolgende inhoud: "1 week voor het geld of ik snij je ope met een machete. Heb je in de gate gehoude. Weet alles van je en je gezin. Heb niks te verlieze. Word zelf dood gemaakt als ik de geld niet heb. Dus als ik ga ga je ook. Betrek de politie erbij en je maak het erger. Ze kan me niet levenlang geven. Kom op een dag vrij en dan ga niet alleen jij maar ook je gezin onder de grond. Jij kiest zelf dan voor om je gezin te betrekke. Geef me Geld en onz wege scheide voor altijd. Kies maar betalen of jij en je gezin onder de grond. 1 week de tijd. Anders Kan ik elk moment komen. over maand over jaar over 5 jaar. Ik kom. Houdoe", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2019 tot en met 8 maart 2019 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe en/of in de gemeente Breda en/of Rotterdam en/of Culemborg, in ieder geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaarmaking van een geheim, (een) medewerker(s) van [A] BV en/of [aangever 1], te dwingen tot de afgifte van 250.000 Euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde voornoemde medewerker(s) van [A] BV en/of die [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, in mailberichten heeft gedreigd/aangegeven
- gegevens (waaronder salarisgegevens, burgerservicenummers en contactgegevens) van medewerkers van [A] BV openbaar te maken en/of
- openbaar te maken dat [A] BV niet voldoet aan de privacy wetgeving, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
5. Het bestreden arrest houdt over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het volgende in:
“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (klachttermijn)
De raadsman heeft bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt is aangevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat de tenlastelegging is toegesneden op een zogenoemd klachtdelict en dat de klacht niet is ingediend binnen de klachttermijn van drie maanden. Daarbij geldt zijns inziens dat het sms-bericht van 17 juni 2019 niet mag worden betrokken bij het bepalen van de aanvangsdatum van de klachttermijn, aangezien dat sms-bericht los staat van de onder 1 tenlastegelegde poging tot afdreiging, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. In de periode van 28 januari 2019 tot en met 8 maart 2019 heeft [A], met name medewerker [aangever 1], e-mailberichten ontvangen waarop het onder 2 tenlastegelegde betrekking heeft. De strekking van deze berichten is dat:
- de afzender te weten is gekomen dat [A] handelt in strijd met voorschriften die strekken tot bescherming van de persoonsgegevens van werknemers en
- de afzender dit niet openbaar zal maken mits [A] de afzender € 250.000,- betaalt.
Aanvankelijk is van deze strafwaardige e-mailberichten geen aangifte gedaan. Nadat onderzoek in opdracht van [A] had uitgewezen dat de verdachte, destijds werkzaam bij [A], de afzender was, is een traject ingezet dat ertoe heeft geleid dat de verdachte op staande voet is ontslagen. De ontslagbrief dateert van 14 maart 2019.
Op 17 juni 2019 ontving de eerder genoemde [aangever 1] het sms-bericht waarop het onder 1 tenlastegelegde betrekking heeft. Het bericht strekt ertoe dat, als de afzender niet binnen één week wordt betaald, dit ernstige gevolgen zou hebben voor [aangever 1] en zijn gezin.
Op 18 juni 2019 heeft [aangever 1] aangifte gedaan van (een poging tot) afpersing. In diens aangifte wordt zowel ingegaan op het sms-bericht van 17 juni 2019 als op de genoemde e-mailberichten afkomstig van [e-mailadres].
Op 2 juli 2019 heeft [aangever 2] namens [A] aangifte gedaan van (een poging tot) afdreiging. Diezelfde dag heeft [aangever 2] een klacht ingediend, inhoudende het uitdrukkelijke verzoek tot vervolging van degene die verdacht wordt van het plegen van de (poging tot) afdreiging.
De voorliggende vraag is of de klacht, daterend van 2 juli 2019, is ingediend binnen de klachttermijn als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze bepaling houdt in dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.
Hoewel de e-mailberichten en het sms-bericht in de tenlastelegging van elkaar zijn gescheiden - deze scheiding is kennelijk ingegeven doordat de e-mailberichten door het Openbaar Ministerie in juridische zin worden aangemerkt als een poging tot afdreiging (in de zin van art. 318 Sr) en het sms-bericht als een poging tot afpersing (in de zin van art. 317 Sr) - stelt het hof vast dat deze berichten met elkaar samenhangen en moeten worden beschouwd als één voortdurende poging om [A] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag. Naar het oordeel van het hof brengt dit mee dat de tot klacht gerechtigde, [A], pas op 17 juni 2019 in volle omvang heeft kennisgenomen van het gepleegde feit, waardoor de klachttermijn op die datum is begonnen te lopen.
Dit brengt mee dat de klacht is ingediend binnen de klachttermijn als bedoeld in artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer wordt als gezegd verworpen: het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.”
6. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- art. 64 Sr:
“Inzake een misdrijf dat alleen op klacht wordt vervolgd, is degene tegen wie het feit is begaan, tot de klacht gerechtigd.”
- art. 66 lid 1 Sr:
“De klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.”
“1. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim iemand dwingt hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens, wordt als schuldig aan afdreiging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
3. Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het gepleegd is.”
- art. 164 lid 1 Sv:
“Bij strafbare feiten alleen op klachte vervolgbaar, geschiedt deze klachte mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot de klachte gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klachte bestaat in eene aangifte met verzoek tot vervolging.”
7. In zijn arrest van 4 december 2018, ECLI:NL:HR: 2018:2242, heeft de Hoge Raad (voor zover hier van belang) het volgende overwogen:
“4.2.1. De feiten ter zake waarvan de verdachte is vervolgd en veroordeeld zijn als misdrijf strafbaar gesteld in art. 318, eerste lid, Sr. Op grond van het derde lid van art. 318 Sr kan dit misdrijf niet worden vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het is gepleegd. Ingevolge het eerste lid vanart. 164 Sv bestaat de klacht in een aangifte bij de bevoegde ambtenaar met het verzoek tot vervolging. Art. 165, eerste lid, Sv regelt wie die bevoegde ambtenaar is. Het tweede lid van art. 164 Sv voorziet erin dat enige voorschriften van art. 163 Sv omtrent de wijze waarop de aangifte moet worden gedaan, van overeenkomstige toepassing zijn.
4.2.2. Blijkens de wetsgeschiedenis steunt deze door het klachtvereiste gecreëerde afhankelijkheid der vervolging van de wil van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd - een zeldzame uitzondering - op de mogelijkheid dat het bijzonder belang groter nadeel lijdt door het instellen dan het openbaar belang door het niet-instellen der strafactie. Dit bijzonder belang is bij een misdrijf als het onderhavige hierin gelegen dat ongewenste ruchtbaarheid die door de door het delict getroffene als pijnlijk wordt ervaren, wordt vermeden. Dit belang is in een geval waarin een klacht is vereist, niet in het geding indien de klacht weliswaar niet voldoet aan de wettelijke eisen van art. 163 en/of art. 164 Sv maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst.
4.3.1. In het eerste lid van art. 66 Sr is bepaald dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Door het stellen van die termijn wordt - in de woorden van de memorie van toelichting bij het ontwerp-wetboek - voorkomen dat
"aan een persoon tegen een ander een wettelijk zwaard in handen [wordt] gegeven, waarvan hij jaren lang, gedurende den geheelen verjaringstermijn, gebruik zoude kunnen maken.
Daarenboven eischt het maatschappelijk belang eene spoedige vervolging der misdrijven, en het mag dus niet aan de willekeur van den tot klagte geregtigde worden overgelaten, het instellen der publieke actie tot de uiterste grens van den verjaringstermijn op te houden." (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, 1891, p. 498)
4.3.2. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de klachtgerechtigde bij een delict als het onderhavige zijn bevoegdheid slechts gedurende de in de wet genoemde klachttermijn kan uitoefenen. In zoverre is zijn macht om te bepalen of de verdachte wordt vervolgd, in de tijd begrensd. Dat betekent dat in het geval dat voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennis genomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit. Ingeval de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn van drie maanden moeten zijn gebleken.”
8. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt verder dat voor elk te onderscheiden gepleegd delict een aparte klachttermijn begint te lopen op het moment dat de tot klacht gerechtigde daar kennis van neemt, ook als de (al dan niet impliciet cumulatieve) tenlastelegging meerdere klachtdelicten bevat die nauw met elkaar verbonden zijn. Ik wijs in dit verband in het bijzonder op een arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2023.1.In de aan dit arrest ten grondslag liggende strafzaak was aan de verdachte (als feit 1 onder A primair) tenlastegelegd dat zij in een periode van ongeveer vijf maanden meerdere afdreigingen en een poging daartoe had gepleegd tegen dezelfde aangever. Zij zou bij die verschillende delicten telkens gebruik hebben gemaakt van hetzelfde chatgesprek. Het hof had het einde van die periode (van vijf maanden) als startpunt genomen van de klachttermijn(en) van alle afdreigingen en de poging daartoe, en het openbaar ministerie op grond daarvan ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad liet die beslissing niet in stand en overwoog daartoe dat de tenlastelegging onder 1 onder A primair betrekking had op feiten die afzonderlijk op verschillende dagen binnen de tenlastegelegde periode waren gepleegd en dat dat betekent dat de klachttermijn telkens een aanvang had genomen op de dag na die waarop de aangevers kennis hadden genomen van het gepleegde delict.
9. Op basis van het bestreden arrest is het volgende op te maken over het relevante verloop van de feiten:
i. In de periode van 28 januari 2019 tot en met 8 maart 2019 heeft [A], met name [aangever 1] (een medewerker van het bedrijf [A]), een aantal e-mails ontvangen die er (samen genomen) toe strekten dat [A] € 250.000,00 moest betalen, omdat de afzender anders openbaar zou maken dat [A] handelde in strijd met voorschriften die strekken tot bescherming van de persoonsgegevens van werknemers. Het verzenden van deze e-mails is de verdachte onder 2 tenlastegelegd als poging tot afdreiging.
ii. Nadat onderzoek in opdracht van [A] had uitgewezen dat de verdachte, destijds werkzaam bij [A], de afzender was, is een traject ingezet dat ertoe heeft geleid dat de verdachte is ontslagen. De ontslagbrief dateert van 14 maart 2019.
iii. Op 17 juni 2019 heeft [aangever 1] een sms ontvangen die inhield dat hij binnen een week moest betalen, omdat dit anders ernstige gevolgen zou hebben voor zijn gezin. Het verzenden van de sms is de verdachte onder 1 tenlastegelegd als poging tot afpersing.
iv. Op 2 juli 2019 heeft [aangever 2] namens [A] aangifte gedaan van (een poging tot) afdreiging. Diezelfde dag heeft [aangever 2] een klacht ingediend, inhoudende het uitdrukkelijke verzoek tot vervolging van degene die verdacht wordt van het plegen van de (poging tot) afdreiging.
10. Het hof heeft op grond van deze feiten geoordeeld dat sprake is geweest van een voortdurende poging tot afdreiging (van [A]) en dat de tot klacht gerechtigde ([A]) daar pas op 17 juni 2019 in volle omvang kennis van heeft genomen, waardoor de klachttermijn van zowel het onder 1 als het onder 2 tenlastegelegde eerst op die datum is begonnen te lopen.
11. Uit de onder 9 opgesomde omstandigheden volgt dat de tot klacht gerechtigde ([A]) ergens tussen 8 en 14 maart 2019 kennisnam van de omstandigheid dat de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde e-mails had verzonden.2.Op dat moment was al sprake van een gepleegd delict, namelijk een poging tot afdreiging.3.De klachttermijn voor dat delict begon (op zijn laatst) te lopen op 15 maart 2019. Gelet daarop getuigt het oordeel van het hof dat de klacht van 2 juli 2019 ter zake van het onder 2 tenlastegelegde is ingediend binnen de termijn van art. 66 Sr van een onjuiste rechtsopvatting. Hetzelfde geldt voor de op dat oordeel gebaseerde beslissing van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte voor het onder 2 tenlastegelegde.
Slotsom
12. Het middel slaagt.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑04‑2024
‘Onder 'kennis' zal men dienen te verstaan: ‘een weten van feiten, welke een redelijke conclusie toelaten met betrekking tot de relevante omstandigheden van het feit, eventueel tevens van de persoon’. Vgl. A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 66Sr, aant. 6 (online, bijgewerkt 11 november 2004).
Vgl. J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 79, over aflopende en voortdurende delicten. Vgl. in dat verband het delict belaging (art. 285b Sr) dat een zekere stelselmatigheid vereist, HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:4, NJ 2023/48, r.o. 2.3.3. Zie over dat karakter van belaging in verband met de klachttermijn van art. 66 Sr HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667, NJ 2018/311 m.nt. Kooijmans, r.o. 3.1.-3.3., de conclusie van mijn oud-ambtgenoot Vellinga bij dat arrest onder 10 en de noot van Kooijmans onder 2.
Beroepschrift 20‑10‑2022
CASSATIESCHRIFTUUR
Hoge Raad der Nederlanden
Schriftuur houdende middelen van cassatie
Van: mr. B.K. Hummen
In de zaak van:
[verdachte], verzoeker tot cassatie van het door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem op 4 april 2022 onder parketnummer 21-002533-21 uitgesproken vonnis.
Ontvankelijkheid cassatieberoep
Verzoeker heeft een rechtens te respecteren belang bij een correcte toepassing van artikel 66 WvSr. Honorering van de door in een van de middelen gesignaleerde gebreken kan leiden tot een andere uitkomst van de zaak. Nu verzoeker een voldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dient het cassatieschriftuur ontvankelijk te worden verklaard.
Inleiding
In deze zaak gaat het om het volgende. Verzoeker is veroordeeld voor afdreiging van [A] en afpersing van de heer [aangever 1], de (toenmalig) directeur van [A]. Aan deze veroordeling ligt ten grondslag dat verzoeker door middel van het versturen van diverse e-mails naar de directeur van [A], zijn toenmalig werkgever, heeft geprobeerd zijn oud-werkgever te dwingen tot afgifte van een groot geldbedrag. Deze e-mails zijn in de periode januari tot begin maart 2019 verzonden. Daarnaast zou verzoeker door het versturen van een sms-bericht hebben gepoogd om alsnog een betaling te ontvangen.
Verzoeker ontkent ten stelligste het sms-bericht te hebben verzonden, dus zich schuldig te hebben gemaakt aan afpersing. Verzoeker heeft wel van meet af aan bevestigd dat hij de e-mailberichten heeft verzonden, maar heeft ontkend dat er sprake is geweest van afdreiging (feit 2). Verzoeker is in eerste instantie ook niet aangehouden voor dat laatste feit en werd daar niet van verdacht. Dit veranderde pas toen namens [A] pas op 2 juli 2019, enkele weken na de aanhouding van verzoeker, aangifte van afdreiging werd gedaan en er een klacht werd ingediend.
Namens verzoeker is zowel in eerste aanleg als bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verweer gevoerd tegen de vervolging voor het tweede feit, nu de klacht niet binnen het in artikel 66 WvSr voorgeschreven termijn is ingediend en — sterker nog — aangever in die periode ook expliciet heeft doen laten blijken geen enkele wens te hebben dat verzoeker hiervoor zou worden vervolgd.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dit verweer gepasseerd. Reden hiervoor is — volgens het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden — dat [A] pas na het versturen van het sms-bericht op 17 juni 2019 in volle omvang kennis heeft genomen van het gepleegde feit. Daarnaast stelt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zonder nadere motivering, dat de sms-berichten én de e-mails met elkaar samenhangen en dienen te worden gezien als één poging om [A] te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag.
Verzoeker meent dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dit verweer op onjuiste gronden heeft gepasseerd.
Middel I
1.
Het recht — in het bijzonder art. 66 WvSr en artt. 348 en 350 WvSv — is geschonden en/of de naleving ervan is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het gerechtshof heeft toegelaten dat verzoeker zou worden vervolgd ter zake afdreiging, terwijl de klacht niet binnen de in artikel 66 WvSr voorgeschreven termijn is ingediend.
2. Toelichting:
Afdreiging is een klachtdelicht waarbij artikel 66 WvSr. van toepassing is. Blijkens de verklaring van de heer [aangever 1] bij de rechter-commissaris, was er vanuit [A] geen enkele intentie om aangifte te doen, of een klacht in te dienen voor het verzenden van de e-mailberichten door verzoeker.
Dit veranderde volgens [A]/[aangever 1] pas nadat [aangever 1] het sms-berichtje ontving op 17 juni 2019. Toen was de in artikel 66 WvSr. genoemde termijn echter al verstreken.
Ten onrechte stelt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat [A] pas op 17 juni 2019 in zijn volle omvang kennis heeft kunnen nemen van het gepleegde feit. Zij legt hier slechts aan ten grondslag dat beide feiten met elkaar samenhangen, terwijl het Openbaar Ministerie de feiten als twee aparte feiten heeft tenlastegelegd, en allebei de feiten zien op één poging om [A] te bewegen tot afgifte van een geldbedrag. Echter, het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden motiveert in z'n geheel niet waarom dit zo zijn. Deze conclusie is dan ook onbegrijpelijk en in zoverre is er dan ook sprake van een motiveringsgebrek. Alleen al hierom dient de zaak te worden terugverwezen.
Daarnaast heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten onrechte de datum van 17 juni 2019 gehanteerd als aanvangsdatum ter bepaling van de periode van artikel 66 WvSr. Deze datum houdt immers verband met een ander feit, welke afzonderlijk op de tenlastelegging is opgenomen. Nu deze datum derhalve niet verband houdt met de tenlastegelegde afdreiging, had het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hierom dus slechts uit mogen gaan van de data waarop de e-mails zijn verzonden.
Ten slotte zijn de artikel 348 jo. 350 WvSv. door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet juist toegepast. Immers, door zowel het verzenden van de e-mails als het verzenden van het sms'je te kwalificeren als één poging om [A] te bewegen tot afgifte van een geldbedrag, wordt daarmee eigenlijk eerst de vragen uit artikel 350 WvSv beantwoord — over de strafbaarheid van verzoeker — in plaats van de voorliggende formele vraag zoals benoemd in artikel 348 WvSv, namelijk is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van verzoeker op grond van artikel 318 WvSv. Bij een juiste toepassing van de artt. 348 en 350 WvSv had het gerechtshof niet op deze wijze kunnen concluderen dat er sprake kan zijn geweest van één poging om [A] te bewegen tot afgifte van een geldbedrag en daarmee dat het klachttermijn pas op 17 juni 2019 is aangevangen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. B.K. Hummen advocaat te Amsterdam, die verklaart daartoe door verzoeker bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd.
Amsterdam, 20 oktober 2022
…
(handtekening)