Voluit: Wet van 12 oktober 1995, houdende regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Wet vervoer gevaarlijke stoffen) (Stb. 1995, 525) in werking getreden op 1 augustus 1996 (Stb. 1996, 297) voor het tenlastegelegde feit laatstelijk gewijzigd door de Wet van 10 juli 2013 (Stb. 2013, 307).
HR, 18-03-2025, nr. 22/02114 E
ECLI:NL:HR:2025:331
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-03-2025
- Zaaknummer
22/02114 E
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:331, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:2078
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1183
ECLI:NL:PHR:2024:1183, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:331
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Economische zaak. Opzettelijk begane overtreding van Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door rechtspersoon door als professionele vervoerder van gevaarlijke stoffen niet met inachtneming van alle veiligheidsvoorschriften te handelen, art. 47 Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Kon hof oordelen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van meldplicht van art. 47 Wvgs, omdat sprake is van ongeval dat van dien aard was dat het tot gevaar van openbare veiligheid of tot schade kon leiden, en dat uitsluitend inspecteur van ILT kan beoordelen of tank waarvan chauffeur en berger hebben vastgesteld dat deze onbeschadigd is, verplaatst en geborgen mag worden? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Art. 47.1 Wvgs roept meldplicht in het leven voor degene die handeling a.b.i. art. 2.1 Wvgs verricht indien zich daarbij ongevallen voordoen, waardoor gevaar voor openbare veiligheid kan ontstaan. Of dergelijke handeling kan leiden tot schade aan openbare veiligheid lijkt voor het doen ontstaan van meldplicht, bij strikt tekstuele benadering, niet van belang. In het licht van wetsgeschiedenis bij art. 47 Wvgs (i.h.b. doelstelling die aan Wvgs ten grondslag ligt) levert ongeval dat schade kan berokkenen aan openbare veiligheid ook gevaar aan die veiligheid op. Hof heeft in zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat, gezien aard van ongeval, visuele inspectie van enkel tank niet kon uitsluiten dat mogelijkerwijs elders schade aan de in tll. genoemde transporteenheid was of kon ontstaan, waardoor lekkage kon optreden en er daardoor gevaar voor openbare veiligheid kon ontstaan. Hof heeft in zijn overwegingen voorts tot uitdrukking gebracht dat niet direct zichtbare schade kon zijn ontstaan waarmee bij het bergen van transporteenheid rekening moest worden gehouden. Klacht, die er vanuit gaat dat in ’s hofs oordeel kennelijk besloten ligt “dat uitsluitend inspecteur van ILT kan beoordelen of tank waarvan chauffeur en berger hadden vastgesteld dat deze onbeschadigd is, verplaatst en geborgen mag worden”, berust op verkeerde lezing van ’s hofs arrest en mist daardoor feitelijke grondslag. Volgt verwerping. Samenhang met 22/02073 E.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02114 E
Datum 18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 31 mei 2022, nummer 23-002932-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V. ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.H. van Steijn, advocaat in Berlicum, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt met verschillende deelklachten op tegen de bewezenverklaring.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 7.27.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 3.500.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 3.150 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Conclusie 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Jaddoe. Economische zaak. Overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 47 Wvgs, opzettelijk begaan, begaan door een rechtspersoon. 1. Zeven bewijsklachten m.b.t. kunnen ontstaan van gevaar voor de “openbare veiligheid”. 2. Klacht m.b.t. benoemen en horen deskundige. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02114 E
Zitting 19 november 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 31 mei 2022 door de economische kamer van het gerechtshof Den Haag wegens "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 47 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan, begaan door een rechtspersoon", veroordeeld tot een geldboete van € 3.500,00.
Er bestaat samenhang met de zaak 22/02073. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.H. van Steijn, advocaat in Berlicum, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring. Voordat ik dat middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, ’s hofs bewijsoverwegingen, delen van de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota alsmede de toepasselijke regelgeving en delen van de wetsgeschiedenis van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs) weer.
De bewezenverklaring, de bewijsoverwegingen en de pleitnota
5. Het hof heeft in het bestreden arrest ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“zij op 6 mei 2016 te Haps, gemeente Cuijk, althans in Nederland, opzettelijk, als degene die een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de wet vervoer gevaarlijke stoffen had verricht, niet aan haar verplichting had voldaan, toen zich een voorval had plaatsgevonden, waarbij een transporteenheid (vrachtwagen met aanhangwagen gekentekend [kenteken 1] en [kenteken 2]) welke leeg en ongereinigd was van een gevaarlijke stof, te weten UN2796, Zwavelzuur, een klapband heeft gehad en na een aanrijding met een personenwagen in de middenberm terecht was gekomen, waardoor gevaar voor de openbare veiligheid kon ontstaan, daarvan onverwijld een mededeling te doen aan de Inspectie Leefomgeving en Transport.”
5.1
Het hof heeft inzake de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:
“Op 6 mei 2016 raakte een transporteenheid van de verdachte (vrachtwagen met aanhangwagen gekentekend [kenteken 1] en [kenteken 2]) betrokken bij een ongeval. De wagen kwam in aanraking met een personenwagen op de rijksweg A73 te Haps. De transporteenheid kwam in de middenberm terecht en bleek een klapband te hebben gehad. De motorwagen en de aanhanger waren zo zwaar beschadigd dat de combinatie niet op eigen kracht de weg kon vervolgen. De transporteenheid was leeg en ongereinigd. De laatste lading betrof Zwavelzuur met UN-nummer 2796. Van het voorval is namens de verdachte geen melding gedaan ingevolge artikel 47 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs).
(…)
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Zij acht de ernst van het ongeval niet relevant voor de beoordeling van de vraag of er een meldingsplicht bestond. Relevant is of door het voorval gevaar voor de openbare veiligheid is of kan ontstaan. De chauffeur heeft vastgesteld dat het omhulsel (de tank) onbeschadigd was en het bergingsbedrijf heeft vastgesteld dat er geen lekkage van gevaarlijke stof was. Er was dus geen gevaar, voor de openbare veiligheid. Het voertuig was bovendien leeg. Omdat het ongereinigd was, resteerde nog een zeer geringe hoeveelheid gevaarlijke stof in de roestvaststalen tank.
(…)
Het hof is van oordeel dat het ongeval van dien aard was dat het tot gevaar van de openbare veiligheid of tot schade kon leiden. De transporteenheid was niet meer in staat om zelfstandig door te rijden. Dat visueel geen schade is waargenomen aan de tank is niet doorslaggevend voor de beoordeling of gevaar voor de openbare veiligheid was of kon ontstaan. De ter terechtzitting door het hof gehoorde deskundige heeft erop gewezen dat bij een klapband stukjes rubber kunnen wegspringen die daarbij appendages, lospijpen en/of afsluiters kunnen beschadigen, waardoor lekkage kan optreden. Het hof verenigt zich daarmee. Bovendien kan bij een ongeval als het onderhavige schade zijn ontstaan die niet direct zichtbaar is, maar met de mogelijkheid waarvan bij het bergen van de transporteenheid rekening moet worden gehouden. Dit zijn kwesties waarbij inspectie (en eventuele interventie) door de ILT aangewezen is. Bij een ongeval als het onderhavige bestaat dan ook een meldingsplicht als in artikel 47, eerste lid van de Wvgs bedoeld.
Het hof kan niet vaststellen dat in de tank zo weinig gevaarlijke stof resteerde dat geen gevaar kon ontstaan. Dat de tank leeg was is daartoe onvoldoende, omdat de tank nog niet gereinigd was. Dan resteert immers nog een gedeelte gevaarlijke stof in de tank, met gevaar voor lekkage. Daarom is de regelgeving van de Wvgs ook van toepassing op lege, maar nog niet gereinigde voertuigen. Dat geldt ook voor transporteenheden met een roestvaststalen tank.”
5.2
Op de terechtzitting van 17 mei 2022 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Die pleitnota houdt onder meer het volgende in:
“Parketnummer 23-002932-21
(…)
46. Waar het om draait, is of er door het voorval gevaar voor de openbare veiligheid is of kan ontstaan, welk gevaar verbonden dient te zijn met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Die beoordeling is niet in de eerste plaats en dus ook niet met uitsluiting van anderen (zoals de chauffeur met ADR-certificaat) aan de ILT. De chauffeur heeft vastgesteld dat de tankwagen en tankaanhanger weliswaar dusdanig beschadigd waren dat deze niet meer rijdbaar waren en dus geborgen moesten worden, maar dat het omhulsel van de tank onbeschadigd was, met inbegrip van de koppelingen en andere appendages. Het bergingsbedrijf heeft eveneens vastgesteld dat er geen lekkage was. Hierdoor kon de inhoud van de tank dus niet naar buiten komen. Er was geen gevaar voor de openbare veiligheid (bergers, de chauffeur, andere weggebruikers en het milieu) ontstaan door het voorval, wat maakt dat het voorval niet gemeld hoefde te worden.
47. Door de officier van justitie is in dit verband gewezen op “de gevaarzettende eigenschappen van de resten van de lading zwavelzuur”, maar zodanige eigenschappen zijn allerminst een gegeven. Het voertuig was leeg en ongereinigd, wat betekent dat de hoeveelheid van de oorspronkelijk vervoerde gevaarlijke stof zeer gering is en hooguit slechts enkele liters bedraagt. De tankwagen wordt met druk gelost en nageblazen. In de tank bevinden zich dan nog alleen de resten die aan de wanden van de tank zijn achtergebleven. Dat betreft uit de aard der zaak een zeer geringe hoeveelheid.
48. Verder heeft zwavelzuur een geringe dampspanning, wat betekent dat de stof niet gemakkelijk verdampt. In de tanks bevond zich daarom ook geen relevante hoeveelheid damp en bij lekkage van de inhoud van de tank zou damp dus evenmin een gevaar opleveren.
49. Zelfs bij een beschadiging aan de tank zou er daarom nog geen gevaar voor de openbare veiligheid zijn geweest, maar zoals gezegd, deed die situatie zich al niet voor. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld in de appelschriftuur, kan niet uit de bewijsmiddelen volgen dat de resten van de lading zwavelzuur inderdaad de gestelde gevaarzettende eigenschappen hadden die een beoordeling door de ILT noodzakelijk maakten. Er kon eenvoudigweg geen gevaar voor de openbare veiligheid ontstaan.
50. Het in de appelschriftuur gestelde geeft geen aanknopingspunten om het tegendeel aan te kunnen nemen en doet zeker niet af aan het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor de mogelijkheid dat gevaar voor de openbare veiligheid zou ontstaan. Het bestaan van zodanig gevaar kan niet worden gebaseerd op het enkele gegeven dat er een verkeersongeval was ontstaan met een voertuig waarop de Wvgs van toepassing is, te meer niet omdat het betreffende vervoermiddel leeg en ongereinigd was van zwavelzuur UN 2796.”
De toepasselijke regelgeving en de wetsgeschiedenis
6. De Wvgs hield ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder meer het volgende in:1.
“Hoofdstuk I Inleidende bepalingen
(…)
§ 2 Reikwijdte
Artikel 2
1. Deze wet is van toepassing op:
a. het vervoeren van gevaarlijke stoffen met een vervoermiddel over land, per spoor en over de binnenwateren;
b. (…)
Hoofdstuk V Overige bepalingen
Artikel 47
1. Degene die een handeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verricht, is verplicht Onze Minister daarvan onverwijld in kennis te stellen indien zich daarbij ongevallen voordoen of voorvallen, waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is of kan ontstaan.
2. Degene, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister in de gelegenheid de situatie van het ongeval of het voorval te beoordelen en laat handelingen met betrekking tot de betrokken gevaarlijke stoffen in elk geval achterwege totdat Onze Minister van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt of heeft laten weten van die gelegenheid geen gebruik te maken.
3. In afwijking van het tweede lid zijn handelingen toegestaan die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om verdere gevaarzetting of schade te voorkomen.”
6.1
De Wet op de economische delicten hield ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen onder meer het volgende in:2.
“Artikel 1a
Economische delicten zijn eveneens:
3. °.overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
(…)
de Wet vervoer gevaarlijke stoffen: de artikelen 47 en 48, tweede lid”.
6.2
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de wet van 12 oktober leidde (Stb. 1995, 525), hield inzake het begrip ‘openbare veiligheid’ in de Wvgs onder meer het volgende in:3.
“2. Doelstelling van de wet
De voorgestelde WVGS heeft als doelstelling de bevordering van de openbare veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen en vormt een belangrijk instrument om deze doelstelling te realiseren. Openbare veiligheid is een veelomvattend begrip. Zij omvat niet alleen de veiligheid van degenen die direct bij het vervoer betrokken zijn, zoals de werknemers, maar ook de veiligheid van de omgeving en van al degenen en al hetgeen zich daar bevindt. Bevordering van de openbare veiligheid houdt in het voorkomen van gevaar, schade of hinder voor mens, dier en omgeving als gevolg van gevaarlijke stoffen. De inhoud van het begrip openbare veiligheid wordt niet alleen bepaald door het object, dat aan het risico is blootgesteld, doch mede door de aard en de hoedanigheid van de stoffen, die onder het begrip gevaarlijke stof vallen. Het begrip openbare veiligheid krijgt een verschillende dimensie al naar gelang het gaat om bijvoorbeeld ontplofbare stoffen, giftige stoffen, of gevaar voor besmetting opleverende stoffen. Voorschriften ten aanzien van technische voorzieningen aan transportmiddelen voor gevaarlijke stoffen of ten aanzien van de verpakking van die stoffen strekken er toe te verhinderen, dat gevaarlijke stoffen vrijkomen. Organisatorische maatregelen als verhoging van deskundigheid of vakbekwaamheid beogen te voorkomen dat er ongewenste gebeurtenissen plaats vinden waarbij gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen. Door een en ander wordt niet alleen voorkomen dat degenen die bij het vervoer van die stoffen betrokken zijn, daarmede in aanraking komen, doch tevens dat deze stoffen in de omgeving terechtkomen en aldaar gevaar, hinder of verontreiniging veroorzaken.”
6.3
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de wet van 10 juli 2013 leidde (Stb. 2013, 307), hield met betrekking tot de ‘openbare veiligheid’ onder meer het volgende in:4.
“HOOFDSTUK 4. ROUTEREN
(…)
Openbare veiligheid
De huidige Wvgs kent reeds bevoegdheden om in het belang van de openbare veiligheid het gebruik van binnenwateren en spoorwegen te verbieden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In de memorie van toelichting bij de totstandkoming van die wet is daarbij geconstateerd dat openbare veiligheid een veelomvattend begrip is. Om die reden wordt in die toelichting het begrip verder uitgelegd. Met dit voorstel tot wijziging wordt aan dat begrip niet getornd.”
Het eerste middel
7. Het eerste middel bevat de klacht dat het “recht is geschonden en/of de naleving van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften is verzuimd”, doordat het hof – kort gezegd – tot de in het arrest opgenomen bewezenverklaring is gekomen, deze heeft gekwalificeerd als onder 1 vermeld, de verdachte ter zake strafbaar heeft geacht en de verdachte heeft veroordeeld tot een geldboete van € 3.500,00. De tekst van het middel zelf levert niet een middel in de zin van art. 437, tweede lid, Sv op. De deelklachten die in de toelichting worden geformuleerd en die ik hieronder zal bespreken brengen evenwel mee dat – welwillend gelezen – van een middel van cassatie in de zin der wet gesproken kan worden.
7.1
De eerste deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel, “dat het ongeval van dien aard was dat het tot gevaar van de openbare veiligheid of tot schade kon leiden”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof een beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd “die niet op de wet steunt”. Of een ongeval van dien aard is dat het tot schade kan leiden zou in het kader van art. 47, eerste lid, Wvgs geen rol spelen.
7.2
Art. 47, eerste lid, Wvgs roept een meldplicht in het leven voor degene die een handeling als bedoeld in art. 2, eerste lid, Wvgs verricht indien zich daarbij ongevallen voordoen of voorvallen, waardoor gevaar voor de openbare veiligheid is of kan ontstaan. Of een dergelijke handeling kan leiden tot schade aan de openbare veiligheid lijkt voor het doen ontstaan van een meldplicht, bij een strikt tekstuele benadering, niet van belang. In het licht van de eerder geciteerde wetsgeschiedenis, specifiek de doelstelling die aan de Wvgs ten grondslag ligt, levert een ongeval dat schade kan berokkenen aan de openbare veiligheid ook een gevaar aan die veiligheid op, hetgeen het hof in zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht. ’s Hofs oordeel getuigt daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting.
7.3
De eerste deelklacht faalt.
7.4
De tweede deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel, dat de omstandigheid dat “visueel geen schade is waargenomen aan de tank” niet doorslaggevend is “voor de beoordeling of gevaar voor de openbare veiligheid was of kon ontstaan”, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is, omdat de “ILT naar aanleiding van een eventuele melding alleen maar door middel van een visuele controle kan vaststellen of de voertuigen en de lading geen duidelijke gebreken, geen lekkage of scheuren vertonen, dat geen uitrustingsdelen ontbreken, enzovoort, wat de chauffeur van [verdachte] ook heeft gedaan”, zodat ’s hofs oordeel niet naar de eis der wet met redenen is omkleed
7.5
Het hof heeft bij voornoemd oordeel meegewogen dat “bij een klapband stukjes rubber kunnen wegspringen die daarbij appendages, lospijpen en/of afsluiters kunnen beschadigen, waardoor lekkage kan optreden” en dat “bij een ongeval als het onderhavige schade [kan] zijn ontstaan die niet direct zichtbaar is, maar met de mogelijkheid waarvan bij het bergen van de transporteenheid rekening moet worden gehouden”. Dit zijn “kwesties”, aldus het hof, “waarbij inspectie (en eventuele interventie) door de ILT aangewezen is”. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk en is naar de eis der wet met redenen omkleed.
7.6
De tweede deelklacht faalt eveneens.
7.7
De derde deelklacht komt op tegen ’s hofs oordeel, dat de omstandigheid dat “visueel geen schade is waargenomen aan de tank” niet doorslaggevend is “voor de beoordeling of gevaar voor de openbare veiligheid was of kon ontstaan”. In dat oordeel zou kennelijk besloten liggen “dat uitsluitend een inspecteur van ILT kan beoordelen of een tank waarvan de chauffeur en de berger hadden vastgesteld dat deze onbeschadigd is, verplaatst en geborgen mag worden”. ‘s Hofs oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de vervoerder op grond van art. 1.4.2.2.1 sub c ADR – aldus de steller van het middel – visueel dient te controleren dat de voertuigen en de lading geen duidelijke gebreken, geen lekkage of scheuren vertonen, dat geen uitrustingsdelen ontbreken, enzovoort.
7.8
De raadsman heeft, aldus het hof, in hoger beroep aangevoerd dat “de chauffeur heeft vastgesteld dat het omhulsel (de tank) onbeschadigd was”. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe overwogen dat de omstandigheid dat “visueel geen schade is waargenomen aan de tank” niet doorslaggevend is “voor de beoordeling of gevaar voor de openbare veiligheid was of kon ontstaan”. Het hof heeft daarbij gewezen op, en heeft zich verenigd met, de ter terechtzitting afgelegde verklaring van deskundige Van Nes, die heeft verklaard dat “bij een klapband stukjes rubber kunnen wegspringen die daarbij appendages lospijpen en/of afsluiters kunnen beschadigen, waardoor lekkage kan optreden”.
7.9
De raadsman in hoger beroep heeft voorts aangevoerd dat “het bergingsbedrijf heeft vastgesteld dat er geen lekkage van gevaarlijke stof was”. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe overwogen dat “bij een ongeval als het onderhavige” schade kan zijn ontstaan “die niet direct zichtbaar is, maar met de mogelijkheid waarvan bij het bergen van de transporteenheid rekening moet worden gehouden”.
7.10
Het hof heeft in zijn overweging tot uitdrukking gebracht dat, gezien de aard van het ongeval, een visuele inspectie van enkel de tank niet kon uitsluiten dat mogelijkerwijs elders schade aan de in de tenlastelegging genoemde transporteenheid was of kon ontstaan, waardoor lekkage kon optreden en er, dientengevolge, gevaar voor de openbare veiligheid kon ontstaan. Het hof heeft in zijn overweging voorts tot uitdrukking gebracht dat niet direct zichtbare schade kon zijn ontstaan waarmee bij het bergen van de transporteenheid rekening moest worden gehouden. De deelklacht, die ervanuit gaat dat in ’s hofs oordeel kennelijk besloten ligt “dat uitsluitend een inspecteur van ILT kan beoordelen of een tank waarvan de chauffeur en de berger hadden vastgesteld dat deze onbeschadigd is, verplaatst en geborgen mag worden”, berust op een verkeerde lezing van ’s hofs arrest en mist daardoor feitelijke grondslag.
7.11
De derde deelklacht faalt ook.
7.12
De vierde deelklacht houdt in dat het hof niet (voldoende) heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dat “de tank van het trekkende voertuig en van de aanhanger niet beschadigd zijn geraakt en dat er geen lekkage vanuit deze tanks kon optreden”, hetgeen mee zou brengen dat “er geen gevaar voor de openbare veiligheid kon ontstaan”. Het hof had, aldus de steller van het middel, moeten toelichten hoe naar ’s hofs oordeel gevaar voor de openbare veiligheid kon ontstaan “ondanks het feit dat de tankwagen onbeschadigd was”.
7.13
De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep aangevoerd dat de “chauffeur heeft vastgesteld dat de tankwagen en tankaanhanger weliswaar dusdanig beschadigd waren dat deze niet meer rijdbaar waren en dus geborgen moesten worden, maar dat het omhulsel van de tank onbeschadigd was, met inbegrip van de koppelingen en andere appendages. Het bergingsbedrijf heeft eveneens vastgesteld dat er geen lekkage was. Hierdoor kon de inhoud van de tank dus niet naar buiten komen. Er was geen gevaar voor de openbare veiligheid (bergers, de chauffeur, andere weggebruikers en het milieu) ontstaan door het voorval, wat maakt dat het voorval niet gemeld hoefde te worden”.
7.14
Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat de omstandigheid dat visueel geen schade is waargenomen aan de tank niet doorslaggevend is voor de beoordeling of gevaar voor de openbare veiligheid was of kon ontstaan en dat, bovendien, bij een ongeval als het onderhavige schade kan zijn ontstaan “die niet direct zichtbaar is, maar met de mogelijkheid waarvan bij het bergen van de transporteenheid rekening moet worden gehouden”. Naar mijn oordeel heeft het hof daarmee in het bijzonder de redenen opgegeven waarom het van het (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt van de raadsman is afgeweken.
7.15
Ook de vierde deelklacht faalt.
7.16
De vijfde deelklacht houdt in dat ’s hofs oordeel, “dat het ongeval van dien aard was dat het tot gevaar van de openbare veiligheid of tot schade kon leiden”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof de vraag of “door het ongeval gevaar voor de openbare veiligheid kon ontstaan” heeft beantwoord “aan de hand van eventualiteiten die zich niet hebben voorgedaan”. De omstandigheid dat de inhoud van de tank niet ongecontroleerd naar buiten kon treden zou met zich brengen dat geen gevaar voor de openbare veiligheid kon ontstaan.
7.17
De vijfde deelklacht gaat uit van de omstandigheid dat de inhoud van de tank niet ongecontroleerd naar buiten kon treden. Het hof heeft dit niet vastgesteld en heeft, naar aanleiding van het in hoger beroep gevoerde verweer, dat de “chauffeur heeft vastgesteld dat het omhulsel (de tank) onbeschadigd was en het bergingsbedrijf heeft vastgesteld dat er geen lekkage van gevaarlijke stof was”, overwogen dat – kort gezegd – de omstandigheid dat visueel geen schade is waargenomen aan de tank niet doorslaggevend is voor de beoordeling of gevaar voor de openbare veiligheid was of kon ontstaan en dat, bovendien, bij een ongeval als het onderhavige schade kan zijn ontstaan “die niet direct zichtbaar is, maar met de mogelijkheid waarvan bij het bergen van de transporteenheid rekening moet worden gehouden”. ’s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
7.18
De vijfde deelklacht is vruchteloos voorgesteld.
7.19
De zesde deelklacht komt op tegen ’s hofs oordeel, dat het hof niet heeft kunnen “vaststellen dat in de tank zo weinig gevaarlijke stof resteerde dat geen gevaar kon ontstaan”. Het hof zou daarbij een onjuiste maatstaf hebben gehanteerd. Om tot een bewezenverklaring te komen had het hof, aldus de steller van het middel, moeten vaststellen dat door het ongeval gevaar voor de openbare veiligheid kon ontstaan en, in dit verband, moeten vaststellen dat de “hoeveelheid resterende stof in de lege maar ongereinigde roestvaststalen tank wel tot gevaar voor de openbare veiligheid had kunnen leiden”.
7.20
De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep aangevoerd dat het voertuig leeg en ongereinigd was en dat er zelfs bij een beschadiging van de tank nog geen gevaar voor de openbare veiligheid zou zijn geweest.
7.21
Het hof heeft het verweer van de raadsman verworpen en heeft daartoe overwogen het hof niet kan “vaststellen dat in de tank zo weinig gevaarlijke stof resteerde dat geen gevaar kon ontstaan. Dat de tank leeg was is daartoe onvoldoende, omdat de tank nog niet gereinigd was. Dan resteert immers nog een gedeelte gevaarlijke stof in de tank, met gevaar voor lekkage. Daarom is de regelgeving van de Wvgs ook van toepassing op lege, maar nog niet gereinigde voertuigen. Dat geldt ook voor transporteenheden met een roestvaststalen tank.”
7.22
Uit ’s hofs oordeel, bezien in samenhang met ’s hofs andere vaststellingen, volgt dat de tank leeg maar nog ongereinigd was, dat er dan noodzakelijkerwijs een gedeelte gevaarlijke stof resteert, met gevaar voor lekkage, en dat hierdoor – na het ongeval – gevaar voor de openbare veiligheid kon ontstaan. ’s Hofs oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
7.23
De zesde deelklacht faalt eveneens.
7.24
De zevende deelklacht is in wezen een herhaling van zetten en houdt in dat ’s hofs oordeel, kort gezegd inhoudende dat in een lege ongereinigde tank een gedeelte gevaarlijke stof resteert met gevaar voor lekkage, niet zonder meer begrijpelijk is, omdat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep – aldus de steller van het middel – heeft aangevoerd dat “het tankomhulsel en de appendages niet beschadigd waren door het ongeval, dat de inhoud van de tank daarom niet ongecontroleerd naar buiten kon treden en er reeds om deze redenen geen gevaar voor de openbare veiligheid kon ontstaan, dat er bovendien slechts een heel kleine hoeveelheid van de laatstelijk vervoerde gevaarlijke stof resteerde in de tank en de tank ook niet gevuld was met damp van deze gevaarlijke stof”.
7.25
De zevende deelklacht gaat ervan uit dat een visuele inspectie van de tank en de appendages beschadigingen daaraan direct kenbaar maakt. Het hof heeft daarover geoordeeld dat de omstandigheid dat visueel geen schade is waargenomen aan de tank niet doorslaggevend is voor de beoordeling of gevaar voor de openbare veiligheid was of kon ontstaan en dat, bovendien, bij een ongeval als het onderhavige schade kan zijn ontstaan “die niet direct zichtbaar is, maar met de mogelijkheid waarvan bij het bergen van de transporteenheid rekening moet worden gehouden”. Over de omstandigheid dat slechts een geringe hoeveelheid gevaarlijke stof resteerde in de tank heeft het hof overwogen dat het hof niet kan vaststellen “dat in de tank zo weinig gevaarlijke stof resteerde dat geen gevaar kon ontstaan. Dat de tank leeg was is daartoe onvoldoende, omdat de tank nog niet gereinigd was. Dan resteert immers nog een gedeelte gevaarlijke stof in de tank, met gevaar voor lekkage. Daarom is de regelgeving van de Wvgs ook van toepassing op lege, maar nog niet gereinigde voertuigen. Dat geldt ook voor transporteenheden met een roestvaststalen tank.” Niettegenstaande hetgeen door de raadsman in hoger beroep is aangevoerd, is ’s hofs oordeel, gelet op het voorgaande, niet onbegrijpelijk.
7.26
Ook de zevende deelklacht faalt.
7.27
Daarmee faalt het eerste middel.
Het tweede middel
8. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof “in strijd met de wettelijke regeling voor deskundigen in het strafproces en in strijd met de eisen van een eerlijk proces van artikel 6 EVRM” deskundige Van Nes ter terechtzitting heeft benoemd en gehoord.
8.1
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat ’s hofs beslissing, in afwijking van het door de verdediging ter terechtzitting ingenomen standpunt, om Van Nes als deskundige te benoemen en ter terechtzitting te horen niet naar de eis der wet met redenen zou zijn omkleed. Bij de benoeming van Van Nes zou het hof “niet de wettelijke vereisten en de eisen van een eerlijk proces in acht [hebben] genomen, terwijl het hof de verklaring van Van Nes wel aan de bewijsbeslissing ten grondslag heeft gelegd”.
8.2
Als een middel van cassatie, als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv, kan alleen gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.5.De in het middel vervatte klacht voldoet niet aan dat vereiste omdat wordt geklaagd over de schending van wettelijke voorschriften zonder dat wordt aangegeven waarin die schending bestaat. Daarmee is van een middel van cassatie geen sprake.
Slotsom
9. Beide middelen falen. Ik merk in verband met de afdoening in cassatie op dat de rechtbank de verdachte van het tenlastegelegde heeft vrijgesproken. Afdoening van de middelen door de Hoge Raad op de voet van art. 81, eerste lid, RO ligt niet in de rede.
10. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 7 juni 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑11‑2024
Voor het tenlastegelegde feit laatstelijk gewijzigd door de Wet van 9 december 2015 (Stb. 2015, 511) in werking getreden op 1 juli 2016 (Stb. 2016, 14).
HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:41.