Conclusie van mr. D.J.C. Aben, advocaat-generaal bij het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, van 30 maart 2021 onder nummer 19/03983, ECLI:NL:PHR:2021:306.
Hof 's-Hertogenbosch, 13-10-2021, nr. 20-000526-18
ECLI:NL:GHSHE:2021:3102
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
13-10-2021
- Zaaknummer
20-000526-18
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2021:3102, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 13‑10‑2021; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHSHE:2021:1804, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 15‑06‑2021; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:1004
- Wetingang
Uitspraak 13‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Leerplichtwetzaak. Overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969. Beroep op de vrijstelling ex artikel 5, aanhef en sub b, van de Leerplichtwet 1969 op grond van het spiritueel holisme slaagt niet. Verweren waarbij door de verdediging is aangevoerd dat sprake zou zijn van schending van het verbod van willekeur, het gelijkheidsbeginsel en van strijdigheid met de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6 EVRM zijn alle verworpen. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Partij(en)
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Parketnummer : 20-002032-20
Uitspraak : 13 oktober 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ’s-Hertogenbosch, van 15 september 2020, in de strafzaak met parketnummer 01-094478-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1980,
wonende te [woonadres verdachte] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van overtreding van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 800,00 subsidiair 16 dagen hechtenis, waarvan € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Door de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 1 november 2019 tot en met 1 april 2020 te Eindhoven, althans in Nederland, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [dochter verdachte] , geboren op [geboortedatum dochter verdachte] , niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school stond ingeschreven.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De verdachte heeft ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat haar vijf gevallen bekend zijn waarin de leerplichtambtenaar een beroep op de vrijstelling ex artikel 5, aanhef en sub b, van de Leerplichtwet 1969 heeft gehonoreerd. Dat betroffen geen gevallen in Eindhoven, maar in Nuenen, Schijndel, Geldrop en Veldhoven. In drie gevallen is de vrijstelling verleend op grond van het spiritueel holisme, aldus de verdachte.
Naar aanleiding van deze uitlating van de verdachte heeft de raadsman bij pleidooi naar voren gebracht dat hij vermoedt dat in de provincie Noord-Brabant geen sprake is van ‘gelijke monniken, gelijke kappen’, om welke reden volgens de raadsman reeds vrijspraak zou moeten volgen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof begrijpt uit hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht dat de verdediging kennelijk een beroep heeft willen doen op schending van het verbod van willekeur of het gelijkheidsbeginsel, nu de verdachte wel en anderen niet door het Openbaar Ministerie strafrechtelijk zijn vervolgd. Anders dan de raadsman heeft betoogd leidt honorering van een dergelijk beroep in de regel niet tot vrijspraak, maar tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Het hof merkt het verweer derhalve aan als een ontvankelijkheidsverweer en zal dat hierna als zodanig bespreken.
In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.
Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich – onder meer – voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.
Een dergelijk uitzonderlijk geval in vorenbedoelde zin doet zich tevens voor indien zaken zowel op het punt van de haalbaarheid als op dat van de opportuniteit geheel overeenstemmen, maar het Openbaar Ministerie er desalniettemin voor kiest om in slechts één van die zaken strafvervolging in te stellen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is eerst sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen.
Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie omwille van voormelde redenen niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van een verdachte, dienen zware motiveringseisen te worden gesteld. De keuze om derden, wier gedragingen evenals die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, ten onrechte niet te vervolgen, leidt immers niet zonder meer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging van de verdachte.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof, anders dan uit de enkele niet nader onderbouwde stelling van de verdachte, niet gebleken dat sprake is van vrijstellingen op grond van het spiritueel holisme en evenmin – zo die stelling van de verdachte juist zou zijn – dat diegenen in dezelfde (bewijs- en/of strafrechtelijke) positie als de verdachte verkeerden. Het verweer mist aldus feitelijke grondslag en kan reeds daarom niet slagen.
Bij die stand van zaken kan ook niet worden vastgesteld dat sprake is van afwijking van een bestendig patroon van beslissen in (een groot aantal) vergelijkbare gevallen. Aldus faalt het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel.
Indien de verdediging eveneens een beroep heeft willen doen op schending van het verbod van willekeur, slaagt dat evenmin. De officier van justitie heeft op basis van het opsporingsonderzoek namelijk redelijkerwijs kunnen aannemen dat een veroordeling van de verdachte ter zake van overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 haalbaar was. Onder die omstandigheid is het instellen van strafvervolging jegens de verdachte en niet jegens anderen die beweerdelijk een vrijstelling op grond van het spiritueel holisme zouden toekomen – temeer nu deze personen niet in beeld waren ten parkette omdat (uitgaande van de stelling van de verdachte) de betreffende leerplichtambtenaren hun beroepen op de vrijstelling (wel) zouden hebben gehonoreerd en daarom geen proces-verbaal ter zake van overtreding van de Leerplichtwet naar het Openbaar Ministerie hebben ingezonden – niet zodanig en apert onevenredig dat het instellen en voortzetten van strafvervolging jegens de verdachte onverenigbaar is met het verbod van willekeur.
Het hof verwerpt mitsdien het tot niet-ontvankelijkheid strekkende verweer in al zijn onderdelen. Nu ook overigens niet is gebleken dat de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de strafvervolging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij in de periode van 1 november 2019 tot en met 1 april 2020 te Eindhoven, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [dochter verdachte] , geboren op [geboortedatum dochter verdachte] , niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school stond ingeschreven.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.
1.
Proces-verbaal leerplicht over het schooljaar 2019-2020 met tien bijlagen, d.d. 1 april 2020, proces-verbaalnummer 0772/1920LH01, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [leerplichtambtenaar] , leerplichtambtenaar van de gemeente Eindhoven en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar:
Blijkens de gegevens van de leerlingenadministratie van de gemeente staat [dochter verdachte] , geboren op [geboortedatum dochter verdachte] te Eindhoven, niet ingeschreven op een school in de periode van 1 november 2019 tot en met heden.
Ik, [leerplichtambtenaar] , leerplichtambtenaar in dienst van de gemeente, belast met de handhaving van de Leerplichtwet 1969, daartoe aangewezen door burgemeester en wethouders, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar nummer akte van beëdiging 6051713, standplaats (hof: Eindhoven), heb in verband met ongeoorloofd schoolverzuim na dit onderzoek vastgesteld dat:
- de ouder verantwoordelijk is voor het schoolverzuim.
Ik heb haar daarop als verdachte opgeroepen.
VERDACHTE(N)Moeder: [verdachte]
BSN: [BSN-nummer verdachte]
Geslacht: Vrouw
Geboortedatum en -plaats: [geboortedatum in het jaar] 1980, [geboorteplaats] , Nederland
Adres: [voormalig woonadres verdachte]
Pc/Woonplaats: [postcode voormalig woonadres verdachte] te Eindhoven
Nationaliteit: Nederlandse
BETROKKENENLeerplichtige minderjarige:
Naam minderjarige: [dochter verdachte]
Geboortedatum en -plaats: [geboortedatum dochter verdachte] , Eindhoven, Nederland
Adres: [voormalig woonadres verdachte]
Pc/Woonplaats: [postcode voormalig woonadres verdachte] te Eindhoven
Nationaliteit: NederlandseGeslacht: Vrouw
Ouder 2: [vader verdachte]
Geboortedatum en -plaats: [geboortedatum vader] , onbekend
Adres: [woonadres vader]
Pc/Woonplaats: [postcode en woonplaats vader]
Nationaliteit: Nederlandse
Geslacht: Man
Verdachte heeft in de ochtend van 3 maart in een mail laten weten dat ze niet naar het verhoor zou komen. Tevens heeft ze een schriftelijke verklaring bijgevoegd.
Schoolloopbaan:
Inschrijvingen: nvt
Het wettig gezag ligt bij: beide ouders
De feitelijke verzorging ligt bij: moeder
Schooljaar: 2019 – 2020, periode: 01 augustus 2019 tot en met heden
Reden: 23-08-2019: vraag van mevr. [verdachte] over de mogelijkheden van beroep op vrijstelling wegens levensovertuiging. Interventie leerplichtambtenaar: Telefonische afhandeling van collega leerplichtambtenaar mevr. [collega-leerplichtambtenaar] . Zij heeft uitleg gegeven over de procedure.
26-09-2019: Beroep op vrijstelling 5 sub b door mevr. [verdachte] in ontvangst genomen door leerplichtambtenaar.
Data interventie leerplichtambtenaar:
30-09 1e reactie door leerplicht op beroep op vrijstelling waarin door leerplichtambtenaar gevraagd wordt om verklaring overwegende bezwaren.
31-10 2e reactie van leerplichtambtenaar (vervolg brief omdat mevr. [verdachte] nog niet gereageerd had op brief van 30 sept.).
5-11 leerplichtambtenaar neemt contact op met het OM via mail met de vraag hoe te handelen: afwijzen of toekennen.
5-11 reactie van moeder ontvangen op brief van 30 september. Zij heeft een lijst gestuurd van scholen met daarin per onderwijsvorm de richtingbezwaren.
6-11 mail ontvangen van OM. Geen vrijstelling van rechtswege.
14-11 negatieve beschikking gestuurd. Met daarin de vraag te laten weten binnen twee weken op welke school [dochter verdachte] ingeschreven gaat worden.
02-12 Niets vernomen en daarop een oproep voor een verhoor verzonden naar mevr. [verdachte] .03-12 ontvangen reactie van mevr. [verdachte] op negatieve beschikking (deze had ze op 27 november al gestuurd, echter is deze reactie door mij pas op 03 december ontvangen). Hierdoor is de oproep verhoor gekruist met deze mail. Oproep verhoor is daarom verzet.
05-12 mail OM ontvangen dat ze nog steeds met de zaak bezig zijn op grond van nieuwe informatie.
28-01-2020 bericht van OM ontvangen dat er geen vrijstelling van rechtswege ontstaat.
30-01 Afwijzingsbrief naar mevr. [verdachte] . [dochter verdachte] moet 15 februari een schoolinschrijving hebben.
20-02 oproep verhoor voor dinsdag 3 maart verstuurd.
03-03 niet verschenen op verhoor. Mevrouw [verdachte] heeft op 3 maart per mail laten weten niet naar het verhoor te komen. Dit staat ook in de schriftelijke verklaring die ze gelijktijdig met haar mail heeft verstuurd.
2. Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, vijfde meervoudige kamer voor strafzaken, van 29 september 2021, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
Het klopt dat ik in de periode van 1 november 2019 tot en met 1 april 2020 mijn dochter [dochter verdachte] niet heb aangemeld op school en haar als leerling heb laten inschrijven. Ik woonde toen samen met mijn dochter in Eindhoven.
Ten geleide: het juridisch kader van de vrijstellingsgrond ex artikel 5, aanhef en sub b, van de Leerplichtwet 1969
In de onderhavige strafzaak staat de vraag centraal of de verdachte een geslaagd beroep toekomt op de vrijstelling ex artikel 5, aanhef en sub b, van de Leerplichtwet 1969.
Het hof ziet, alvorens over te gaan tot de bespreking van de verweren en de toetsing of de hiervoor bedoelde vrijstelling toepassing vindt, omwille van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van dit arrest aanleiding om het toepasselijke algemene juridische kader uiteen te zetten. Daarbij merkt het hof op dat na te melden overwegingen zijn ontleend aan de conclusie van mr. D.J.C. Aben, advocaat-generaal bij het parket van de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, van 30 maart 2021.1.
Op grond van het eerste lid van artikel 2 van de Leerplichtwet 1969 is degene die het gezag uitoefent dan wel degene die met de feitelijke verzorging van een minderjarig kind is belast verplicht om, zodra het leerplichtig is, enerzijds het kind in te schrijven als leerling van een school en anderzijds te zorgen dat het kind deze school geregeld bezoekt. Op deze schoolplicht bestaan enkele vrijstellingen.
Eén van die vrijstellingen is het zogenoemde ‘richtingsbezwaar’ als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969. Dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde en voor zover te dezen van belang als volgt:
“De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk als vavo-student of mbo-student van een instelling staat ingeschreven, zolang (...)
b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning – of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland – gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben.”
In de Memorie van Antwoord is over deze grond voor vrijstelling opgemerkt:
“Onder „overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs” moet worden verstaan een bezwaar dat zwaarder weegt dan het nadeel dat het kind in het geheel geen onderwijs krijgt. Dit is een zo persoonlijke zaak, dat een zuivere beoordeling door de een of andere instantie, naar de mening van de ondergetekende nauwelijks mogelijk is”, aldus de staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen.2.
Indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, ontstaat de vrijstelling van de schoolplicht van rechtswege. Doordat de vrijstelling van de schoolplicht van rechtswege ontstaat indien aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan en de vrijstelling dus geen daartoe strekkend besluit van een bestuursorgaan vergt (dat voor bezwaar of beroep vatbaar is), wordt het beroep op de vrijstelling niet getoetst door de bestuursrechter. Het is de strafrechter die beoordeelt of de voorwaarden voor de vrijstelling zijn vervuld, zulks in het kader van een strafvervolging die doorgaans – evenals in het onderhavige geval – wordt ingesteld naar aanleiding van een proces-verbaal dat door de leerplichtambtenaar is opgemaakt.
De afgelopen decennia heeft de strafrechtspraak met betrekking tot de beoordeling van een beroep op vrijstelling dat is gegrond op richtingsbezwaren niet stilgestaan. Aan de rechtspraak kan samengevat het volgende beoordelingskader worden ontleend:
i. wanneer een beroep wordt gedaan op de vrijstellingsgrond dient de rechter te onderzoeken of het bezwaar de ‘richting’ van het onderwijs betreft3.;
ii. onder het begrip ‘richting’ kan worden verstaan een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing4.;
iii. bedenkingen tegen de richting van het onderwijs kunnen ook het ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs betreffen. De bedenkingen kunnen derhalve ook gericht zijn tegen de richting van het openbaar onderwijs5.;
iv. onder ‘overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs’ kan niet worden verstaan bezwaar tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs6.;
v. van ‘overwegende bedenkingen’ is op grond van de hierover onder i., ii., iii. en iv. genoemde overwegingen dan ook pas sprake in geval van ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing7.;
vi. degene die zich op deze vrijstelling beroept, dient – gelet op het voorgaande – duidelijk kenbaar te maken wat zijn of haar bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, zodat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen.8.
Voormeld kader heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 17 december 2019 als volgt samengevat weergegeven:
“2.4.4. Van overwegende bedenkingen in de zin van artikel 5 aanhef en onder b Lpw kan daarom alleen sprake zijn indien de overwegende bedenkingen die worden aangevoerd, i) verband houden met ernstige gemoedsbezwaren van de in artikel 2 lid 1 Lpw bedoelde persoon die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, ii) betrekking hebben op de richting en derhalve de fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, van – kort gezegd – het in artikel 5 aanhef en onder b Lpw bedoelde onderwijs en iii) voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren betreffen die verband houden met onderwijs zoals een school dat kan bieden.
2.4.5. Indien de rechter oordeelt dat niet aan één van de hiervoor genoemde vereisten wordt voldaan, kan hij reeds op die grond het beroep op de vrijstellingsgrond als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw afwijzen, zonder dat hij hoeft te onderzoeken of voldaan is aan de overige vereisten.”9.
Bij de beoordeling van een beroep op de vrijstellingsgrond moet het hof aldus nagaan of de door de verdachte voorgedragen bedenkingen daadwerkelijk bedenkingen zijn tegen de richting van de scholen of de instellingen die zich binnen redelijke afstand van haar woning bevinden. Daarbij mag het hof niet treden in de beoordeling van het gewicht van die bedenkingen.
‘Richting’ is een lastig begrip dat zich niet in één zin laat vangen. Zoals hiervoor onder ii. weergegeven heeft de Hoge Raad hierover eerst opgemerkt dat onder ‘richting’ kan worden verstaan: een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Onder het begrip ‘bezwaren tegen de richting van het onderwijs’ kan in ieder geval niet worden begrepen een voorkeur voor thuisonderwijs of een voorkeur uit pedagogische overwegingen. Ook de enkele omstandigheid dat de betrokken ouder zelf het bezwaar heeft aangemerkt als stoelend op een levensbeschouwing brengt niet met zich dat dit bezwaar reeds om die reden kan worden aangemerkt als een overwegende bedenking tegen de richting van het onderwijs op alle scholen die binnen een redelijke afstand van de woning zijn gelegen.
Bewijsoverwegingen
A.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord en naar het hof begrijpt – in de kern het volgende aangevoerd.
A.1 Toetsingskader van Hoge Raad is strijdig met de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM Het toetsingskader, zoals uiteengezet in de rechtsoverwegingen 2.4.4 en 2.4.5 in het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2019, is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De strijdigheid met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is volgens de raadsman gelegen in de omstandigheid dat de bewijslast dat het zou gaan om richtingsbezwaren volledig bij de verdachte wordt neergelegd en op geen enkele wijze bij het Openbaar Ministerie. Hierdoor wordt de onschuldpresumptie, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, geschonden, nu de schuld van de verdachte hierdoor direct vast zou staan, aldus de raadsman.
In de visie van de verdediging valt de beoordeling van richtingsbezwaren eveneens onder de presumptie van onschuld. Bij het onderzoek daarnaar mag het hof volgens de raadsman niet van de premisse uitgaan dat de schoolinschrijfplicht nog zou bestaan en niet door het beroep op de vrijstellingsplicht is opgeheven. Voorts ligt de bewijslast dat de inschrijfplicht niet zou zijn opgeheven naar de mening van de raadsman bij het Openbaar Ministerie. Elke twijfel en onzekerheid die in dit kader mocht ontstaan dient in het voordeel van de verdachte te worden uitgelegd. De raadsman heeft bepleit dat het hof hiermee rekening zal houden.
A.2 Voldoende concrete en zwaarwegende richtingsbezwaren
De levensbeschouwing waarop de richtingsbezwaren van de verdachte zijn gebaseerd is het spiritueel holisme. De verdachte heeft in dat verband ook bezwaren aangevoerd tegen de fundamentele oriëntatie van het openbaar en algemeen bijzonder onderwijs van omliggende scholen. Meer in concreto heeft de verdachte bezwaren naar voren gebracht tegen de levensbeschouwelijke neutraliteit van deze scholen, welke neutraliteit in de visie van de verdachte niet te verenigen is met het spiritueel holisme.
Met betrekking tot deze overwegende bedenkingen van de verdachte in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 heeft de verdachte volgens de raadsman voldoende concrete en voldoende zwaarwegende richtingsbezwaren naar voren gebracht, meer specifiek in het door haar opgestelde overzicht d.d. 30 oktober 2019, waardoor zij recht heeft op de vrijstelling. Daarmee is de plicht tot schoolinschrijving volgens de verdediging opgeheven, waardoor overtreding van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
B.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
B.1 Geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt; evenmin strijdigheid met artikel 6 EVRM
Het hof stelt allereerst vast dat het hiervoor onder A.1 bedoelde verweer van de verdediging niet is aan te merken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, reeds omdat er geen ondubbelzinnige conclusie aan is verbonden (zoals een verzoek tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, vrijspraak van het tenlastegelegde of niet-strafbaarheid van het feit wegens onverenigbaarheid met verdragsrecht), doch dat slechts in algemene zin is verzocht ‘hiermee rekening te houden’. Ofschoon het hof aldus niet is gehouden te responderen op het verweer, ziet het hof in de aard van deze zaak aanleiding om zulks ten overvloede toch te doen.
Het hof is van oordeel dat het standpunt van de verdediging dat het hiervoor vermelde toetsingskader van de Hoge Raad in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens omdat de bewijslast dat het zou gaan om richtingsbezwaren volledig bij de verdachte wordt neergelegd en op geen enkele wijze bij het Openbaar Ministerie en hierdoor de schuld van de verdachte direct vast zou komen te staan, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het hof overweegt hierover het volgende.
Zoals hiervoor is overwogen brengt artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 met zich dat degene die het gezag uitoefent over dan wel degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, verplicht is om die jongere, zodra die leerplichtig is, in te schrijven als leerling van een school en te zorgen dat de jongere deze school geregeld bezoekt. Indien men een beroep wenst te doen op de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969, ligt het op de weg van de betreffende persoon om feiten en omstandigheden aan te dragen die – mits aannemelijk geworden – een beroep op deze vrijstelling rechtvaardigen. Degene die, hoewel hij of zij daartoe wettelijk verplicht is, niet aan de inschrijfplicht voldoet, terwijl hem of haar geen geslaagd beroep op de vrijstelling toekomt, maakt zich schuldig aan overtreding van eerstgenoemd artikel. Het Openbaar Ministerie is de instantie die bewijsmiddelen moet aandragen die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969.
Gelet op het voorgaande ligt ‘de bewijs(voerings)last’ van het strafbare feit van overtreding van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 – zo men van deze bewoordingen in dit kader kan spreken – niet bij de verdachte, maar bij het Openbaar Ministerie. Het verweer treft aldus geen doel.
B.2 Bedenkingen van de verdachte tegen de richtingen van in de nabijheid gelegen scholen
De verdachte heeft bij schrijven van 31 oktober 2019 ten aanzien van alle scholen die binnen een redelijke afstand van de woning gelegen zijn, kenbaar gemaakt wat haar bedenkingen dan wel bezwaren tegen de richtingen van deze scholen zijn. De verdachte heeft bij die gelegenheid in het bijzonder het volgende naar voren gebracht.
B.2.1 Bedenkingen tegen het openbaar en algemeen bijzonder onderwijs
Openbare en algemeen bijzondere scholen zijn volgens de verdachte neutraal in hun levensbeschouwelijke opvattingen en dragen in principe geen levensovertuiging uit. Derhalve dragen deze scholen het spiritueel holisme nooit uit en zullen zij deze levensbeschouwing evenmin bevorderen. De verdachte heeft bezwaar tegen deze neutraliteit. Het spiritueel holisme moet in de visie van de verdachte overgebracht worden door een volwassene die kennis heeft van deze overtuiging. Theoretische overdracht daarvan buiten schooltijd werkt in de visie van de verdachte niet. Het openbaar of algemeen bijzonder onderwijs zou een scheiding teweegbrengen tussen de geestelijke, sociale en cognitieve ontwikkeling van de dochter van verdachte. Inzichten die zij van de verdachte meekrijgt zijn niet toe te passen op een dergelijke school, aldus de verdachte.
B.2.2 Bedenkingen tegen het protestants-christelijke en rooms-katholieke onderwijs De richting van het confessionele onderwijs weerspreekt het spiritueel holisme en is statisch van aard. Het onderwijs is gebaseerd op de Bijbel en niet op de ontwikkeling van de eigen ervaring en persoonlijkheid. De verdachte heeft ook bezwaar tegen de aanname dat God en de mensen fundamenteel van elkaar gescheiden zouden zijn. Met betrekking tot het katholicisme kan de verdachte zich niet verenigen met de autoriteit van de Paus.
B.2.3 Bedenkingen tegen het antroposofisch onderwijs Het antroposofisch onderwijs kent gezag toe aan de geschriften van Rudolf Steiner. De verdachte heeft daar bezwaar tegen, aangezien dat ervaringsgeoriënteerde spirituele ontwikkeling in de weg zou staan. Voorts zijn er veel elementen uit het christendom in deze richting opgenomen. Ten slotte heeft de verdachte bezwaar tegen de antroposofie omdat die lichaam, ziel en geest als gescheiden ziet en niet als een essentiële eenheid, zoals in het spiritueel holisme.
B.2.4 Bedenkingen die in hoger beroep naar voren zijn gebracht
De verdachte heeft bij brief van 23 september 2021 een beschrijving gegeven van haar levensbeschouwing, zijnde het spiritueel holisme. Ter terechtzitting van het hof van 29 september 2021 heeft de verdachte aanvullend verklaard dat de spiritueel holistische blik breed is. Het openbare en algemeen bijzondere onderwijs is neutraal van aard en daarom niet spiritueel holistisch. Op vragen van het hof hoe vakken als rekenen en taal/lezen binnen het openbare onderwijs ongeschikt zouden zijn binnen het spiritueel holisme als levensbeschouwing, heeft de verdachte verklaard dat deze vakken binnen het openbare onderwijs gebracht worden vanuit de openbare schoolnormen, terwijl de verdachte alle vakken vanuit een spiritueel holistisch oogpunt behandelt.
B.3 Toetsing of aan de vrijstellingsbepaling is voldaan
Het hof stelt allereerst vast dat de overwegende bedenkingen die door de verdachte zijn aangevoerd verband houden met ernstige gemoedsbezwaren van de verdachte die berusten op een welbepaalde levensbeschouwing, te weten het spiritueel holisme. Deze bedenkingen hebben voorts betrekking op de richting en derhalve de fundamentele oriëntatie van de betreffende binnen redelijke afstand in of nabij Eindhoven gelegen scholen, welke richting c.q. fundamentele oriëntatie is ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing.
Het hof heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uitgenodigd om haar overwegende bedenkingen concreet te maken, met name daar waar het haar bedenkingen tegen het openbare onderwijs betreft. Het hof is van oordeel dat de verdachte daarbij in algemeenheden is blijven steken door alleen te stellen dat sprake zou zijn van neutraliteit bij in het bijzonder de openbare scholen die zich bevinden op redelijke afstand van haar voormalige woning. De verdachte heeft in dat verband nagelaten concreet te maken wat daarvan specifiek het bezwaar zou zijn. Het enkele feit dat de verdachte ten overstaan van het hof heeft verklaard dat door die neutraliteit schoolvakken niet uit spiritueel holistisch oogpunt worden behandeld, maakt naar ’s hofs oordeel niet dat de verdachte die bedenkingen tegen het openbare onderwijs voldoende concreet heeft gemaakt. De omstandigheid dat de verdachte bij schrijven van 31 oktober 2019 in algemene zin te kennen heeft gegeven dat het openbaar of algemeen bijzonder onderwijs een scheiding teweeg zou brengen tussen de geestelijke, sociale en cognitieve ontwikkeling van haar dochter dwingt evenmin tot een ander oordeel, temeer nu ook daaraan in hoger beroep geen nadere invulling is gegeven.
Het vorenoverwogene leidt het hof derhalve tot het oordeel dat de bedenkingen aan de zijde van de verdachte met betrekking tot de scholen op redelijke afstand van haar woning, tenminste daar waar het de openbare scholen betreft, onvoldoende concreet en daarmee eveneens onvoldoende zwaarwegend zijn. Bij die stand van zaken is het hof, met de kantonrechter en de advocaat-generaal, van oordeel dat de verdachte geen geslaagd beroep toekomt op de vrijstelling ex artikel 5, aanhef en sub b, van de Leerplichtwet 1969. Derhalve was de verdachte gehouden ervoor te zorgen dat haar dochter overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 als leerling van een school stond ingeschreven en dat haar dochter deze school na inschrijving geregeld zou bezoeken. Nu daar blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen niet aan is voldaan, kan het tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen.
Het hof hecht er ten slotte nog aan op te merken dat het de verdachte vrij staat de jongere, indien binnen redelijke afstand geen school is te vinden waartegen geen richtingsbezwaren bestaan, elders in het land voor een school in te schrijven of zelf een dergelijke school op te richten, dan wel om haar dochter na schooltijd en in het weekend onderwijs te geven of te laten volgen dat in overeenstemming is met haar levensbeschouwing.
C.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969. De Leerplichtwet 1969 biedt het wettelijke kader om te garanderen dat kinderen het onderwijs genieten waar zij recht op hebben. Met schoolbezoek zijn zwaarwegende belangen gemoeid en het is dan ook een maatschappelijk belang dat de Leerplichtwet 1969 wordt gehandhaafd. Dat wordt niet anders indien ouders bij het niet naleven van de Leerplichtwet 1969 handelen in de overtuiging het belang van hun kind te dienen.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 augustus 2021, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij alleenstaand is, dat haar dochter bij haar inwoont, dat zij recent zijn verhuisd naar [woonplaats verdachte] en dat zij een onderneming is gestart in het geven van ceremoniële maansessies. De verdachte genoot tot voor kort een uitkering op grond van de Bijstandswet en heeft het financieel niet breed.
Het hof heeft bij de straftoemeting tevens in aanmerking genomen dat voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte op adequate wijze thuisonderwijs aan haar dochter geeft, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat zij een certificaat van de Stichting Keurmerk Thuisonderwijs heeft verworven.
Alles afwegende acht het hof, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, oplegging van een geldboete ter hoogte van € 400,00 subsidiair 8 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Met oplegging van voormelde voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt haar daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis;
bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen en mr. A. van Kaathoven, griffiers,
en op 13 oktober 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑10‑2021
Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1967/68, 9039, nr. 5, p. 14.
Hoge Raad 19 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC6812.
Hoge Raad 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, NJ 2010/422.
Hoge Raad 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9201, NJ 2012/270.
Hoge Raad 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1985, NJ 2000/703.
Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1071, NJ 2018/415.
Hoge Raad 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453.
Hoge Raad 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1925.
Uitspraak 15‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Leerplichtwet 1969. De verdachte is ter zake van telkens als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen veroordeeld. Het hof is van oordeel dat het toetsingskader uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1925) niet in strijd is met artikel 6 en artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Daarnaast is het hof van oordeel dat aan de verdachte geen geslaagd beroep op de zogenaamde vrijstelling op grond van artikel 5, aanhef en onder, van de Leerplichtwet 1969 toekomt, nu de door de verdachte naar voren gebrachte bedenkingen onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend zijn.
Partij(en)
Parketnummer : 20-000526-18
Uitspraak : 15 juni 2021
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 februari 2018, in de strafzaak met parketnummer 02-114255-17 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van overtreding van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 veroordeeld tot een geldboete van € 600,00 euro, subsidiair 12 dagen hechtenis, waarvan € 300,00 euro, subsidiair 6 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 300,00, subsidiair 6 dagen hechtenis, te betalen in 6 termijnen van elk € 50,00 per maand, en voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week, met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Omwille van de duidelijkheid en de leesbaarheid van het arrest zal het hof het tenlastegelegde splitsen in de feiten 1A en 1B. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1A.hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 november 2016 tot en met 29 mei 2017, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam jongere 1] , geboren op [geboortedatum jongere 1] , althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven;
1B.hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 november 2016 tot en met 29 mei 2017, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam jongere 2] , geboren op [geboortedatum jongere 2] , althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder 1A en 1B heeft begaan, met dien verstande dat:
1A.hij in de periode van 25 november 2016 tot en met 29 mei 2017 in Nederland, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam jongere 1] , geboren op [geboortedatum jongere 1] , niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven;
1B.hij in de periode van 1 februari 2017 tot en met 29 mei 2017 in Nederland, terwijl hij als degene die het gezag uitoefende over de jongere [naam jongere 2] , geboren op [geboortedatum jongere 2] , niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere, als leerling van een school, was ingeschreven.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde onder 1A en 1B heeft begaan. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1.
Een proces-verbaal leerplicht (schooljaar 2016-2017, nummer 0870-2016-2017-03, melding absoluut schoolverzuim, gemeente [gemeente] ), d.d. 30 mei 2017, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [naam verbalisant] (leerplichtambtenaar en buitengewoon opsporingsambtenaar):
Op 8 december 2016, is mij, leerplichtambtenaar in dienst van de gemeente [gemeente] , belast met de handhaving van de Leerplichtwet 1969, daartoe aangewezen door burgemeester en wethouders, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar gebleken dat de, op de startdatum van het verzuim, en al sinds 28 augustus 2015, leerplichtige jongere:
Naam en BSN: [naam jongere 1] , BSN: [BSN]
Geboortedatum en gemeente/land: [geboortedatum jongere 1] te [gemeente] , Nederland
Pc/Woonplaats: [postcode en woonplaats]
nog steeds niet op enige school of onderwijsinstelling was ingeschreven.
Daarnaast is mij gebleken dat ook de hieronder genoemde jongere sinds 1 februari 2017 leerplichtig is en sinds 1 februari 2017 niet staat ingeschreven op een school of onderwijsinstelling:
Naam en BSN: [naam jongere 2] , BSN: [BSN]
Geboortedatum en gemeente/land: [geboortedatum jongere 2] te [gemeente] , Nederland
Pc/Woonplaats: [postcode en woonplaats]
Ik heb de ouders daarop op 3 mei 2017, te [gemeente] als verdachten opgeroepen voor een verhoor dat zou plaatsvinden op 9 mei 2017. Zij hebben geen gehoor gegeven aan de oproep.
Ouder 1 en BSN: [verdachte] , BSN: [BSN]
Geboortedatum en gemeente/land: [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats] , Nederland
Pc/Woonplaats: [postcode en woonplaats]
Ouder 2 en BSN: [naam partner verdachte] , BSN: [BSN]
Geboortedatum en gemeente/land: [geboortedatum] te [gemeente] , Nederland
Pc/Woonplaats: [postcode en woonplaats]
Verder bleek mij dat voor genoemde minderjarige (het hof begrijpt: minderjarigen) geen vrijstelling als bedoeld in artikel 5, 5a of 15 van de Leerplichtwet 1969 was verleend. Voorts is mij gebleken, dat artikel 5 van deze wet niet van toepassing is, omdat de ouders de in artikel 6 bedoelde kennisgeving niet hebben ingediend.
Het wettig gezag ligt bij beide ouders. De feitelijke verzorging ligt bij beide ouders.
Bijzonderheden
Schoolloopbaan: geen
Huidige inschrijving: geen
Deze cliënten hebben op de rapportagedatum, 29 mei 2017, geen actuele inschrijving in ons registratiesysteem.
2.
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 22 februari 2021, voor zover inhoudende:
Het klopt dat mijn vrouw en ik het gezag hebben over onze kinderen. Het is juist dat
mijn kinderen, [naam jongere 1] en [naam jongere 2] , in de tenlastegelegde periode niet
als leerlingen van een school waren ingeschreven.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de verdachte een geslaagd beroep op de zogenaamde vrijstelling op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 toekomt.
Voorafgaand aan de formulering en behandeling van de verweren van de verdediging stelt het hof het navolgende algemene juridische kader voorop, zoals advocaat-generaal D.J.C. Aben op 30 maart 2021 onder “algemene beschouwingen over de vrijstellingsgrond ‘richtingsbezwaren’” bij het Parket bij de Hoge Raad heeft geformuleerd (ECLI:NL:PHR:2021:306):
“Op grond van het eerste lid van artikel 2 Lpw is degene die het gezag uitoefent dan wel degene die met de feitelijke verzorging van een minderjarig kind is belast verplicht om, zodra het leerplichtig is: (1) het kind in te schrijven als leerling van een school en (2) te zorgen dat het kind deze school geregeld bezoekt. Op deze schoolplicht bestaan enkele vrijstellingen. Een van die vrijstellingen is het zogenoemde ‘richtingsbezwaar’ bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, Lpw. Dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde als volgt:
“De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling is ingeschreven, zolang (...)
b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben.”
In de memorie van antwoord werd over deze grond voor vrijstelling opgemerkt:
“Onder „overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs" moet worden verstaan een bezwaar dat zwaarder weegt dan het nadeel dat het kind in het geheel geen onderwijs krijgt. Dit is een zo persoonlijke zaak, dat een zuivere beoordeling door de een of andere instantie, naar de mening van de ondergetekende nauwelijks mogelijk is”, aldus de staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen.
Indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, ontstaat de vrijstelling van de schoolplicht van rechtswege.
(…)
Doordat de vrijstelling van de schoolplicht van rechtswege ontstaat indien aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan, en de vrijstelling dus niet wordt ‘verleend’ bij een – voor bezwaar of beroep vatbaar – besluit van een bestuursorgaan, wordt het beroep op de vrijstelling niet getoetst door de bestuursrechter. Het is de strafrechter die beoordeelt of de voorwaarden voor de vrijstelling zijn vervuld, zulks in het kader van een strafvervolging die doorgaans wordt ingesteld naar aanleiding van een proces-verbaal dat door de leerplichtambtenaar is opgemaakt.
De afgelopen decennia heeft de strafrechtspraak met betrekking tot de beoordeling van een beroep op vrijstelling dat is gegrond op richtingsbezwaren niet stilgestaan. Aan de rechtspraak kan samengevat het volgende beoordelingskader worden ontleend:
(i) wanneer een beroep wordt gedaan op de vrijstellingsgrond dient de rechter te onderzoeken of het bezwaar de ‘richting’ van het onderwijs betreft;
(ii) onder het begrip ‘richting’ kan worden verstaan een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing;
(iii) bedenkingen tegen de richting van het onderwijs kunnen ook het ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs betreffen. De bedenkingen kunnen derhalve ook gericht zijn tegen de richting van het openbaar onderwijs;
(iv) onder ‘overwegend bezwaar tegen de richting van het onderwijs’ kan niet worden verstaan bezwaar tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs;
(v) van ‘overwegende bedenkingen’ is op grond van de hierover onder (i), (ii), (iii) en (iv) genoemde overwegingen dan ook pas sprake in geval van ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing;
(vi) degene die zich op deze vrijstelling beroept, dient – gelet op het voorgaande – duidelijk aan te geven wat zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, zodat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen.
Dit kader heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1925, als volgt samengevat weergegeven:
“2.4.4. Van overwegende bedenkingen in de zin van artikel 5 aanhef en onder b Lpw kan daarom alleen sprake zijn indien de overwegende bedenkingen die worden aangevoerd, i) verband houden met ernstige gemoedsbezwaren van de in artikel 2 lid 1 Lpw bedoelde persoon die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, ii) betrekking hebben op de richting en derhalve de fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing, van - kort gezegd - het in artikel 5 aanhef en onder b Lpw bedoelde onderwijs en iii) voldoende concrete en voldoende zwaarwegende bezwaren betreffen die verband houden met onderwijs zoals een school dat kan bieden.
2.4.5. Indien de rechter oordeelt dat niet aan één van de hiervoor genoemde vereisten wordt voldaan, kan hij reeds op die grond het beroep op de vrijstellingsgrond als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw afwijzen, zonder dat hij hoeft te onderzoeken of voldaan is aan de overige vereisten.”
Bij de beoordeling van een beroep op de vrijstellingsgrond moet de rechter dus nagaan of de door de verdachte voorgedragen bedenkingen daadwerkelijk bedenkingen zijn tegen de richting van de school of de instelling. Daarbij mag de rechter niet treden in de beoordeling van het gewicht van die bedenkingen.
‘Richting’ is een lastig begrip dat zich niet in één zin laat vangen. Zoals hiervoor onder (ii) weergegeven heeft de Hoge Raad hierover eerst opgemerkt dat onder ‘richting’ kan worden verstaan: een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Onder het begrip ‘bezwaren tegen de richting van het onderwijs’ kan in ieder geval niet worden begrepen een voorkeur voor thuisonderwijs of een voorkeur uit pedagogische overwegingen. Ook de enkele omstandigheid dat de betrokken ouder zelf het bezwaar heeft aangemerkt als stoelend op een levensovertuiging brengt niet mee dat dit bezwaar reeds om die reden kan worden aangemerkt als een overwegende bedenking tegen de richting van het onderwijs op alle scholen die binnen een redelijke afstand van de woning zijn gelegen.”
Tegen bovenstaande achtergrond zal het hof de door de verdediging gevoerde verweren bespreken.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging, op gronden zoals verwoord in de pleitnota en de aanvulling op de pleitnota, vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de verdediging, zo begrijpt het hof in de kern aangevoerd:
Het toetsingskader zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1925) is in strijd met artikel 6 en artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) en dit toetsingskader, zoals uiteengezet in rechtsoverweging 2.4.4 en 2.4.5, dient dan ook buiten toepassing te worden gelaten;
o De strijdigheid met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is gelegen in de omstandigheid dat de bewijslast dat het zou gaan om richtingsbezwaren volledig bij de verdachte wordt neergelegd en op geen enkele wijze bij het Openbaar Ministerie. Hierdoor wordt de onschuldpresumptie, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, geschonden, nu de schuld van de verdachte hierdoor direct vast zou staan.
o De strijdigheid met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is gelegen in de omstandigheid dat een te vergaande beoordeling van de naar voren gebrachte richtingsbezwaren leidt tot een te beperkte uitleg van de vrijstellingsbepaling van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 en aldus tot inbreuk op het recht op vrijheid van godsdienst, zoals bedoeld in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Mocht het hof van oordeel zijn dat het hierboven vermelde toetsingskader van de Hoge Raad van 17 december 2019 wel van toepassing is, zijn met betrekking tot de overwegende bedenkingen van de verdachte in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 voldoende concrete en voldoende zwaarwegende richtingsbezwaren naar voren gebracht waardoor de verdachte bij de afweging hiervan recht heeft op bovengenoemde vrijstelling.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor zover de verdachte zelf tijdens de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep bezwaren heeft geformuleerd die betrekking hebben op de inrichting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen overweegt het hof dat deze bezwaren niet aan te merken zijn als bedenkingen in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969. Derhalve laat het hof deze bezwaren onbesproken.
Ad I met betrekking tot artikel 6 EVRM.
Het hof is van oordeel dat het standpunt van de verdediging dat het hiervoor vermelde toetsingskader van de Hoge Raad in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens omdat de bewijslast dat het zou gaan om richtingsbezwaren volledig bij de verdachte wordt neergelegd en op geen enkele wijze bij het Openbaar Ministerie en hierdoor de schuld van de verdachte direct vast zou komen te staan, berust op een onjuiste opvatting. Zoals hiervoor vermeld brengt artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, met zich dat degene die het gezag uitoefent over dan wel degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, verplicht is om die jongere, zodra die leerplichtig is, in te schrijven als leerling van een school en te zorgen dat het kind deze school geregeld bezoekt. Degene die hier niet aan voldoet, maakt zich schuldig aan overtreding van dit artikel. Het Openbaar Ministerie is degene die bewijsmiddelen moet aandragen die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van overtreding van artikel 2, eerste lid, Leerplichtwet 1969. Indien degene die zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van deze bepaling een beroep wenst te doen op een vrijstelling zoals bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969, ligt het (vervolgens) op de weg van deze persoon feiten en omstandigheden aan te dragen die -mits aannemelijk geworden- een beroep op deze vrijstelling rechtvaardigen.
Gelet op het voorgaande ligt de bewijslast van het strafbare feit, artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, niet bij de verdachte, maar bij het Openbaar Ministerie. In onderhavige zaak bestaat geen discussie dat dit artikel is overtreden, gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen. Het verweer van de verdediging dat de bewijslast bij de verdachte ligt en dat dit in strijd zou zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, wordt derhalve verworpen.
Ad I met betrekking tot artikel 9 EVRM.
Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat het bovengenoemde toetsingskader van de Hoge Raad in strijd is met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens overweegt het hof als volgt.
Bij arrest van 15 februari 2011 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2011:BM6898) onder meer een oordeel gegeven omtrent de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 en artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het oordeel van de Hoge Raad komt er in de kern op neer dat vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 verder gaat dan de genoemde verdragsbepalingen vereisen. Het staat de inschrijvingsplichtige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 immers vrij de jongere, indien binnen redelijke afstand geen school is te vinden waartegen geen richtingsbezwaren bestaan, elders in het land voor een school in te schrijven of zelf een dergelijke school op te richten, dan wel om hem/haar na schooltijd en in het weekend onderwijs te laten volgen dat in overeenstemming is met zijn levensbeschouwing. Anders gezegd: vrijstelling als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 is niet cruciaal voor eerbiediging van artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Hierbij heeft de Hoge Raad nog opgemerkt dat de omstandigheid dat ouders op grond van artikel 9 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens de vrijheid hebben om hun – al dan niet gewijzigde – godsdienst of levensbeschouwing in het onderwijs aan hun kinderen tot uitdrukking te (laten) brengen en dat de overheid volgens artikel 2 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van ouders om zich van dat onderwijs dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging te verzekeren dient te eerbiedigen, niet tot gevolg heeft dat ingeval zich binnen redelijke afstand van de woning niet een school bevindt waar onderwijs wordt gegeven dat overeenstemt met hun eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, zij zijn vrijgesteld van de in artikel 2 van de Leerplichtwet 1969 bedoelde inschrijfplicht en dat zij gerechtigd zijn hun kind uitsluitend huisonderwijs te (laten) geven. De overheid is onder die omstandigheden evenmin gehouden een binnen redelijke afstand van de woning gelegen school van de door die ouders gewenste godsdienstige of levensbeschouwelijke richting op te richten.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het hanteren van het toetsingskader van de Hoge Raad van 17 december 2019 bij de beoordeling van de richtingsbezwaren die in het kader van een beroep op de vrijstellingsbepaling zoals bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 naar voren zijn gebracht, niet leidt tot een inbreuk op het recht op vrijheid van godsdienst, zoals bedoeld in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het verweer van de verdediging op dit onderdeel wordt derhalve verworpen.
Derhalve verwerpt het hof het onder I gevoerde verweer als geheel en zal het hof mitsdien het toetsingskader zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2019 toepassen.
Ad II.
Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat ten aanzien van de overwegende bedenkingen van de verdachte in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 door de verdachte voldoende concrete en voldoende zwaarwegende richtingsbezwaren naar voren zijn gebracht, waardoor de verdachte bij de beoordeling hiervan vrijstelling van de inschrijfplicht toekomt, overweegt het hof als volgt.
Ter terechtzitting van 22 februari 2021 is de verdachte bij herhaling uitgenodigd door het hof om zijn overwegende bedenkingen concreet te maken. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte in algemeenheden is blijven steken door te stellen dat sprake zou zijn van geestelijke passiviteit bij de reformatorische scholen die zich bevinden op redelijke afstand van zijn woning zonder concreet te maken waaruit die geestelijke passiviteit bestaat. Door de verdachte is ter terechtzitting van 22 februari 2021 een stuk overgelegd met de titel “Puritanisme verschilt van Reformatorische richtingen”. Ook dat stuk maakt niet duidelijk waaruit de reformatorische houding van geestelijke passiviteit bestaat. De stelling dat kinderen op reformatorische scholen een passieve geloofshouding krijgen aangeleerd, is naar het oordeel van het hof in het licht van het verhandelde ter terechtzitting van 22 februari 2021 (proces-verbaal pagina 4-6) onvoldoende onderbouwd en daarmee onvoldoende concreet. Ook de opvatting van de verdachte dat de leer en het leven in overeenstemming met de Bijbel en de Drie Formulieren van Enigheid moeten zijn, en dat dit niet is terug te zien bij deze scholen, blijft steken in algemeenheden. Hierbij heeft de verdachte verklaard dat de reformatorische scholen in de omgeving, welke scholen op de grondslag van de Bijbel en de Drie Formulieren van Enigheid zijn gevestigd, niet een volle weerspiegeling betreffen van de overtuigingen van hem en zijn vrouw. Naar het oordeel van het hof impliceert deze verklaring van de verdachte dat derhalve wel degelijk een overlap bestaat tussen zijn overtuigingen en die van reformatorische scholen. Dat maakt dat de opvatting van de verdachte niet alleen onvoldoende concreet maar eveneens onvoldoende zwaarwegend is. Voorts merkt het hof op dat het de verdachte vrij staat de jongere, indien binnen redelijke afstand geen school is te vinden waartegen geen richtingsbezwaren bestaan, elders in het land voor een school in te schrijven of zelf een dergelijke school op te richten, dan wel om hem/haar na schooltijd en in het weekend onderwijs te geven of te laten volgen dat in overeenstemming is met zijn godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de bedenkingen aan de zijde van de verdachte met betrekking tot de scholen op redelijke afstand van de woning onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend zijn.
Mitsdien verwerpt het hof het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen..
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1A en 1B bewezenverklaarde levert telkens op:
als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969. De Leerplichtwet 1969 biedt het wettelijke kader om te garanderen dat kinderen het onderwijs genieten waar zij recht op hebben. Met schoolbezoek zijn zwaarwegende belangen gemoeid en het is dan ook een maatschappelijk belang dat de Leerplichtwet 1969 wordt gehandhaafd. Dat wordt niet anders indien die ouders/verzorgers bij het niet naleven van de Leerplichtwet 1969 handelen in de overtuiging het belang van hun kinderen te dienen.
Hoewel uit de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 16 maart 2021, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, niet blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, is het hof uit het dossier gebleken dat de verdachte op 25 november 2016 door de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, schuldig is verklaard zonder oplegging van straf of maatregel ter zake van overtreding van artikel 2, eerste lid (het hof begrijpt: van de Leerplichtwet 1969) met betrekking tot verdachtes dochter [naam jongere 1] in de pleegperiode 7 september 2015 tot en met 15 november 2015.
In de ten tijde van het bewezenverklaarde geldende Richtlijn voor strafvordering strafrechtelijke aanpak schoolverzuim wordt in geval van eenmaal recidive in vijf jaar als uitgangspunt genoemd een geldboete ter hoogte van € 1.125,00 en voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren.
In verband met de omstandigheid dat de verdachte zich in de bewezenverklaarde periode tweemaal schuldig heeft gemaakt aan het aan hem tenlastegelegde, te weten met betrekking tot [naam jongere 1] en [naam jongere 2] , en het hof op de voet van artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht gebonden is om per overtreding een aparte straf op te leggen, zal het hof met betrekking tot het bewezenverklaarde onder 1A ( [naam jongere 1] ) een geldboete en met betrekking tot het bewezenverklaarde onder 1B ( [naam jongere 2] ) een voorwaardelijke hechtenis opleggen.
Gelet op de draagkracht van de verdachte is het hof van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 1.125,00 niet passend is. Derhalve zal het hof in beginsel volstaan met oplegging van een geldboete ter hoogte van € 600,00, subsidiair 12 dagen hechtenis, te betalen in 12 maandelijkse termijnen van elk € 50,00 (ten aanzien van het onder 1A bewezenverklaarde), en voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren (ten aanzien van het onder 1B bewezenverklaarde).
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof ambtshalve het navolgende.
Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld.
Het hof stelt vast dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden.
Door de verdachte is op 14 februari 2018 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof pas bij arrest van heden, 15 juni 2021, arrest wijst. Derhalve is er sprake van een overschrijding van 1 jaar en 4 maanden. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd dient te worden in de op te leggen straf.
Zoals hiervoor vermeld is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een geldboete ter hoogte van € 600,00, subsidiair 12 dagen hechtenis, te betalen in 12 maandelijkse termijnen van elk € 50,00 (ten aanzien van het onder 1A bewezenverklaarde), en voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren (ten aanzien van het onder 1B bewezenverklaarde) passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, is het hof van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 300,00, subsidiair 6 dagen hechtenis, te betalen in 6 maandelijkse termijnen van elk € 50,00 (ten aanzien van het onder 1A bewezenverklaarde) en een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren (ten aanzien van het onder 1B bewezenverklaarde) passend en geboden is.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1A en 1B tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1A en 1B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het onder 1A bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.
Bepaalt dat het totaal van de geldboete mag worden voldaan in 6 (zes) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 50,00 (vijftig euro).
Ten aanzien van het onder 1B bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week.
Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. K.J. van Dijk, voorzitter,
mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. A.H.T. de Haas, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 15 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.