Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/2.3.4
2.3.4 Het retentierecht van de houder op grond van art. 3:124 jo. 3:120 lid 2 en 3 BW
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS586345:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:120 e.v. BW is de voortzetting van art. 630 e.v. (oud) BW. Zie uitgebreid over het retentierecht van de bezitter onder oud recht: Fesevur 1988, p. 118-123 en zie over art. 3:120 lid 3 BW verder Van Schaick 2014/40.
Volgens de Toelichting Meijers (Parl. Gesch. Boek 3, p. 455) is voor de goede trouw: “beslissend wat hij wist of behoorde te weten omtrent de bevoegdheid van die ander ten aanzien van het goed”. Van Schaick 2014/48 interpreteert dit in die zin dat de houder meende en mocht menen dat degene die hem de macht verschafte, hiertoe bevoegd was. Dit correspondeert met het criterium van art. 3:291 lid 2 BW.
Onder het Oud BW bestond er, in navolging van het Romeinse recht, een verschil tussen de kosten ten nutte van de zaak en tot ‘verfraaiing’. Deze laatste kwamen alleen voor vergoeding in aanmerking, voor zover ze tot waardevermeerdering hadden geleid. Het onderscheid gaf aanleiding voor afbakeningsproblemen en is nu juist weggelaten in het huidige BW, zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 447. Volgens Van Schaick 2014/37 kan het onderscheid echter nog wel dienen als richtlijn voor de hoogte van de kostenvergoeding.
Zie in deze zin Van Schaick 2014/46. In schijnbaar andere zin Van Schaick 2014/30.
Maar zie wel par. 6.2.5 over de vordering van de retentor uit ongerechtvaardigde verrijking.
43. Art. 3:120 lid 3 BW kent de bezitter te goeder trouw een retentierecht toe jegens de eigenaar die de zaak opeist. Dat retentierecht heeft hij, zolang de eigenaar hem niet de vergoeding heeft betaald voor kosten, gemaakt ten behoeve van het goed en schade waarvoor hij als bezitter jegens een derde aansprakelijk is op grond van art. 6:173 e.v. BW (art. 3:120 lid 2 BW).Art. 3:120 lid 3 BW maakt onderdeel uit van de regeling van de aanspraken van de bezitter jegens de eigenaar en vice versa, indien de eigenaar wordt hersteld in zijn bezit.1
Art. 3:124 BW verklaart de artikelen 3:120 t/m 3:123 BW van overeenkomstige toepassing op de houder (in enge zin) die houdt voor de bezitter, van wie de rechthebbende het goed opeist. Art. 3:124 BW in samenhang met art 3:120 lid 2 BW brengt mee, dat de houder te goeder trouw2 op grond van art. 3:120 lid 2 BW een (eigen) vordering heeft op de rechthebbende tot vergoeding van de ten behoeve van het goed gemaakte kosten. Voor deze vordering op de rechthebbende kan hij een retentierecht uitoefenen jegens de (bezitter en de) eigenaar die de zaak bij hem opeist. De houder te goeder trouw heeft dus op dezelfde voet als een bezitter te goeder trouw een vordering tot vergoeding van kosten en een retentierecht voor deze vordering jegens de eigenaar.3
Het is van belang om iets nader in te gaan op dit recht op vergoeding van de houder jegens de eigenaar. Dit brengt namelijk mee dat als een bezitter de zaak heeft doen repareren, de reparateur-houder niet alleen een vordering op de bezitter heeft vanwege de reparaties, maar eveneens een vordering op de derde-rechthebbende vanwege kosten ten behoeve van het goed (mits hij te goeder trouw is). Dit is bijzonder, omdat de derde-rechthebbende niet de schuldenaar van de reparateur is; tussen hen bestaat geen verbintenis. Wel zal de vordering tot vergoeding van kosten ten behoeve van de zaak doorgaans lager zijn dan de gehele vordering van de reparateur.4 In verband met deze vordering van de houder op grond van art. 3:124 BW is een belangrijke vraag, of het artikel ook van toepassing is op een retentierecht dat niet voortvloeit uit een rechtsverhouding tussen een bezitter en diens houder, maar ook op retentierechten uit andere rechtsverhoudingen. Deze vraag stelt de reikwijdte van art. 3:120-3:123 BW aan de orde. Kunnen deze artikelen ook worden toegepast buiten de verhouding rechthebbende tegenover bezitter? Ik meen dat dit niet mogelijk is.5 De artikelen bevatten een regeling voor het specifieke geval dat de hoedanigheid van bezit en eigendom uit elkaar lopen. Ze regelen de afwikkeling van de aanspraken over en weer, op het moment dat de eigenaar zijn zaak opeist bij de bezitter. Dit geval kan niet op één lijn worden gesteld met de verhouding tussen de eigenaar en diens ‘eigen’ houder. De afwikkeling van de verhouding tussen de eigenaar en diens houder, gebeurt aan de hand van hun rechtsverhouding. Zou dit anders zijn, dan zou iedere retentor die een goed van een derde terughoudt op grond van art. 3:124 BW een vordering tot vergoeding van kosten ten behoeve van de zaak hebben. Daarvoor bestaat echter niet altijd een wettelijke grondslag.6
De conclusie is dan ook dat art. 3:124 BW de houder alleen een vordering jegens de derde-rechthebbende geeft en een retentierecht voor die vordering, wanneer hij zijn houderschap afleidt van een bezitter, niet- eigenaar. Wanneer zijn wederpartij niet bezitter, niet-eigenaar is (maar houder), zijn de artt. 3:120-3:123 BW niet van toepassing.