RBP 2024/97
Kort geding. Als hoger beroep zich richt tegen toewijzing van vorderingen versterkt met dwangsomveroordeling bij verstek en in verzetprocedure, dient appelrechter als hij oordeelt dat spoedeisend belang ten tijde van zijn beslissing ontbreekt en ontbrak ten tijde van verzetvonnis, te onderzoeken of toewijzing van de vordering met dwangsomveroordeling in het verstekvonnis terecht was?
HR 25-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1541
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 oktober 2024
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide
- Zaaknummer
23/02578
- Conclusie
A-G mr. G.R.B. van Peursem
- JCDI
JCDI:ADS994944:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Beslag en executie
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1541, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:731, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑07‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑07‑2023
- Wetingang
Art. 254 Rv
Essentie
Kort geding. Dwangsommen. Spoedeisend belang.
Als hoger beroep zich richt tegen toewijzing van vorderingen versterkt met dwangsomveroordeling bij verstek en in verzetprocedure, dient appelrechter als hij oordeelt dat spoedeisend belang ten tijde van de beslissing ontbreekt en ontbrak ten tijde van verzetvonnis, te onderzoeken of toewijzing van de vordering met dwangsomveroordeling in het verstekvonnis terecht was?
Samenvatting
Eiseres tot cassatie heeft een kort geding aanhangig gemaakt tegen de verweerders in cassatie. Laatstgenoemden zijn in die procedure niet verschenen. Bij verstekvonnis zijn vorderingen toegewezen op straffe van verbeurte van dwangsommen. Verweerders in cassatie zijn in verzet gekomen. In ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.