Uit de ‘akte cassatie’ blijkt dat het cassatieberoep onbeperkt is ingesteld.
HR, 05-12-2017, nr. 16/04963
ECLI:NL:HR:2017:3059
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-12-2017
- Zaaknummer
16/04963
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:3059, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 05‑12‑2017; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1266, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2017:1266, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 26‑09‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:3059, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑12‑2016
- Vindplaatsen
NJ 2018/197 met annotatie van N. Rozemond
SR-Updates.nl 2017-0481 met annotatie van J.H.J. Verbaan
GZR-Updates.nl 2018-0004 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NbSr 2018/64
Uitspraak 05‑12‑2017
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. ontucht door arbeidsdeskundige werkzaam bij uitkeringsinstantie vrouw in re-integratietraject, art. 249.2.3 Sr. Werkzaam in de maatschappelijke zorg? Kennelijk heeft het Hof bij zijn oordeel tot uitgangspunt genomen dat voor de toepasselijkheid van art. 249.2.3 Sr is vereist dat sprake is van een "formele behandelrelatie" tussen degene die werkzaam is in de maatschappelijke zorg en degene die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd. Dat uitgangspunt is te beperkt en daarom onjuist. Art. 249.2.3 Sr kan ook toepassing vinden indien in feitelijke zin sprake is van een relatie a.b.i. deze wetsbepaling (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP2630). Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
5 december 2017
Strafkamer
nr. S 16/04963
EC/NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 4 juli 2016, nummer 21/006949-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadslieden van de verdachte, J.J. Bussink en W.J. Ausma, beiden advocaat te Utrecht, hebben het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadsman van de verdachte, J.J. Bussink, heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer dat aan de vrijspraak van het aan de verdachte onder C tenlastegelegde een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag ligt.
2.2.1.
Aan de verdachte is onder C tenlastegelegd dat:
"hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012, te Utrecht en/of Lopik, terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), ontucht heeft gepleegd met [betrokkene 1], die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen en/of zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd, hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk
- zijn lichaam tegen het lichaam van [betrokkene 1] aangeduwd/aangedrukt en/of
- (over de kleding) de schaamstreek van [betrokkene 1] aangeraakt en/of gestreeld en/of
- [betrokkene 1], in zijn bijzijn, haar eigen vagina laten betasten en/of strelen en/of
- een of meerdere vinger(s) en/of een of meerdere vibrator(s) en/of zijn penis in de vagina en/of de anus van [betrokkene 1] gebracht en/of geduwd en/of bewogen en/of
- de vagina van [betrokkene 1] gelikt."
2.2.2.
De verdachte is van dit tenlastegelegde vrijgesproken. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:
"Verdachte is tenlastegelegd dat hij, terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), ontucht heeft gepleegd met aangeefster, die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen en/of zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd.
Zowel de verdediging als de advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor wat betreft het onderdeel 'als ambtenaar, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) (...) aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd', nu uit de aanvullende informatie van het UWV is gebleken dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode formeel niet meer de arbeidsdeskundige van aangeefster was en ook geen enkele rol meer speelde bij haar verdere reïntegratietraject. Het hof zal daarom, evenals de rechtbank, verdachte vrijspreken voor wat betreft dit onderdeel van te tenlastelegging.
Wat betreft de vraag of de hulpverleningsrelatie tussen verdachte en aangeefster valt onder het begrip 'maatschappelijke zorg' zoals bedoeld in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht, merkt het hof op dat in de Memorie van Toelichting behorende bij het wetsvoorstel betreffende de Wijziging van de artikelen 242, 243, 246, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 20 930, nr. 3) hieromtrent het volgende wordt opgemerkt:
'(...) Artikel 249, tweede lid, 2°, beschermt onder andere degenen die in een inrichting zijn opgenomen tegen op hen gerichte seksuele verlangens van degenen die daar werkzaam zijn. In de vorige paragraaf werd gesignaleerd dat het artikel personen die in een inrichting zijn opgenomen geen bescherming biedt tegen anderen dan de in het artikel genoemde functionarissen, wat in het bijzonder ten aanzien van personen die aan een psychische stoornis lijden een ernstige leemte is.
(...)
Ik stel dan ook voor om aan artikel 249, tweede lid, een bepaling toe te voegen waarin strafbaar wordt gesteld het plegen van ontucht door personen werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, met personen die zich als patiënt of cliënt aan hun zorg of hulp hebben toevertrouwd.
(...)
Artikel 249
Met personen werkzaam in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg worden onder andere bedoeld degenen die behoren tot de categorieën werkers in inrichtingen genoemd in artikel 249, tweede lid onder 2°. In de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg zijn echter ook personen werkzaam in beroepen, waarvan de beoefenaren over het algemeen niet binnen inrichtingen werkzaam zijn.
De voorgestelde bepaling heeft ook op hen betrekking.'
Uit de hiervoor aangehaalde paragrafen blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was om seksueel misbruik door personen die werkzaam waren in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg en die een formele behandelrelatie met hun slachtoffers hadden tegen te gaan. Anders dan het OM, ziet het hof geen aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte als arbeidsdeskundige werkzaam was in de maatschappelijke zorg, zodat verdachte ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken."
2.2.3.
Art. 249 Sr luidt:
"1. Hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft:
1° de ambtenaar die ontucht pleegt met een persoon aan zijn gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen;
2° de bestuurder, arts, onderwijzer, beambte, opzichter of bediende in een gevangenis, rijksinrichting voor kinderbescherming, weeshuis, ziekenhuis, of instelling van weldadigheid, die ontucht pleegt met een persoon daarin opgenomen;
3° degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd."
2.3.
Kennelijk heeft het Hof bij zijn oordeel tot uitgangspunt genomen dat voor de toepasselijkheid van art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr is vereist dat sprake is van een "formele behandelrelatie" tussen degene die werkzaam is in de maatschappelijke zorg en degene die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd. Dat uitgangspunt is echter te beperkt en daarom onjuist, omdat art. 249, tweede lid aanhef en onder 3°, Sr ook toepassing kan vinden indien in feitelijke zin sprake is van een relatie als bedoeld in deze wetsbepaling (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, NJ 2011/143).
2.4.
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017.
Conclusie 26‑09‑2017
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. ontucht door arbeidsdeskundige werkzaam bij uitkeringsinstantie vrouw in re-integratietraject, art. 249.2.3 Sr. Werkzaam in de maatschappelijke zorg? Kennelijk heeft het Hof bij zijn oordeel tot uitgangspunt genomen dat voor de toepasselijkheid van art. 249.2.3 Sr is vereist dat sprake is van een "formele behandelrelatie" tussen degene die werkzaam is in de maatschappelijke zorg en degene die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd. Dat uitgangspunt is te beperkt en daarom onjuist. Art. 249.2.3 Sr kan ook toepassing vinden indien in feitelijke zin sprake is van een relatie a.b.i. deze wetsbepaling (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP2630). Volgt vernietiging en terugwijzing.
Nr. 16/04963 Zitting: 26 september 2017 | Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 4 juli 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, vrijgesproken van A. “verkrachting (art. 242 Sr)”, B. “met iemand, van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (art. 243 Sr)” en C. “werkzaam als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd (art. 249 lid 2 onder 1° en 3° Sr)”.
Mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal bij het hof, heeft cassatie ingesteld. Mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het ressortsparket te ’s-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende. Op 22 maart 2010 had de verdachte, als arbeidsdeskundige werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV), het eerste gesprek met aangeefster [betrokkene 1] in het kader van de begeleiding bij haar re-integratieproces. [betrokkene 1] was ernstig getraumatiseerd vanaf jonge leeftijd door seksueel misbruik, fysieke mishandeling en emotionele verwaarlozing. Als gevolg daarvan had zij onder meer last van chronische posttraumatische stress klachten en dissociatieve klachten. De verdachte en [betrokkene 1] hadden daarna veel telefonisch contact met elkaar en zij spraken geregeld af zowel op het kantoor van het UWV als bij haar thuis. [betrokkene 1] heeft de verdachte verteld over haar traumatische ervaringen. De verdachte wilde [betrokkene 1] helpen met het wegnemen van haar angsten en pijnen. Tijdens de huisbezoeken traden bij [betrokkene 1] ‘herbelevingen’ van haar traumatische ervaringen op, waarbij de in de tenlastelegging omschreven seksuele handelingen tussen de verdachte en [betrokkene 1] hebben plaatsvonden. [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte haar gedurende een lange periode (tenlastegelegd is de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012) seksueel heeft misbruikt. Ook als ze ‘herbelevingen’ had, waarbij haar lichaam tijdelijk verlamd raakte van angst, herinneringspijn en uitputting, verrichtte de verdachte seksuele handelingen bij haar. Toen [betrokkene 1] haar psychotherapeute op de hoogte stelde van het misbruik, heeft deze haar met klem aangeraden om aangifte te doen tegen de verdachte wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag. De verdachte heeft de door hem bij [betrokkene 1] verrichte handelingen erkend, maar hij heeft het strafbare karakter daarvan ontkend. Hij wilde [betrokkene 1] slechts helpen om van haar angsten en pijnen af te komen. De verdachte heeft gesteld dat [betrokkene 1] ten tijde van de onderhavige feiten geen cliënt meer van hem was. Ook was van dwang geen sprake, aldus de verdachte. De verdachte is naar aanleiding van de tenlastegelegde feiten ontslagen bij het UWV. In eerste aanleg is de verdachte door de rechtbank veroordeeld ter zake van overtreding van art. 243 Sr (het seksueel binnendringen van het lichaam bij iemand die in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, feit B), maar vrijgesproken van de tenlastegelegde verkrachting (feit A) en het plegen van ontuchtige handelingen terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg, terwijl [betrokkene 1] aan zijn gezag onderworpen was en aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd (feit C). In hoger beroep is de verdachte integraal vrijgesproken van alle (cumulatief) tenlastegelegde feiten.
Het middel
4.1. Het middel behelst in de kern genomen de klacht dat het hof ten aanzien van in het bijzonder het misdrijf strafbaar gesteld in art. 249 lid 2 en onder 3° Sr1.(feit C) ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte niet als ‘arbeidsdeskundige werkzaam was in de maatschappelijke zorg’.
4.2. Aan de verdachte is, voor zover van belang, ten laste gelegd dat:
"C.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012, te Utrecht en/of Lopik, terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), ontucht heeft gepleegd met [betrokkene 1], die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen en/of zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd, hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk
- zijn lichaam tegen het lichaam van [betrokkene 1] aangeduwd/aangedrukt en/of
- (over de kleding) de schaamstreek van [betrokkene 1] aangeraakt en/of gestreeld en/of
- [betrokkene 1], in zijn bijzijn, haar eigen vagina laten betasten en/of strelen en/of
- een of meerdere vinger(s) en/of een of meerdere vibrator(s) en/of zijn penis in de vagina en/of de anus van [betrokkene 1] gebracht en/of geduwd en/of bewogen en/of
- de vagina van [betrokkene 1] gelikt.”
4.3.
Het hof heeft de verdachte van het hem onder C. tenlastegelegde vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen:
“Ten aanzien van artikel 249 Wetboek van Strafrecht
Verdachte is tenlastegelegd dat hij, terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), ontucht heeft gepleegd met aangeefster, die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen en/of zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd.
Zowel de verdediging als de advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor wat betreft het onderdeel ‘als ambtenaar, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) (...) aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd’, nu uit de aanvullende informatie van het UWV is gebleken dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode formeel niet meer de arbeidsdeskundige van aangeefster was en ook geen enkele rol meer speelde bij haar verdere re-integratietraject. Het hof zal daarom, evenals de rechtbank, verdachte vrijspreken voor wat betreft dit onderdeel van te tenlastelegging.
Wat betreft de vraag of de hulpverleningsrelatie tussen verdachte en aangeefster valt onder het begrip ‘maatschappelijke zorg’ zoals bedoeld in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht, merkt het hof het op dat in de Memorie van Toelichting behorende bij het wetsvoorstel betreffende de Wijziging van de artikelen 242, 243, 246, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 20 930, nr. 3) hieromtrent het volgende wordt opgemerkt:
(...) Artikel 249, tweede lid, 2°, beschermt onder andere degenen die in een inrichting zijn opgenomen tegen op hen gerichte seksuele verlangens van degenen die daar werkzaam zijn. In de vorige paragraaf werd gesignaleerd dat het artikel personen die in een inrichting zijn opgenomen geen bescherming biedt tegen anderen dan de in het artikel genoemde functionarissen, wat in het bijzonder ten aanzien van personen die aan een psychische stoornis lijden een ernstige leemte is.
(...).
Ik stel dan ook voor om aan artikel 249, tweede lid, een bepaling toe te voegen waarin strafbaar wordt gesteld het plegen van ontucht door personen werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, met personen die zich als patiënt of cliënt aan hun zorg of hulp hebben toevertrouwd.
(...)
Artikel 249
Met personen werkzaam in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg worden onder andere bedoeld degenen die behoren tot de categorieën werkers in inrichtingen genoemd in artikel 249, tweede lid onder 2°. In de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg zijn echter ook personen werkzaam in beroepen, waarvan de beoefenaren over het algemeen niet binnen inrichtingen werkzaam zijn.
De voorgestelde bepaling heeft ook op hen betrekking.
Uit de hiervoor aangehaalde paragrafen blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was om seksueel misbruik door personen die werkzaam waren in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg en die een formele behandelrelatie met hun slachtoffers hadden tegen te gaan. Anders dan het OM, ziet het hof geen aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte, als arbeidsdeskundige werkzaam was in de maatschappelijke zorg, zodat verdachte ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.”
4.4.
De tenlastelegging is toegesneden op art. 249 Sr, in het bijzonder gaat het om het bepaalde onder (1° en) 3° van het tweede lid van genoemd artikel. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden “werkzaam in de maatschappelijke zorg” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling. Art. art. 249 Sr luidt als volgt:
“Hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft:
1°. de ambtenaar die ontucht pleegt met een persoon aan zijn gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen;
2°. de bestuurder, arts, onderwijzer, beambte, opzichter of bediende in een gevangenis, rijksinrichting voor kinderbescherming, weeshuis, ziekenhuis, of instelling van weldadigheid, die ontucht pleegt met een persoon daarin opgenomen;
3°. degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.
4.5.
In de toelichting op het middel wordt in de kern genomen aangevoerd dat de contacten tussen de verdachte en aangeefster [betrokkene 1] óók na beëindiging van de formele behandelrelatie bezwaarlijk anders kunnen worden aangemerkt als een vorm van ‘maatschappelijke zorg’ en dat het hof ter vervulling van het bestanddeel ‘werkzaam in de maatschappelijke zorg’ ten onrechte mede de eis heeft gesteld dat sprake moet zijn van een ‘formele behandelrelatie’ met aangeefster.
4.6.
Door de invoering van art. 249 lid 2 onder 3° Sr is de strafbaarstelling van die bepaling verruimd tot degene die werkzaam is in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg. Deze bepaling beoogt ook strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele benadering van de zijde van de genoemde hulpverleners. Daarbij is het uitgangspunt dat de strafbaarstelling in art. 249 lid 2 onder 3° Sr, gelet op de strekking daarvan, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een hulpverlener-patiënt/cliënt relatie bestaat.2.Deze bepaling beschermt de patiënt of cliënt onder meer tegen misbruik van het psychische overwicht dat de hulpverlener op hem heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt of cliënt dan wel van het vertrouwen dat de hulpverlener van de patiënt of cliënt heeft gewonnen.3.
4.7.
Het hof heeft ter beantwoording van de vraag of de hulpverleningsrelatie tussen de verdachte en aangeefster valt onder het begrip ‘maatschappelijke zorg’ als bedoeld in art. 249 lid 2 onder 3° Sr aan de wetsgeschiedenis van die bepaling - hiervoor onder 4.3 door het hof in zijn overwegingen geciteerd4.- ontleend dat de wetgever heeft beoogd ‘seksueel misbruik door personen werkzaam in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg en die een formele behandelrelatie met hun slachtoffers hadden’ tegen te gaan. Daarmee heeft het hof (mede) het bestaan van een formele behandelrelatie met aangeefster als vereiste voor de strafbaarheid van de verdachte aangemerkt. Ik kan het hof in die redenering niet volgen. De wetsgeschiedenis geeft mijns inziens en anders dan het hof overweegt niet veel inzicht in wat precies moet worden verstaan onder ‘werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg’.5.Over een formele behandelrelatie wordt in de wetsgeschiedenis niet gerept. Door aldus te overwegen heeft het hof mijns inziens ten onrechte aan de omstandigheid dat aan de door de verdachte verrichte handelingen een zakelijke overeenkomst dan wel een (juridisch formele) behandelovereenkomst ten grondslag moet liggen doorslaggevend gewicht toegekend, terwijl de Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze omstandigheid bij de beoordeling niet ter zake doet. Bepalend is veeleer of er een feitelijke hulpverleningsrelatie bestaat tussen de verdachte en aangeefster.6.Het hof heeft met zijn uitleg op dit punt blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
4.8.
Voor zover het middel daarover klaagt, slaagt het.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑09‑2017
Vgl. HR 18 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0645, NJ 1997/485, rov. 6.5, HR 30 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1376, NJ 1999/482 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, rov. 4.3.
Vgl. HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188, NJ 2004/78 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630.
Kamerstukken II 1988-1989, 20 930, nr. 3, pag. 7-8.
Zie de conclusie van voormalig AG Fokkens (ECLI:NL:PHR:1999:ZD1376) vóór HR 30 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1376, NJ 1999/482 en de conclusie van AG Vellinga (ECLI:NL:PHR:2011:BP2630) vóór HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630.
HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, rov. 3.4.
Beroepschrift 08‑12‑2016
[Hoge Raad der Nederlanden
PDA BALIE
Ingekomen]
[- 8 DEC. 2016]
[Behandelaar:]
CASSATIESCHRIFTUUR
Aan de Hoge Raad der Nederlanden:
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2016, waarin het Hof in de zaak tegen verdachte:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
deze heeft vrijgesproken van het aan hem bij inleidende dagvaarding onder C tenlastegelegde, zijnde een op het misdrijf, als omschreven in artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht toegespitst, strafbaar feit.
Rekwirant kan zich met deze beslissing en de motivering daarvan niet verenigen en heeft de eer aan de Hoge Raad der Nederlanden voor te dragen als
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, aangezien het Hof (a) de verdachte heeft vrijgesproken van onderdeel C van het aan hem tenlastegelegde — te weten: het misdrijf als omschreven in artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht — in het bijzonder door te oordelen dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde en ten opzichte van het slachtoffer niet als ‘arbeidsdeskundige werkzaam was in de maatschappelijke zorg’ blijk heeft gegeven van onjuiste lezing van de tenlastelegging en verdachte heeft vrijgesproken van iets anders dan aan hem is tenlastegelegd, dan wel (b) de verdachte heeft vrijgesproken op gronden die blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting nopens het begrip ‘werkzaam in de maatschappelijke zorg’. Voorts heeft het Hof (c) niet, althans onvoldoende, gemotiveerd waarom het is afgeweken van het door de advocaat-generaal uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat verdachte toch kan worden aangemerkt als ‘werkzaam in de maatschappelijk zorg’ en als zodanig is opgetreden, althans (d) is 's Hofs oordeel zonder nadere — in zijn arrest ontbrekende — motivering niet zonder meer begrijpelijk en inzichtelijk.
Toelichting
1.1
Aan de verdachte is, voorzover in cassatie van belang, tenlastegelegd dat: hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012, te Utrecht en/of Lopik, terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of
in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
ontucht heeft gepleegd met [betrokkene 1],
die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen en/of
zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd,
hebbende hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk
- —
zijn lichaam tegen het lichaam van die [betrokkene 1] aangeduwd/aangedrukt en/of
- —
(over de kleding) de schaamstreek van die [betrokkene 1] aangeraakt en/of gestreeld en/of
- —
die [betrokkene 1], in zijn bijzijn, haar eigen vagina laten betasten en/of strelen en/of
- —
een of meerdere vinger(s) en/of een of meerdere vibrator(s) en/of zijn penis in de vagina en/of de anus van die [betrokkene 1] gebracht en/of geduwd en/of bewogen en/of
- —
de vagina van die [betrokkene 1] gelikt;
(Artikel 249, tweede lid, sub 1 en sub 3 Wetboek van Strafrecht)
1.2
Artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:
- 1.
Hij die ontucht pleegt met zijn minderjarige kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of minderjarige bediende of ondergeschikte, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogte zes jaren of geldboete van de vierde categorie.
- 2.
Met dezelfde straf wordt gestraft:
- 1.
de ambtenaar die ontucht pleegt met een persoon aan zijn gezag onderworpen of aan zijn waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen;
- 2.
de bestuurder, arts, onderwijzer, beambte, opzichter of bediende in een gevangenis, rijksinrichting voor kinderbescherming, weeshuis, ziekenhuis, of instelling van weldadigheid, die ontucht pleegt met een persoon daarin opgenomen;
- 3.
degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.
2.1
Het Hof is voor wat betreft de feitelijke gang van zaken in beginsel uitgegaan van de feiten en omstandigheden zoals deze door de Rechtbank in haar vonnis zijn vastgesteld. Deze feiten en omstandigheden zijn in dit vonnis als volgt samengevat:
‘De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Tijdens een gesprek met het bureau integriteit van het UWV op 25 september 2012 heeft [betrokkene 1] —zakelijk weergegeven— het volgende verklaard:
Op 22 maart 2010 had ik mijn eerste gesprek met mijn arbeidsdeskundige [verdachte]. Na dit eerste gesprek volgden meer gesprekken. Het ging in die periode niet goed met mij. Tijdens die gesprekken merkte [verdachte] dat ik het psychisch erg moeilijk had. Ik vertoonde kenmerken van angst die hij signaleerde, oppakte en waar hij nader op in ging. [verdachte] ging mij steeds meer persoonlijke vragen stellen en vragen over mijn angstprobleem.
Ik heb hem verteld wat ik aan traumatische ervaringen heb opgelopen. Ik ben seksueel misbruikt [verdachte] vond dat de angst, het verdriet en de pijn die ik heb, mij in de weg staan om de maatschappij in te gaan en hij wilde mij daar wel een handje bij helpen. Ik was nog steeds bezig met mijn traumaverwerking en dat heeft hij gesignaleerd.
De gesprekken die ik met [verdachte] voerde waren een uitvraag over mijn traumatische ervaringen. Tijdens het vertellen hierover werd ik telkenmale weer angstig en voelde ik iedere keer weer die pijn terugkomen die ik toen ervaren heb, omdat het nog (deels) onverwerkte trauma's zijn. Ik kreeg ‘flash-backs’ (herbelevingen) daarover en beleefde op zo'n moment alles weer opnieuw. Ik raakte mijzelf ‘kwijt’.
Op 19 januari 2011 bezocht [verdachte] mij voor de 5e maal op mijn huisadres te [a-plaats]. Wederom ging het gesprek over mijn opgelopen trauma.
Ik moest van [verdachte] op mijn traumaplek blijven staan. Op dat moment herbeleefde ik dingen die ik niet wilde. Op dat moment was ik heel instabiel. Op dat moment is [verdachte] naar mij toe gekomen en heeft me vastgepakt met zijn armen om mij heen en hield me zo strak vast. Ik was aan het herbeleven. Ik kon niet meer praten en lag verstijfd en met herinneringspijn op de grond. Op dat moment legde hij zijn hand in mijn kruis (met mijn broek aan). Hij masseerde een paar minuten mijn kruis met mijn broek aan. Zodra ik weer controle had over mijn spieren kroop ik weg. Hij zei: Daar zit veel pijn. Ik ga je helpen.
Op 17 februari 2011 bezocht hij mij voor de 6e maal op mijn huisadres. Het ging precies zoals op 19 januari 2011. Ik herbeleefde alles opnieuw. [verdachte] maakte mijn broek los. Ik verlamde van angst nadat [verdachte] mijn broek naar beneden had getrokken. Het werd letterlijk zwart voor mijn ogen. Op het moment dat het zwart voor mijn ogen ver weg was, was ik verlamd van angst, herinneringspijn en uitputting. Op dat moment zat hij al diep met zijn vinger in mijn vagina en was hij met vingeren bezig. Ik kon niet meer praten door de shock wat er gebeurde. Op het moment dat hij dacht dat de pijn eruit was, stopte hij met vingeren. Dat was op het moment dat ik weer controle had over mijn spieren en snel van de plek wegkroop.
Op 20 april 2011 ging het gesprek wederom over mijn opgelopen trauma. Opnieuw moest ik naar de plek van het trauma. Op het moment dat ik opnieuw verlamde, vingerde hij mij zeker 20 minuten. Hij wisselde dat af door met zijn vinger ook anaal te gaan. Hij praatte over mijn proces, dat ik de pijn uit mijn lijf moest laten gaan.
Op 2 mei 2011 bezocht [verdachte] mij voor de 8e maal op mijn huisadres. Opnieuw moest ik naar de plek van het trauma en gebeurde hetzelfde. Hij vingerde mij.
Op 18 januari 2012 bezocht [verdachte] mij voor de 9e maal op mijn huisadres. [verdachte] nam mij mee naar de slaapkamer. Daar ging ik al snel mijn trauma herbeleven. Hij vingerde me hard en duwde de vibrator een klein stukje mijn vagina in. Hij haalde de vibrator minutenlang heen en weer.
Verdachte heeft op 4 december 2013 ten overstaan van de politie —zakelijk weergegeven— het volgende verklaard:
Na september 2010 is het fysieke contact tussen mij en [betrokkene 1] begonnen. Ik heb haar vastgehouden. Ik heb mijn hand in haar kruis gelegd, met en zonder textiel ertussen. Het is een aantal keer gebeurd dat ik mijn hand in haar kruis legde en dat ik met één vinger naar binnen ging in haar vagina. Het zal zo zijn dat zij in een herbeleving zat. Het ging eerst met textiel ertussen. Daarop kreeg ik de reactie dat het goed was en dat ik daarmee de pijn weghaalde. Naar aanleiding daarvan ging dat verder. Ik heb mijn hand in haar kruis gelegd en daar heel langzaam mee bewogen. Ik heb ook compressie gebruikt op haar anus. Omdat de pijn eerder uit haar vagina was gekomen, dacht ik, op dezelfde manier kan ik die pijn daar weghalen. Ik heb zonder overleg mijn hand op haar anus gelegd. Daar heb ik mijn vinger een heel klein stukje ingestopt.
Ze had twee vibrators. Ik heb ze gepakt. Ik wist wel iets wat ik daarmee moest doen.
Verdachte heeft ter terechtzitting —zakelijk weergegeven— het volgende verklaard:
De vibrators heb ik in haar vagina naar binnen gebracht en heen en weer bewogen.
Verdachte heeft ter terechtzitting —zakelijk weergegeven— verder het volgende verklaard:
Door het eerste fysieke contact kreeg [betrokkene 1] een herbeleving. Toen ik mijn hand in haar kruis had gelegd, zei [betrokkene 1] achteraf dat het geholpen had. Ze zei dat de pijn eruit kwam. Daaruit trok ik de conclusie dat die methode haar hielp. Dat maakte dat ik op een gegeven moment naar binnen ben gegaan. Het was tijdens een herbeleving en vlak daarna. Ik ben geen therapeut. Ik wist dat [betrokkene 1] getraumatiseerd was door gebeurtenissen in het verleden. Zij nam mij daarover in vertrouwen. Zo heeft zij bijvoorbeeld aan mij verteld dat zij op 7-jarige leeftijd door drie mannen is verkracht. Als zij uit een herbeleving kwam, was zij weer duidelijk in contact. Ik zag dat sprake was van een herbeleving als zij heel erg aan het trillen was. Tijdens een herbeleving was zij niet in staat haar wil kenbaar te maken. Op het moment dat zij uit een herbeleving kwam, gaf zij aan hoe het met haar was.
Ik wist dat [betrokkene 1] in therapie was en dat ze behandeld werd. Ze zei dat ze vond dat de therapie niet snel genoeg ging. Dat steeds kleine stapjes werden gezet. Ik ben meegegaan in het zetten van grote stappen.
Ik verrichtte tijdens herbelevingen seksuele handelingen met haar, omdat zij dan de meeste pijn had. Daarom legde ik juist die momenten mijn hand in haar kruis. Als zij weer terug was, praatten we erover
In haar verklaring inzake klacht mevr. [betrokkene 1] heeft dr. [psychotherapeut], psychotherapeut, de achtergrond en behandelgeschiedenis van mevr. [betrokkene 1] toegelicht. Zij heeft daarover —zakelijk weergegeven— vermeld:
Mevr. [betrokkene 1] is zeer ernstig getraumatiseerd vanaf een zeer jonge leeftijd door seksueel misbruik, fysieke mishandeling en emotionele verwaarlozing door veel verschillende daders. Als gevolg hiervan ontwikkelde zij ernstige en chronische posttraumatische stress klachten (PTSS) en dissociatieve klachten.
Psychotherapeute [psychotherapeut] heeft als getuige —zakelijk weergegeven— het volgende verklaard.
Ik heb gepubliceerd op het gebied van chronische traumatisering en dissociatieve storingen. [betrokkene 1] kwam bij mij omdat zij haar trauma wilde verwerken. Zij vertelde dat ze een vriend of kennis had die met haar traumaverwerking aan het doen was. Hij deed een methode om naar één van haar trauma's te gaan en haar die gevoelens te laten herhalen. Dat is nergens voor nodig als je een trauma hebt. Dat is her traumatiserend. Ik sluit niet uit dat de arbeidsdeskundige wist of op de hoogte was van het feit dat als hij haar op die plek zou laten gaan of tegen zich aan zou drukken, zij terug zou kunnen gaan in een herbeleving en hij daar misbruik van zou kunnen maken. Ze zou verlammingsverschijnselen krijgen en hij zou dan zijn gang kunnen gaan. Als je dan je vingers in iemands vagina steekt, kan die zich niet verweren.
2.2
Het Hof heeft in aansluiting op de vaststellingen van de Rechtbank in zijn arrest voorts nog overwogen:
‘Het hof stelt vooraleerst vast dat verdachte en aangeefster verklaringen hebben afgelegd welke op veel punten overeenkomen, maar op sommige onderdelen tegenover elkaar staan. Voor het overige is er weinig steunbewijs in het dossier voor de lezing van aangeefster dan wel voor de lezing van verdachte, afgezien van enkele emailberichten die de lezing van verdachte, inhoudende dat er sprake was van vrijwillig contact, lijken te ondersteunen. Tijdens de procedure in hoger beroep hebben de deskundigen dr. Rassin en dr. Israëls gerapporteerd omtrent de herbelevingen van aangeefster, waarbij onder meer antwoord werd gegeven op de volgende vragen:
- —
Wat is de definitie van herbelevingen volgens de (psychologische) wetenschap?
- —
Was er in casu inderdaad sprake van herbelevingen?
- —
Worden herbelevingen gekenmerkt door lichamelijke onmacht om de eigen wil kenbaar te maken?
- —
Was er tijdens de bedoelde seksuele contacten sprake van dergelijke invaliderende herbelevingen?
De deskundige dr. Rassin schrijft in zijn rapportage dat herbelevingen zoals mogelijk bij een posttraumatische stressstoornis (PTSD) als volgt gedefinieerd worden in de DSM-V:
‘…Dissociative reactions (e.g., flashbacks) in which the individual feels or acts as if the traumatic event(s) were recurring. Such reactions may occur on a continuum, with the most extreme expression being a complete loss of awareness of present surroundings…’
Volgens de huidige psychiatrische inzichten bestaan herbelevingen die de patiënt beletten om adequaat te reageren. Rassin merkt op dat dit echter niet betekent dat herbelevingen gelden als wetenschappelijk goed onderbouwde fenomenen. Dissociatieve problemen zijn een bron van wetenschappelijke discussie. Rassin wijst op kritische kanttekeningen bij getuigenverklaringen van therapeuten over hun patiënten in juridische procedures. In een therapiesetting staat immers niet de waarheidsvinding centraal, maar de subjectieve ervaring van de cliënt. Dit maakt dat er gevaren dreigen wanneer informatie wordt uitgewisseld tussen de klinische en juridische context. Informatie die in de therapeutische context kritiekloos voor waar wordt aangenomen, zou dan ook in de juridische context als feit kunnen worden gepresenteerd, en dat terwijl de therapeutische manier van waarheidsvinding in werkelijkheid niets meer inhoudt dan de patiënt op zijn woord te geloven. Men moet er op bedacht zijn dat een behandelaar al snel met informatie anders dan een beschrijving van zijn verhouding tot de patiënt komt, welke informatie dan ten onrechte een wetenschappelijk cachet lijkt te hebben.
Rassin concludeert dat er in casu opmerkenswaardige alternatieve scenario's zijn en dat de combinatie van suboptimale waarnemingsomstandigheden, latentie, en therapeutische gesprekken van aangeefster met haar therapeut [psychotherapeut] met als gevolg overdracht van post hoc informatie maakt dat de verklaringen van aangeefster niet volledig betrouwbaar kunnen worden geacht.
De deskundige dr. Israëls heeft zich bij de bevindingen van dr. Rassin aangesloten en daarbij opgemerkt dat de therapeut van aangeefster een actieve rol lijkt te hebben gespeeld bij het vormgeven van het belastende verhaal van aangeefster. Daarnaast merkt deze deskundige op dat de vraag wat er met aangeefster aan de hand was tijdens de vermeende herbelevingen niet goed beantwoord kan worden zonder meer te weten over haar psychiatrisch ziektebeeld als geheel.
Het hof overweegt op grond van het vorengaande dat de verklaringen van de therapeut van aangeefster, mevrouw [psychotherapeut], omtrent de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van aangeefster niet zonder meer in een juridische context gebruikt kunnen worden, gelet op de therapeutische behandelrelatie tussen aangeefster en [psychotherapeut].
Het hof overweegt voorts op grond van de rapportages van Rassin en Israëls dat uiterst behoedzaam moet worden omgegaan met de verklaringen van aangeefster.’
2.3
Het Hof heeft de verdachte van onderdeel C van de tenlastelegging vrijgesproken en heeft daartoe overwogen:
‘Ten aanzien van artikel 249 Wetboek van Strafrecht
Verdachte is tenlastegelegd dat hij, terwijl hij werkzaam was als ambtenaar en/of
in de maatschappelijke zorg, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), ontucht heeft gepleegd met aangeefster,
die aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen en/of zich als cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd.
Zowel de verdediging als de advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor wat betreft het onderdeel ‘als ambtenaar, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) (…) aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd' , nu uit de aanvullende informatie van het UWV is gebleken dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode formeel niet meer de arbeidsdeskundige van aangeefster was en ook geen enkele rol meer speelde bij haar verdere reïntegratietraject. Het hof zal daarom, evenals de rechtbank, verdachte vrijspreken voor wat betreft dit onderdeel van de tenlastelegging.
Wat betreft de vraag of de hulpverleningsrelatie tussen verdachte en aangeefster valt onder het begrip ‘maatschappelijke zorg’ zoals bedoeld in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht, merkt het hof op dat in de Memorie van Toelichting behorende bij het wetsvoorstel betreffende de Wijziging van de artikelen 242, 243, 246, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstuk Tweede Kamer, vergaderjaar 1988–1989, 20 930, nr. 3) hieromtrent het volgende wordt opgemerkt:
(…) Artikel 249, tweede lid, 2o, beschermt onder andere degenen die in een inrichting zijn opgenomen tegen op hen gerichte seksuele verlangens van degenen die daar werkzaam zijn. In de vorige paragraaf werd gesignaleerd dat het artikel personen die in een inrichting zijn opgenomen geen bescherming biedt tegen anderen dan de in het artikel genoemde functionarissen, wat in het bijzonder ten aanzien van personen die aan een psychische stoornis lijden een ernstige leemte is.
(…)
Ik stel dan ook voor om aan artikel 249, tweede lid, een bepaling toe te voegen waarin strafbaar wordt gesteld het plegen van ontucht door personen werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, met personen die zich als patiënt of cliënt aan hun zorg of hulp hebben toevertrouwd.
(…)
Artikel 249
Met personen werkzaam in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg worden onder andere bedoeld degenen die behoren tot de categorieën werkers in inrichtingen genoemd in artikel 249, tweede lid onder 2o. In de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg zijn echter ook personen werkzaam in beroepen, waarvan de beoefenaren over het algemeen niet binnen inrichtingen werkzaam zijn. De voorgestelde bepaling heeft ook op hen betrekking.
Uit de hiervoor aangehaalde paragrafen blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was om seksueel misbruik door personen die werkzaam waren in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg en die een formele behandelrelatie met hun slachtoffers hadden tegen te gaan. Anders dan het OM, ziet het hof geen aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte als arbeidsdeskundige werkzaam was in de maatschappelijke zorg, zodat verdachte ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.’
2.4
Rekwirant is van mening dat het Hof ten onrechte de eis stelt dat sprake moet zijn van een ‘formele behandelrelatie’ met de slachtoffers en aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Rekwirant komt hier nader op terug.
Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de Advocaat-generaal
3.
De advocaat-generaal heeft blijkens de door haar overgelegde requisitoiraantekeningen met betrekking tot het op het misdrijf als omschreven in artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3 toegespitste tenlastegelegde feit als volgt betoogd:
‘Onderdeel C. van de tenlastelegging- artikel 249 Sr:
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Dit, aangezien —kort gezegd— voor het tenlastegelegde plegen ‘als ambtenaar’ (ex art. 249, lid 2, sub 1) vereist is dat dan sprake was van een juridische, geformaliseerde relatie tussen verdachte en [betrokkene 1].
De rechtbank sprak vrij, zo begrijpt het OM, nu de rechtbank dit t.a.v. de tenlastegelegde periode niet bewezen achtte en de feitelijke voortzetting van de relatie tussen verdachte en [betrokkene 1] hiervoor —t.a.v. sub 1 van het 2e lid van art 249 Sr— rechtens niet van belang is.
Het appel van het OM richtte zich mede tegen de vrijspraak van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Ten einde hieromtrent meer duidelijkheid te verkrijgen heeft het OM nadere vragen doen stellen aan het UWV d.t.v. de raadsheer-commissaris.
De beantwoording daarvan is ingekomen middels het aanvullend proces-verbaal van politie van 2 september 2015. Gelet daarop, in aanmerking genomen ook de recentelijk ingebrachte e-mailcorrespondentie die zijdens [betrokkene 1] aan het OM was gezonden meent het OM thans, alles overziende, te moeten concluderen dat het oordeel van de rechtbank, zoals overigens ook namens verdachte in le aanleg betoogd, juist is.1.
De aanvullende informatie bevestigt dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode formeel niet meer de arbeidsdeskundige van [betrokkene 1] was. Dat daaromtrent aan [betrokkene 1] zijdens het UWV geen —officieel— bericht is gezonden, is voor artikel 249, lid 2sub 1 Sr niet van belang.
Derhalve vordert het OM partieel vrijspraak van dit onderdeel van het tenlastegelegde ex artikel 249, lid 2sub 1 Sr:
‘als ambtenaar terwijl [betrokkene 1] toen aan zijn gezag onderworpen was of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen.’
Dit is de reden geweest voor de vordering tot wijziging van de tenlastelegging bij dit onderdeel.
Thans ligt ook voor: het verwijt ex art. 249 lid 2, sub 3o Sr: ‘werkzaam in de maatschappelijke zorg’.
HR 18 februari 1997, ECLI: NL:HR:1997:ZD0645 NJ 1997, 48 (rov. 6.5): ‘dat de strafbaarstelling in art. 249, tweede lid onder 3o, Sr, gelet op de strekking daarvan, zoals die uit [de wetsgeschiedenis] blijkt, geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een relatie als in deze wetsbepaling bedoeld bestaat, en dat in zodanig geval slechts dan geen sprake is van ‘ontucht plegen’, wanneer die relatie bij de sexuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest.’2.
Drie criteria lijken bepalend:
- 1.
seksuele handelingen
- 2.
een door de bepaling bestreken hulpverleningsrelatie
- 3.
tenzij vrijwillig èn de seksuele handelingen niet onder invloed van een uit de hulpverleningsrelatie voortvloeiende afhankelijkheid van de patiënt of cliënt zijn verricht.
Dat de in casu verrichte seksuele handelingen als ‘ontucht plegen’ kunnen worden gekwalificeerd, is naar ik meen buiten discussie.
Wat betreft het begrip ‘maatschappelijke zorg’ het volgende. Dit begrip is in de rechtspraak niet duidelijk afgebakend.3.
AG Vellinga gaat op dit begrip uitvoerig in bij zijn conclusie bij het arrest van de hoge raad van 22 maart 20114.: ‘De wetgever heeft het begrip niet willen beperken tot personen werkzaam in bepaalde beroepen.’5.
De hoge raad volgt de conclusie. Hoewel daarmee niet gezegd is dat de hoge raad Vellinga's uitleg van het begrip ‘maatschappelijke zorg’ volledig onderschrijft, biedt dit arrest aanknopingspunten, zo meent het OM, voor de stelling dat verdachte als arbeidsdeskundige in de maatschappelijke zorg werkzaam was, als ook, dat [betrokkene 1] zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.
Zij heeft immers aan hem hulp gevraagd bij haar re-integratie in het arbeidsproces. Hij was als arbeidsdeskundige werkzaam bij de afdeling van het UWV, die verantwoordelijk was voor de re-integratie van cliënten met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hij heeft haar hulpvraag in die (professionele) hoedanigheid beantwoord, onder meer door voor haar een re-integratievisie op te stellen. De gevraagde en verleende hulp was er dus op gericht om het maatschappelijk functioneren van het slachtoffer te verbeteren. In dat kader heeft zij zich aan hem toevertrouwd.
Zij heeft hem bijvoorbeeld nadrukkelijk in vertrouwen genomen, onder andere door hem te vertellen over haar traumatische ervaringen in haar jeugd en het effect dat daarop afgestemde therapie heeft gehad.
Ze was daarbij erg onzeker over haar toekomst en had het idee dat ze nog eenmaal een kans kreeg om die adequaat vorm te geven. Aldus is ze van de verdachte afhankelijk geworden, omdat hij degene was die besliste over het inkopen van een re-integratietraject bij een re-integratiebureau en, in een later stadium, van scholing ten behoeve van de re-integratie.
Het OM wijst in dit verband ook op:
- *
De brief van UWV aan [betrokkene 1] van 28–07-2008 waarin zij wordt gewezen op haar verplichtingen6.:
‘Naast een enthousiaste inzet verwachten we ook het volgende van u:
- —
(…)
- —
(…)
- —
Gaat u tijdens het traject een opleiding volgen, dan moet u er alles aan doen om die opleiding vlot en succesvol af te ronden.
- —
(…)
- —
(…)
Houdt u zich niet aan deze verplichtingen, dan is het re-integratiebedrijf verplicht om dit bij ons te melden, wij beoordelen deze melding en kunnen uw uitkering daarna verlagen of eventueel stopzetten. Als u het traject niet afmaakt, kan dit gevolgen hebben voor uw uitkering.’
- *
Vlg. ook UWV-rapport feitenonderzoek (Bureau Integriteit):7.
‘Als laatste zag ik dat in het formulier Re-integratievisie onder punt 20.5 door [verdachte] conform de UWV-protocollen aan [betrokkene 1] onder andere is verteld dat:
‘Cliënt is verplicht om:
- —
op alle uitnodigingen van UWV in te gaan en zich op verzoek te legitimeren en
- —
alle informatie die van belang kan zijn aan UWV te verstrekken’
- *
Vgl. ook de brief van 20 maart 2008 aan [betrokkene 1], onder de kop ‘Wat verwachten wij van u?’8.:
‘(…) Omgekeerd gaan wij ervan uit dat u er alles aan zult doen om een succes van uw re-integratie te maken. Dat betekent dat wij van u verwachten dat u zich houdt aan de verplichtingen van de Re-integratievisie.’
Dat deze professionele hulpverleningsrelatie voorafgaand aan de tenlastegelegde periode formeel was beëindigd, hoeft aan de strafbaarheid van de verdachte niet in de weg te staan.
Het OM wenst in dit verband te wijzen op het arrest dat ook door de verdediging uitdrukkelijk is genoemd, HR 14 oktober 2014.9.
De verdediging heeft hierop gewezen juist vanuit het standpunt dat dit arrest in de onderhavige zaak aan strafbaarheid in de weg zou staan.
Het OM kan het met dat standpunt en die conclusie niet eens zijn.
Het OM meent bij nadere beschouwing van onderliggende uitspraken van hof en rechtbank in die zaak, de conclusie van AG Spronken10. als ook de annotatie van N. Rozemond11. dat die gevolgtrekking van de verdediging geen recht doet aan de uitspraak van de hoge raad in die zaak. Immers, zo begrijpt het OM, in die zaak lijkt doorslaggevend geweest dat niet was gebleken dat bij die seksuele contacten tijdens de voortgezette feitelijke relatie -en na beëindiging van de formele behandelrelatie- enige vorm van afhankelijkheid van invloed was geweest.
Dit, terwijl daarbij door rechtbank en hof in die zaak tot uitgangspunt is genomen dat het enkele feit dat de behandelrelatie tussen die verdachte en die aangeefster formeel beëindigd was nog niet de conclusie rechtvaardigt dat er geen sprake is geweest van ontucht in de zin van artikel 249 Sr, en terwijl bovendien in die zaak door aangeefster was verklaard en buiten discussie was dat de seksuele contacten vrijwillig hadden plaatsgevonden.
De hoge raad lijkt zich van dat oordeel in het geheel niet te distantiëren.
Welbeschouwd lijkt de uitspraak van de hoge raad in die zaak dan ook geenszins te botsen met strafbaarheid van verdachte in onderhavige zaak — niettegenstaande de formele beëindiging van die relatie vóór het begin van die periode- omdat en voor zover er voorafgaand aan de feitelijke beëindiging van de hulpverleningsrelatie met het slachtoffer seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.12.
De afhankelijkheid van [betrokkene 1] van verdachte is immers direct voortgevloeid uit die professionele hulpverleningsrelatie, omdat verdachte door en tijdens die relatie op de hoogte is geraakt met de problematische geschiedenis van [betrokkene 1], die aan haar arbeidsongeschiktheid ten grondslag lag en die haar tegenover hem kwetsbaar heeft gemaakt. De formele beëindiging van die relatie heeft aan die afhankelijkheid naar het OM meent geen einde gemaakt.
Bovendien bleef de verdachte na dat moment van formele beëindiging onder werktijd en op diens kantoor afspraken maken met [betrokkene 1]; afspraken die, in het verlengde van de eerdere betrokkenheid van de verdachte bij haar, volgens hem waren bedoeld om haar arbeidsongeschiktheid te verminderen, door over haar seksuele trauma's te praten.
[betrokkene 1] heeft steeds verklaard zich ook in die periode afhankelijk van hem te hebben gevoeld.
Aan het slachtoffer is de beëindiging van de formele taak van de verdachte ook niet gecommuniceerd.13.
Zij lijkt van zijn taak en zijn invloed nog steeds uit te gaan, ook als zij op 27 augustus 2012 bij het UWV haar 1e melding doet,
immers, juist mede met het verzoek om toewijzing van een andere arbeidsdeskundige.
[betrokkene 1] verklaart bij de RC (26-9-2014, blad 4):
- —
‘Hij was mijn arbeidsdeskundige’
- —
‘Daarom heb ik gevraagd om een andere arbeidsdeskundige’
- —
‘hij had als hij langdurig ziek is, iemand anders als mijn arbeidsdeskundige moeten toewijzen ..’
Daargelaten de vraag of dit formeel juist is, is het illustratief voor haar vooronderstelling dat verdachte haar arbeidsdeskundige was.
Ik wijs in dit verband voorts op hetgeen is geantwoord door het UWV op de vragen 6 en 10 van het OM in het B-proces-verbaal van 2 september 2015, waaruit kan worden afgeleid dat de begeleiding van [betrokkene 1] door het UWV was blijven bestaan.14.
Voorts blijkt uit de bij aanvang genoemde e-mailcorrespondentie dat verdachte door het UWV Scholingsbureau op 10-09-2012 op de hoogte werd gebracht van de actuele stand van zaken t.a.v. [betrokkene 1], hetgeen past bij een situatie van voortdurende feitelijke betrokkenheid.
Het voorgaande in onderling verband en samenhang beziende, kan, zo meent het OM, dan ook worden geconcludeerd tot een causaal verband tussen de professionele hulpverleningsrelatie en de seksuele handelingen die in die periode —van na die formele beëindiging— zijn verricht.
Deze conclusie is, zo meent het OM tenslotte, ook volledig in lijn met het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 22 februari 2007.15.
Daarin overwoog het Hof als redengevend voor de bewezenverklaring van de tenlastelegging t.a.v art. 249 lid 2, aanhef en onder 3o Sr:
‘Verdachte was raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming en heeft in die hoedanigheid gedurende een beperkte periode bemoeienis gehad met [het slachtoffer] V.
Verdachte heeft daarna buiten het verband van de Raad op persoonlijke titel zijn contact met V. voortgezet. Dit contact had, zoals verdachte ter terechtzitting ook heeft aangegeven, het karakter van maatschappelijke zorg en betrof de persoonlijke en maatschappelijke problemen van V., die eerder onderwerp van verdachtes onderzoek hadden uitgemaakt.
Verdachte heeft de wijziging in zijn hoedanigheid niet aan V. kenbaar gemaakt. Integendeel, verdachte maakte ten behoeve van zijn (privé-)-contacten met V. gebruik van briefpapier van zijn werkgever, de Raad voor de Kinderbescherming, en gaf hem zelfs - na een niet door V. nagekomen afspraak — een officiële waarschuwing, waarmee hij deed voorkomen dat zijn bemoeienissen binnen een justitieel kader plaatsvonden.
V. mocht er aldus op vertrouwen — en deed dat ook zonder enig voorbehoud — zo blijkt uit de door hem afgelegde verklaringen — dat verdachte beroepsmatig handelde, dat V. deelname aan de gesprekken niet vrijblijvend en/of vrijwillig was en, vooral, dat V. bij verdachte in veilige handen was.’
Vanuit de beschermingsgedachte van art. 249 Sr is de door verdachte beweerde vrijwilligheid zijdens [betrokkene 1], indien al juist want door haar uitdrukkelijk weersproken, niet van belang, vlg. ook HR 1 december 2015.16.
Concluderend meent het OM dat tot bewezenverklaring van dit deel (in de zin van 249, 2e lid, aanhef en onder 3 Sr) van onderdeel C van de tenlastelegging kan worden gekomen:
‘Ontucht plegen met [betrokkene 1] die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg had toevertrouwd terwijl hij, verdachte, werkzaam was in de maatschappelijke zorg.’
Middelonderdeel (a):Grondslagverlating?
4.1.1
Het Hof heeft overwogen dat het, anders dan de advocaat-generaal, geen aanknopingspunten ziet voor de stelling dat verdachte als arbeidsdeskundige (cursivering AG)werkzaam was in de maatschappelijke zorg, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.
4.1.2
Indien het Hof de tenlastelegging in die zin heeft geïnterpreteerd en uitgelegd dat de steller ervan aan de verdachte verwijt dat deze, werkzaam als arbeidsdeskundige (cursivering van rekwirant) in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [betrokkene 1], die zich aan zijn zorg had toevertrouwd, dan heeft het Hof die tenlastelegging naar de mening van rekwirant onjuist geïnterpreteerd en, daarvan uitgaande, heeft het Hof niet beslist op de grondslag van de tenlastelegging en de verdachte vrijgesproken van iets anders dan is tenlastegelegd.
4.1.3
Rekwirant wijst er in dit verband allereerst op dat het Hof heeft overwogen dat zowel de verdediging als de advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor wat betreft het onderdeel ‘als ambtenaar, te weten als arbeidsdeskundige bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) (…) aan zijn gezag onderworpen was en/of aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd’, nu uit de aanvullende informatie van het UWV is gebleken dat verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode formeel niet meer de arbeidsdeskundige van aangeefster was en ook geen enkele rol meer speelde bij haar verdere reïntegratietraject.
4.1.4
De vrijspraak van het onderdeel ‘als ambtenaar, te weten als arbeidsdeskundige..etc..’ laat, naar de mening van rekwirant, onverlet dat verdachte, zoals in de tenlastelegging verwoord en door de advocaat-generaal in haar requisitoir is aangegeven, ontucht heeft gepleegd met [betrokkene 1] die zich aan zijn (maatschappelijke) zorg had toevertrouwd, terwijl hij, verdachte, werkzaam was in de maatschappelijke zorg.
Werkzaam in de maatschappelijke zorg?
4.2.1
Voor wat betreft het begrip ‘werkzaam in de maatschappelijke zorg’ wijst rekwirant er allereerst op dat in het verleden
- —
een mental coach (HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, NJ 2011, 143),
- —
een imam (Rechtbank Arnhem, 1 augustus 2012, ECLI:NL:RBARN:BX3178),
- —
een werkbegeleider bij een lunchroom waar mensen met een verstandelijke beperking werken (Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, 9 augustus 2012:ECLI:NL:GHSHE:BX4110) en
- —
een dominee (Rechtbank Rotterdam, 27 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:650;
- —
een sociotherapeut (Rechtbank Groningen, 5 maart 2009, LJN:BH4852)
als specifiek werkzaam in de maatschappelijke zorg op grond van het in artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf zijn veroordeeld.
4.2.2
Rekwirant wijst voorts op de conclusie van de AG Vellinga voor 's Hogen Raads arrest van 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630, NJ 2011, 143, waarin het begrip ‘maatschappelijke zorg’ wordt afgebakend. De AG Vellinga schrijft:
- ‘9.
Over de invoering van art. 249 lid 2 onder 3 Sr wordt in de memorie van toelichting opgemerkt:
‘1.5. Hulpverleners
Artikel 249, tweede lid, 2o, beschermt onder andere degenen die in een inrichting zijn opgenomen tegen op hen gerichte seksuele verlangens van degenen die daar werkzaam zijn. In de vorige paragraaf werd gesignaleerd dat het artikel personen die in een inrichting zijn opgenomen geen bescherming biedt tegen anderen dan de in het artikel genoemde functionarissen, wat in het bijzonder ten aanzien van personen die aan een psychische stoornis lijden een ernstige leemte is.
Evenmin beschermt het degenen die zonder in de inrichting te zijn opgenomen de daar werkzame functionarissen consulteren. De arts die in zijn spreekkamer in het ziekenhuis ontucht pleegt met een in dat ziekenhuis opgenomen patiënt(e) pleegt een ernstig strafbaar feit. Hetzelfde feit in dezelfde spreekkamer met een patiënt(e) die hem poliklinisch consulteert is niet strafbaar.
De laatste tijd worden steeds meer geluiden gehoord van patiënten die te lijden hebben gehad van enigerlei vorm van ongewenste seksuele benadering van de zijde van hulpverleners. In een aantal gevallen zullen daar de algemene bepalingen tegen seksuele vergrijpen van toepassing zijn of zal daartegen tuchtrechtelijk, als een inbreuk op de zorgvuldigheid, die bij de beroepsuitoefening betaamt, kunnen worden opgetreden. Er blijven echter gevallen waarin niet strafrechtelijk kan worden opgetreden, zoals in het eerder genoemde voorbeeld, en waarin tuchtrechtelijk optreden of niet mogelijk is omdat de dader niet aan tuchtrecht onderworpen is, of waar de zaak zo ernstig is dat naast de mogelijkheid van toepassing van het tuchtrecht ook strafrechtelijke bescherming geboden dient te worden.
Ik stel dan ook voor om aan artikel 249, tweede lid, een bepaling toe te voegen waarin strafbaar wordt gesteld het plegen van ontucht door personen werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, met personen die zich als patiënt of cliënt aan hun zorg of hulp hebben toevertrouwd.’
(…)
‘Met personen werkzaam in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg worden onder andere bedoeld degenen die behoren tot de categorieën werkers in inrichtingen genoemd in artikel 249, tweede lid onder 2o. In de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg zijn echter ook personen werkzaam in beroepen, waarvan de beoefenaren over het algemeen niet binnen inrichtingen werkzaam zijn. De voorgestelde bepaling heeft ook op hen betrekking.’
- 10.
Veel inzicht in hetgeen onder het begrip ‘werkzaam zijn in de maatschappelijke zorg’ dient te worden verstaan c.q. welke eisen worden gesteld wil van iemand kunnen worden gezegd dat hij werkzaam is in de maatschappelijke zorg als vorenbedoeld biedt de memorie van toelichting niet. De wetgever heeft het begrip niet willen beperken tot personen werkzaam in bepaalde beroepen. Kern van het werkzaam zijn in de maatschappelijke zorg zal moeten zijn dat het gaat om personen die hulp verlenen aan een ander, en wel in een relatie — de wet spreekt van patiënt of cliënt — die een zeker professioneel karakter heeft. Uit het feit dat het gaat om verlenen van hulp vloeit als vanzelf voort dat de relatie tussen hulpzoekende en hulpbiedende wordt gekenmerkt door een zekere mate van afhankelijkheid van de hulpzoekende van de hulpbiedende. De hulpzoekende vraagt immers om hulp, vertrouwt zich toe aan diens zorg en maakt zich zo tot op zekere hoogte afhankelijk van degene aan wie hij hulp vraagt, zeker wanneer het niet gaat om een incidenteel maar herhaaldelijk contact van de hulpzoekende met de hulpbiedende. Die afhankelijkheid wordt nog versterkt wanneer de hulpbiedende zich daarbij opstelt als professioneel hulpverlener en voor het verlenen van hulp wordt betaald. De hulpbiedende geeft daarmee immers aan dat hij naar een zekere professionele standaard hulp kan bieden, daarmee het vertrouwen wekkend bij de hulpzoekende dat hij deskundig is in het bieden van de gevraagde hulp.
Een en ander komt ook tot uitdrukking in de volgende overweging in HR 2 december 2003, LJN AJ1188, NJ 2004, 78:
‘3.4.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat, overeenkomstig hetgeen het Hof in de strafmotivering ook heeft overwogen, de verdachte door genoemde seksuele handelingen te plegen, als masseur en psychotherapeut misbruik heeft gemaakt van zijn psychisch overwicht, de afhankelijke positie van het slachtoffer en het vertrouwen dat hij van haar had gewonnen. In strafbaarstelling van zodanig misbruik door iemand die — zoals ten aanzien van de verdachte moet worden aangenomen — werkzaam is in de gezondheidszorg, is voorzien in art. 249 Sr.’
- 11.
Met het voorgaande zou ik de indruk kunnen wekken dat iedere vorm van hulpverlening tot de maatschappelijke zorg zou moeten worden gerekend. Dat is niet het geval. De loodgieter die een leertje in een lekkende kraan vervangt verleent ook hulp, om van de monteur die de weigerende centrale verwarming maakt maar niet te spreken. Onder maatschappelijke zorg zou ik willen begrijpen al die zorg die erop is gericht mensen in de maatschappij staande te houden. Dan kan het gaan om een verzorgster die een bejaarde helpt bij het aankleden maar evenzeer om iemand die probeert problemen op het mentale vlak te verhelpen, zoals een psycholoog of een veelheid van andere hulpverleners die een bepaalde, al dan niet gevalideerde methode of therapie hebben ontwikkeld om iemand mentaal op normale sterkte te brengen, zoals iemand als de verdachte die kennelijk werkte vanuit de gedachte dat mentaal onwelbevinden kan voortvloeien uit energielekken en zich op basis van die gedachte afficheert als professioneel hulpverlener.’
(…)
- 13.
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat slechts van werkzaam zijn in de maatschappelijke zorg kan worden gesproken wanneer aan de verhouding met de cliënt een behandelovereenkomst ten grondslag ligt. Zoals voortvloeit uit hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet vloeit die eis niet uit de wet voort. Deze eis is ook niet in overeenstemming met al hetgeen onder werkzaam zijn in de maatschappelijke zorg dient te worden begrepen. Ik wijs op het hiervoor gegeven voorbeeld van de verzorgster die een bejaarde helpt bij het aankleden. Zij verleent wel maatschappelijke zorg doch behandelt niet.’
4.2.3
Rekwirant gaat, in navolging van de conclusie van de AG Vellinga, er vanuit dat, wil er sprake van zijn dat iemand werkzaam is in de ‘maatschappelijke zorg’, moet komen vast te staan dat:
- (a)
het moet gaan om personen, die hulp verlenen aan een ander en wel in een relatie die een zeker professioneel karakter heeft;
- (b)
de hulpzoekende om hulp vraagt en zich toevertrouwt aan de zorg van de hulpbiedende en zich aldus tot op zekere hoogte afhankelijk maakt van die hulpbiedende;
- (c)
sprake moet zijn vain een herhaaldelijk in plaats van een incidenteel contact en
- (d)
de zorg erop gericht moet zijn mensen in de maatschappij staande te houden.
4.2.4.1
Uit de door de Rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden — waarvan het Hof bij zijn oordeelsvorming in beginsel is uitgegaan — volgt dat [betrokkene 1] in 2010 met verdachte in diens hoedanigheid van arbeidsdeskundige bij het UWV een gesprek heeft. Na dit gesprek volgen meerdere gesprekken, waarbij [betrokkene 1] aan verdachte vertelt over haar traumatische ervaringen en het door haar ondervonden seksueel misbruik. Verdachte vindt dat de angst, het verdriet en de pijn die [betrokkene 1] heeft haar in de weg staan om de maatschappij in te gaan. Hij wil haar daarbij behulpzaam zijn (‘een handje helpen’).
4.2.4.2
De relatie tussen verdachte in diens hoedanigheid van arbeidsdeskundige bij het UWV en [betrokkene 1] mag dan voor de tenlastegelege periode (19 januari 2011 — 18 januari 2012) formeel zijn geëindigd, de advocaat-generaal heeft in haar requisitoir gesteld — en door het Hof is in het midden gelaten — dat deze beëindiging niet met [betrokkene 1] is gecommuniceerd. Ook uit andere, in het requisitoir genoemde omstandigheden — die ook door het Hof in het midden zijn gelaten — volgt dat [betrokkene 1] in de veronderstelling verkeert dat verdachte in de tenlastegelegde periode optreedt als haar arbeidsdeskundige.
4.2.4.3
Verdachte zette, naar volgt uit de door de Rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden — waarvan het Hof in beginsel is uitgegaan — ook na beëindiging van de formele relatie het persoonlijk contact met [betrokkene 1] voort, ging met zekere regelmaat bij haar thuis op bezoek en sprak met haar over haar opgelopen trauma. [betrokkene 1] had verdachte immers al tijdens het contact met verdachte bij het UWV in vertrouwen genomen. Tijdens die huisbezoeken traden bij [betrokkene 1] herbelevingen op, gedurende of na welke de in de tenlastelegging omschreven seksuele handelingen tussen [betrokkene 1] en verdachte plaatsvonden.
4.2.4.4
Bij deze stand van zaken is naar de mening van rekwirant sprake van contacten tussen verdachte — in diens voor [betrokkene 1] kenbare hoedanigheid van arbeidsdeskundige — en [betrokkene 1] die bezwaarlijk anders kunnen worden gekenmerkt dan als een vorm van maatschappelijke zorg. Tijdens deze contacten vinden seksuele handelingen plaats tussen [betrokkene 1] en verdachte.
4.2.4.5
Het Hof heeft overwogen dat het, anders dan het Openbaar Ministerie, geen aanknopingspunten ziet voor de stelling dat verdachte als arbeidsdeskundige werkzaam was in de maatschappelijke zorg.
Middelonderdeel (b):Onjuiste rechtsopvatting nopens het begrip ‘maatschappelijke zorg’?
Indien en voorzover het Hof verlangt dat sprake moet zijn van seksueel misbruik door personen die werkzaam waren in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg en die een formele behandelrelatie (cursivering rekwirant) met hun slachtoffers hadden, hanteert het Hof naar de mening van rekwirant een verkeerde maatstaf en getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Het moet immers gaan om een ‘feitelijke behandelrelatie’. Rekwirant licht dit toe:
Verdachte is in zijn hoedanigheid van arbeidsdeskundige bij het UWV met [betrokkene 1] in contact gekomen. Als de formele behandelrelatie is beëindigd — hetgeen overigens niet met [betrokkene 1] is gecommuniceerd — blijft verdachte [betrokkene 1] thuis bezoeken en praat telkens met haar over haar trauma en steekt de helpende hand uit bij haar ‘herbelevingen’. Van dit trauma is hij, toen hij nog officieel als arbeidsdeskundige bij het UWV met [betrokkene 1] contact had, op de hoogte geraakt, waarna er tussen hem en [betrokkene 1] een vertrouwensrelatie is ontstaan. [betrokkene 1] verkeert in de veronderstelling dat verdachte nog als arbeidsdeskundige optreedt. Aldus is er geen formele behandelrelatie meer, maar wel een feitelijke. Verdachte treedt, indien vanuit zijn positie wordt geredeneerd, ten opzichte van [betrokkene 1] op als maatschappelijk zorgverlener, terwijl [betrokkene 1] hem nog formeel als arbeidsdeskundige ziet en de (maatschappelijke) zorg van verdachte voor haar ook vanuit dat oogpunt beschouwt.
Oordeel Hof niet begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd?
4.2.4.6
Indien 's Hofs oordeel niet getuigt van een verkeerde rechtsopvatting, dan is rekwirant van mening dat 's Hofs oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor de stelling dat verdachte (als arbeidsdeskundige) werkzaam was in de maatschappelijke zorg geen recht doet aan (a) de door de Rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden, waarvan het Hof in beginsel is uitgegaan, en — ook in samenhang met — (b) de door de Advocaat-generaal in haar requisitoir naar voren gebrachte feiten met betrekking tot de bij — de van verdachte afhankelijke — [betrokkene 1] levende veronderstelling dat verdachte in de tenlastegelegde periode haar arbeidsdeskundige is. Het Hof heeft ook niet vastgesteld dat verdachte aan [betrokkene 1] heeft medegedeeld dat hij niet meer als haar arbeidsdeskundige optreedt. De door het Hof gegeven vrijspraak is bij deze stand van zaken niet zonder meer begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Middelonderdelen (c) en (d: Afwijking van uitdrukkelijk onderbouwd standpunt voldoende gemotiveerd? Is 's hofs oordeel ook overigens begrijpelijk?
4.2.4.7.1
Voorts is rekwirant van mening dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van het Openbaar Ministerie dat verdachte ten opzichte van [betrokkene 1] is opgetreden (als arbeidsdeskundige) werkzaam in de maatschappelijke zorg. 's Hofs overweging dat het, anders dan het OM (cursivering rekwirant), daarvoor geen aanknopingspunten ziet, schiet in dit opzicht te kort. Rekwirant wijst in dit verband op de bijdrage ‘Motivering van rechterlijke uitspraken: een evenwichtsuitoefening’ (p. 139) van De Groot in de bundel ‘175 jaar Hoge Raad der Nederlanden (Bijdragen aan de samenleving)’ (Den Haag 2014):
‘De motivering dwingt de rechter allereerst om de juistheid en inzichtelijkheid van de eigen beslissing te controleren. Ook dient de motivering ertoe partijen en derden inzicht te geven in de beweegredenen van de rechter, met als doel dat de beslissing voor hen controleerbaar en aanvaardbaar is.’
4.2.4.7.2
Het is voor een ieder duidelijk dat het Hof anders heeft beslist dan de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft ‘berequireerd’, maar het Hof geeft geen enkel inzicht in zijn beweegreden om van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de advocaat-generaal af te wijken en maakt mitsdien zijn beslissing niet inzichtelijk, noch begrijpelijk, noch controleerbaar, laat staan aanvaardbaar.
Indien het cassatiemiddel of een onderdeel ervan doel mocht treffen, dan zal het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kunnen blijven. Requirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der Wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 8 december 2016
M. van der Horst, advocaat-generaal Ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑12‑2016
Vlg. HR 19 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8366,NJ1990, 292, o.a. r.o.v. 4.5.:‘Er is geen genoegzame reden die bescherming uit te breiden buiten de grenzen van het bij of krachtens de wet aan de ambtenaar opgedragen gezag c.q. waakzaamheid jegens personen die van het aldus opgedragen gezag c.q. de aldus opgedragen waakzaamheid afhankelijk zijn.’ Vlg. ook: HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8602, NJ 1991, 381, HR 30 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0179, NJ 1995, 620, en HR 27 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8274, NJ 2005, 121.)
In dezelfde zin onder meer HR 22 maart 2011, ECLÏ:NL:HR:2011:BP2630,NJ 2011,143.
Veroordelingen zijn gevolgd t.a.v. een mental coach (HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011: BP2630), een imam (Rb. Arnhem 1 augustus 2012, ECLI:Nl:RBARN:2012:BX3178), een werkbegeleider van mensen met een verstandelijke beperking (Hof Den Bosch, ECLI:NL: GHSHE:2012:BX4110) en een dominee (Rb. Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2016:650).
HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011: BP2630.
Als ook (onderdeel 11): ‘Onder maatschappelijke zorg zou ik willen begrijpen al die zorg die erop is gericht mensen in de maatschappij staande te houden. (…)maar evenzeer om iemand die probeert problemen op het mentale vlak te verhelpen, zoals een psycholoog of een veelheid van andere hulpverleners die een bepaalde, al dan niet gevalideerde methode of therapie hebben ontwikkeld om iemand mentaal op normale sterkte te brengen.’
Los stuk, verspreid per e-maii van 14 december 2014, in het bijzonder op blad 2.
p. 62 van 75.
P. 12, bijlage bij B-verbaal van 2 september 2015.
ELCLI:NL:PHR:2014:1308
Vlg.ook annotatie van Rozemond.
T.a.v. vraag 5 (ongenummerde pagina tussen 11 en 12): ‘(…) zonder nadere brief aan de cliënt’.
O.a. t.a.v. vraag 6: begeleiding door het UWV was in handen van het Werkbedrijf, mw M.Schaart. Vlg ook het uitvoerige antwoord op vraag 10.
ECLI:NL:GHARL:2007:AZ9256 (raadsonderzoeker van de Raad van de Kinderbescherming). NB: Dit arrest is niet meer te vinden op rechtspraak.nl omdat het door de hoge raad is vernietigd, echter uitsluitend t.a.v. de duur van de opgelegde gevangenisstraf aangezien de hoge raad uitspraak doet nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. De middelen van cassatie zien niet op onderhavig twistpunt maar daarover is bovendien door de hoge raad geoordeeld dat geen van de middelen tot cassatie kan leiden (81 RO).Derhalve bij requisitoir overgelegd.