Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1440.
HR, 09-02-2024, nr. 22/03868
ECLI:NL:HR:2024:208
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-02-2024
- Zaaknummer
22/03868
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:208, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑02‑2024; (Cassatie)
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RBOBR:2016:5989
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RBOBR:2018:889
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RBOBR:2016:3097
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:2429
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RBOBR:2016:7262
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:658
ECLI:NL:PHR:2023:658, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑07‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:208
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑11‑2022
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Ondernemingsrechtpraktijk 2024/82
JIN 2024/43 met annotatie van mr. G.C. Vergouwen
OR-Updates.nl 2024-0077
NTHR 2024/23, p. 69
JOR 2024/159 met annotatie van mr. T.J. Teggelaar
Uitspraak 09‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Overeenkomst van koop van aandelen. Dwaling. Art. 3:53 lid 2 BW. Bezwaarlijk ongedaan te maken gevolgen van koopovereenkomst? Onbillijke bevoordeling?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 22/03868
Datum 9 februari 2024
ARREST
In de zaak van
ROOKIE B.V.,
gevestigd te Helmond,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Rookie,
advocaat: N.E. Groeneveld-Tijssens,
tegen
1. ABC HEKWERK PARTICIPATIE B.V.,
gevestigd te Veenendaal,
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: ABC Hekwerk en [verweerder 2] en gezamenlijk ABC Hekwerk c.s.,
advocaat: D.M. de Knijff.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/01/283488 HA ZA 14-645 van de rechtbank Oost-Brabant van 1 juni 2016, 12 oktober 2016 en 14 februari 2018;
b. de arresten in de zaak 200.236.723/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 april 2020 (tussenarrest) en 19 juli 2022 (eindarrest).
Rookie heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
ABC Hekwerk c.s. hebben tegen het eindarrest van het hof voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over een weer een geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging van het tussenarrest en het eindarrest en tot afdoening op de wijze zoals vermeld in randnummer 5.2 van die conclusie.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Rookie was in 2012 enig aandeelhouder en bestuurder van Euro Barrier B.V. (hierna: Euro Barrier). Euro Barrier maakte onder meer slagbomen.
(ii) ABC Hekwerk behartigde in 2012 de belangen van zelfstandige licentienemers die met ABC Hekwerk samenwerkten (hierna: de licentienemers) en leverde hekwerksystemen en gelieerde producten. ABC Hekwerk en haar licentienemers werkten samen wat betreft (onder meer) gezamenlijke logistiek, marketing en promotie. ABC Hekwerk heeft eind 2011 de aandelen in Promis Security Systems B.V. (hierna: PSS) overgenomen. PSS leverde elektronische beveiligingssystemen. Euro Barrier was een leverancier van PSS.
(iii) [verweerder 2] was en is bestuurder van ABC Hekwerk en was ten tijde van de hiervoor onder (ii) bedoelde overname indirect bestuurder van PSS.
(iv) Rookie en ABC Hekwerk hebben op 16 november 2012 een Letter of Intent (hierna: LOI) ondertekend over de overname van de aandelen in PSS door Rookie. In de LOI staat dat de “realisatie van een positief resultaat over het boekjaar 2012 voor belasting van circa € 20.000,- (...) realistisch voorstelbaar” is (art. 6) en dat ABC Hekwerk het in PSS “aanwezige eigen vermogen zoals dat blijkt uit de tussentijdse cijfers per 30 juni 2012 (...)” garandeert (art. 14).
(v) Rookie heeft een due diligence-onderzoek bij PSS uitgevoerd.
(vi) De tussentijdse cijfers van PSS per 30 november 2012 (met inbegrip van de balans per deze datum, hierna: de overnamebalans) zijn op 10 december 2012 ter hand gesteld aan de accountant van Rookie. Uit deze cijfers blijkt (a) een positief resultaat voor belasting van € 94.284,-- en een brutowinstmarge van 54.1% en (b) een post onderhanden projecten van € 156.330,--.
(vii) Rookie en ABC Hekwerk hebben op 21 december 2012 een koopovereenkomst gesloten (hierna: de koopovereenkomst). Rookie kocht de aandelen in PSS van ABC Hekwerk voor een koopprijs van (a) € 1,-- voor de aandelen en (b) € 482.933,28 door overname van een schuld in rekening-courant van PSS aan ABC Hekwerk (hierna: de koopprijs). ABC Hekwerk heeft deze aandelen aan Rookie geleverd. Rookie heeft de koopprijs (€ 482.934,28) betaald aan ABC Hekwerk. Het plan was dat PSS als servicecentrum zou gaan samenwerken met Euro Barrier en de licentienemers).
(viii) De koopovereenkomst bevat een balansgarantie, afgegeven door ABC Hekwerk ten gunste van Rookie (art. 5 onder IV). De strekking daarvan is dat de overnamebalans getrouw en stelselmatig de grootte en samenstelling van het vermogen en het resultaat weergeeft. Onder “overige garanties” (art. 5 onder VI) erkent ABC Hekwerk dat iedere verklaring in dit artikel voor Rookie van wezenlijk belang is en dat de juistheid, nauwkeurigheid en volledigheid van iedere verklaring essentieel is voor het besluit van Rookie om de koopovereenkomst aan te gaan.
(ix) Rookie en ABC Hekwerk hebben in 2013 een licentie- en samenwerkingsovereenkomst gesloten.
(x) In juli 2013 is onmin ontstaan. ABC Hekwerk sprak (namens haar achterban) haar zorgen uit over de samenwerking met PSS. De accountant van Rookie sprak ABC Hekwerk aan op een aantal mogelijke onregelmatigheden in de cijfers over 2012 met betrekking tot de post onderhanden projecten.
(xi) PSS heeft over 2012 een verlies geleden van € 109.236,-- (resultaat voor belastingen).
(xii) Rookie heeft op 15 juli 2013 woord- en beeldmerken “ABC Hekwerk” en “ABC Security Systems” gedeponeerd. ABC Hekwerk heeft op 29 augustus 2013 de licentie- en samenwerkingsovereenkomst ontbonden. Rookie heeft de inschrijving van de merknamen laten doorhalen, nadat ABC Hekwerk daarover een kort geding tegen haar aanhangig had gemaakt en de voorzieningenrechter op 25 oktober 2013 in dat kort geding vonnis had gewezen.
(xiii) PSS is in staat van faillissement verklaard. Euro Barrier kon daardoor een debiteurenpost van € 200.000,-- niet incasseren. Euro Barrier is ook in staat van faillissement verklaard. B&G Hekwerk B.V., een belangrijke concurrent van ABC Hekwerk, heeft een doorstart mogelijk gemaakt van de bedrijven van PSS en Euro Barrier.
2.2
Rookie vordert, voor zover in cassatie van belang, primair een verklaring voor recht over dwaling bij het aangaan van de koopovereenkomst en over de vernietiging van de koopovereenkomst, en veroordeling van ABC Hekwerk tot terugbetaling van de koopprijs en subsidiair voor recht te verklaren dat ABC Hekwerk tekort is geschoten als gevolg van de schending van de balansgarantie en ABC Hekwerk c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade. Primair en subsidiair vordert Rookie voor recht te verklaren dat zij uit hoofde van de koopovereenkomst niets meer aan ABC Hekwerk verschuldigd is, alsmede om ABC Hekwerk c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de overige door haar geleden schade. In geval van vernietiging hebben ABC Hekwerk c.s. in reconventie voorwaardelijk gevorderd Rookie te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan de koopprijs.
2.3
De rechtbank heeft de vordering van Rookie tot vernietiging van de koopovereenkomst afgewezen. Zij heeft voor recht verklaard dat ABC Hekwerk toerekenbaar is tekortgeschoten door schending van de bij de verkoop van de aandelen PSS gegeven balansgarantie en uit dien hoofde ABC Hekwerk c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 107.313,--.
2.4
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat Rookie de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd op grond van dwaling. Het heeft ABC Hekwerk veroordeeld om € 272.153,46 te betalen en voor recht verklaard dat Rookie uit hoofde van de koopovereenkomst niets meer aan ABC Hekwerk is verschuldigd.
Daartoe heeft het hof in zijn tussenarrest1.overwogen als volgt:
Wat betreft het geschilpunt over de post onderhanden projecten op de overnamebalans is de conclusie dat deze post onjuist is gewaardeerd en dat de fout moet worden begroot op een substantieel en omvangrijk bedrag van maximaal € 120.063,--. (rov. 3.13)
Het beroep van Rookie op dwaling is gegrond. Rookie heeft op goede gronden de buitengerechtelijke vernietiging van de koopovereenkomst ingeroepen. De dwaling komt niet voor rekening van Rookie. (rov. 3.19)
Over de gevolgen van het geslaagde beroep op dwaling heeft het hof overwogen:
“3.20. De gevolgen hiervan zijn het volgende geschilpunt. (…) Het gaat om:
- het beroep van ABC op art. 3:53 lid 2 BW (partiële vernietiging en een uitkering in geld in verband met onbillijke bevoordeling van Rookie) en de daarmee samenhangende (reconventionele) vordering van ABC tot betaling van de restant Koopprijs;
- de vordering van ABC tot vergoeding van schade;
- de vordering van Rookie tot vergoeding van schade (art. 2:249 BW; art. 6:74 BW; art. 6:162 BW).
Deze punten komen hieronder aan de orde.
3.21.
ABC heeft zich beroepen op artikel 3:53 lid 2 BW (…). De rechter kan volgens deze regeling desgevraagd aan een vernietiging geheel of ten dele haar werking ontzeggen, indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt. De rechter kan verder aan een partij die daardoor onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting opleggen tot een uitkering in geld aan de partij die benadeeld wordt. (…)
3.22.
Het hof overweegt dat ABC op zichzelf gelijk heeft wat betreft de gevolgen van de vernietiging. De vernietiging van de Koopovereenkomst brengt in beginsel mee dat ABC Hekwerk de Koopprijs moet teruggeven aan Rookie en dat Rookie de aandelen in PSS moet teruggeven aan ABC Hekwerk. Rookie heeft de aandelen nog wel, maar Rookie kan deze aandelen uiteraard niet materieel in exact dezelfde staat teruggeven. De transactie was immers jaren geleden. PSS is in staat van faillissement verklaard en de curator heeft de onderneming van PSS verkocht aan een doorstarter. Dit betekent dat de aandelenoverdracht – een reeds ingetreden gevolg van de vernietigde rechtshandeling – bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt.
3.23.
Het hof begrijpt de standpunten van Rookie aldus dat volgens haar sprake is van een onrechtmatige daad en/of van een (toerekenbare) tekortkoming in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst en/of de licentieovereenkomst. Rookie heeft de volgende standpunten naar voren gebracht. ABC heeft haar onvoldoende en onjuist geïnformeerd in de aanloop naar de Koopovereenkomst over:
- de cijfers (Overnamebalans);
- lopende (operationele) problemen in de organisatie (betalingstermijnen, discussie over prijslijst, aangekondigde prijsverhoging van een leverancier);
- het merk en Rookie vindt dat ABC de samenwerking welbewust heeft gefrustreerd. Er is sprake geweest van een vooropgezet plan van ABC Hekwerk om PSS als verlieslijdend onderdeel van de ABC Hekwerk-groep af te stoten, zonder daarvan zelf de consequenties te hoeven dragen, aldus Rookie.
3.24.
ABC heeft zich (…) beroepen op artikel 3:53 lid 2 BW, aanspraak gemaakt op een uitkering in geld, als in dat wetsartikel omschreven, en een vordering tot vergoeding van schade ingesteld. ABC heeft de volgende standpunten naar voren gebracht:
- Rookie heeft onjuiste keuzes heeft gemaakt in de onderneming;
- Rookie heeft de samenwerking tussen PSS en de ABC-ondernemingen welbewust gefrustreerd (omdat zij niet wilde dat PSS winst zou maken in verband met de earn-out);
- Rookie heeft ten onrechte de ABC-merknaam gedeponeerd;
- Rookie heeft (als gevolg van het voorgaande) het faillissement van PSS veroorzaakt.
3.25.
ABC heeft haar stelling dat zij aanspraak heeft op een uitkering in geld wegens onbillijke bevoordeling/benadeling (art. 3:53 lid 2 BW) voldoende toegelicht. Rookie heeft deze stelling van ABC voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal ABC toelaten tot bewijslevering. Het hof merkt nu reeds op dat de omstandigheid dat ABC slechts gedurende een korte periode (een jaar) verantwoordelijk was voor de administratie, niet ter zake doet. ABC was immers daarvoor verantwoordelijk en zij heeft de Overnamebalans gebruikt bij de verkoop van de onderneming.”
In zijn eindarrest2.heeft het hof op grond van hetgeen het na bewijslevering bewezen heeft geacht (rov. 7.5) met betrekking tot het beroep van ABC Hekwerk c.s. op art. 3:53 lid 2 BW in het incidentele hoger beroep overwogen:
“7.6. (…)
(a) Het eerste geschilpunt in de zaak betreft het beroep van ABC op artikel 3:53 lid 2 BW (vergoeding ter voorkoming van onbillijke bevoordeling) als verweer tegen de door Rookie gevorderde terugbetaling van de koopprijs.
Het hof is van oordeel dat dit beroep op artikel 3:53 lid 2 BW toewijsbaar is tot een bedrag gelijk aan 25% van de koopprijs nadat de koopprijs is verminderd met de correctie in verband met de dwaling. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat ABC als verkoper verantwoordelijk is voor de dwaling, de onjuiste inlichtingen en in zeer belangrijke mate voor het stroeve verloop van de samenwerking, waardoor Rookie zich genoodzaakt zag drastische maatregelen te treffen (het deponeren van de merknaam). Aan de andere kant wordt ook tot uitdrukking gebracht dat Rookie de merknaam heeft gedeponeerd en daarmee de vertrouwensrelatie (nog verder) heeft ondermijnd, zoals hiervoor is overwogen. Daarmee heeft Rookie ook zelf enige rol gespeeld in de deconfiture van PSS.”
De overige vorderingen strekken tot vergoeding van schade en zijn door het hof afgewezen. (rov. 7.6 (b)-(e))
Een en ander heeft geleid tot de volgende slotsom:
“7.7. (…)
(c) Rookie heeft recht op € 12.750,00 in aanvulling op € 107.313,00 (bestreden eindvonnis) (totaal: € 120.063,00). Aldus wordt de onjuiste telling van de voorraden gecorrigeerd. Over dit aanvullend bedrag zal als gevorderd de wettelijke rente worden toegewezen.
(d) Rookie heeft recht op € 272.153,46, berekend als volgt:
€ 482.934,28 koopprijs
-/- € 120.063,00 reeds betaald of verschuldigd in verband met de voorraden
= € 362.871,28
-/- € 90.717,82 = 25% ter voorkoming van onbillijke bevoordeling
= € 272.153,46.
(…)”
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
Onderdeel 1A van het middel richt rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.22. van het tussenarrest. Het klaagt onder meer dat onjuist of onbegrijpelijk is het oordeel dat de aandelenoverdracht bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt.
3.2
Deze klachten slagen. Indien als gevolg van de vernietiging van een overeenkomst van koop van aandelen de titel aan de overdracht komt te ontvallen, hebben die aandelen het vermogen van de verkoper niet verlaten. De rechter kan in zo’n geval op grond van art. 3:53 lid 2, eerste zinsnede, BW desgevraagd aan de vernietiging geheel of ten dele haar werking ontzeggen, indien de reeds ingetreden gevolgen van de overeenkomst van koop van aandelen bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden. De enkele omstandigheid dat de aandelen zijn overgedragen, brengt nog niet de hiervoor bedoelde bezwaarlijkheid mee. Indien het hof dit heeft miskend, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel dat de aandelenoverdracht bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt zonder nadere, door het hof niet gegeven, toelichting niet begrijpelijk.
3.3
Onderdeel 1B is gericht tegen rov. 3.24. en 3.25. van het tussenarrest en tegen rov. 7.6. onder (a) van het eindarrest en klaagt dat onjuist of onbegrijpelijk is het oordeel dat benadeling aan de zijde van ABC Hekwerk c.s. een grond kan zijn voor een geslaagd beroep op art. 3:53 lid 2 BW.
3.4
Art. 3:53 lid 2, laatste zinsnede, BW kan worden toegepast als de rechter wegens het bezwaarlijk ongedaan kunnen maken van de gevolgen van een rechtshandeling aan de vernietiging van die rechtshandeling geheel of ten dele haar werking ontzegt, en een partij als gevolg van het ontzeggen van de werking aan de vernietiging onbillijk wordt bevoordeeld. Het hof heeft echter zodanige bevoordeling van Rookie niet (kenbaar) aan zijn bedoelde oordeel ten grondslag gelegd. Aldus heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De hierop gerichte klachten slagen dus eveneens.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
4.1
Hiervoor onder 3 is gebleken dat het middel in het principale beroep doel treft. Daarmee is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld.
4.2
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt de arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 april 2020 en 19 juli 2022;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt ABC Hekwerk c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rookie begroot op € 7.225,24 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien ABC Hekwerk c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt ABC Hekwerk c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rookie begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien ABC Hekwerk c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 9 februari 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑02‑2024
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2429.
Conclusie 07‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Vermogensrecht. Koop van aandelen wegens dwaling vernietigd. Toepassing van art. 3:53 lid 2 BW (bezwaarlijkheid van ongedaanmaking) mogelijk? Onbegrijpelijke en/of onjuiste afwijzing van schadevergoedingsvordering? Art. 6:98 BW-verband.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/03868
Zitting 7 juli 2023
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
Rookie B.V. (hierna: ‘Rookie’)
tegen
1. ABC Hekwerk Participatie B.V.
2. [verweerder 2]
(hierna gezamenlijk: ‘ABC Hekwerk Participatie c.s.’, en afzonderlijk: ‘ABC Hekwerk Participatie’ respectievelijk: ‘ [verweerder 2] ’)
Deze zaak gaat over de verkoop door ABC Hekwerk Participatie van aandelen in Promis Security Systems B.V. (hierna: ‘PSS’) aan Rookie en over de stukgelopen commerciële samenwerking tussen deze partijen. Rookie heeft de koopovereenkomst op grond van dwaling vernietigd vanwege onjuiste inlichtingen van ABC Hekwerk Participatie c.s. en terugbetaling van de koopprijs gevorderd. Daarnaast heeft Rookie van ABC Hekwerk Participatie c.s. een vergoeding gevorderd van andere schade dan de betaalde koopsom. Het hof heeft ABC Hekwerk Participatie veroordeeld tot terugbetaling van de koopprijs maar 25% van een gedeelte van de koopprijs voor rekening van Rookie gelaten, volgens het hof op grond van art. 3:53 lid 2, tweede volzin, BW. Verder heeft het hof de vordering van Rookie tot vergoeding van andere schade afgewezen. In het principaal cassatieberoep valt Rookie deze oordelen aan. ABC Hekwerk Participatie c.s. bestrijden in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep de motivering van de afwijzing van Rookie’s vordering tot vergoeding van andere schade.
1. Feiten
1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1.
1.2
ABC Hekwerk Participatie leverde hekwerksystemen en gelieerde producten en heeft eind 2011 de aandelen in PSS overgenomen. Ook behartigde zij de belangen van zelfstandige licentienemers die met ABC Hekwerk Participatie samenwerkten (hierna: ‘licentienemers’ of ‘ABC Hekwerk Participatie-bedrijven’).2.Euro Barrier B.V. (hierna: ‘Euro Barrier’) was een leverancier van PSS. Rookie was in 2012 enig aandeelhouder en bestuurder van Euro Barrier B.V.
1.3
[verweerder 2] was en is bestuurder van ABC Hekwerk Participatie en was destijds indirect bestuurder van PSS.
1.4
Rookie en ABC Hekwerk Participatie hebben op 16 november 2012 een Letter of Intent (hierna: ‘LOI’) ondertekend over de overname van de aandelen in PSS door Rookie.3.In de LOI staat dat de “realisatie van een positief resultaat over het boekjaar 2012 voor belasting van circa € 20.000,- (...) realistisch voorstelbaar” is (artikel 6) en dat ABC Hekwerk Participatie het in PSS “aanwezige eigen vermogen zoals dat blijkt uit de tussentijdse cijfers per 30 juni 2012 (...)” garandeert (artikel 14).
1.5
Rookie heeft een due-diligence-onderzoek bij PSS uitgevoerd.
1.6
De tussentijdse cijfers van PSS per 30 november 2012 (met inbegrip van de balans per deze datum, hierna: ‘Overnamebalans’) zijn op 10 december 2012 ter hand gesteld aan de accountant van Rookie. Uit deze cijfers blijkt onder meer een post onderhanden projecten van € 156.330,-.
1.7
Rookie en ABC Hekwerk Participatie hebben op 21 december 2012 een koopovereenkomst gesloten (hierna: ‘Koopovereenkomst’).4.Rookie kocht de aandelen in PSS van ABC Hekwerk Participatie voor een prijs van (a) € 1,- voor de aandelen, (b) € 482.933,28 voor overname van een schuld in rekening-courant van PSS aan ABC Hekwerk Participatie en (c) een andere component die in cassatie niet relevant is (onderdelen (a) en (b) hierna: ‘Koopprijs’)). ABC Hekwerk Participatie heeft de aandelen in PPS aan Rookie geleverd. Rookie heeft de Koopprijs (€ 1 + € 482.933,28 = € 482.934,28) betaald aan ABC Hekwerk Participatie. Het plan was dat PSS zou gaan samenwerken met Euro Barrier en de ABC Hekwerk Participatie-bedrijven.5.
1.8
In de Koopovereenkomst staat een balansgarantie, afgegeven door ABC Hekwerk Participatie ten gunste van Rookie (artikel 5 onder IV). De strekking van deze garantie is dat de Overnamebalans getrouw en stelselmatig de grootte en samenstelling van het vermogen en het resultaat weergeeft. Onder “(O)verige garanties” (artikel 5 onder VI) erkent ABC Hekwerk Participatie dat iedere verklaring in dit artikel voor Rookie van wezenlijk belang is en dat de juistheid, nauwkeurigheid en volledigheid van iedere verklaring essentieel is voor het besluit van Rookie om de Koopovereenkomst aan te gaan.
1.9
Rookie en ABC Hekwerk Participatie hebben in 2013 een licentie- en samenwerkingsovereenkomst gesloten.
1.10
In 2013 is onmin ontstaan. De beoogde samenwerking is niet goed gegaan.6.ABC Hekwerk Participatie sprak (namens haar achterban) haar zorgen uit over de samenwerking met PSS. De accountant van Rookie sprak ABC Hekwerk Participatie aan op een aantal mogelijke onregelmatigheden in de cijfers over 2012 met betrekking tot de post onderhanden projecten.
1.11
PSS heeft over 2012 verlies geleden.
1.12
Rookie heeft op 15 juli 2013 woord- en beeldmerken “ABC Hekwerk” en “ABC Security Systems” gedeponeerd. ABC Hekwerk Participatie heeft op 29 augustus 2013 de licentie- en samenwerkingsovereenkomst ontbonden. Rookie heeft de inschrijving van de merknamen laten doorhalen, nadat ABC Hekwerk Participatie daarover een kort geding tegen haar aanhangig had gemaakt en de voorzieningenrechter op 25 oktober 2013 in dat kort geding vonnis had gewezen.
1.13
PSS is in staat van faillissement verklaard. Euro Barrier kon daardoor een debiteurenpost van € 200.000,- niet incasseren. Euro Barrier is ook in staat van faillissement verklaard. B&G Hekwerk B.V., een belangrijke concurrent van ABC Hekwerk Participatie, heeft een doorstart mogelijk gemaakt van de bedrijven van PSS en Euro Barrier. De curator heeft de activa van PSS aan een concurrent7.verkocht.8.
2. Procesverloop
Opmerking vooraf
2.1
Omdat ABC Hekwerk Participatie in cassatie de afwijzing van haar vorderingen in reconventie niet heeft bestreden,9.laat ik de inhoud van het procesverloop buiten beschouwing voor zover deze inhoud alleen relevant is voor de beoordeling van deze reconventionele vorderingen.10.Verder merk ik op dat verschillende onderdelen van de bestreden arresten lastig te interpreteren zijn. Waar dat nodig is, geef ik hierna direct aan hoe ik de bestreden arresten interpreteer en waaruit ik dat afleid. Een waarschuwing vooraf: het gaat om een langdurig en complex procesverloop dat enige aandacht vergt om goed te doorgronden.
Eerste aanleg
2.2
Rookie heeft ABC Hekwerk Participatie c.s. op 22 augustus 2014 voor de rechtbank Oost-Brabant gedagvaard en een aantal vorderingen ingesteld. Rookie heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd:11.
- primair: vernietiging in rechte van de Koopovereenkomst op grond van dwaling;
- subsidiair: een verklaring voor recht dat de Koopovereenkomst is ontbonden;
- in aanvulling op het primair en subsidiair gevorderde: terugbetaling door ABC Hekwerk Participatie van de Koopprijs;
- meer subsidiair: een verklaring voor recht dat ABC Hekwerk Participatie toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de Koopovereenkomst; en
- in aanvulling op het primair, subsidiair en meer subsidiair gevorderde: schadevergoeding van ABC Hekwerk Participatie c.s.
2.3
Rookie heeft in eerste aanleg aan deze vorderingen het volgende ten grondslag gelegd: een onjuiste waardering van de post onderhanden projecten op de Overnamebalans, een schending van een balansgarantie in de Koopovereenkomst als gevolg van deze onjuiste waardering, en schade van Rookie die ABC Hekwerk Participatie c.s. via het faillissement van Euro Barrier zouden hebben veroorzaakt.
2.4
De procedure in eerste aanleg is uitgebreid geweest.12.De rechtbank heeft ABC Hekwerk Participatie en [verweerder 2] uiteindelijk bij eindvonnis van 14 februari 2018 veroordeeld om een bedrag van € 107.313,- aan Rookie te betalen als vergoeding voor de te hoge waardering van de post onderhanden projecten in de Overnamebalans.13.De rechtbank heeft in de kern als volgt geoordeeld:
- de onderhanden projecten in de Overnamebalans zijn tot een bedrag van € 107.313,- te hoog gewaardeerd (rov. 2.1.-2.10.);
- deze onjuiste waardering levert een schending op van de bij de verkoop van de aandelen in PSS door ABC Hekwerk Participatie afgegeven balansgarantie en om die reden is ABC Hekwerk Participatie toerekenbaar tekortgeschoten tegenover Rookie (rov. 2.11. en 2.15.);
- ABC Hekwerk Participatie is op grond van een contractsbepaling in de Koopovereenkomst gehouden het bedrag van € 107.313,- aan Rookie te vergoeden (rov. 2.12., 2.15. en 3.1.-3.2.);
- [verweerder 2] is gehouden ditzelfde bedrag aan Rookie te vergoeden op grond van bestuurdersaansprakelijkheid voor een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap door bekendgemaakte tussentijdse cijfers (rov. 2.13., 2.15. en 3.2.);14.
- de op dwaling en ontbinding gebaseerde vorderingen van Rookie worden afgewezen (rov. 2.14. en 3.7.);15.
- een aantal andere vorderingen wordt toe- of afgewezen of buiten behandeling gelaten, al dan niet met verwijzing naar een eerder vonnis in deze zaak (rov. 2.16.-2.24. en 3.1.-3.11.).
2.5
Nadat dit vonnis is gewezen, hebben ABC Hekwerk Participatie c.s. € 107.313,- aan Rookie betaald als compensatie voor het onjuist gewaardeerde gedeelte van de Overnamebalans.16.
Hoger beroep
2.6
Rookie heeft op 23 maart 2018 bij het hof ’s-Hertogenbosch hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 1 juni 2016, 12 oktober 2016 en 14 februari 2018. Rookie heeft in hoger beroep haar eis op een aantal onderdelen gewijzigd en geherformuleerd:17.
“3.4. (…) De gewijzigde vorderingen [van Rookie, A-G] komen grotendeels op hetzelfde neer, maar de ontbinding is niet aan de orde in hoger beroep. Rookie houdt rekening met reeds ontvangen bedragen en met het oordeel van de deskundige in eerste aanleg en Rookie vordert nu ook een voorschot op schadevergoeding. Rookie vordert volgens haar herformulering van de vorderingen:
- primair een verklaring voor recht over de dwaling, vernietiging en het niets meer verschuldigd zijn, en veroordeling van ABC Hekwerk tot terugbetaling van de Koopprijs, verminderd met het reeds betaalde bedrag;
- subsidiair hoofdelijke veroordeling van ABC Hekwerk en [verweerder 2] tot vergoeding van € 120.063,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag (schade in verband met de misleidende voorstelling van zaken), zo nodig op te maken bij staat, te vermeerderen met rente en te verminderen met het reeds betaalde bedrag;
- primair en subsidiair een verklaring voor recht over hoofdelijke aansprakelijkheid van ABC Hekwerk en [verweerder 2] voor schade als gevolg van de misleidende voorstelling van zaken, een tekortkoming of een onrechtmatige daad, en hoofdelijke veroordeling van ABC Hekwerk en [verweerder 2] tot vergoeding van (overige) schade, op te maken bij staat, en tot betaling van een voorschot van € 190.000,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
(…)”
2.7
De vorderingen van Rookie omvatten in hoger beroep dus onder meer:
- een primaire vordering tegenover ABC Hekwerk Participatie die strekt tot terugbetaling van de Koopprijs verminderd met het al betaalde bedrag van € 107.313,- (hierna: ‘Vordering 1’);
- een subsidiaire vordering tegenover ABC Hekwerk Participatie en [verweerder 2] die strekt tot vergoeding van € 120.063,- voor beweerdelijke schade in verband met de misleidende voorstelling van zaken, welk bedrag overeenkomt met – naar ik begrijp – het gedeelte van de waarde van de post onderhanden werk op de Overnamebalans dat volgens Rookie onjuist is, te verminderen met het al betaalde bedrag van € 107.313,- (hierna: ‘Vordering 2’);
- in aanvulling op zowel het primair als het subsidiair gevorderde, een vordering tegen ABC Hekwerk Participatie en [verweerder 2] die strekt tot vergoeding van overige schade die – naar ik begrijp18.– bestaat uit beweerdelijke kosten en verliezen uit onderneming, en kosten en verliezen vanwege het faillissement van Euro Barrier (hierna: ‘Vordering 3’).
2.8
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 28 april 2020 (hiervoor in voetnoot 1 al gedefinieerd als ‘het Tussenarrest’), een aantal geschilpunten tussen partijen beslist en ABC Hekwerk Participatie c.s. toegelaten tot het leveren van bewijs van een aantal stellingen. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen en geoordeeld.
2.9
Het hof heeft allereerst geoordeeld dat de Overnamebalans een onjuist gewaardeerde post bevat en heeft het verschil begroot op een bedrag van maximaal € 120.063,-.19.Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat Rookie over verschillende omstandigheden heeft gedwaald en dat deze onjuiste voorstelling van zaken te wijten is aan inlichtingen van ABC Hekwerk Participatie c.s. in de Overnamebalans, dan wel aan het verzuim van ABC Hekwerk Participatie c.s. om Rookie in te lichten over punten waarover ABC Hekwerk Participatie c.s. Rookie hadden behoren in te lichten. Het hof heeft daarom geoordeeld dat Rookie de Koopovereenkomst terecht heeft vernietigd.20.
2.10
Het hof heeft daarna de resterende geschilpunten beschreven:
“3.20. De gevolgen hiervan zijn het volgende geschilpunt. Partijen zijn uitvoerig hierop ingegaan, met enkele juridische maar kennelijk telkens dezelfde feitelijke grondslagen over en weer. Het gaat om
- het beroep van ABC21.op art. 3:53 lid 2 BW (partiële vernietiging en een uitkering in geld in verband met onbillijke bevoordeling van Rookie) en de daarmee samenhangende (reconventionele) vordering van ABC tot betaling van de restant Koopprijs;
- de vordering van ABC tot vergoeding van schade;
- de vordering van Rookie tot vergoeding van schade (art. 2:249 BW; art. 6:74 BW; art. 6:162 BW). (…)”
2.11
Vervolgens heeft het hof in het licht van het beroep van ABC Hekwerk Participatie geoordeeld dat de aandelenoverdracht bezwaarlijk ongedaan gemaakt kan worden, in de zin van art. 3:53 lid 2 BW:
“ 3.21. ABC heeft zich beroepen op artikel 3:53 lid 2 BW (…). De rechter kan volgens deze regeling desgevraagd aan een vernietiging geheel of ten dele haar werking ontzeggen, indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan kunnen worden gemaakt. De rechter kan verder aan een partij die daardoor onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting opleggen tot een uitkering in geld aan de partij die benadeeld wordt. (…)
3.22.
Het hof overweegt dat ABC op zichzelf gelijk heeft wat betreft de gevolgen van de vernietiging. De vernietiging van de Koopovereenkomst brengt in beginsel mee dat ABC Hekwerk de Koopprijs moet teruggeven aan Rookie en dat Rookie de aandelen in PSS moet teruggeven aan ABC Hekwerk. Rookie heeft de aandelen nog wel, maar Rookie kan deze aandelen uiteraard niet materieel in exact dezelfde staat teruggeven. De transactie was immers jaren geleden. PSS is in staat van faillissement verklaard en de curator heeft de onderneming van PSS verkocht aan een doorstarter. Dit betekent dat de aandelenoverdracht – een reeds ingetreden gevolg van de vernietigde rechtshandeling -- bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt.”
2.12
Het hof heeft daarna de door Rookie aangevoerde feitelijke grondslag van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis(sen) voor Vordering 2 en Vordering 3 benoemd:
“3.23. Het hof begrijpt de standpunten van Rookie aldus dat volgens haar sprake is van een onrechtmatige daad en/of van een (toerekenbare) tekortkoming in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst en/of de licentieovereenkomst. Rookie heeft de volgende standpunten naar voren gebracht. ABC heeft haar onvoldoende en onjuist geïnformeerd in de aanloop naar de Koopovereenkomst over:
- de cijfers (Overnamebalans);
- lopende (operationele) problemen in de organisatie (betalingstermijnen, discussie over prijslijst, aangekondigde prijsverhoging van een leverancier);
- het merk
en Rookie vindt dat ABC de samenwerking welbewust heeft gefrustreerd. Er is sprake geweest van een vooropgezet plan van ABC Hekwerk om PSS als verlieslijdend onderdeel van de ABC Hekwerk-groep af te stoten, zonder daarvan zelf de consequenties te hoeven dragen, aldus Rookie.”
2.13
Hierna heeft het hof een aantal standpunten genoemd die ABC Hekwerk Participatie c.s.22.volgens het hof bij hun beroep op art. 3:53 lid 2 BW en schadevergoeding hebben ingenomen:
“3.24. ABC heeft zich, zoals hiervoor gemeld, beroepen op artikel 3:53 lid 2 BW, aanspraak gemaakt op een uitkering in geld, als in dat wetsartikel omschreven, en een vordering tot vergoeding van schade ingesteld. ABC heeft de volgende standpunten naar voren gebracht:
- Rookie heeft onjuiste keuzes heeft gemaakt in de onderneming;
- Rookie heeft de samenwerking tussen PSS en de ABC-ondernemingen welbewust gefrustreerd (omdat zij niet wilde dat PSS winst zou maken in verband met de eam-out);
- Rookie heeft ten onrechte de ABC-merknaam gedeponeerd;
- Rookie heeft (als gevolg van het voorgaande) het faillissement van PSS veroorzaakt.”
2.14
Na deze overweging heeft het hof ABC Hekwerk Participatie in het kader van haar beroep op de geldelijke uitkering van art. 3:53 lid 2 BW toegelaten tot bewijslevering:
“3.25. ABC heeft haar stelling dat zij aanspraak heeft op een uitkering in geld wegens onbillijke bevoordeling/benadeling (art. 3:53 lid 2 BW) voldoende toegelicht. Rookie heeft deze stelling van ABC voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal ABC toelaten tot bewijslevering. Het hof merkt nu reeds op dat de omstandigheid dat ABC slechts gedurende een korte periode (een jaar) verantwoordelijk was voor de administratie, niet ter zake doet. ABC was immers daarvoor verantwoordelijk en zij heeft de Overnamebalans gebruikt bij de verkoop van de onderneming.”
2.15
Vervolgens heeft het hof overwogen dat het hof Rookie indien nodig later in staat zal stellen om bewijs te leveren voor de feitelijke grondslag van (naar ik begrijp)23.Vordering 3, omdat ABC Hekwerk Participatie c.s. de stellingen van Rookie in dit verband voldoende gemotiveerd hebben betwist.24.
2.16
Het hof heeft hierna overwogen dat de aansprakelijkheid van [verweerder 2] voor de misleidende voorstelling van PSS in de Overnamebalans inmiddels vaststaat en dat ten aanzien van de aansprakelijkheid van [verweerder 2] nog over de omvang van de verschuldigde schadevergoeding wordt gestreden:25.
“3.29. Het hof wijst voor de goede orde op de beslissing van de rechtbank dat [verweerder 2] hoofdelijk aansprakelijk is, als indirect bestuurder van PSS op grond van artikel 2:249 BW en artikel 2:11 BW, voor de schade die Rookie lijdt als gevolg van de – inmiddels vaststaande – misleidende voorstelling van zaken in de Overnamebalans. [verweerder 2] heeft in hoger beroep geen grief gericht tegen deze beslissing. Rookie heeft in hoger beroep wel een grief gericht tegen het bedrag tot betaling waarvan [verweerder 2] is veroordeeld. Daarom staat de aansprakelijkheid van [verweerder 2] op deze grondslag vast in hoger beroep en is het hoger beroep op dit punt niet beperkt tot zijn veroordeling om € 107.313,00 aan Rookie te betalen.”
2.17
Daarna heeft het hof een tussenbalans opgemaakt:26.
“3.30. De conclusie van het voorgaande is dat:
- de post onderhanden projecten in de Overnamebalans onjuist is gewaardeerd en de fout moet worden begroot op een substantieel en omvangrijk bedrag van maximaal € 120.063,00 (3.13 hiervoor);
- de Koopovereenkomst op goede gronden is vernietigd (3.19 hiervoor);
- ABC zal thans worden toegelaten tot bewijslevering als na te melden;
- iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3.31.
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor een akte over de bewijslevering. (…).”
2.18
In zijn eindarrest van 19 juli 2022, het tweede bestreden arrest (hiervoor in voetnoot 1 al gedefinieerd als ‘het Eindarrest’), heeft het hof Rookie grotendeels in het gelijk gesteld. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen en geoordeeld.
2.19
Het hof heeft eerst een en ander – in cassatie onbestreden – vooropgesteld over de bewijslastverdeling, de bewijslevering en de bewijswaardering.27.
2.20
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat het een aantal stellingen bewezen acht waarvan ik de belangrijkste onderdelen die in cassatie van belang zijn samenvat:
- dat ABC Hekwerk Participatie c.s. Rookie niet naar behoren hebben ingelicht over de onderneming van PSS (rov. 7.5. (a), aanhef en (i)-(iii));
- dat PSS vóór en ná de overname minder of niet winstgevend was en met liquiditeitsproblemen kampte vanwege een combinatie van (i) de als onvoldoende ervaren samenwerking met ABC Hekwerk Participatie-bedrijven, (ii) het betalingsgedrag van de ABC Hekwerk Participatie-bedrijven, en (iii) prijsstijgingen (rov. 7.5. (a) (iii));
- dat het succes van de onderneming van PSS vooral afhankelijk was van de samenwerking tussen partijen en van talrijke keuzes die zij in die samenwerking maakten (rov. 7.5. (a), zesde alinea);
- dat de samenwerking tussen de ABC Hekwerk Participatie-bedrijven en PSS na de overname ook gelet op de gedragingen van ABC Hekwerk Participatie-bedrijven in belangrijke opzichten stroef verliep, dat de cijfers van PSS in het jaar na de overname tot de periode waarin de merknaam van ABC Hekwerk Participatie-bedrijven door Rookie is gedeponeerd min of meer langs de lijnen van voorgaande periodes lagen of zelfs enigszins hoger dan in voorgaande periodes waren, en dat de cijfers van PSS beduidend minder goed waren dan de verwachtingen van Rookie in aanloop naar de overname (rov. 7.5. (c), aanhef en (i)-(vi));
- dat het niet verantwoord was dat Rookie de merknaam van de ABC Hekwerk Participatie-bedrijven heeft gedeponeerd en dat Rookie niet bereid was om die merknaam op het eerste verzoek over te dragen aan de ABC Hekwerk Participatie-bedrijven, en dat de gang van zaken die daarna heeft plaatsgevonden heeft bijgedragen aan het ontstaan van het faillissement van PSS (rov. 7.5. (d));
- dat ABC Hekwerk Participatie na de faillietverklaring van PSS een nieuwe onderneming heeft opgericht die min of meer de functie had in de ABC Hekwerk Participatie-organisatie die PSS voorheen had (rov. 7.5. (e), tweede alinea).
2.21
Het hof heeft daarnaast Rookie’s standpunt dat ABC Hekwerk Participatie c.s. hebben geprofiteerd van het faillissement van PSS en een vooropgezet plan hadden om PSS als verlieslijdende onderneming kwijt te raken verworpen (rov. 7.5. (e), eerste en derde alinea).
2.22
Mede op basis van wat het hof bewezen heeft geacht, heeft het hof de geschilpunten en vorderingen beoordeeld.28.Het hof heeft Vordering 1 toegewezen met vermindering van wat door ABC Hekwerk Participatie c.s. verschuldigd is door toewijzing van Vordering 2 (€ 12.750,-) en van wat al betaald was (€ 107.313,-), maar heeft in rov. 7.6. (a) geoordeeld dat 25% van het verschil tussen de Koopprijs en het gedeelte van de waarde van de post onderhanden werk op de Overnamebalans dat het hof onjuist heeft geacht toch voor rekening van Rookie komt.29.Het hof heeft Vordering 330.afgewezen in rov. 7.6. (b) van het Eindarrest, nu het in art. 6:98 BW31.bedoelde verband ontbreekt (d) en een deel van de feitelijke grondslag van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis(sen) voor Vordering 3 niet is komen vast te staan (e):
“7.6. Het hof beoordeelt vervolgens de gevolgen van de bewijswaardering voor de vorderingen en geschilpunten van partijen.
(a) Het eerste geschilpunt in de zaak betreft het beroep van ABC op artikel 3:53 lid 2 BW (vergoeding ter voorkoming van onbillijke bevoordeling) als verweer tegen de door Rookie gevorderde terugbetaling van de koopprijs.
Het hof is van oordeel dat dit beroep op artikel 3:53 lid 2 BW toewijsbaar is tot een bedrag gelijk aan 25% van de koopprijs nadat de koopprijs is verminderd met de correctie in verband met de dwaling. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat ABC als verkoper verantwoordelijk is voor de dwaling, de onjuiste inlichtingen en in zeer belangrijke mate voor het stroeve verloop van de samenwerking, waardoor Rookie zich genoodzaakt zag drastische maatregelen te treffen (het deponeren van de merknaam). Aan de andere kant wordt ook tot uitdrukking gebracht dat Rookie de merknaam heeft gedeponeerd en daarmee de vertrouwensrelatie (nog verder) heeft ondermijnd, zoals hiervoor is overwogen. Daarmee heeft Rookie ook zelf enige rol gespeeld in de deconfiture van PSS.
(b) De overige vorderingen in de zaak strekken tot vergoeding van schade. Het hof is van oordeel dat deze vorderingen over en weer niet toewijsbaar zijn. Het hof legt dat hieronder uit, eerst wat betreft ABC, daarna Rookie.
(c) ABC heeft niet bewezen dat Rookie de samenwerking tussen PSS en de ABC-ondernemingen welbewust heeft gefrustreerd. ABC heeft niet bewezen dat Rookie het faillissement van PSS heeft veroorzaakt. ABC heeft wel bewezen dat Rookie een onjuiste keuze heeft gemaakt in de onderneming, namelijk dat Rookie ten onrechte de ABC-merknaam heeft gedeponeerd. Deze keuze heeft de slotfase van de samenwerking ingeleid, maar dit was slechts de laatste druppel, één van vele oorzaken van het faillissement van PSS. De stroeve samenwerking, de handelwijze van de ABC-bedrijven daarbij en de onjuiste voorlichting in de aanloop naar de transactie zijn evenzeer aan te merken als oorzaken van het faillissement. De door ABC gestelde schade kan dan ook in redelijkheid niet (in voldoende mate) worden toegerekend aan de onjuiste keuze van Rookie.
(d) Rookie heeft bewezen dat ABC onjuiste mededelingen heeft gedaan in de aanloop naar de transactie, dat de samenwerking stroef verliep en dat ABC na de faillietverklaring van PSS een nieuwe onderneming heeft opgericht die min of meer hetzelfde werk deed als PSS.
Het hof beoordeelt hier het standpunt van Rookie dat zij bij een juiste voorstelling van zaken de onderneming niet zou hebben gekocht en dat haar vordering tot schadevergoeding daarom moet worden toegewezen. Het hof verwerpt dit betoog.
De onjuiste mededelingen zijn in voldoende mate verdisconteerd in het oordeel van het hof over de dwaling.
De gestelde schade betreft kosten en verliezen uit onderneming, en kosten en verliezen vanwege het faillissement van Eurobarrier (vanwege de door Eurobarrier – vanwege de liquiditeitspositie van PSS – van aanvang aan noodzakelijkerwijs aan PSS verstrekte leningen respectievelijk verstrekt leverancierskrediet, die/dat niet zijn/is terugbetaald vanwege het faillissement van PSS).
Deze gestelde schade hangt nauw samen met talrijke keuzes die in de onderneming (en bij Eurobarrier) zijn gemaakt en met het ondernemersrisico dat zich heeft verwezenlijkt. De gestelde schade staat daarom in een te ver verwijderd verband tot de onjuiste inlichtingen in de aanloop naar de transactie en kan in redelijkheid aan die onjuiste inlichtingen niet worden toegerekend. Bovendien leidt het oordeel dat sprake is van dwaling – anders dan Rookie lijkt te veronderstellen – niet automatisch tot een schadevergoedingsplicht uit onrechtmatige daad (of wanprestatie). Dat zou anders liggen bij bedrog door ABC, maar dat is – voor zover het onder 7.5. besproken 'vooropgezet plan' als zodanig moet worden begrepen – niet komen vast te staan.
Het hof hoeft bij deze stand van zaken een ander standpunt van ABC niet te beoordelen. Dat standpunt houdt in dat Rookie de schade aan zichzelf te wijten heeft omdat zij, als vermogende aandeelhouder, heeft nagelaten aanvullende middelen ter beschikking van PSS te stellen.
(e) Rookie heeft niet bewezen dat ABC of de ABC-bedrijven het faillissement van PSS hebben-veroorzaakt of daarvan op ongeoorloofde wijze hebben geprofiteerd. Rookie heeft ook niet bewezen dat de stroeve samenwerking uitsluitend of in overwegende mate te wijten was aan ongeoorloofde handelingen van ABC of de ABC-bedrijven. Het hof benadrukt in dit verband dat partijen, geen uitdrukkelijke – of in het geding voldoende gemotiveerd gestelde – afspraken hebben gemaakt over minimale winst, minimale omzet uit de samenwerking of exclusieve inkoop bij PSS. ABC wijst daar terecht op.”
2.23
Het hof heeft vervolgens geoordeeld over wat ABC Hekwerk Participatie c.s. gezien het voorgaande nog verschuldigd zijn aan Rookie:32.
“7.7. De beoordeling door het hof heeft de volgende gevolgen voor de grieven en
vorderingen die partijen naar voren hebben gebracht:
(…)
(c) Rookie heeft recht op € 12.750,00 in aanvulling op € 107.313,00 (bestreden eindvonnis) (totaal: € 120.063,00). Aldus wordt de onjuiste telling van de voorraden gecorrigeerd. Over dit aanvullend bedrag zal als gevorderd de wettelijke rente worden toegewezen.
(d) Rookie heeft recht op € 272.153,46, berekend als volgt:
€ 482.934,28 koopprijs
-/- € 120.063,00 reeds betaald of verschuldigd in verband met de voorraden
= € 362.871,28
-/- € 90.717,82 = 25% ter voorkoming van onbillijke bevoordeling
= € 272.153,46.
(…)”
2.24
In het dictum heeft het hof:33.
- Vordering 1 toegewezen met een correctie op grond van art. 3:53 lid 2 BW en verminderd met wat al betaald is en wat op grond van Vordering 2 verschuldigd is in verband met het onjuist gewaardeerde gedeelte van de Overnamebalans (per saldo: € 272.153,46);
- Vordering 2 tegenover ABC Hekwerk Participatie en [verweerder 2] toegewezen voor zover zij Vordering 2 nog niet hebben voldaan (per saldo: € 12.750,-),34.welk bedrag is verdisconteerd in de hiervoor genoemde toewijzing van Vordering 1;35.
- Vordering 3 tegenover ABC Hekwerk Participatie en [verweerder 2] afgewezen;36.en
- voor recht verklaard dat Rookie de Koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd op grond van dwaling.
Cassatieberoep
2.25
Bij procesinleiding van 18 oktober 2022 heeft Rookie tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het Tussenarrest en het Eindarrest. ABC Hekwerk Participatie c.s. hebben daartegen verweer gevoerd en in het verweerschrift voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Rookie heeft verweer gevoerd tegen het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Rookie heeft gerepliceerd.
3. Bespreking van het principale cassatieberoep
Inleiding
3.1
De procesinleiding bestaat uit een inleiding, die geen klachten bevat, middelonderdelen 1-3, die uiteenvallen in verschillende subonderdelen die (meerdere) klachten en een inleiding bevatten, en onderdeel 4, dat enkel een voortbouwklacht bevat.
Onderdeel 1
3.2
Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het hof over art. 3:53 lid 2 BW en is gericht tegen rov. 3.22., 3.24.-3.25. en 3.30., derde en vierde gedachtestreepje, 3.31. en 4. van het Tussenarrest, en rov. 7.6. (a), 7.7. (d) en 8. van het Eindarrest.
3.3
Subonderdeel 1A voert aan dat het hof in rov. 3.22. van het Tussenarrest een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd met betrekking tot het begrip ‘bezwaarlijk’ ongedaan maken althans dat deze overweging onjuist of (zonder nadere toelichting) onbegrijpelijk is in het licht van de onbetwiste stelling van Rookie dat de aandelen gewoon kunnen worden teruggegeven en dat niet valt in te zien welk beletsel daaraan in de weg staat. Voorts kan rov. 3.22. volgens het subonderdeel ook niet in stand blijven omdat het hof de terughoudende toepassing van art. 3:53 lid 2 BW heeft miskend, althans het hof had in elk geval moeten motiveren waarom het art. 3:53 lid 2 BW in dit geval heeft toegepast ondanks de vereiste terughoudendheid.
3.4
Subonderdeel 1A slaagt waar het aanvoert dat het hof ten onrechte althans onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de aandelenoverdracht bezwaarlijk ongedaan gemaakt kan worden. Ik licht dat toe.
3.5
Aan de vernietiging kan haar werking onder omstandigheden worden ontzegd.37.Een specifiek geval is geregeld in het hier centraal staande art. 3:53 lid 2 BW.38.Wanneer de reeds ingetreden gevolgen van de overeenkomst bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, kan volgens deze bepaling de werking van de vernietiging desgevraagd39.geheel of gedeeltelijk worden ontzegd én kan de rechter in dat geval aan de door deze correctie onbillijk bevoordeelde partij een verplichting opleggen tot een uitkering in geld aan de partij die door deze correctie benadeeld wordt.40.Het ontzeggen van de werking van vernietiging kan de vorm hebben van het (voor een bepaalde periode) uitschakelen van de terugwerkende kracht, maar de rechter kan ook bepalen dat verbintenissen uit hoofde van onverschuldigde betaling (gedeeltelijk) niet ontstaan.41.Het gaat in art. 3:53 lid 2 BW om de bezwaarlijkheid van de ongedaanmaking van reeds ingetreden feitelijke gevolgen die zijn ontstaan door de rechtshandeling.42.Hijma heeft dat treffend verwoord: het gaat bij art. 3:53 lid 2 BW om gevallen waarin door de rechtshandeling een fait accompli is ontstaan.43.In deze gevallen kunnen de gevolgen van de overeenkomst op zich wel ongedaan gemaakt worden;44.ongedaanmaking is niet onmogelijk. Bovendien heeft art. 3:53 lid 2 BW geen betrekking op het geval waarin sec de verandering van het vermogen van partijen door het ontstaan van verbintenissen uit hoofde van onverschuldigde betaling (door de vernietiging) bezwaarlijk is. Art. 3:53 lid 2 BW ziet op gevallen waarin ongedaanmaking van de reeds ingetreden feitelijke gevolgen van de rechtshandeling bezwaarlijk is, geabstraheerd van de vraag of het op zich bezwaarlijk is dat het vermogen van partijen wordt aangepast door het ontstaan van verbintenissen uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het lijkt er verder niet op dat “bezwaarlijk” in de zin van art. 3:53 lid 2 BW een vastomlijnde betekenis heeft. Wat “bezwaarlijk” is, zal afhangen van een afweging van de belangen van partijen en derden in het licht van de omstandigheden van het geval. Voor het toekennen van een geldbedrag in de zin van art. 3:53 lid 2 BW moet sprake zijn van een “onbillijk” voordeel voor een partij en een nadeel voor de wederpartij die zijn veroorzaakt door de correctie op de werking van vernietiging.45.Verbintenissen uit hoofde van onverschuldigde betaling kunnen niet zelf een dergelijk voordeel of nadeel zijn, omdat zij direct voortvloeien uit de vernietiging en dus niet een gevolg zijn van een correctie op de normale werking van vernietiging.
3.6
Voor de onderhavige zaak geldt dat het in het algemeen slecht voor te stellen is dat ongedaanmaking van de feitelijke gevolgen van een uitgevoerde overeenkomst tot koop van aandelen bezwaarlijk is,46.zoals Rookie ook in hoger beroep terecht heeft aangevoerd.47.Het oordeel waarin het hof art. 3:53 lid 2 BW heeft toegepast, is onjuist en/of onbegrijpelijk. Ongedaanmaking van de levering en overdracht van de aandelen – juridische én feitelijke gevolgen van de koopovereenkomst – gaat bij een succesvol beroep op vernietiging hier in het algemeen juist vanzelf,48.behoudens eventuele derdenbescherming of verkrijgende verjaring.49.Door een succesvolle vernietiging van een overeenkomst tot koop van aandelen zijn de aandelen in beginsel immers nog in het vermogen van de verkoper,50.nu er met de terugwerkende kracht van vernietiging van art. 3:53 lid 1 BW geen titel voor de overdracht in de zin van art. 3:84 BW is geweest. Verder valt niet goed in te zien waarom de terugbetaling van een geldbedrag bezwaarlijk is in de hiervoor genoemde zin. De overweging van het hof dat Rookie de aandelen nog “heeft” en de aandelen in beginsel moet “teruggeven” is dus onbegrijpelijk en/of onjuist. Onbegrijpelijk en/of onjuist is ook het oordeel van het hof dat van bezwaarlijkheid in de zin van art. 3:53 lid 2 BW sprake is omdat de aandelen door tijdsverloop en het faillissement en de doorstart van PSS “niet materieel in exact dezelfde staat” kunnen worden teruggegeven.
3.7
Omdat ik meen dat deze klacht slaagt, kom ik niet toe aan de klacht over de vraag of art. 3:53 lid 2 BW terughoudend moet worden toegepast. Ik volsta hier met de opmerking dat de parlementaire geschiedenis inderdaad wijst op een terughoudende toepassing, zeker als andere bepalingen kunnen leiden tot een passende correctie op de gevolgen van vernietiging. Zie voetnoot 38 hiervoor over de terughoudende toepassing van art. 3:53 lid 2 BW en randnummer 5.5 hierna over andere correctiemechanismen.
3.8
Subonderdeel 1B voert verschillende klachten aan tegen rov. 3.24.-3.25. van het Tussenarrest en rov. 7.6. (a) van het Eindarrest. Ik meen dat deze klachten gelet op het slagende subonderdeel 1A gericht tegen rov. 3.22. van het Tussenarrest geen inhoudelijke bespreking behoeven. Het hof heeft als gezegd een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd over het begrip ‘bezwaarlijk’ ongedaan maken in de zin van art. 3:53 lid 2 BW. Het hof heeft ten onrechte, althans onbegrijpelijk, geoordeeld dat daarvan in deze zaak sprake is. Rov. 3.24.-3.25. van het Tussenarrest en rov. 7.6. (a) van het Eindarrest bouwen voort op rov. 3.22. van het Tussenarrest en hangen daarmee onverbrekelijk samen. Immers: als de hier bedoelde bezwaarlijkheid niet is komen vast te staan, komt de geldelijke uitkering van art. 3:53 lid 2 BW die door het hof in deze zaak is opgelegd, niet in beeld. Rov. 3.22. van het Tussenarrest waartegen subonderdeel 1A terecht opkomt, trekt rov. 3.24.-3.25. van het Tussenarrest en rov. 7.6. (a) van het Eindarrest in haar val mee.51.
3.9
Ten overvloede maak ik nog vier opmerkingen.
3.10
Ten eerste, het hof heeft in de bestreden arresten niet expliciet aangegeven of, en zo ja, in hoeverre en hoe aan de vernietiging haar werking is ontzegd. Ik meen dat de bestreden arresten het beste zo kunnen worden gelezen dat het hof daarin geheel niet aan de vernietiging haar werking heeft ontzegd. Ik baseer deze lezing op (1) het dictum van het Eindarrest, waarin het hof zonder enige correctie aan te brengen voor recht heeft verklaard dat de Koopovereenkomst is vernietigd, en op (2) het lichaam van de bestreden arresten waarin het hof niet expliciet heeft vermeld of, en zo ja, op welke wijze aan de vernietiging de werking wordt ontzegd.52.
3.11
Ten tweede, Rookie heeft met subonderdeel 1B het gelijk aan haar zijde waar zij betoogt dat het hof heeft miskend dat voor het opleggen van een geldelijke uitkering op grond van art. 3:53 lid 2 BW in elk geval vereist is dat Rookie een voordeel en ABC Hekwerk Participatie een nadeel geniet als gevolg van een correctie op de werking van de vernietiging van de Koopovereenkomst. De door het hof in rov. 3.24. van het Tussenarrest en rov. 7.6. (a) van het Eindarrest genoemde stellingen van ABC Hekwerk Participatie zijn gelet hierop, en anders dan rov. 3.25. van het Tussenarrest suggereert, onvoldoende voor het opleggen van een geldelijke uitkering op grond van art. 3:53 lid 2 BW, nog daargelaten of ABC Hekwerk Participatie deze stellingen in dit verband heeft ingenomen. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat van een voordeel voor Rookie sprake is dat is ontstaan door een correctie op de werking van de vernietiging van de Koopovereenkomst, meen ik dat dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk is, nu het hof als gezegd in mijn lezing aan de vernietiging niet de normale werking heeft ontzegd.53.In het onwaarschijnlijke geval dat de bestreden arresten toch zo moeten worden uitgelegd dat het hof op de voet van art. 3:53 lid 2 BW aan de vernietiging van de Koopovereenkomst de werking heeft ontzegd door (enkel) de rechtsgrond voor de levering van de aandelen in stand te laten, brengt dat voor Rookie op zich het (geringe) voordeel mee dat zij de aandelen heeft en voor ABC Hekwerk Participatie het (geringe) nadeel dat zij de aandelen niet heeft.54.Dit heeft ABC Hekwerk Participatie kennelijk niet aan haar beroep op een geldelijke uitkering op grond van art. 3:53 lid 2 BW ten grondslag gelegd. En op zijn beurt heeft het hof dit, gelet op het kennelijk ontbreken van een beroep hierop door ABC Hekwerk Participatie, ook niet aan zijn oordeel over een geldelijke uitkering op basis van art. 3:53 lid 2 BW ten grondslag gelegd.55.Een blik in de gedingstukken leert dat ABC Hekwerk Participatie aan haar beroep op art. 3:53 lid 2 BW ten grondslag heeft gelegd dat PSS door toedoen van Rookie failliet is gegaan, dat ABC Hekwerk Participatie bij volledige terugbetaling van de Koopprijs “onbillijk wordt benadeeld”, en dat het aan Rookie te wijten is dat de aandelen en de bijbehorende onderneming niet kunnen worden teruggeleverd aan ABC Hekwerk Participatie.56.Dat ABC Hekwerk Participatie zich niet heeft beroepen op de waarde van de aandelen in het kader van art. 3:53 lid 2 BW valt ook te begrijpen: de aandelen in PSS lijken door het faillissement en de doorstart van PSS niet veel meer waard.57.
3.12
Subonderdeel 1C bevat een voortbouwklacht en slaagt dus ook.
Onderdeel 2
3.13
Onderdeel 2 bestrijdt het bewijsoordeel van het hof in het Eindarrest op verschillende onderdelen en is gericht tegen rov. 7.5. (a), 7.5. (c), 7.5. (d), 7.5. (e), 7.6. (a), 7.6. (c) en 7.6. (e) van het Eindarrest.
3.14
Ik merk bij voorbaat op dat het belang bij een bespreking en een beoordeling van de klachten in onderdeel 2 in ieder geval grotendeels is vervallen, omdat ABC Hekwerk Participatie c.s. in cassatie niet de afwijzing van de vorderingen in reconventie en de vernietiging krachtens dwaling bestrijden (waardoor van die afwijzing en die vernietiging moet worden uitgegaan),58.het oordeel van het hof over art. 3:53 lid 2 BW gelet op het slagende subonderdeel 1A in cassatie geen stand houdt, en omdat, daarover kom ik hierna nog over te spreken, onderdeel 3 dat is gericht tegen de afwijzing van Vordering 3 geen slagende klachten bevat. Onderdeel 2 is (vooral) in het kader van vorderingen van ABC Hekwerk Participatie in reconventie aangevoerd, al dan niet in anticipatie op een incidenteel cassatieberoep van ABC Hekwerk Participatie c.s., dat de afwijzing van reconventionele vorderingen zou bestrijden.59.Niettemin lijkt onderdeel 2 deels ook zelfstandig (en indirect) de afwijzing van Vordering 3 te bestrijden door klachten te richten tegen het bewijsoordeel in rov. 7.5. van het Eindarrest (en tegen de mogelijke doorwerking daarvan in rov. 7.6. van het Eindarrest).60.Ik bespreek volledigheidshalve alle klachten van onderdeel 2, die wat mij betreft alle overigens falen.
3.15
Subonderdeel 2A voert aan dat rov. 7.5. (a) van het Eindarrest onjuist zou zijn omdat het hof ten onrechte Rookie met bewijs heeft belast, althans dat deze rechtsoverweging (daarom) zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Daarnaast voert dit subonderdeel aan dat rov. 7.5. (a) eveneens onbegrijpelijk is in het licht van de met rov. 7.5 (a) strijdige constateringen in rov. 7.5. (b). Ten slotte zou rov. 7.5. (a) onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn in het licht van ingenomen essentiële stellingen door Rookie. Deze stellingen had het hof volgens dit subonderdeel ook moeten betrekken bij de beoordeling in rov. 7.5. (c) (vi).
3.16
Subonderdeel 2A is vergeefs voorgesteld. Dit subonderdeel mist ten eerste feitelijke grondslag waar het ervan uitgaat dat het hof Rookie in rov. 7.5. (a) van het Eindarrest met bewijs heeft belast. Het hof heeft in rov. 7.5. van het Eindarrest aangegeven wat het bewezen acht, op basis van de daarvoor gehanteerde uitgangspunten die het hof in de in cassatie onbestreden rov. 7.2.-7.4. van het Eindarrest heeft benoemd. Met de overweging in rov. 7.5. (a) van het Eindarrest dat het hof niet bewezen acht dat de onderneming structureel verlieslatend was, heeft het hof geen bewijslast opgedragen aan Rookie. Bewijswaardering is iets anders dan bewijslastverdeling of bewijslevering. Overigens heeft Rookie in cassatie niet bestreden het oordeel van het hof in rov. 7.2. en 7.4. (a) dat Rookie de bewijslast draagt voor de feiten en omstandigheden die het rechtsgevolg van Vordering 3 meebrengen, zodat van dit oordeel moet worden uitgegaan.61.
3.17
Subonderdeel 2A mist ook feitelijke grondslag waar het ervan uitgaat dat constateringen in rov. 7.5. (b) van het Eindarrest tegenstrijdig zijn aan constateringen in rov. 7.5. (a) van hetzelfde arrest. Van tegenstrijdigheid en onbegrijpelijkheid is op dit punt geen sprake. Ten aanzien van rov. 7.5. (a) van het Eindarrest bedoelt Rookie kennelijk de overweging dat het hof niet bewezen acht dat de onderneming structureel verlieslatend was, omdat het succes van de onderneming vooral afhankelijk was van de samenwerking tussen partijen en talrijke keuzes die zij in die samenwerking maakten.62.Ten aanzien van rov. 7.5. (b) van het Eindarrest bedoelt Rookie kennelijk de overweging van het hof dat partijen na de overname afhankelijk van elkaar en nauw verbonden met elkaar waren, en dat PSS afhankelijk was van de ABC Hekwerk Participatie-bedrijven voor haar opdrachten.63.Niet valt in te zien dat deze overwegingen tegenstrijdig zijn.
3.18
Verder meen ik dat de overweging van het hof in rov. 7.5. (a) van het Eindarrest dat het hof niet bewezen acht dat de onderneming van PSS structureel verlieslatend was (ten opzichte van de voorstelling van zaken van Rookie bij de aanloop naar de overname) omdat het succes van de onderneming vooral afhankelijk was van de samenwerking tussen partijen en talrijke keuzes die zij in die samenwerking maakten, niet onjuist of onbegrijpelijk is in het licht van als essentieel aangeduide stellingen van Rookie. Rookie voert in dit verband aan dat zij in hoger beroep als essentiële stellingen heeft ingenomen dat PSS vóór de overname, althans ultimo 2012, althans medio 2013, al technisch failliet was respectievelijk dat een faillissement van PSS ook zonder deponering van het woord- en beeldmerk onafwendbaar was.64.
3.19
Nog daargelaten dat de vraag of een onderneming structureel verlieslatend is strikt genomen niet hetzelfde is als de vraag of het faillissement van de rechtspersoon die de onderneming drijft onafwendbaar is of technisch al is ingetreden, en ook daargelaten de vraag of ABC Hekwerk Participatie c.s. de stellingen van Rookie hebben betwist, meen ik dat het hof met zijn overweging geen onbegrijpelijk of onjuist oordeel heeft gegeven. Ik licht dat toe.
3.20
Dat de onderneming van PSS in 2012 een negatief resultaat behaalde,65.betekent niet noodzakelijkerwijs dat de onderneming van PSS structureel verlieslatend was op de in de stellingen van Rookie genoemde momenten. Het hof heeft in rov. 7.5. (a), vijfde alinea, van het Eindarrest bewezen geacht dat “PSS minder of niet winstgevend” was, “zowel voor als na de overname”. Daarna heeft het hof in de laatste alinea van dezelfde rechtsoverweging geoordeeld dat het niet bewezen acht dat de onderneming van PSS structureel verlieslatend was (ten opzichte van de voorstelling van zaken van Rookie bij de aanloop naar de overname).66.En in rov. 7.5. (c) (vi) van het Eindarrest heeft het hof nog bewezen geacht ten aanzien van de vraag of de winst in het jaar na de overname (2013) tot de periode waarin de merknaam is gedeponeerd goed was en naar verwachting verliep, dat “[d]e waarheid (…) in het midden” ligt, dat de cijfers “weliswaar min of meer langs de lijnen van de voorgaande periodes” lagen of “zelfs enigszins hoger dan voorgaande periodes” waren, en dat ABC Hekwerk Participatie c.s. “niet geheel ongelijk had toen zij wees op de bestendige lijn in de onderneming”.
3.21
Ik begrijp het hof zo dat het heeft geoordeeld dat het in de aanloop naar het sluiten van de Koopovereenkomst nog (enigszins) onzeker was wat de resultaten van de onderneming van PSS in de toekomst zouden zijn omdat dit “afhankelijk was van de samenwerking tussen partijen en talrijke keuzes die zij in die samenwerking maakten” (rov. 7.5. (a), laatste alinea, van het Eindarrest). Structureel verlieslatend zijn, betekent volgens het hof dat voldoende zeker is dat de onderneming (ook) in de toekomst slechts negatieve resultaten zal behalen. Dat laatste stond volgens het hof in de aanloop naar het sluiten van de Koopovereenkomst niet vast, ook gelet op de in randnummer 3.20 weergegeven bewijsoordelen. Ik acht dat niet onbegrijpelijk (mede) in het licht van het als zodanig niet expliciet en ook niet specifiek bestreden bewijsoordeel van het hof dat het succes van de onderneming van PSS vooral afhankelijk was van de samenwerking tussen partijen en talrijke keuzes die zij in die samenwerking maakten. Ik merk daarbij nog op dat óók Rookie gelet op de inhoud van verschillende stellingen waarnaar zij in voetnoten 17-19 van de procesinleiding heeft verwezen ervan is uitgegaan, zij het soms wat impliciet of (zeer) sceptisch, dat het faillissement van PSS (door een goede samenwerking tussen partijen) wellicht had kunnen worden voorkomen.67.Verder merk ik nog op dat de stellingen waarnaar Rookie in voetnoten 17-19 van haar procesinleiding heeft verwezen geregeld (ook) zien op de periode na het sluiten van de Koopovereenkomst. De door de klacht gewraakte overweging van het hof in rov. 7.5. (a) van het Eindarrest ziet echter op de aanloop naar het sluiten van de Koopovereenkomst – zo begrijp ik het hof.
3.22
Ten slotte ga ik voorbij aan de stelling van Rookie in de procesinleiding dat het hof de door Rookie als essentieel aangevoerde stellingen had moeten betrekken bij de beoordeling in rov. 7.5. (c) (vi), nu Rookie in subonderdeel 2A niet aangeeft waarom het hof dit had moeten doen en wat in dit verband haar bezwaar is tegen de beoordeling van het hof in rov. 7.5. (c) (vi).
3.23
Subonderdeel 2B voert twee klachten aan.
3.24
Subonderdeel 2B voert ten eerste aan dat het hof in rov. 7.5. (c) (vi) van het Eindarrest buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden (ik lees: in de zin van art. 24 Rv) dan wel dat het hof stellingen van ABC Hekwerk Participatie op een onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd door te overwegen dat ABC Hekwerk Participatie heeft betoogd dat de winst in het jaar na de overname, tot de periode waarin de merknaam is gedeponeerd, goed was en naar verwachting verliep. ABC Hekwerk Participatie heeft het volgens Rookie consequent over de brutowinstmarge gehad en niet over de winst.68.
3.25
Bij deze klacht bestaat geen belang omdat het hof de bewuste stelling niet heeft gehonoreerd. Het hof heeft immers iets anders bewezen geacht in rov. 7.5. (c) (vi) van het Eindarrest. Deze klacht is bovendien op inhoudelijke gronden tevergeefs voorgesteld. Een blik in de gedingstukken leert dat ABC Hekwerk Participatie inderdaad het hiervoor in randnummer 3.24 genoemde heeft betoogd.69.ABC Hekwerk Participatie heeft naast deze stelling over winst in algemene zin (die zij heeft gebaseerd op de brutowinstmarge)70.ook stellingen ingenomen over de brutowinstmarge in het bijzonder. De overweging van het hof moet zo worden begrepen dat het hof onder “winst” (ook) de brutowinstmarge heeft verstaan.71.Voor zover de klacht deze overweging of de gedingstukken anders leest, mist de klacht feitelijke grondslag. Brutowinstmarge is mijns inziens een niet onbegrijpelijke maat voor winst in algemene zin. Dat bij een positieve brutowinstmarge sprake kan zijn van een netto verlies, maakt dit niet anders. Van een onjuist of onbegrijpelijk oordeel of het verlaten van de feitelijke grondslag is hier geen sprake.
3.26
Subonderdeel 2B voert ten tweede aan dat voor zover het hof in rov. 7.5. (c) van het Eindarrest heeft gedoeld op brutowinstmarge het onbegrijpelijk is dat het hof vervolgens heeft geconstateerd dat de waarheid in het midden ligt omdat de cijfers min of meer langs de lijnen van de voorgaande periodes lagen, maar de cijfers beduidend minder goed waren dan de verwachtingen van Rookie in aanloop naar de transactie. Het hof heeft volgens het subonderdeel ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen brutowinstmarge en winst, althans het hof had de stellingen van Rookie waarnaar voetnoten 21-23 van de procesinleiding verwijzen bij zijn overweging moeten betrekken, althans deze overweging van het hof is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
3.27
Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Het hier gewraakte oordeel van het hof is mijns inziens ook in het licht van deze klacht niet onbegrijpelijk. Het hof heeft met dit oordeel de “cijfers” van PSS gewaardeerd. Ik begrijp de klacht zo dat deze niet is gericht tegen de door het hof bewezen geachte inhoud van deze “cijfers” voor zover het hof met “cijfers” de brutowinstmarge heeft bedoeld. Ik meen dat het hof met “cijfers” inderdaad (ook) de brutowinstmarge heeft bedoeld. Zie randnummer 3.25 hiervoor. In die lezing – die is bestand tegen de in randnummer 3.25 besproken klacht – is het gelet ook op de in rov. 7.5. (c) van het Eindarrest gegeven motivering geenszins onbegrijpelijk dat het hof ten aanzien van de vraag of de winst goed was, heeft geoordeeld dat de waarheid in het midden ligt. Het ontbreken in deze overweging van een expliciete vermelding van het onderscheid tussen winst en brutowinstmarge dat Rookie maakt (zie de stellingen waarnaar voetnoten 21-23 van de procesinleiding verwijzen), leidt er niet toe dat de overweging van het hof onjuist of onbegrijpelijk is. Het vermelden van dit onderscheid zou ook niet tot een met rov. 7.5. (c) strijdige bewijswaardering hebben geleid. De stellingen van Rookie waarnaar zij in voetnoten 21-23 verwijst, maken verder ook niet dat de overweging onbegrijpelijk is, nog los van de vraag of ABC Hekwerk Participatie c.s. deze stellingen hebben betwist. Ten slotte: het hof heeft (impliciet) wel degelijk het door Rookie gemaakte onderscheid besproken door te refereren aan de brutomarge, verwachtingen van Rookie en de (onjuiste) uitgangspunten daarbij, en de winstgevendheid en liquiditeit van PSS.72.
3.28
Subonderdeel 2C voert twee klachten aan. Ook deze klachten zijn tevergeefs voorgesteld.
3.29
Het hof zou ten eerste in het Eindarrest hebben verzuimd een aantal essentiële stellingen bij rov. 7.5. (d) en bij het oordeel in rov. 7.6. (c) dat Rookie een onjuiste keuze heeft gemaakt te betrekken. Gelet op deze essentiële stellingen zouden deze overwegingen onbegrijpelijk zijn. Rookie noemt in haar procesinleiding in randnummer 40. een aantal stellingen die volgens haar essentieel zijn:
“a) Rookie heeft het woord- en beeldmerk geregistreerd op advies van haar advocaat;73.
b) Rookie heeft aangevoerd dat ABC Hekwerk Participatie op een laagdrempelige wijze, te weten via oppositie, zekerheid had kunnen verkrijgen over de merkregistratie. ABC Hekwerk Participatie heeft disproportioneel gehandeld door in plaats van de uitkomst van die oppositieprocedure af te wachten, de samenwerking met PSS te verbreken;74.
c) Er waren ABC Hekwerk Participatie-bedrijven die genuanceerder dachten over de handelwijze van Rookie;75.
d) ABC Hekwerk Participatie had in moeten gaan op de verzoeken van Rookie om in gesprek te gaan;76.
e) ABC Hekwerk Participatie was erop uit om PSS failliet te laten verklaren en greep de merknaamkwestie aan om de samenwerking te verbreken. Dat blijkt niet alleen uit de timing van de brief die op 29 augustus 2013 is verzonden maar ook uit het feit dat ABC Hekwerk Participatie-bedrijven ook de leveranciers van PSS benaderden met het verzoek om PSS niet meer van leveringen te voorzien;77.
f) ABC Hekwerk Participatie had ten tijde van de deponering door Rookie niet geregistreerd het woord- en beeldmerk ‘ABC’ en ‘ABC Hekwerk’ terwijl zij zich daartoe wel uitdrukkelijk jegens PSS had verbonden in de licentieovereenkomst met PSS. ABC Hekwerk Participatie pleegde aldus ten minste zes maanden wanprestatie jegens PSS op dit punt, terwijl PSS in diezelfde periode € 10.000,- betaalde voor het gebruik van merken die niet door ABC Hekwerk Participatie waren geregistreerd.78.Feitelijk had PSS helemaal geen licentie, althans ze had wel een licentie doch op merken die in het geheel niet waren ingeschreven in het merkenregister en daarmee een dode letter. In die context moet worden bezien dat Rookie in juli 2013 aanleiding zag om alsnog voor registratie zorg te dragen om de woord- en beeldmerken ‘ABC Hekwerk’ en ‘ABC Security Systems’ ogenschijnlijk veilig te stellen voor gebruik door ABC Hekwerk Participatie, de ABC-bedrijven en PSS;79.
g) De hiervoor genoemde aanvragen door Rookie voor de registratie van de merken ‘ABC Hekwerk’ en ‘ABC Security Systems’ moeten overigens worden bezien in de context van destijds. Rookie stond op dat moment al met haar rug tegen de muur;80.
h) PSS was niet betrokken bij de hiervoor genoemde registratie van Rookie. PSS had ook geen zeggenschap over deze gedraging van Rookie. Gesteld noch gebleken is dat het handelen van Rookie aan PSS moet worden toegerekend, zodat het handelen van Rookie geen tekortkoming van PSS oplevert in haar samenwerkings- en licentieovereenkomst met ABC (waarbij Rookie overigens zelfstandig geen partij is). Rookie heeft ook niet gehandeld in hoedanigheid van bestuurder van PSS. In dat licht bezien is de merkregistratie door Rookie ook niet relevant in het kader van het probandum of zij onjuiste keuzes heeft gemaakt binnen de onderneming van PSS. Gelet op het voorgaande ontbreekt ook een juridische grond voor ABC Hekwerk Participatie om de licentieovereenkomst met PSS met onmiddellijke ingang op te zeggen met een beroep op artikel 2.4 van die overeenkomst. Op grond van dat artikel is ABC Hekwerk Participatie immers slechts gerechtigd indien PSS (zij is immers licentienemer) op onevenredige wijze de belangen van een andere licentiehouder van ABC Hekwerk Participatie dan wel ABC Hekwerk Participatie schaadt. Desalniettemin heeft ABC Hekwerk Participatie de licentieovereenkomst met PSS op 29 augustus 2013 toch met onmiddellijke ingang opgezegd. ABC Hekwerk Participatie pleegde daarmee feitelijk wanprestatie jegens PSS. De consequenties van die onmiddellijke opzegging van de licentie- en samenwerkingsovereenkomst komen om die reden voor rekening en risico van ABC Hekwerk Participatie.”81.
3.30
Nog daargelaten of deze stellingen inderdaad (op deze wijze) in feitelijke instanties zijn ingenomen en of ABC Hekwerk Participatie c.s. deze stellingen hebben betwist, meen ik dat deze klacht faalt. Ik bespreek de stellingen van Rookie hierna gezamenlijk omdat Rookie niet aangeeft, laat staan voor elke stelling afzonderlijk, waarom deze stellingen zouden meebrengen dat de oordelen in rov. 7.5. (d) en het oordeel dat Rookie een onjuiste keuze heeft gemaakt in rov. 7.6. (c) van het Eindarrest, onbegrijpelijk zijn. De reden daarvoor is mijns inziens eenvoudig: deze oordelen zijn niet onbegrijpelijk in het licht van deze stellingen. Voor zover het hof al zou hebben nagelaten om (een deel van) deze stellingen bij deze oordelen te betrekken, geldt dat het geen enkel verschil voor deze oordelen zou hebben uitgemaakt als het hof dat wel zou hebben gedaan. Deze stellingen zijn dus niet essentieel voor deze oordelen. Het hof heeft namelijk als zodanig niet expliciet en ook niet specifiek bestreden geoordeeld: “Rookie heeft de merknaam van de ABC-bedrijven gedeponeerd in de wetenschap dat die merknaam haar niet toekwam en wel toebehoorde aan de ABC-bedrijven. Rookie was niet bereid de merknaam op eerste verzoek over te dragen aan de ABC-bedrijven.”82.De rest van de met deze klacht bestreden oordelen is een herhaling van dit oordeel of bouwt hierop voort. Dat het hof deze keuzes van Rookie onjuist of niet verantwoord heeft genoemd, is geenszins onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de hiervoor weergegeven stellingen. De belangrijkste reden daarvoor is dat Rookie volgens het hof wist dat de merknaam haar niet toekwam. De oordelen dat Rookie met de weigering om gehoor te geven aan het verzoek om de merknaam over te dragen welbewust het risico nam dat de vertrouwensband en de samenwerking met de ABC Hekwerk Participatie-bedrijven onherstelbaar zouden worden beschadigd, dat dit risico zich heeft verwezenlijkt, en dat een belangrijke oorzaak van het faillissement van PSS deze gang van zaken was, vloeien niet onbegrijpelijk voort uit de door het hof niet verantwoord geachte keuzes van Rookie. De hiervoor in randnummer 3.29 weergegeven stellingen van Rookie maken dat niet anders. Integendeel: de stellingen van Rookie bevestigen eerder dat de samenwerking is beschadigd door deze keuzes van Rookie.
3.31
Ten tweede zou de slotsom van rov. 7.5. (d) ook onbegrijpelijk zijn in het licht van de constatering van het hof in rov. 7.6. (c) dat de keuze van Rookie de slotfase van de samenwerking heeft ingeleid, maar dat dit slechts de druppel was – één van de vele oorzaken van het faillissement van PSS. Volgens rov. 7.6. (c) zijn de stroeve samenwerking, de handelwijze van de ABC Hekwerk Participatie-bedrijven daarbij en de onjuiste voorlichting in de aanloop naar de transactie evenzeer aan te merken als oorzaken van het faillissement.
3.32
In het spoor van de vorige klacht, faalt ook deze klacht. Er is geen tegenstrijdigheid tussen rov. 7.5. (d) en rov. 7.6. (c) van het Eindarrest op de door de klacht aan de orde gestelde punten, en ook geen op andere gronden onbegrijpelijk oordeel. In beide rechtsoverwegingen worden (meerdere) oorzaken genoemd van het faillissement van PSS. Geenszins onbegrijpelijk is dat een faillissement door meerdere omstandigheden kan zijn ontstaan. Ik merk daarbij nog op dat het hof in rov. 7.5. (d) van het Eindarrest de “gang van zaken”, met name de stukgelopen samenwerking, als een belangrijke oorzaak van het faillissement heeft aangemerkt. Het hof heeft daarin in ieder geval niet geoordeeld dat de niet verantwoorde keuzes van Rookie om de merknaam te deponeren en niet terug te geven de enige of belangrijkste oorzaak zijn geweest van het stuklopen van de samenwerking en/of het faillissement van PSS. Het hof heeft daarin ook niet geoordeeld dat Rookie deze keuzes heeft gemaakt met het oogmerk om de samenwerking te frustreren. Zie randnummer 3.30 hiervoor.
3.33
Subonderdeel 2D voert aan dat rov. 7.5. (e) en 7.6. (a) van het Eindarrest onbegrijpelijk zijn, nu het hof daarin niet de stellingen bespreekt die Rookie heeft ingenomen met betrekking tot het profiteren door ABC Hekwerk Participatie van het faillissement. Ik geef de in dit verband door Rookie aangevoerde stellingen letterlijk weer:
In randnummer 43. van de procesinleiding:
“a) ABC Hekwerk profiteert van het faillissement van PSS, want ABC Hekwerk heeft feitelijk de onderneming van PSS voortgezet, met alle omzet van de ABC-bedrijven van dien en zonder de financiële ballast uit het verleden;83.
b) De aandelen in het nieuwe bedrijf zijn inmiddels verkocht voor ruim € 1.000.000,-. Het faillissement is dus voor ABC Hekwerk zeer lucratief gebleken;84.
c) ABC Hekwerk heeft nog geprofiteerd van het faillissement van PSS doordat zij goederen aan de faillissementsboedel van PSS heeft onttrokken om zelfstandig, zonder PSS een servicecontract voor defensie te kunnen voortzetten;85.
d) ABC Hekwerk ging in de eerste helft van 2013 meerdere producten rechtstreeks (…) [inkopen, A-G] bij toeleveranciers van PSS.86.Niet alleen was sprake van rechtstreekse inkoop door ABC Hekwerk en de ABC-bedrijven, ook werd PSS welbewust buitenspel gezet door ABC Hekwerk en de ABC-bedrijven bij nota bene de grootste rechtstreekse klant van PSS, zijnde Bosch. Voornoemd handelen van ABC Hekwerk betekende een flagrante schending van het bepaalde in artikel 9.1 aanhef en onder d van de akte van levering van de aandelen.”87.
En in randnummer 44. in combinatie met randnummer 40. (e) van de procesinleiding:88.
“e) ABC Hekwerk Participatie was erop uit om PSS failliet te laten verklaren en greep de merknaamkwestie aan om de samenwerking te verbreken. Dat blijkt niet alleen uit de timing van de brief die op 29 augustus 2013 is verzonden maar ook uit het feit dat ABC Hekwerk Participatie-bedrijven ook de leveranciers van PSS benaderden met het verzoek om PSS niet meer van leveringen te voorzien.”
3.34
Mijns inziens faalt ook deze klacht, nog daargelaten of ABC Hekwerk Participatie c.s. deze stellingen hebben betwist. Ik bespreek deze stellingen hierna gezamenlijk, omdat Rookie in haar procesinleiding niet precies aangeeft, laat staan voor elke stelling afzonderlijk, waarom deze stellingen zouden meebrengen dat de oordelen in rov. 7.5. (e) en 7.6. (a) van het Eindarrest onbegrijpelijk zijn. Ik begrijp de klacht zo dat in essentie erover wordt geklaagd dat het oordeel dat ABC Hekwerk Participatie niet heeft geprofiteerd van het faillissement van PSS onbegrijpelijk is, gelet op de aangevoerde stellingen van Rookie.89.
3.35
Het hof heeft in rov. 7.5. (e) van het Eindarrest om verschillende redenen geoordeeld dat ABC Hekwerk Participatie niet heeft geprofiteerd van het faillissement van PSS en dat er ook geen sprake is geweest van een vooropgezet plan om PSS als verlieslijdende onderneming kwijt te raken (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G):90.
“De curator van PSS heeft in het faillissement belangrijke activa verkocht aan de concurrent. Daarnaast was PSS door het faillissement niet meer beschikbaar voor samenwerking met ABC-bedrijven. De ABC-bedrijven stonden door deze gebeurtenissen voor belangrijke uitdagingen in hun ondernemingen. Deze uitdagingen betroffen praktische en operationele aspecten en ook de reputatie van de organisatie en de band met klanten. In die zin hebben de ABC-bedrijven in verschillende opzichten nadeel geleden door het faillissement van PSS.
Verder heeft ABC na de faillietverklaring van PSS een nieuwe onderneming opgericht die min of meer de functie had in de ABC-organisatie, die PSS voorheen had.
Het hof beoordeelt hier het standpunt van Rookie dat ABC heeft geprofiteerd van het faillissement van PSS en een vooropgezet plan had om PSS als verlieslijdende onderneming kwijt te raken en om zelf de waardevolle functies te gaan uitoefenen. Het hof verwerpt dit standpunt. Niets is bewezen waaruit volgt dat ABC een dergelijk plan had. Duidelijk is geworden dat ABC met de nieuwe onderneming, reageerde op het faillissement van PSS en naar bevind van zaken regelingen heeft getroffen voor haar onderneming en de daaraan gelieerde licentienemers.”
3.36
Het is mijns inziens om de volgende redenen niet onbegrijpelijk dat het hof niet bewezen heeft geacht dat ABC Hekwerk Participatie van het faillissement van PSS heeft geprofiteerd of een vooropgezet plan had om PSS als verlieslijdende onderneming kwijt te raken, ook niet in het licht van de stellingen in randnummer 3.33, nog daargelaten of Rookie deze stellingen inderdaad in feitelijke instanties heeft ingenomen. De hiervoor onderstreepte passages in rov. 7.5. (e) van het Eindarrest wijzen mijns inziens niet onbegrijpelijk op nadelen van het faillissement voor de ABC Hekwerk Participatie-bedrijven en op de reden waarom ABC Hekwerk Participatie na het faillissement een nieuwe onderneming heeft opgericht. Rookie klaagt niet specifiek en expliciet over de begrijpelijkheid van het aanwezig achten van deze nadelen van het faillissement voor ABC Hekwerk Participatie en van deze reden voor het oprichten van een nieuwe onderneming. Bovendien staan de hiervoor in randnummer 3.33 weergegeven stellingen voor een groot deel hoe dan ook niet op gespannen voet met de hiervoor onderstreepte passages in rov. 7.5. (e) van het Eindarrest. Rookie neemt in deze stellingen wel het standpunt in dat ABC Hekwerk Participatie van het faillissement van PSS heeft geprofiteerd en dat ABC Hekwerk Participatie op het faillissement van PSS uit was, maar het hof heeft deze standpunten niet onbegrijpelijk niet bewezen geacht. De feiten en omstandigheden die Rookie in de stellingen voor haar standpunten aanvoert, maken dat mijns inziens niet anders. De meeste stellingen sluiten op zich ook niet uit dat ABC Hekwerk Participatie niet heeft geprofiteerd van het faillissement van PSS en niet een vooropgezet plan had om PSS als verlieslijdende onderneming kwijt te raken.
3.37
Ik merk ten slotte nog op dat bij de klacht van subonderdeel 2D tegen rov. 7.6. (a) van het Eindarrest geen belang bestaat, nu de oordelen in die rechtsoverweging hoe dan ook door het slagende onderdeel 1 worden getroffen.
Onderdeel 3
3.38
Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het hof over de door Rookie gevorderde schadevergoeding en is gericht tegen rov. 7.6. (d) van het Eindarrest.91.
3.39
Subonderdeel 3A voert aan dat het hof door te overwegen dat de schade in een te ver verwijderd verband staat, is uitgegaan van een onjuiste regel over de stelplicht in het kader van art. 6:98 BW, of buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden (ik begrijp: in de zin van art. 24 Rv), of een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van ABC Hekwerk Participatie en [verweerder 2] heeft gegeven.
3.40
Deze klacht faalt. Rov. 7.6. (d) van het Eindarrest bevat geen expliciet oordeel over de stelplicht- en bewijslastverdeling. Wel heeft het hof daarin geoordeeld dat Vordering 3 tegenover [verweerder 2] en ABC Hekwerk Participatie moet worden afgewezen, omdat de schade die deze vordering aan de orde stelt – zie daarvoor randnummers 2.6-2.7 hiervoor – redelijkerwijs niet kan worden toegerekend aan de onjuiste inlichtingen van ABC Hekwerk Participatie c.s.92.Hierin lees ik niet dat Rookie onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat sprake is van een art. 6:98 BW-verband, zodat subonderdeel 3A in zoverre feitelijke grondslag mist. Het hof heeft geoordeeld dat dit verband afwezig is. Daarentegen heeft het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk een verweer in de stellingen van ABC Hekwerk Participatie c.s. gelezen met de strekking dat het in art. 6:98 BW bedoelde verband afwezig is. ABC Hekwerk Participatie c.s. hebben in dit kader in hun schriftelijke toelichting in voetnoot 13 verwezen naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties.93.Meermaals herhalen ABC Hekwerk Participatie c.s. op die plaatsen dat het causaal verband ontbreekt en dat Rookie dit causaal verband alsmede de beweerdelijke schade onvoldoende heeft onderbouwd. ABC Hekwerk Participatie c.s. hebben in de kern gesteld dat deze beweerdelijke schade niet in de risicosfeer van ABC Hekwerk Participatie c.s. ligt maar in die van Rookie, PSS en/of Euro Barrier.94.Het hof heeft dit verweer kennelijk en – als gezegd – niet onbegrijpelijk zo uitgelegd dat ABC Hekwerk Participatie c.s. daarmee hebben betoogd dat deze beweerdelijke schade nauw verband houdt met de talrijke keuzes die in de onderneming (en bij Euro Barrier) zijn gemaakt en met het verwezenlijkte ondernemingsrisico, waardoor volgens het hof geen sprake is van een art. 6:98 BW-verband. Zie in dit verband nog randnummers 2.20 en 3.17-3.19 hiervoor, en het bewijsoordeel van het hof in rov. 7.5. (a)-(d) van het Eindarrest.
3.41
Subonderdeel 3B voert een drietal klachten aan. Deze klachten zijn tevergeefs voorgesteld.
3.42
Ten eerste zou de overweging van het hof in rov. 7.6. (d) van het Eindarrest dat de onjuiste mededelingen in voldoende mate zijn verdisconteerd in het oordeel van het hof over de dwaling ten opzichte van [verweerder 2] onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn in het licht van de bindende eindbeslissing in rov. 3.29. van het Tussenarrest (herhaald in rov. 5.5., derde gedachtestreepje, van het Eindarrest). Als het hof van die bindende eindbeslissing had willen terugkomen, had het hof volgens dit subonderdeel [verweerder 2] in de gelegenheid moeten stellen om zich uit te laten over dat voornemen. En voor zover het hof van die beslissing niet heeft willen terugkomen, is rov. 7.6. (d), mede in het licht van die overwegingen, volgens het subonderdeel onjuist (miskenning van de leer van de bindende eindbeslissing) dan wel onbegrijpelijk.
3.43
Deze klacht faalt. Anders dan de klacht lijkt te veronderstellen, is de overweging van het hof dat de onjuiste mededelingen van ABC Hekwerk Participatie c.s. in voldoende mate zijn verdisconteerd in het oordeel van het hof over de dwaling niet de reden of grond op basis waarvan het hof Vordering 3 in rov. 7.6. (d) van het Eindarrest heeft afgewezen,95.zodat in zoverre feitelijke grondslag ontbreekt. Maar ook als dat wel het geval zou zijn geweest, bestaat er geen belang bij een klacht die tegen deze overweging is gericht omdat het ontbreken van het art. 6:98 BW-verband de afwijzing van Vordering 3 zelfstandig draagt.96.Het hof heeft met de overweging dat de onjuiste mededelingen voldoende zijn verdisconteerd in het oordeel over de dwaling mijns inziens slechts geconstateerd dat die onjuiste inlichtingen de grondslag zijn voor het succesvolle beroep op dwaling en dat Rookie om die reden recht heeft op een vergoeding voor het bedrag van het onjuist gewaardeerde gedeelte van de Overnamebalans vanwege de toewijzing van Vordering 2.97.Anders dan het subonderdeel stelt, bestaat er verder geen tegenstrijdigheid tussen de overweging dat de onjuiste mededelingen in voldoende mate zijn verdisconteerd in het oordeel van het hof over de dwaling enerzijds, en rov. 3.29. van het Tussenarrest en rov. 5.5. van het Eindarrest anderzijds. Met rov. 7.6. (d) van het Eindarrest is het hof gezien het voorgaande dus niet teruggekomen van een bindende eindbeslissing in rov. 3.29. van het Tussenarrest en rov. 5.5. van het Eindarrest. Rov. 7.6 (d) van het Eindarrest is gezien het voorgaande ook niet onbegrijpelijk.
3.44
Ten tweede had het hof in rov. 7.6. (d) van het Eindarrest volgens het subonderdeel niet mogen volstaan met de overweging dat de onjuiste mededelingen in voldoende mate zijn verdisconteerd in het oordeel van het hof over de dwaling, althans is die overweging zonder nadere motivering niet begrijpelijk, omdat het hof niet alleen heeft geoordeeld dat ABC Hekwerk Participatie onjuiste informatie heeft gedeeld maar ook dat zij informatie heeft achtergehouden voor Rookie. Rookie verwijst voor dit laatste naar rov. 3.23. van het Tussenarrest en rov. 7.5. (a) van het Eindarrest. Ook de overweging aan het slot van rov. 7.6. (d) van het Eindarrest, waarin het hof heeft overwogen dat Rookie er ten onrechte van uit lijkt te gaan dat dwaling automatisch tot een schadevergoedingsplicht uit wanprestatie dan wel onrechtmatige daad leidt, is volgens het subonderdeel in het licht van wat het hof bewezen heeft geacht over het achterhouden van informatie onjuist dan wel onbegrijpelijk.
3.45
Bij deze klacht bestaat net als bij de vorige klacht geen belang. De overweging van het hof dat de onjuiste mededelingen in voldoende mate zijn verdisconteerd in het oordeel van het hof over de dwaling en dat Rookie er ten onrechte van uit lijkt te gaan dat dwaling automatisch tot een schadevergoedingsplicht uit wanprestatie dan wel onrechtmatige daad leidt, zijn niet redengevend voor het oordeel van het hof in rov. 7.6. (d) van het Eindarrest dat Vordering 3 moet worden afgewezen.98.Het hof heeft Vordering 3 in deze rechtsoverweging als gezegd enkel afgewezen op grond van het ontbreken van een art. 6:98 BW-verband.99.Met de overweging dat dwaling niet automatisch leidt tot een schadevergoedingsplicht uit wanprestatie of onrechtmatige daad heeft het hof slechts aangegeven dat een daarvan afwijkende stelling in algemene zin onjuist is.
3.46
Ten derde zou rov. 7.6. (d) van het Eindarrest onbegrijpelijk zijn in het licht van de beweerdelijke stelling van Rookie dat [verweerder 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Rookie heeft volgens het subonderdeel aangevoerd:100.
“ [verweerder 2] was bestuurder van ABC Hekwerk ten tijde van de onjuiste mededelingen en hij heeft, als vertegenwoordiger van ABC Hekwerk, de gesprekken met [R]ookie gevoerd waarin de onjuiste mededelingen zijn gedaan respectievelijk waarin evident relevante informatie voor Rookie is verzwegen. Dit alles terwijl [verweerder 2] van de daadwerkelijke feiten op de hoogte was, althans daarvan op de hoogte had moeten zijn.”
3.47
In de toelichting op grief 5 heeft Rookie volgens het subonderdeel naar deze toelichting verwezen ter onderbouwing van de stelling dat ook ABC Hekwerk Participatie aansprakelijk is tegenover Rookie voor de schade.101.Het hof had volgens het subonderdeel beide stellingen moeten betrekken bij rov. 7.6. (d) van het Eindarrest. Dan had het hof volgens het subonderdeel niet, althans niet zonder nadere motivering, tot de slotsom kunnen komen dat de onjuiste mededelingen voldoende zijn verdisconteerd in het oordeel over de dwaling en dat Rookie ten onrechte lijkt te veronderstellen dat dwaling automatisch leidt tot een schadevergoedingsplicht uit onrechtmatige daad of wanprestatie.
3.48
Nog daargelaten of deze stelling door ABC Hekwerk Participatie c.s. is betwist, is ook deze klacht tevergeefs voorgesteld. Deze klacht richt zich net als de voorgaande klachten van subonderdeel 3B niet tegen de dragende overweging voor de afwijzing van Vordering 3 in rov. 7.6. (d) van het Eindarrest. Hoe dan ook valt niet in te zien waarom de door de klacht genoemde overwegingen van het hof onjuist of onbegrijpelijk zouden zijn in het licht van de stelling dat [verweerder 2] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ik verwijs verder naar randnummers 3.39-3.45 om herhaling te voorkomen.
Onderdeel 4
3.49
Onderdeel 4 bevat een voortbouwklacht en is gericht tegen rov. 7.7. en 8. van het Eindarrest. Omdat onderdeel 1 slaagt, geldt dit in zoverre ook voor deze voortbouwklacht, met dien verstande dat de proceskostenveroordeling in de door onderdeel 4 bestreden rov. 8. van het Eindarrest mijns inziens in stand kan blijven. ABC Hekwerk Participatie c.s. zijn in het Eindarrest aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en als Uw Raad mij volgt in mijn beoordeling van het principale en incidenteel cassatieberoep verandert dat niet. De proceskostenveroordeling ten laste van ABC Hekwerk Participatie c.s. bouwt ook niet voort op en hangt ook niet samen met een door Rookie in cassatie met succes bestreden beslissing.102.
4. Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
4.1
Nu het principale cassatieberoep gedeeltelijk slaagt en tot cassatie leidt, kom ik toe aan een bespreking van het op die voorwaarde ingestelde incidenteel cassatieberoep van ABC Hekwerk Participatie c.s. Het incidenteel cassatieberoep bestaat uit één middel dat enkel rov. 7.6. (d) van het Eindarrest bestrijdt. Het middel voert aan dat het hof met zijn overweging dat de beweerdelijke schade van Rookie in een te ver verwijderd verband staat met de onjuiste inlichtingen en dat deze beweerdelijke schade in redelijkheid niet aan de onjuiste inlichtingen kan worden toegerekend, ten onrechte en/of onbegrijpelijk (impliciet) heeft geoordeeld dat er een condicio-sine-qua-non-verband bestaat tussen de beweerdelijke schade van Rookie en onjuiste inlichtingen van ABC Hekwerk Participatie c.s. Het middel bestrijdt deze overweging voor zover deze inderdaad zo moet worden gelezen dat het hof het hiervoor bedoelde condicio-sine-qua-non-verband hierin aanwezig heeft geacht.
4.2
Voor zover het incidenteel cassatieberoep ervan uitgaat dat het hof in deze overweging een oordeel heeft gegeven over het condicio-sine-qua-non-verband mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in deze overweging in het midden gelaten of sprake is van een condicio-sine-qua-non-verband tussen beweerdelijke schade van Rookie en onjuiste inlichtingen van ABC Hekwerk Participatie c.s. en heeft geoordeeld dat het in art. 6:98 BW bedoelde causaal verband ontbreekt. Gelet op de door het hof in deze rechtsoverweging beoordeelde schade (“kosten en verliezen uit onderneming, en kosten en verliezen vanwege het faillissement van Eurobarrier”) en de in de vierde alinea van rov. 8. van het Eindarrest toegewezen vordering, heeft het gedeelte van rov. 7.6. (d) van het Eindarrest over het causaal verband betrekking op Vordering 3 en niet op Vordering 2.103.Rov. 7.6. (d) van het Eindarrest gaat in dit gedeelte dus niet over de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van het gedeelte van de waarde van de post onderhanden werk op de Overnamebalans dat onjuist is (Vordering 2). Dat het hof het beroep van Rookie op dwaling als gevolg van onjuiste inlichtingen heeft gehonoreerd,104.betekent verder niet dat het hof daarmee ten aanzien van Vordering 3 heeft geoordeeld dat het hiervoor bedoelde condicio-sine-qua-non-verband aanwezig is.105.Nogmaals: het hof heeft dit in het midden gelaten.
4.3
Voor zover het incidenteel cassatieberoep als (extra) voorwaarde voor behandeling stelt dat de hiervoor genoemde overweging van het hof een oordeel bevat over het hiervoor genoemde condicio-sine-qua-non-verband, wordt niet toegekomen aan een beoordeling van het incidenteel cassatieberoep. Aan die voorwaarde is gelet op randnummers 4.1-4.2 hiervoor immers niet voldaan.
5. Slotsom en afdoeningswijze
5.1
De slotsom is dat onderdeel 1 van het principale cassatieberoep (en in zoverre ook de voortbouwklacht onderdeel 4) slaagt, zodat het Tussenarrest en het Eindarrest dienen te worden vernietigd. Het incidenteel cassatieberoep faalt.
5.2
Ik geef Uw Raad in overweging om de zaak zelf af te doen, mede gelet op het feit dat deze zaak al bijna negen jaar loopt. Uw Raad kan de zaak mijns inziens op de volgende wijze zelf afdoen:
- veroordeling van ABC Hekwerk Participatie tot volledige terugbetaling van de Koopprijs (verminderd met het bedrag van € 107.313,- dat al betaald is);106.
- afwijzing van Vordering 2 en van de bij Vordering 2 horende vordering tot vergoeding van wettelijke rente,107.nu door de volledige toewijzing van de primaire Vordering 1 niet wordt toegekomen aan de subsidiaire Vordering 2;108.
- de dictumonderdelen in rov. 8., tweede en negende alinea, van het Eindarrest moeten in zoverre worden vernietigd dat bepaald wordt dat de dictumonderdelen in rov. 3.2.-3.4. van het eindvonnis van 14 februari 2018 vernietigd worden voor zover [verweerder 2] in die rechtsoverwegingen verplicht wordt iets te betalen (hiermee komt ook de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring in rov. 3.6. (gedeeltelijk) en de hoofdelijke aansprakelijkheid te vervallen);109.
- toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat ABC Hekwerk Participatie en [verweerder 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de misleidende voorstelling van zaken, die Rookie heeft gevorderd110.in aanvulling op het primair en subsidiair gevorderde (zonder daarbij te bepalen dat een schadevergoedingsbedrag is verschuldigd);111.
- bekrachtiging van de bestreden arresten voor het overige.112.
5.3
Ik licht nu toe waarom deze wijze van zelf afdoen mogelijk is en dus geen verwijzing door Uw Raad hoeft plaats te vinden.
5.4
Allereerst meen ik dat het ook na verwijzing niet mogelijk zou zijn om in deze zaak aan de vernietiging van de Koopovereenkomst haar werking op grond van art. 3:53 lid 2 BW te ontzeggen en/of een geldelijke uitkering op grond van onbillijke bevoordeling in de zin van die bepaling toe te kennen aan ABC Hekwerk Participatie, omdat in deze zaak geen sprake is van bezwaarlijkheid in de zin van art. 3:53 lid 2 BW. Zie randnummers 3.2-3.12 hiervoor voor een uitgebreide motivering, waarbij ik ook inga op de in dit kader door ABC Hekwerk Participatie aangevoerde feitelijke grondslag.
5.5
Daar komt bij dat andere correcties op de (gevolgen van) vernietiging op grond van dwaling niet aan de orde zijn.113.Vooropgesteld: er bestaan vier correctiemechanismen114.waarvoor geldt dat het niet direct uitgesloten is dat die van toepassing kunnen zijn op een geval als aan de orde in deze zaak. Afgezien van art. 6:2 lid 2 BW en 6:248 lid 2 BW die kunnen voorkomen dat een succesvol beroep op art. 6:228 BW wordt gedaan,115.gaat het om een drietal specifieke correctiemechanismen:116.
- ingevolge art. 6:230 lid 1 BW vervalt de bevoegdheid tot vernietiging wanneer de wederpartij tijdig een wijziging van de gevolgen van de overeenkomst voorstelt, die het nadeel dat de tot vernietiging bevoegde bij instandhouding van de overeenkomst lijdt, op afdoende wijze opheft (lid 1); ook de rechter kan op verlangen van een van de partijen, in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van dit nadeel wijzigen (lid 2);117.
- art. 6:278 BW brengt mee dat de partij die een reeds (in ieder geval gedeeltelijk)118.uitgevoerde overeenkomst vernietigt nadat de verhouding in waarde tussen hetgeen over en weer bij ongedaanmaking zou moeten worden verricht zich te haren gunste heeft gewijzigd, verplicht is door bijbetaling de oorspronkelijke waardeverhouding119.te herstellen, als aannemelijk is dat zij zonder deze wijziging de overeenkomst niet zou hebben vernietigd en aangestuurd op ongedaanmaking.120.Art. 6:278 BW roept een nieuwe verbintenis in het leven;121.
- er is voor renteswaps in een prejudiciële beslissing van Uw Raad een correctiemechanisme aanvaard voor gevallen waarin “aannemelijk is dat (…) [dwalende partij, A-G] ook bij afwezigheid van de dwaling voor afdekking van het renterisico zou hebben gekozen”.122.Dit correctiemechanisme vloeit voort uit het stelsel van de wet en (andere) in de wet geregelde gevallen en houdt het volgende in: de verbintenissen uit hoofde van onverschuldigde betaling worden (zoveel mogelijk) ingericht naar de positie waarin de dwalende partij zou verkeren als zij niet zou hebben gedwaald.123.Deze correctie geldt dus voor de situatie waarin partijen een andere overeenkomst zouden hebben gesloten als er geen sprake was geweest van dwaling en die andere overeenkomst (naast eventuele voordelige gevolgen ook) nadelige gevolgen zou hebben gehad voor de dwalende partij, waardoor volledige ongedaanmaking van de werkelijk aangegane overeenkomst, inclusief de daarmee gepaard gaande (financiële) consequenties, ook in het licht van de belangen van de wederpartij, niet gerechtvaardigd hoeft te zijn.124.Uw Raad benadrukt de bijzonderheden van renteswaps die (mede) aanleiding geven tot het toepassen van deze correctie (rov. 3.6.6), waardoor niet zeker is of deze correctie ook kan worden toegepast buiten de sfeer van de renteswaps.
5.6
Deze correctiemechanismen zijn in deze zaak echter niet aan de orde. Ik acht daarvoor het volgende redengevend.
5.7
In cassatie heeft ABC Hekwerk Participatie niet geklaagd over het oordeel dat het hof aan de vernietiging van de Koopovereenkomst de werking niet heeft ontzegd noch tegen het oordeel dat daarom in beginsel de gehele koopprijs moet worden terugbetaald, zodat van deze oordelen moet worden uitgegaan.125.Ook klaagt ABC Hekwerk Participatie er niet over dat het hof een ander correctiemechanisme had moeten toepassen. Gelet op de eveneens onbestreden uitleg van het hof van de stellingen van ABC Hekwerk Participatie moet ervan worden uitgegaan dat ABC Hekwerk Participatie in feitelijke instanties geen beroep heeft gedaan op een andere correctie op de gevolgen van vernietiging dan art. 3:53 lid 2 BW (zie randnummers 2.10-2.11, 2.13-2.14, 2.22 en 2.24 hiervoor). De inhoud van het verweer en de aangevoerde feitelijke grondslag daarvoor van ABC Hekwerk Participatie zijn niet in geschil. De rechter heeft in deze zaak verder geen (ambtshalve) onderzoek buiten het verweer van ABC Hekwerk Participatie om gedaan en uitdrukkelijk geen andere verweren van ABC Hekwerk Participatie als een te beoordelen geschilpunt aangemerkt (zie eveneens randnummers 2.10-2.11, 2.13-2.14, 2.22 en 2.24 hiervoor). Ook dit is in cassatie onbestreden. Verder heeft het hof als gezegd de reconventionele vorderingen tot vergoeding van schade afgewezen,126.en ABC Hekwerk Participatie c.s. hebben hiertegen geen klachten gericht in cassatie, zodat ook van die afwijzing moet worden uitgegaan.
5.8
Een ambtshalve mogelijkheid en/of plicht tot onderzoek naar de toepassing van andere correctiemechanismen is in deze zaak verder niet aan de orde.127.De aangevoerde feitelijke grondslag door ABC Hekwerk Participatie biedt ook onvoldoende ruimte om op grond van art. 25 Rv andere correcties ambtshalve toe te passen (art. 24 Rv).128.ABC Hekwerk Participatie heeft in feitelijke instanties immers geen beroep gedaan op andere correcties op de gevolgen van de vernietiging krachtens dwaling, althans op verweren die daartoe strekken en die in een geval als het onderhavige mogelijk een rol kunnen spelen, en ABC Hekwerk Participatie heeft daarvoor ook niet de feitelijke grondslag aangevoerd. Een debat daarover heeft niet plaatsgevonden.129.Dus: in feitelijke instanties heeft er geen debat plaatsgevonden over de vragen of ABC Hekwerk Participatie (tijdig) een wijziging van de gevolgen van de Koopovereenkomst heeft voorgesteld of verlangd (dit is een gepasseerd station omdat vaststaat dat de Koopovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd), of er een voor Rookie voordelige wijziging van de waardeverhouding heeft plaatsgevonden tussen de prestaties die bij ongedaanmaking moeten worden verricht,130.of Rookie zonder een dergelijke wijziging ook voor de vernietiging van de Koopovereenkomst zou hebben gekozen, en wat de waardeverhouding ten tijde van de uitvoering van de Koopovereenkomst (en in het verlengde daarvan: de omvang van een eventuele bijbetaling op grond van art. 6:278 BW) was. Ook heeft er geen debat plaatsgevonden over de vraag met welke (eventuele) nadelen en/of voordelen Rookie in de hypothetische situatie zonder de dwaling zou zijn geconfronteerd, ten opzichte van de werkelijke situatie met dwaling, ervan uitgaande dat de Koopovereenkomst is vernietigd.131.Deze omstandigheden kunnen in het algemeen relevant zijn bij een beroep op (andere) correctiemechanismen. Zie randnummer 5.5 hiervoor.
6. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het Tussenarrest en het Eindarrest en tot afdoening op de wijze zoals vermeld in randnummer 5.2.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑07‑2023
Dit feitenoverzicht, inclusief de hierin opgenomen citaten, is met enkele redactionele aanpassingen ontleend aan het tussenarrest van 28 april 2020 (hierna: ‘Tussenarrest’), rov. 3.1., en op enkele punten aan het eindarrest van 19 juli 2022 (hierna: ‘Eindarrest’), rov. 5.1. (zie randnummers 2.8 en 2.18 hierna). Waar dit laatste het geval is, heb ik dat met een voetnoot aangegeven. Beide arresten zijn gepubliceerd. Zie hof ’s-Hertogenbosch 28 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1440 en hof ’s-Hertogenbosch 19 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2429.
Zie ook rov. 5.1. van het Eindarrest. Ik begrijp het hof zo dat het hof met licentienemers heeft bedoeld bedrijven die een licentie hebben om gebruik te maken van producten van ABC Hekwerk Participatie.
De LOI is overgelegd bij de dagvaarding in eerste aanleg (productie 1).
De Koopovereenkomst is opgenomen in de notariële (leverings)akte die is overgelegd bij de dagvaarding in eerste aanleg (productie 4).
Eindarrest, rov. 5.1.
Eindarrest, rov. 5.1.
Ik begrijp dat het hof onder deze concurrent verstaat: B&G Hekwerk B.V.
Eindarrest, rov. 5.1.
Anders dan het hof (zie Tussenarrest, p. 1; vergelijk ook rov. 3.2. en 3.5. van dit arrest), en mét de rechtbank (eindvonnis van 14 februari 2018, p. 1), begrijp ik de gedingstukken zo dat verweerder 2. afgezien mogelijk van de gevorderde opheffing van derdenbeslagen géén vordering in reconventie heeft ingesteld. Zie conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie, randnummers 8.1-8.10 en p. 51, en de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appèl, p. 95.
Zie de weergave van deze reconventionele vorderingen in rov. 3.2. en 3.5. van het Tussenarrest.
Zie voor de precieze weergave van de vorderingen van Rookie in eerste aanleg het Tussenarrest, rov. 3.2.
Ik laat de inhoud van de (tussen)vonnissen van 10 december 2014, 18 februari 2015, 6 mei 2015, 1 juni 2016, 12 oktober 2016 en 14 december 2016, afgezien van enkele opmerkingen in voetnoten, buiten beschouwing, omdat het voor een goed begrip van deze zaak niet nodig of behulpzaam is om die inhoud (volledig) te expliciteren.
Rov 3.2. van het eindvonnis van 14 februari 2018. Slechts de kenmerken van dit vonnis zijn gepubliceerd. Zie Rb. Oost-Brabant 14 februari 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:889.
De rechtbank heeft voor een toelichting verwezen naar rov. 4.35.-4.36. van het vonnis van 1 juni 2016.
De rechtbank heeft voor een toelichting verwezen naar rov. 4.22. en 4.26. van het vonnis van 1 juni 2016. Zie over het beroep op dwaling ook rov. 2.5.-2.10. van het vonnis van 12 oktober 2016.
Zie rov. 7.7. (d) van het Eindarrest. Zie ook rov. 3.4.-3.5. van het Tussenarrest, rov. 7.7. (c) van het Eindarrest en de veroordeling in het eindvonnis van 14 februari 2018, rov. 3.2. Deze veroordeling heeft het hof in stand gelaten. Zie rov. 8., tweede en negende alinea, van het Eindarrest.
Zie Tussenarrest, rov. 3.4. Het petitum van de memorie van grieven, tevens houdende wijziging eis wijkt ook op detailpunten af van het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg, maar die zijn niet van belang voor de bespreking van de klachten in cassatie. Zie verder nog de weergave van de reconventionele vorderingen van ABC Hekwerk Participatie in rov. 3.2. en 3.5. van het Tussenarrest.
Zie rov. 7.6. (d), vierde alinea, van het Eindarrest.
Tussenarrest, rov. 3.7.-3.13.
Tussenarrest, rov. 3.14.-3.19.
“ABC” staat bij het hof voor ABC Hekwerk Participatie en [verweerder 2] gezamenlijk, zie p. 1 van het Tussenarrest.
Ik herhaal: het hof heeft zowel ABC Hekwerk Participatie als [verweerder 2] aangemerkt als eiser in reconventie, in tegenstelling tot de rechtbank. Zie voetnoot 9 hiervoor.
Helemaal helder is dit niet. Tegen het interpreteren van rov. 3.27. als een overweging die ook betrekking heeft op Vordering 2 pleit dat met de verrichte beoordeling in het Tussenarrest de relevante feiten voor Vordering 2 op zich duidelijk waren. Zie randnummers 1.1-1.13, 2.6-2.7 en 2.9 hiervoor. Zie ook de formulering in rov. 3.20. en 3.27. in combinatie met rov. 3.4. van het Tussenarrest, waaruit lijkt voort te vloeien dat vooral Vordering 3 na het Tussenarrest nog ter discussie stond tussen partijen (en Vordering 2 niet meer).
Tussenarrest, rov. 3.27. Zie ook Eindarrest, rov. 5.5., eerste gedachtestreepje.
Zie ook Eindarrest, rov. 5.5., derde gedachtestreepje.
Zie ook rov. 4. van het Tussenarrest.
Eindarrest, rov. 7.1.-7.4.
Zie ook rov. 8. van het Eindarrest.
Het hof heeft deze verplichting tot een geldelijke uitkering kennelijk verrekend met de verplichting om de Koopprijs terug te betalen (vergelijk art. 6:127 e.v. BW).
Ik versta rov. 7.7. (b) en (d) in het licht van rov. 5.5., derde gedachtestreepje, 7.7. (c)-(d) en 8. van het Eindarrest zo dat het hof in rov. 7.7. (b) en (d) heeft geoordeeld dat Vordering 3 geheel moet worden afgewezen, en niet dat Vordering 2 daarin wordt afgewezen.
Hoewel het hof die bepaling niet heeft genoemd, is duidelijk dat het wel degelijk het art. 6:98 BW-verband afwezig heeft geacht. Dat valt op te maken uit de woorden “een te ver verwijderd verband” en “in redelijkheid (...) niet worden toegerekend”.
Zie ook nog de oordelen over de proceskosten in hoger beroep in rov. 7.8.1.-7.8.2. van het Eindarrest.
Volledigheidshalve merk ik op dat het hof daarin ook de vorderingen in reconventie tot schadevergoeding en tot betaling van het restant van de koopsom heeft afgewezen, zie rov. 7.7. (a)-(b) en rov. 8., voorlaatste alinea van het Eindarrest. Die afwijzing is in cassatie onbestreden. Opvallend is nog dat het hof gelet op het Eindarrest, rov. 8., tweede en negende alinea, de beslissing in rov. 3.1. van het eindvonnis van 14 februari 2018, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat sprake was van een tekortkoming in de nakoming van de Koopovereenkomst, in stand lijkt te hebben gelaten. Dit laatste verhoudt zich niet goed tot de vernietiging, omdat er geen tekortkoming kan bestaan in de nakoming van een overeenkomst die is vernietigd.
Zie randnummer 2.5 hiervoor. Aan de subsidiaire Vordering 2 is het hof toegekomen nu het hof de primaire Vordering 1 met een correctie – en dus niet volledig – heeft toegewezen. Vordering 1 en Vordering 2 overlappen elkaar in zoverre dat het met Vordering 2 gevorderde bedrag als onderdeel moet worden beschouwd van de met Vordering 1 gevorderde koopprijs.
Zie rov. 3.4. van het Tussenarrest en rov. 7.7. (c)-(d) en 8., vierde en vijfde alinea, van het Eindarrest: hoofdelijke (voor dezelfde schade, zie art. 6:102 BW) veroordeling van ABC Hekwerk Participatie én [verweerder 2] tot vergoeding van schade in verband met het onjuist gewaardeerde gedeelte van de Overnamebalans. Zie over de toewijzing van Vordering 2 ten opzichte van [verweerder 2] ook Tussenarrest, rov. 3.29. en Eindarrest, rov. 5.5., derde gedachtestreepje. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat de onjuiste inlichtingen ook voor ABC Hekwerk Participatie een aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis zijn (vergelijk rov. 7.5. (a), 7.6. (a) en 7.6. (d) van het Eindarrest). De toewijzing van Vordering 2 ten opzichte van ABC Hekwerk Participatie blijkt niet heel duidelijk uit het lichaam van het Tussenarrest en evenmin uit het lichaam van het Eindarrest.
Zie voetnoot 30 en rov. 8., voorlaatste alinea, van het Eindarrest.
Toepassing van art. 3:41 BW ligt niet voor de hand bij vernietiging van een overeenkomst wegens dwaling, omdat de door de dwalingsregeling in het leven geroepen vernietigingsgrond (art. 6:228 BW) niet ziet op een gedeelte van een overeenkomst maar op de gehele overeenkomst. Partiële vernietiging wegens dwaling wordt in het algemeen niet aanvaard. Zie GS Vermogensrecht, art. 3:41 BW (S.A.M. de Loos-Wijker), aant. 5.1.4.1-5.1.4.4 (actueel tot en met 15 september 2020). Zie verder GS Vermogensrecht, art. 3:53 BW (P.M. Verbeek), aant. 8 (actueel tot en met 1 februari 2010), met verdere verwijzingen en vermelding van verschillende opvattingen (bijvoorbeeld over de vraag of art. 3:53 lid 2 BW tot partiële nietigheid kan leiden) en HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/223 m.nt. F.P.C. Strijbos (ABN AMRO), rov. 3.6.8 (“algehele vernietiging” kan afstuiten op art. 6:248 lid 2 BW).
De parlementaire geschiedenis wijst op een terughoudende toepassing van deze bepaling. Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1168 (de bepaling zal “slechts bij uitzondering voor toepassing in aanmerking (…) komen, nl. als men met de gewone regels omtrent de gevolgen van de vernietiging van een reeds geheel of ten dele uitgevoerde rechtshandeling niet tot een redelijk resultaat komt.”).
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 239 (“een der partijen”).
Zie HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:213, NJ 2022/287 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, TRA 2020/36 m.nt. E. van Vliet, JAR 2020/70 m.nt. S.J. Sterk en S.H. Kuiper en JIN 2020/53 m.nt. Y. Bijloo, rov. 3.2.1-3.2.2, HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837, NJ 2009/578 m.nt. Jac. Hijma, JPF 2008/83 m.nt. B.E. Reinhartz en JOR 2008/131 m.nt. C.W.M. Lieverse (Dexia), rov. 4.10, HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2620, NJ 2006/100, rov. 3.8, HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8185, NJ 2003/34 (Lisman van Raay Stichting/Sint Willibrordus Stichting), rov. 3.3.7 en HR 18 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7321, NJ 2002/106, rov. 3.13. Uw Raad wijst nog op de eventuele toepassing van art. 3:53 lid 2 BW (“zo nodig”) bij een risico-uitleg van renteswaps in de prejudiciële beslissing HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/223 m.nt. F.P.C. Strijbos (ABN AMRO), rov. 3.6.9. Uw Raad laat daarbij in het midden waarom art. 3:53 lid 2 BW hier een rol kan spelen. Geen vermelding van art. 3:53 lid 2 BW trof ik aan in het (latere) arrest over renteswaps HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1500, NJ 2020/259 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/253 m.nt. F.P.C. Strijbos (ING Bank NV), rov. 4.4.4-4.5.2.
Zie over de (mogelijke) rechtsgevolgen van art. 3:53 lid 2 BW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 239, Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 638-639 (“Aldus kan de toepassing van art. 3:53 lid 2 BW het ontstaan van een ongedaanmakingsverplichting voorkomen.”), GS Vermogensrecht, art. 3:53 BW (P.M. Verbeek), aant. 8 (actueel tot en met 1 februari 2010), met verdere verwijzingen en vermelding van verschillende opvattingen (bijvoorbeeld over de vraag of art. 3:53 lid 2 BW tot partiële nietigheid kan leiden), Jac. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen, diss., Deventer: Kluwer 1988, p. 203-211 en HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:213, NJ 2022/287 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, TRA 2020/36 m.nt. E. van Vliet, JAR 2020/70 m.nt. S.J. Sterk en S.H. Kuiper en JIN 2020/53 m.nt. Y. Bijloo, rov. 3.2.1.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 239 (“bezwaren die aan ongedaanmaking zijn verbonden”), GS Vermogensrecht, art. 3:53 BW (P.M. Verbeek), aant. 6 (actueel tot en met 1 februari 2010), met verdere verwijzingen, en waar als heersende leer vermeld wordt dat het woord “gevolgen” in art. 3:53 lid 2 BW betrekking heeft op feitelijke gevolgen van de rechtshandeling. Zie hierover ook Jac. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen, diss., Deventer: Kluwer 1988, p. 209-210.
Zie nummer 12 van zijn NJ-noot bij HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837, NJ 2009/578 m.nt. Jac. Hijma, JPF 2008/83 m.nt. B.E. Reinhartz en JOR 2008/131 m.nt. C.W.M. Lieverse (Dexia) en nummer 3 van T&C BW, commentaar op art. 3:53, actueel tot en met 1 juli 2023. Volgens Hijma heeft de wetgever dit zo bedoeld. Zie ook randnummer 40. van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense voor het in deze voetnoot genoemde arrest.
Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 638-639 en GS Vermogensrecht, art. 3:53 BW (P.M. Verbeek), aant. 7 (actueel tot en met 1 februari 2010), met verdere verwijzingen, en Jac. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen, diss., Deventer: Kluwer 1988, p. 204-205.
Zie over de mogelijkheid van een geldelijke uitkering Parl. Gesch. Boek 3, p. 239, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1167-1168, GS Vermogensrecht, art. 3:53 BW (P.M. Verbeek), aant. 9 (actueel tot en met 1 februari 2010) en Jac. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen, diss., Deventer: Kluwer 1988, p. 210-211.
Zie over art. 3:53 lid 2 BW in het kader van een aandelentransactie de NJ-noot van Jac. Hijma bij HR 16 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6237, NJ 2001/559 en Ondernemingsrecht 2001/41 e.v. m.nt. W.W. de Nijs Bik (L.E. Beheermaatschappij BV), nummer 6, en voetnoot 43 hiervoor. Zie ook W.J. Oostwouder, Unforgiven? Over nietigheid en vernietigbaarheid in het bedrijfsfinancieel recht, oratie, Zutphen: Uitgeverij Paris 2005, p. 12-13, Y.A. Wehrmeijer & J.W. de Groot, ‘Buitengerechtelijke vernietiging van een share purchase agreement: en dan?’, in M. Holtzer e.a. (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2014-2015, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 248-252 (zij lijken de reikwijdte van ‘bezwaarlijkheid’ breder op te vatten (zie met name p. 252), maar zijn daarbij enigszins voorzichtig) en GS Vermogensrecht, art. 3:53 BW (P.M. Verbeek), aant. 7 (actueel tot en met 1 februari 2010), met vermelding van verschillende opvattingen.
Zie voetnoot 129.
Zie nog voor de vereiste levering bij een aandelenoverdracht: art. 2:196 BW.
Voor zover deze aandelen nog bestaan. Het Tussenarrest en het Eindarrest geven geen uitsluitsel over de vraag of PSS is ontbonden en is opgehouden te bestaan en over de vraag of de aandelen in PSS op dit moment nog bestaan. Het hof heeft ook niet geoordeeld of de doorstart van PSS heeft geleid tot een (financieel) voordeel voor PSS en (indirect) Rookie. Als de aandelen niet (meer) bestaan, kan bij de ongedaanmaking de vraag opkomen of art. 6:74 BW (feitelijke onmogelijkheid van ongedaanmaking; schadevergoeding in geval van toerekenbaar tekortschieten in de ongedaanmakingsverbintenis) aan de orde is. Zie HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236, NJ 2017/282 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2016, p. 363 e.v. m.nt. W.H. van Boom, JIN 2016/85 m.nt. N. de Boer, TvC 2016, p. 232 e.v. m.nt. R.R.M. de Moor, TvC 2016, p. 236 e.v. m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JOR 2016/127 m.nt. J.M. van Poelgeest en J.W.A. Biemans (Lindorff BV), rov. 3.15.1-3.15.3 en HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8732, RvdW 2013/561, rov. 3.4.1-3.4.3 en Y.A. Wehrmeijer & J.W. de Groot, ‘Buitengerechtelijke vernietiging van een share purchase agreement: en dan?’, in M. Holtzer e.a. (red.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2014-2015, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 250-252, met verdere verwijzingen.
Zie N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De procedure na vernietiging en verwijzing’, in B.T.M. van der Wiel e.a. (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 393, met verwijzing naar rechtspraak van Uw Raad.
Zie rov. 8., zesde alinea, van het Eindarrest. Vergelijk ook rov. 8., achtste alinea, van het Eindarrest. Dat het hof aan de vernietiging van de Koopovereenkomst niet de werking heeft ontzegd door bijvoorbeeld de rechtsgrond voor de betaling van de Koopprijs gedeeltelijk weg te nemen, blijkt duidelijk uit rov. 3.24.-3.25. van het Tussenarrest en rov. 7.6. (a) van het Eindarrest, waarin het hof een geldelijke uitkering op grond van art. 3:53 lid 2 BW heeft opgelegd om ervoor te zorgen dat ABC Hekwerk Participatie de Koopprijs feitelijk niet volledig hoeft terug te betalen. Zie voetnoot 29 hiervoor.
Zie randnummer 3.10 hiervoor.
Men kan zich nog afvragen of het vermogen van PSS nog een vergoeding bevat voor de doorstart. Zie voetnoot 50 hiervoor.
Zie randnummers 2.13-2.14 en 2.22-2.24 hiervoor. Het hof heeft daarom ook niet geoordeeld over de vraag of er een onbillijk voordeel is. Opvallend is verder dat ABC Hekwerk Participatie geen enkele reconventionele vordering lijkt te hebben toegesneden op art. 3:53 lid 2 BW, maar toch lijkt te hebben bedoeld dat haar beroep op art. 3:53 lid 2 BW een reconventionele vordering inhoudt. Zie conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie, randnummers 6.14, 8.1 en 8.9, en de conclusie op p. 51. Het hof lijkt het beroep op de geldelijke uitkering van art. 3:53 lid 2 BW slechts als een verweer te hebben beschouwd. Zie rov. 3.2. en 3.5. van het Tussenarrest en randnummer 2.10 hiervoor. Een mogelijke verklaring is dat het hof het beroep op art. 3:53 lid 2 BW als onderdeel van een beroep op verrekening heeft beschouwd. Zie voetnoot 29 hiervoor.
Zie conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie, randnummers 6.14, 8.1 en 8.9, memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appèl, randnummers 160.-162. en akte van ABC Hekwerk Participatie c.s. in hoger beroep, randnummer 5. De stellingen van ABC Hekwerk Participatie over haar beroep op art. 3:53 lid 2 BW zijn enigszins anders in de memorie na enquête van ABC Hekwerk Participatie c.s., randnummers 145-152. Daar lijkt ABC Hekwerk Participatie de volledige terugbetaling van de Koopprijs als onbillijk voordeel aan te merken en te stellen dat aan de vernietiging haar gehele werking moet worden ontzegd. Haar stellingen zijn weer enigszins anders in de tweede akte houdende uitlating producties van ABC Hekwerk Participatie c.s. in hoger beroep, randnummers 3-5, 46-54 en 86. Daar lijkt ABC Hekwerk Participatie vooral te stellen dat de werking van de vernietiging gedeeltelijk moet worden ontzegd door te voorkomen dat zij de Koopprijs geheel moet terugbetalen, dat het aan Rookie is te wijten dat zij de aandelen niet meer kan teruggeven nu PSS failliet is verklaard en niet meer bestaat en dat Rookie door het terugbetalen van de Koopprijs onbillijk wordt bevoordeeld doordat ABC Hekwerk Participatie de “vennootschap” niet terugkrijgt.
Zie voetnoot 54 hiervoor.
Zie rov. 2.22. en 3.8. van het eindvonnis van de rechtbank van 14 februari 2018, rov. 3.2., 3.5., 3.14.-3.19., 3.20., 3.24., 3.26. en 3.30. van het Tussenarrest en rov. 5.4., 7.2., 7.4. (a), 7.6. (b)-(c), 7.7. en rov. 8., tweede, zesde en voorlaatste alinea.
Zie vooral randnummers 30.-31. van de procesinleiding en rov. 7.6. (c) van het Eindarrest. Wel worden de rol van Rookie bij de deconfiture van PSS en de stroeve samenwerking tussen partijen genoemd in rov. 7.6. (a), (d)-(e) van het Eindarrest. Die onderdelen van deze laatste rechtsoverweging hebben (al dan niet ook) betrekking op het beroep op art. 3:53 lid 2 BW en de afwijzing van Vordering 3.
Dit lijkt met name aan de orde bij de laatste klacht van subonderdeel 2A en de klachten in subonderdelen 2C-2D.
Het is onduidelijk of het hof in deze rechtsoverwegingen ook heeft geoordeeld over de bewijslastverdeling voor Vordering 2. Als dat zo is, is dit oordeel mijns inziens nog steeds niet onjuist.
Zie randnummers 33. en 35. van de procesinleiding.
Zie randnummers 33. en 35. van de procesinleiding. Randnummer 33. van de procesinleiding noemt ook nog een overweging uit rov. 7.5. (c), aanhef, en geeft de inhoud daarvan niet volledig juist weer, maar de procesinleiding voert niet aan dat rov. 7.5. (a) van het Eindarrest strijdig is met deze overweging uit rov. 7.5. (c) van het Eindarrest. Zie randnummer 35. van de procesinleiding. Ook ten aanzien van deze overweging is van tegenstrijdigheid mijns inziens overigens geen sprake.
Zie randnummers 31. en 36. en voetnoten 17-19 van de procesinleiding die verwijzen naar randnummers 51.-54., 59.-63., 66.-69., 107. en 137.-145. (en randnummers 55.-152. voor een verdere uitwerking van stellingen) van de memorie van antwoord na enquête van Rookie, en randnummers 73., 338. en 372. van de memorie van grieven, tevens houdende wijziging eis van Rookie.
Zie rov. 3.1. onder l. van het Tussenarrest.
Ook uit de andere alinea’s in rov. 7.5. (a) van het Eindarrest blijkt dat het hof in rov. 7.5. (a) van het Eindarrest sterk de nadruk heeft gelegd op de periode van de aanloop naar het sluiten van de Koopovereenkomst. Deze rechtsoverweging heeft dus op die periode betrekking.
Zie ook randnummers 9.-10., 71.-72., 74. en randnummers 371.-372. van de memorie van grieven, tevens houdende wijziging eis, en randnummers 17.-18., 62.-183. en 202.-209. van de memorie van antwoord na enquête van Rookie.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appèl, randnummers 95., 106., 108. en 115. e.v.
Zie bijvoorbeeld memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appèl, randnummers 112., 114., 121.-122., 124., 128., en 143., en de tweede akte houdende uitlating producties van ABC Hekwerk Participatie c.s. in hoger beroep, randnummers 3, 56, 58 en 64-67.
Zie de vindplaatsen van de stellingen van ABC Hekwerk Participatie c.s. in voetnoot 69 hiervoor.
Vergelijk ook rov. 7.5. (a) (ii), vijfde alinea en de tweede zin van de zesde alinea van rov. 7.5. (a), van het Eindarrest.
Rov. 7.5. (a) en (c) (vi) van het Eindarrest.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummer 148.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummers 153.-155.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummers 158. en 159.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummers 157.-159.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummers 160. en 161.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummer 146.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummer 165, en memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, randnummers 72. en 121.-124.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummers 150.-152.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummers 167.-172.
Rov. 7.5. (d) van het Eindarrest.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummers 194.-194. (bedoeld is kennelijk 194.-196.).
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummer 195.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummer 197.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummers 67. en 85.-103.
Rookie verwijst in haar procesinleiding naar memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummers 96.-103.
Kennelijk bedoelt Rookie in randnummer 44. van haar procesinleiding de in randnummer 40. (e) genoemde stelling, waar Rookie schrijft de “onder 39 onder (e) opgenomen stelling”. Rookie verwijst in voetnoot 28 bij randnummer 40. (e) van haar procesinleiding naar de memorie van antwoord na enquête, randnummers 160.-161.
Zie randnummer 44. van de procesinleiding.
Zie ook rov. 7.6. (e) van het Eindarrest.
Ik begrijp de procesinleiding zo dat zij in zoverre ook klaagt over rov. 7.6. (b) van het Eindarrest.
Zie ook randnummers 2.22-2.24 en voetnoten 30 en 35-36 hiervoor.
Conclusie van antwoord, in conventie, tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie, randnummers 6.19-6.20 en 6.29, memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appèl, randnummers 143.-144. (zie ook randnummer 145.), 147.-148. en 162., memorie na enquête van ABC Hekwerk Participatie c.s., randnummers 114, 123, 128-130 en tweede akte houdende uitlating producties van ABC Hekwerk Participatie c.s. in hoger beroep, randnummers 8 (zie ook randnummers 7, 55-56 en 64), 65, 67 (zie ook randnummers 68, 71-73), 74 (zie ook randnummer 76), en 78-80 (zie ook randnummer 86).
Zie in die zin het meest uitdrukkelijk, memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appèl, randnummers 143.-148. en 162., memorie na enquête van ABC Hekwerk Participatie c.s., randnummer 123, 128, en tweede akte houdende uitlating producties van ABC Hekwerk Participatie c.s. in hoger beroep, randnummers 7-8, 55-56, 65, 67-68, 71, 73 (“normaal ondernemingsrisico”), 74, 76, 78 en 86.
Ik herhaal dat ik rov. 7.6. (d) van het Bestreden Arrest zo begrijp dat het hof daarin niet Vordering 2 maar Vordering 3 geheel heeft afgewezen. Zie randnummers 2.7 en 2.22-2.24 en voetnoten 30 en 35-36 hiervoor. Ook Rookie gaat van deze lezing uit, zo begrijp ik randnummer 45. van de procesinleiding.
Randnummer 50. van de procesinleiding mist feitelijke grondslag waar het stelt dat Vordering 3 door het hof op andere gronden is afgewezen.
Zie randnummers 2.7 en 2.22-2.24 hiervoor. Dat “het oordeel van het hof over de dwaling” zo moet worden geïnterpreteerd, wordt ondersteund door de tekst van rov. 7.5. (a) (i) en rov. 7.6. (a) van het Eindarrest.
Randnummer 50. van de procesinleiding mist in zoverre feitelijke grondslag.
Zie randnummers 2.7 en 2.22-2.24 en voetnoten 30 en 34-36 hiervoor.
Rookie verwijst naar haar memorie van grieven, tevens houdende wijziging eis, randnummer 320.
Rookie verwijst naar haar memorie van grieven, tevens houdende wijziging eis, randnummer 329.
Zie N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De procedure na vernietiging en verwijzing’, in B.T.M. van der Wiel e.a. (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 393-395, met verwijzing naar rechtspraak van Uw Raad.
Zie verder randnummers 2.7 en 2.22-2.24 en voetnoten 30 en 35-36 hiervoor.
Rov. 3.15.-3.19. van het Tussenarrest.
Anders, zo lijkt het, randnummer 6. van het verweerschrift in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep tevens schriftelijke toelichting.
Zie randnummer 2.5 hiervoor.
Dat Vordering 2 (inclusief wettelijke rente) niet moet worden toegewezen, betekent niet dat het dictumonderdeel in de tweede alinea van rov. 8. moet worden vernietigd voor zover daarin in stand wordt gelaten het oordeel in rov. 3.2. van het eindvonnis van de rechtbank op basis waarvan ABC Hekwerk Participatie € 107.313,- verschuldigd is aan Rookie. Toewijzing van de primaire Vordering 1 impliceert immers dat ABC Hekwerk Participatie dit bedrag (€ 107.313,-) nog altijd verschuldigd is, op grond van een verbintenis uit hoofde van onverschuldigde betaling.
Immers: [verweerder 2] kan niet tot vergoeding van een bedrag worden verplicht omdat aan Vordering 2 niet wordt toegekomen gelet op de toewijzing van de primaire Vordering 1 op de voet van art. 23 Rv en 420 Rv en omdat de afwijzing van Vordering 3 niet met succes is bestreden. Zie verder voetnoot 108 hiervoor.
Zie randnummer 2.6 hiervoor (laatste gedachtestreepje).
De toewijzing van deze vordering ligt (impliciet) besloten in het op zich onbestreden, maar op de voet van art. 420 Rv te vernietigen dictumonderdelen van rov. 8., vierde en vijfde alinea, van het Eindarrest (zie nader voetnoot 108 hiervoor). Als het dictum echter zo moet worden gelezen dat het hof wegens gebrek aan belang in de voorlaatste alinea van rov. 8. van het Eindarrest deze gevorderde verklaring voor recht heeft afgewezen, geldt dat deze afwijzing onverbrekelijk is verbonden met de toewijzing van Vordering 2, zodat de vernietiging van de dictumonderdelen waarin Vordering 2 wordt toegewezen leidt tot vernietiging van de afwijzing van deze verklaring voor recht. Uw Raad kan mijns inziens op de voet van art. 23 Rv en 420 Rv deze verklaring voor recht toewijzen.
Zie nog randnummer 3.14 hiervoor, inclusief de daarin opgenomen voetnoten.
Het verweer en de feitelijke grondslag daarvoor kunnen in beginsel niet voor het eerst na verwijzing worden aangevuld. Zie N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De procedure na vernietiging en verwijzing’, in B.T.M. van der Wiel e.a. (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 387-404 en Asser Procesrecht/E. Korthals Altes & H.A. Groen, Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nrs. 328-336, met verwijzing naar rechtspraak van Uw Raad.
Ik laat art. 3:13 lid 2 en art. 3:303 BW buiten beschouwing. Zie over deze bepalingen de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2019:329) voor HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/223 m.nt. F.P.C. Strijbos (ABN AMRO), randnummers 10.33-10.38.
HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/223 m.nt. F.P.C. Strijbos (ABN AMRO), rov. 3.6.8.
In voorkomende gevallen kan en/of moet overigens op een correctiemechanisme ook weer een uitzondering worden aangebracht waardoor het correctiemechanisme toch niet kan worden toegepast. Zie ten aanzien van art. 6:278 BW bijvoorbeeld Parl. Gesch. Boek 6, p. 1040 en 1043.
HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1910, NJ 2020/18 en JOR 2020/78 m.nt. F.P.C. Strijbos (Maetis NV/Beheer BV), rov. 3.1.2-3.2, en mijn conclusie voor dit arrest (ECLI:NL:PHR:2019:680), randnummers 3.3-3.7, HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/223 m.nt. F.P.C. Strijbos (ABN AMRO), rov. 3.6.8, HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5068, NJ 2013/256 m.nt. Jac. Hijma, JOR 2012/312 m.nt. J.W.A. Biemans en Ars Aequi 2012, p. 118 e.v. m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers en A. Bouichi (Societas Regendi et Administrandi BV c.s.), rov. 3.5, en HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2509, NJ 1998/659 m.nt. W.M. Kleijn (onder NJ 1998/657), M en R 1998/108 m.nt. P. Klik en RV 2014/86 m.nt. S.E. Bartels e.a. (Luycks Handelsmaatschappij BV c.s./BV Handelsonderneming Kroonenberg), rov. 3.5-3.6.
Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 1040 en 1044.
Met oorspronkelijke waardeverhouding wordt gedoeld op de waardeverhouding op het moment van uitvoering van de overeenkomst. Zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 1039-1040 en 1043.
Zie over deze bepaling Parl. Gesch. Boek 6, p. 1038-1043, HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/223 m.nt. F.P.C. Strijbos (ABN AMRO), rov. 3.6.8, HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236, NJ 2017/282 m.nt. Jac. Hijma, Ars Aequi 2016, p. 363 e.v. m.nt. W.H. van Boom, JIN 2016/85 m.nt. N. de Boer, TvC 2016, p. 232 e.v. m.nt. R.R.M. de Moor, TvC 2016, p. 236 e.v. m.nt. C.M.D.S. Pavillon en JOR 2016/127 m.nt. J.M. van Poelgeest en J.W.A. Biemans (Lindorff BV), rov. 3.16, HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837, NJ 2009/578 m.nt. Jac. Hijma, JPF 2008/83 m.nt. B.E. Reinhartz en JOR 2008/131 m.nt. C.W.M. Lieverse (Dexia), rov. 4.10, T. Hartlief, Ontbinding. Over ongedaanmaking, bevrijding en rechterlijke bevoegdheden bij ontbinding wegens wanprestatie, diss., Deventer: Kluwer 1994, p. 29-31 en 39, GS Verbintenissenrecht, art. 6:278 BW (W.H. van Boom), aant. 1-7 (actueel tot en met 26 januari 2023), Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 708, F.B. Bakels, Ontbinding van wederkerige overeenkomsten, diss., Deventer: Kluwer 1993, p. 355-356, Jac. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen, diss., Deventer: Kluwer 1988, p. 186 en W.H. van Boom, ‘Art. 6:278 BW – slecht gekrijte keu leidt tot gescheurd laken’, in C.G. Breedveld-de Voogd e.a. (red.), Sluitertijd. Reflecties op het werk van Jaap Hijma, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 279 e.v.
Zie T. Hartlief, ‘De begrenzing van bevoegdheden terzake van niet-nakoming. Enkele opmerkingen over stapeling van correctiemechanismen’, in T. Hartlief, Jac. Hijma & L. Reurich (red.), Coherente instrumenten in het contractenrecht, Deventer: Kluwer 2003, p. 70-71 en GS Verbintenissenrecht, art. 6:278 BW (W.H. van Boom), aant. 2 (actueel tot en met 26 januari 2023).
HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/223 m.nt. F.P.C. Strijbos (ABN AMRO), rov. 3.6.12. Zie hierover M.D.H. Nelemans & J.G.J. Rinkes, ‘Zorgplichten en dwaling bij renteswaps’, NTHR 2019, p. 275 e.v.
HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/223 m.nt. F.P.C. Strijbos (ABN AMRO), rov. 3.6.6-3.6.8 en 3.6.12 en HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1500, NJ 2020/259 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/253 m.nt. F.P.C. Strijbos (ING Bank NV), rov. 4.5.2. Overigens is de vraag of een beroep op het stelsel van de wet en (andere) in de wet geregelde gevallen steeds nodig is voor het aanvaarden van deze correctie. Zo zou zij ook kunnen worden geconstrueerd als een uitzondering op art. 6:203 lid 2 BW (“teruggave van een gelijk bedrag”) op grond van art. 6:2 lid 2 en (indirect) art. 6:248 lid 2 BW. Zie de NJ-noot van Hijma bij de eerstgenoemde (prejudiciële) beslissing, nummer 12, die niet expliciet de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid noemt, maar bijvoorbeeld wel art. 6:278 BW.
Zie HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/223 m.nt. F.P.C. Strijbos (ABN AMRO), rov. 3.6.6-3.6.7. Zie in het bijzonder rov. 3.6.12.
Zie randnummer 3.10 hiervoor.
Zie randnummer 3.14 hiervoor, inclusief de daar opgenomen voetnoten.
Onder omstandigheden kunnen verweren en daarvoor relevante omstandigheden die ambtshalve kunnen en/of moeten worden onderzocht aan de orde komen na verwijzing. Zie Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein & E.M. Wesseling-van Gent, Deel 4. Hoger Beroep, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 261, Asser Procesrecht/E. Korthals Altes & H.A. Groen, Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 337 en N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De procedure na vernietiging en verwijzing’, in B.T.M. van der Wiel e.a. (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 402, met verwijzing naar rechtspraak van Uw Raad. Wellicht duidt de formulering van Uw Raad van de correctie die kan worden toegepast bij renteswaps in een prejudiciële beslissing op een verplicht ambtshalve onderzoek naar deze correctie. Zie HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, NJ 2020/257 m.nt. Jac. Hijma en JOR 2019/223 m.nt. F.P.C. Strijbos (ABN AMRO), rov. 3.6.6-3.6.8 en 3.6.12 (“dient te worden onderzocht” en “dient (…) in de positie te worden gebracht”). Nog daargelaten dat niet zeker is (1) dat deze correctiemogelijkheid ook buiten het geval van renteswaps geldt (zie rov. 3.6.6 en randnummer 5.5 hiervoor) en (2) dat hier inderdaad sprake is van een onderzoeksplicht voor de rechter, meen ik in ieder geval dat een dergelijke onderzoeksplicht niet geldt voor (alle) andere situaties dan de situatie waarin een renteswap wordt vernietigd, en daarmee dus ook niet voor het onderhavige geval. Het valt mijns inziens in het algemeen binnen de verantwoordelijkheid van partijen om eventuele onrechtvaardigheden bij volledige ongedaanmaking die bijvoorbeeld samenhangen met het (denkbare) scenario dat zonder dwaling een koopovereenkomst met een lagere prijs tot stand zou zijn gekomen aan de orde te stellen.
Zie hierover Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 92.
Zie conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie, randnummers 6.14, 8.1 en 8.9, en de conclusie op p. 51, conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, randnummers 142.-153. (ik merk op dat dit processtuk ontbreekt in het in cassatie overgelegde dossier door ABC Hekwerk Participatie c.s., ook in de inventarislijst), memorie van grieven, tevens houdende wijziging eis, randnummers 367.-373., memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appèl, randnummers 160.-162., memorie van antwoord in incidenteel appel tevens houdende akte uitlating producties, randnummers 162.-165., akte van ABC Hekwerk Participatie c.s. in hoger beroep, randnummers 5.-6., memorie na enquête van ABC Hekwerk Participatie c.s., randnummers 145-152, memorie van antwoord na enquête van Rookie, randnummers 9.-12. en 210.-218., tweede akte houdende uitlating producties van ABC Hekwerk Participatie c.s. in hoger beroep, randnummers 3-5, 46-54 en 86.
Natuurlijk hebben partijen in het kader van art. 6:228 BW wel gediscussieerd over de vraag of de Koopovereenkomst zonder de dwaling zou zijn gesloten.
Beroepschrift 25‑11‑2022
PROCESINLEIDING VORDERINGSPROCEDURE BIJ DE HOGE RAAD
Partijen
Eiseres tot cassatie is de besloten vennootschap ROOKIE B.V., gevestigd te Helmond. Eiseres tot cassatie (hierna: Rookie) kiest in deze zaak woonplaats te (4811 GX) Breda, aan de Vlaszak 67, ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, die te dezen worden gesteld.
Verweerders in cassatie zijn:
- 1.
ABC HEKWERK PARTICIPATIE B.V. (hierna: ABC Hekwerk), gevestigd te Veenendaal, en
- 2.
[verweerder 2] (hierna: [verweerder 2]), wonende te [woonplaats].
Verweerders in cassatie hebben in deze zaak woonplaats gekozen te (3931 WX) Woudenberg, aan het Fonteinkruid 10, ten kantore van hun advocaat in de feitelijke instanties mr. G. de Gelder.
Bestreden arrest
Het cassatieberoep richt zich tegen de arresten van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 28 april 2020 en van 19 juli 2022, zaaknummer 200.236.723/01, gewezen tussen Rookie als appellante in principaal appel tevens geïntimeerde in incidenteel appel, en ABC Hekwerk en [verweerder 2] als geïntimeerden in principaal appel tevens appellanten in incidenteel appel.
Verschijningsdatum verweerder
ABC Hekwerk en [verweerder 2] kunnen in deze cassatieprocedure ten laatste verschijnen op vrijdag 25 november 2022.
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden, om 10:00 uur. De behandeling vindt plaats in het gebouw van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout 8 te Den Haag.
Middel van cassatie
Rookie voert tegen de arresten het volgende middel van cassatie aan. Schending van recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid tot gevolg heeft, doordat het hof in zijn hier bestreden arresten heeft overwogen en beslist als daarbij is geschied, op de in die arresten genoemde gronden, ten onrechte, om één of meer van de volgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen.
Inleiding
1.
In de onderhavige zaak draait het om de consequenties van een geslaagd beroep op dwaling. Rookie heeft de aandelen in PSS gekocht van ABC Hekwerk terwijl Rookie door toedoen van ABC Hekwerk een verkeerde voorstelling van zaken had. Daar kwam Rookie na enige tijd achter. Binnen een jaar na de aandelenoverdracht was PSS failliet. Rookie heeft de koopovereenkomst vernietigd. Rookie heeft met succes een beroep op dwaling gedaan. ABC Hekwerk heeft op haar beurt met succes een beroep gedaan op art. 3:53 lid 2 BW; maar liefst 25% van de koopprijs blijft voor rekening van Rookie omdat Rookie onbillijk zou zijn bevoordeeld vanwege het feit dat zij ‘enige rol gespeeld heeft in de deconfiture van PSS’. Ook de vordering tot schadevergoeding van Rookie is afgewezen. Tegen die laatste twee beslissingen is het cassatieberoep van Rookie gericht.
Onderdeel 1 — art. 3:53 lid 2 BW
Inleiding
2.
Tussen partijen staat het volgende vast:
‘Rookie en ABC Hekwerk hebben bij authentieke akte van 21 december 2012 een koopovereenkomst gesloten (hierna de Koopovereenkomst). Rookie kocht de aandelen in PSS van ABC Hekwerk voor een prijs van (a) € 1,00 voor de aandelen, (b) € 482.933,28 voor overname van een schuld in rekening-courant van PSS aan ABC Hekwerk en (c) een earn-out van € 40.000,-per boekjaar afhankelijk van de omzet in de eerste vijf boekjaren (onderdelen (a) en (b) hierna de Koopprijs). ABC Hekwerk leverde deze aandelen aan Rookie.’1.
En:
‘Rookie heeft de Koopprijs (€ 482.934,28) betaald aan ABC Hekwerk.’2.
En:
‘PSS is in staat van faillissement verklaard. (…) B&G Hekwerk B.V., een belangrijke concurrent van ABC Hekwerk, heeft een doorstart mogelijk gemaakt van de bedrijven van PSS en Euro Barrier.’
3.
Rookie heeft (na wijziging van haar eis in hoger beroep) gevorderd te verklaren voor recht dat Rookie de koopovereenkomst met ABC Hekwerk buitengerechtelijk heeft vernietigd. Daarnaast heeft Rookie een veroordeling gevorderd jegens ABC Hekwerk tot terugbetaling van de koopprijs, verminderd met het reeds door ABC Hekwerk betaalde bedrag.3. Verder heeft Rookie gevorderd te verklaren voor recht dat ABC Hekwerk en [verweerder 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens Rookie voor de schade als gevolg van de misleidende voorstelling van zaken in de tussentijdse jaarrekeningen, althans dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn als gevolg van een toerekenbare tekortkoming respectievelijk onrechtmatig handelen. Rookie heeft een veroordeling tot vergoeding van (overige) schade op te maken bij staat gevorderd jegens ABC Hekwerk en [verweerder 2] hoofdelijk. Ten slotte heeft Rookie een voorschot op de schadevergoeding gevorderd. ABC Hekwerk heeft gevorderd Rookie te veroordelen om aan ABC Hekwerk te betalen het restant van de koopsom en de earn-out regeling uit de koopovereenkomst alsnog na te komen. Voorwaardelijk (voor het geval dat de koopovereenkomst zou worden vernietigd), heeft ABC Hekwerk gevorderd te betalen een schadevergoeding van € 482.934,28.
4.
De op dwaling gebaseerde vorderingen van Rookie heeft de rechtbank afgewezen. In hoger beroep heeft het hof in het tussenarrest overwogen dat het beroep van Rookie op dwaling slaagt (rov. 3.14 t/m 3.19 van het tussenarrest). Volgens het hof moet in de gegeven omstandigheden worden geoordeeld dat de onjuiste voorstelling van zaken te wijten is aan inlichtingen van ABC Hekwerk in de overnamebalans, dan wel het verzuim van ABC om Rookie in te lichten over punten waarover ABC Hekwerk Rookie had behoren in te lichten.
Onderdeel 1A — bezwaarlijk ongedaan maken
Het partijdebat
6.
ABC Hekwerk heeft aan haar beroep op art. 3:53 lid 2 BW ten grondslag gelegd:
‘Overigens zal ABC Hekwerk, geheel voorwaardelijk, voor het geval vernietiging van de koopovereenkomst door uw Rechtbank wordt uitgesproken, in reconventie een vordering instellen jegens AVB Beheer, nu bij een eventuele terugbetaling van de koopprijs ABC onbillijk wordt benadeeld. Uitsluitend door toedoen van AVB Beheer is PSS failliet gegaan, zodat de aandelen en de daarbij behorende onderneming door AVB Beheer niet kan worden teruggeleverd aan ABC Hekwerk. Dit terwijl vernietiging van de overeenkomst tot gevolg heeft, dat over en weer terugleveringsverplichtingen ontstaan op grond van artikel 3:53 BW. Nu het niet terug kunnen leveren van de aandelen volledig te wijten is aan AVB Beheer, zal ABC Hekwerk in voorwaardelijke reconventie ex artikel 3:53 lid 2 BW en op grond van artikel 6:162 BW schadevergoeding vorder[en] van AVB Beheer.’4.
En:
‘Voor het geval uw Rechtbank van mening mocht zijn, dat de koopovereenkomst van 21 december 2012 kan worden vernietigd op grond van dwaling, lijdt ABC Hekwerk een aanzienlijke schade. Op grond van hetgeen hiervoor is gesteld, dient AVB Beheer immers de aandelen en de onderneming terug te leveren. Zij is daar niet meer toe in staat en de onderneming is door de curator verkocht aan een derde. (…)’5.
7.
Rookie heeft hierop als volgt gereageerd:
‘Vooropgesteld, voor zover ABC Hekwerk haar vordering tot schadevergoeding baseert op art. 3:53 lid 2 BW miskent zij dat voornoemde bepaling geen (wettelijke) basis biedt voor schadevergoeding in geval van vernietiging van een rechtshandeling. Reeds daarom is de voorwaardelijk reconventionele vordering tot schadevergoeding voor zover gebaseerd op art. 3:53 lid 2 BW — niet toewijsbaar.
Verder miskent ABC Hekwerk (sub 8.9) dat AVB wel degelijk in staat is om de aandelen van PSS terug te leveren aan ABC Hekwerk. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is onduidelijk welk beletsel er zou zijn om de aandelen juridisch terug te geven/leveren aan AVB Hekwerk.’6.
8.
ABC Hekwerk heeft op haar beurt tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg aangegeven geen behoefte meer te hebben te reageren op de uitgebreide antwoordconclusie.7. In hoger beroep hebben partijen over dit onderwerp tot en met het tussenarrest geen standpunten meer uitgewisseld.
9.
Het hof overweegt in rov. 3.22 van het tussenarrest:
‘Het hof overweegt dat ABC op zichzelf gelijk heeft wat betreft de gevolgen van de vernietiging. De vernietiging van de Koopovereenkomst brengt in beginsel mee dat ABC Hekwerk de Koopprijs moet teruggeven aan Rookie en dat Rookie de aandelen in PSS moet teruggeven aan ABC Hekwerk. Rookie heeft de aandelen nog wel, maar Rookie kan deze aandelen uiteraard niet materieel in exact dezelfde staat teruggeven. De transactie was immers jaren gelegen. PSS is in staat van faillissement verklaard en de curator heeft de onderneming van PSS verkocht aan een doorstarter. Dit betekent dat de aandelenoverdracht — een reeds ingetreden gevolg van de vernietigde rechtshandeling — bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt.’
Het begrip ‘bezwaarlijk ongedaan maken’
10.
Indien de reeds ingetreden gevolgen van een vernietigde rechtshandeling bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, kan de rechter op grond van art. 3:53 lid 2 BW desgevraagd aan een vernietiging geheel of gedeeltelijk haar werking ontzeggen. Zie over de invulling van het begrip Schaub, Wilsgebreken (Mon BW. nr. B3), 2015/77:
‘Ongedaanmaking kan zowel voor de vernietigingsbevoegde als voor zijn wederpartij bezwaarlijk zijn. Aan het terugdraaien van de prestaties zijn bijvoorbeeld hoge kosten of praktische bezwaren verbonden. Ook is mogelijk dat het initiële presteren met hoge kosten gepaard ging, zodat ongedaanmaking onnodige kapitaalvernietiging tot gevolg heeft. Daarnaast kan voor derden die in goed vertrouwen op de situatie vóór de vernietiging hebben gehandeld ongedaanmaking bezwaarlijk zijn.
(…) In tegenstelling tot Schoordijk is Hijma van mening dat uit de term ‘bezwaarlijk’ volgt dat rechtshandelingen die onmogelijk ongedaan gemaakt kunnen worden niet onder art. 3:53 lid 2 BW vallen. Voor prestaties die onmogelijk ongedaan gemaakt kunnen worden geldt immers art. 6:210 BW, zie Hijma diss. 1988, p. 204.’
Zie ook Asser/Sieburgh 6-III 2018/638:
‘De bepaling van art. 3:53 lid 2 BW ziet daarentegen op gevallen waarin de ongedaanmaking van de reeds ingetreden gevolgen bezwaarlijk is. De koper heeft wellicht de gekochte zaak in een andere verwerkt, en wel op een zodanige wijze dat verwijdering weliswaar niet onmogelijk is, doch kosten en schade zou opleveren waarvan het, gelet op het belang van de verkoper bij teruggave, onredelijk zou zijn deze ten laste van de koper te brengen. Door de vernietiging, c.q. de daarmee gepaard gaande terugwerkende kracht, kunnen ook derden gedupeerd worden. Men denke aan het geval dat de krachtens een vernietigde koopovereenkomst geleverde zaak is doorgeleverd aan een derde, wiens verkrijging door de (terugwerkende kracht van de) vernietiging zou worden gevitieerd.’
11.
Rov. 3.22 van het tussenarrest geeft, in het licht van het voorgaande, blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijke motivering. Het hof stelt terecht in rov. 3.22 voorop dat de vernietiging meebrengt dat Rookie de aandelen aan ABC Hekwerk moet teruggeven. Volgens het hof is evenwel sprake van een situatie als bedoeld in art. 3:53 lid 2 BW omdat de aandelen niet meer materieel in exact dezelfde staat kunnen worden teruggegeven.
12.
Het enkele feit dat de waarde van de aandelen is gewijzigd, brengt nog niet mee dat de aandelenoverdracht bezwaarlijk ongedaan kan worden gemaakt. Het hof heeft een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd met betrekking tot het begrip ‘bezwaarlijk ongedaan maken’ althans is 's hofs overweging zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans is 's hofs overweging onjuist dan wel onbegrijpelijk in het licht van de onbetwiste stelling van Rookie dat de aandelen gewoon kunnen worden teruggegeven en dat niet valt in te zien welk beletsel daaraan in de weg staat.8.
Onderdeel 1B — onbillijke bevoordeling
Inleiding
14.
Met betrekking tot de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van de rechter om aan een vernietiging geheel of ten dele haar werking te ontzeggen en de partij die daardoor onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting op te leggen tot een uitkering in geld, het volgende. Het woord ‘daardoor’ uit art. 3:53 lid 2 BW ziet op de bevoordeling die plaatsvindt door de ontzegging aan de vernietiging van haar werking.10. Zie over deze bevoegdheid ook Asser/Sieburgh 6-III 2018/638.11. Zie over de invulling van het begrip ‘onbillijke bevoordeling’ A.R. Bloembergen, ‘Gebrekkige rechtshandelingen in het gewijzigd ontwerp boek 3 N.B.W’, WPNR 1972/5190, p. 429. Bloembergen gaat ervan uit dat dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om voordeel als vereiste te stellen.
15.
ABC Hekwerk heeft over het causale verband tussen de gedeeltelijke ontzegging van de werking van de vernietiging en de onbillijke bevoordeling gesteld dat ‘bij een eventuele terugbetaling van de koopprijs ABC Hekwerk onbillijk wordt benadeeld’ en ‘Nu het niet terug kunnen leveren van de aandelen volledig te wijten is aan AVB Beheer [Rookie], zal ABC Hekwerk in voorwaardelijke reconventie ex artikel 3:53 lid 2 BW en op grond van artikel 6:162 e.v. BW schadevergoeding [vorderen] (…)’.12. En even verderop: ‘Indien ABC Hekwerk veroordeeld zou worden tot terugbetaling van de koopprijs, die voornamelijk bestaat uit goodwill ten belope van de rekening courant vordering van € 482.933,28, maakt ABC Hekwerk jegens AVB Beheer op grond van onrechtmatig handelen aanspraak op betaling van dit bedrag. AVB Beheer heeft immers als bestuurder van PSS gezorgd dat deze onderneming failliet is gegaan. Dit is volledig aan AVB Beheer te wijten, zodat AVB Beheer primair op grond van artikel 3:53 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek en subsidiair op grond van artikel 6:162 e.v. van het Burgerlijk Wetboek, gehouden is dit bedrag aan ABC Hekwerk te voldoen.’13.
16.
De beoordeling van het beroep op art. 3:53 lid 2 BW, meer specifiek de beoordeling of sprake is van onbillijke bevoordeling, heeft deels in het tussenarrest plaatsgevonden (rov. 3.24 en 3.25) en deels in het eindarrest (rov. 7.6 onder (a)). Rookie richt hierna tegen deze overwegingen verschillende rechts-en motiveringsklachten.
Grondslag van de stelling van ABC Hekwerk
17.
Het hof heeft in rov. 3.24 en rov. 3.25 het volgende overwogen:
‘ABC heeft zich, zoals hiervoor gemeld, beroepen op artikel 3:53 lid 2 BW, aanspraak gemaakt op een uitkering in geld, als in dat wetsartikel omschreven, en een vordering tot vergoeding van schade ingesteld. ABC heeft de volgende standpunten naar voren gebracht:
- —
Rookie heeft onjuiste keuzes gemaakt in de onderneming;
- —
Rookie heeft de samenwerking tussen PSS en de ABC-ondernemingen welbewust gefrustreerd (…);
- —
Rookie heeft ten onrechte de ABC-merknaam gedeponeerd;
- —
Rookie heeft (als gevolg van het voorgaande) het faillissement van PSS veroorzaakt.
ABC heeft haar stelling dat zij aanspraak heeft op een uitkering in geld wegens onbillijke bevoordeling/benadeling (art. 3:53 lid 2 BW) voldoende toegelicht. Rookie heeft deze stelling van ABC voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal ABC toelaten tot bewijslevering. (…)’
18.
Het hof heeft in rov. 3.24 ten onrechte de indruk gewekt dat de stellingen onder gedachtestreepje 1 t/m 3 zelfstandig aan art. 3:53 lid 2 BW ten grondslag zijn gelegd door ABC Hekwerk. Voor zover rov. 3.24 zo moet worden gelezen, geeft die overweging blijk van een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van ABC Hekwerk.14. Die onjuiste lezing werkt mogelijk ook door in rov. 3.25 en rov. 7.6 onder (a) van het eindarrest waarin het hof overweegt dat Rookie ‘ook zelf enige rol gespeeld [heeft] in de deconfiture van PSS’. Die stelling heeft ABC Hekwerk niet ingenomen. ABC Hekwerk heeft immers zelfs uitdrukkelijk aangevoerd ter onderbouwing van haar beroep op art. 3:53 lid 2 BW dat het faillissement van PSS uitsluitend door Rookie is veroorzaakt.15.
Bevoordeling
19.
Uit de weergave van het partijdebat (zie hiervoor, randnummer 6 t/m 8 en randnummer 15 hiervoor) blijkt ook dat ABC Hekwerk alleen stellingen heeft ingenomen over benadeling van haarzelf bij terugbetaling van de koopprijs. Waaruit de bevoordeling van Rookie bestaat als de aandelen bij Rookie blijven in plaats van ze terug te geven aan ABC Hekwerk, laat staan de onbillijke bevoordeling, heeft ABC Hekwerk niet gesteld, terwijl Rookie heeft gesteld dat art. 3:53 lid 2 BW geen wettelijke basis biedt voor een schadevergoeding.16.
20.
Het hof heeft met de overweging dat ABC Hekwerk haar beroep op art. 3:53 lid 2 BW voldoende heeft toegelicht (rov. 3.25 van het tussenarrest en rov. 7.6 onder (a) van het eindarrest), ofwel miskend dat art. 3:53 lid 2 BW onbillijke bevoordeling verlangt (die plaatsvindt doordat aan de vernietiging gedeeltelijk haar werking wordt ontzegd), dan wel heeft het hof art. 149 Rv miskend door te overwegen dat ABC haar stelling dat zij aanspraak heeft op een uitkering in geld wegens onbillijke bevoordeling voldoende heeft toegelicht. De stelling dat Rookie het faillissement heeft veroorzaakt en/of onjuiste keuzes heeft gemaakt en/of de samenwerking heeft gefrustreerd en/of de merknaam heeft gedeponeerd (rov. 3.24), levert niet voldoende op voor een geslaagd beroep op art. 3.53 lid 2 BW omdat daaruit geen onbillijke bevoordeling blijkt doordat de aandelen bij Rookie blijven in plaats van teruggaan naar ABC Hekwerk, en in elk geval is 's hofs overweging zonder nadere toelichting niet begrijpelijk, mede in het licht van het partijdebat.
21.
Als onbillijke benadeling van ABC Hekwerk al een grond zou kúnnen zijn voor een geslaagd beroep op art. 3:53 lid 2 BW (quod non gelet op het voorgaande), dan moet in elk geval sprake zijn van een nadeel van ABC dat wordt veroorzaakt doordat de aandelen niet worden teruggeven. Dat nadeel heeft ABC Hekwerk niet gesteld (zie hiervoor, randnummers 6 t/m 8 en randnummer 15), althans is 's hofs overweging 3.25 van het tussenarrest en rov. 7.6 onder (a) van het eindarrest onbegrijpelijk voor zover het hof dat wél uit de stellingen van ABC Hekwerk heeft afgeleid. En het hof had in elk geval kenbaar moeten maken welk nadeel ABC Hekwerk heeft in de situatie dat zij de aandelen niet terugkrijgt vergeleken met de situatie waarin ABC Hekwerk de aandelen wél had teruggekregen. Dat valt niet op te maken uit 's hofs rov. 3.25 (en evenmin uit rov. 7.6 onder (a) van het eindarrest), waardoor 's hofs overwegingen onbegrijpelijk zijn.
Wijziging staat van de aandelen: welke onbillijke bevoordeling?
22.
Bovendien zijn rov. 3.25 van het tussenarrest én rov. 7.6 onder (a) van het eindarrest onjuist dan wel onbegrijpelijk in het licht van de constatering van het hof dat de aandelen materieel niet meer exact in dezelfde staat kunnen worden teruggeven (rov. 3.22); hierin ligt besloten dat de aandelen geen waarde meer vertegenwoordigen, althans in waarde zijn gedaald. Als de aandelen geen waarde meer vertegenwoordigen, althans minder waard zijn geworden (door het faillissement en de doorstart), waarom levert het houden van de aandelen dan een voordeel op voor Rookie, laat staan een onbillijk voordeel, ten opzichte van teruggave van de aandelen aan ABC Hekwerk (of een onbillijk nadeel voor ABC Hekwerk)? Het hof heeft dat noch in 3.25 gemotiveerd, noch in het eindarrest (rov. 7.6 onder (a)). In het licht van de constatering dat de aandelen niet meer dezelfde (namelijk een mindere) staat hebben, is 's hofs oordeel dat Rookie onbillijk wordt bevoordeeld door de vernietiging gedeeltelijk haar werking te ontzeggen, eveneens onjuist dan wel onbegrijpelijk.
Rookie heeft het faillissement niet veroorzaakt
23.
Rov. 7.6 onder (a) van het eindarrest is ook onjuist dan wel onbegrijpelijk in het licht van de constatering van het hof in rov. 7.6 onder (c) dat ABC niet heeft bewezen dat Rookie het faillissement van PSS heeft veroorzaakt. Als ABC Hekwerk in het bewijs van die stelling niet is geslaagd terwijl zij die stelling aan haar beroep op art. 3:53 lid 2 BW ten grondslag had gelegd, is onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof toch tot de slotsom komt dat Rookie 25% van de koopprijs niet terugkrijgt ondanks het geslaagde beroep op dwaling. Vgl. ook randnummer 18 hiervoor.
Het percentage
24.
De beslissing van het hof om 25% van de koopprijs door middel van toepassing van art. 3:53 lid 2 BW voor rekening te laten van Rookie, is evenmin juist dan wel begrijpelijk in het licht van de overweging van het hof dat ‘Rookie ook zelf enige rol [heeft] gespeeld in de deconfiture van PSS’ (zie rov. 7.6 onder (a)). Enige rol is — ook als de oorzaak van het faillissement al relevant zou zijn in het kader van de beoordeling van het beroep op art. 3:53 lid 2BW (quod non gelet op de voorgaande klachten) — evident onvoldoende om tot een uitkering op grond van onbillijke bevoordeling te komen, mede in het licht van de terughoudendheid die moet worden betracht bij toepassing van art. 3.53 lid 2 BW (zie hiervoor, onder 13). 's Hofs overweging 7.6 onder (a) is ook op die grond en tegen de achtergrond van de overweging dat Rookie enige rol heeft gespeeld, onjuist dan wel onbegrijpelijk.
25.
Rov. 7.6 onder (a) is evenmin juist dan wel begrijpelijk in het licht van rov. 7.6 onder (c) waarin het hof overweegt dat Rookie weliswaar een onjuiste keuze heeft gemaakt in de onderneming door de ABC-merknaam te deponeren, maar dat dit slechts de laatste druppel was voor het faillissement: ‘één van de vele oorzaken van het faillissement van PSS. De stroeve samenwerking, de handelwijze van de ABC-bedrijven daarbij en de onjuiste voorlichting in de aanloop naar de transactie zijn evenzeer aan te merken als oorzaken van het faillissement. De door ABC gestelde schade kan dan ook in redelijkheid niet (in voldoende mate) worden toegerekend aan de onjuiste keuze van Rookie’. Deze overweging valt niet te rijmen met de beslissing om 25% van de koopprijs voor rekening van Rookie te laten vanwege onbillijke bevoordeling in de zin van art. 3:53 lid 2 BW.
26.
Ook is de beslissing van het hof in rov. 7.6 onder (a) onjuist dan wel onbegrijpelijk in het licht van de overweging dat de door ABC gestelde schade in redelijkheid niet (in voldoende mate) kan worden toegerekend aan de onjuiste keuze van Rookie (rov. 7.6 onder (c). De schadevergoedingsvordering van ABC is namelijk op dezelfde feitelijke argumenten (te weten: door onjuiste beslissingen van Rookie heeft zij het faillissement veroorzaakt) gebaseerd als de vordering tot betaling van een bedrag ex art. 3:53 lid 2 BW (zie rov. 3.26 van het tussenarrest).
27.
Bovendien is rov. 7.6 onder (a) onjuist dan wel onbegrijpelijk in het licht van het betoog van Rookie dat ABC feitelijk de onderneming van PSS heeft voortgezet na het faillissement zónder de financiële ballast van PSS, waardoor van onbillijke bevoordeling als Rookie de aandelen blijft bezitten, geen sprake is. Rookie heeft dat standpunt toegelicht in de randnummer 184 t/m 201 van de antwoordmemorie na enquête.
Onderdeel 1C — voortbouwklacht
28.
Het slagen van de klachten uit onderdeel 1A of 1B, brengt mee dat rov. 3.30, voor wat betreft het derde en vierde gedachtestreepje, niet in stand kan blijven. Dat geldt ook voor rov. 3.31 en rov. 4 van het tussenarrest. Ook rov. 7.6 onder (a), 7.7 onder (d) en rov. 8 van het eindarrest kunnen niet in stand blijven.
Onderdeel 2 — de bewijsopdracht en de bewijswaardering
Inleiding
29.
In het eindarrest, meer specifiek in rov. 7.5 en 7.6, is het bewijsoordeel opgenomen. Tegen dat oordeel zijn de klachten uit onderdeel 2 gericht.
Onderdeel 2A — bewijslast causaal verband
30.
Rookie heeft de stelling van ABC Hekwerk dat Rookie het faillissement heeft veroorzaakt, betwist. Het oorzakelijk verband tussen de handelwijze van Rookie en het intreden van het faillissement wordt met behulp van het condicio sine qua non-vereiste vastgesteld. Voor het bewijs van oorzakelijk verband tussen deponering van het woord- en beeldmerk door Rookie en het faillissement van PSS, is dus noodzakelijk dat komt vast te staan dat het faillissement niet zou zijn ingetreden als Rookie het woord- en beeldmerk niet had gedeponeerd.
31.
Rookie heeft betoogd dat het faillissement ook zonder deponering van woord- en beeldmerk onafwendbaar was.17. Rookie heeft onder andere aangevoerd dat PSS medio 2012 — en dus al lang voordat Rookie de merknaam deponeerde — technisch al failliet was omdat PSS structureel verlieslatend was.18.
32.
In rov. 7.5 onder (a) van het eindarrest overweegt het hof dat het niet bewezen acht dat de onderneming structureel verlieslatend was (ten opzichte van haar voorstelling van zaken bij de aanloop naar de transactie). Het hof acht dat niet bewezen, omdat het succes van de onderneming vooral afhankelijk was van de samenwerking tussen partijen en talrijke keuzes die zij in die samenwerking maakten.
33.
Tegelijkertijd overweegt het hof in rov. 7.5 onder (b) dat partijen (PSS en de ABC-bedrijven) na de overname afhankelijk van elkaar waren en nauw met elkaar verbonden. PSS was afhankelijk, aldus het hof, van de ABC-hekwerkbedrijven voor haar opdrachten. Ook heeft het hof geconstateerd dat de samenwerking tussen PSS en de ABC-bedrijven structureel slecht was: de samenwerking verliep op meerdere vlakken stroef zowel voor als na de overname.
34.
Rov. 7.5 onder (a) is in de eerste plaats onjuist omdat het hof ten onrechte Rookie met het bewijs heeft belast van het feit dat PSS structureel verlieslatend was. Het gaat om een gemotiveerde betwisting van de stelling van ABC Hekwerk dat Rookie het faillissement van PSS heeft veroorzaakt, en daarvan draagt ABC Hekwerk het bewijs. Het hof heeft art. 150 Rv dus onjuist toegepast, althans is 's hofs overweging zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
35.
Rov. 7.5 onder (a) is eveneens onbegrijpelijk in het licht van de constateringen van het hof in rov. 7.5 onder (b). 's Hofs overweging onder (a) is tegenstrijdig met de constatering onder (b).
36.
En ten slotte is rov. 7.5 onder (a) onjuist dan wel onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stelling van Rookie dat PSS vóór de overname, althans ultimo 2012, althans medio 2013, al technisch failliet was19. respectievelijk de stelling dat een faillissement van PSS ook zonder deponering van woord- en beeldmerk onafwendbaar was. Deze stellingen had het hof ook moeten betrekken bij de beoordeling in rov. 7.5 onder (c) onder (vi).
Onderdeel 2B — winst
37.
In rov. 7.5 onder (c) onder (vi) overweegt het hof dat ABC Hekwerk heeft betoogd dat de winst in het jaar na de overname, tot de periode waarin de merknaam is gedeponeerd, goed was en naar verwachting liep. Met deze overweging is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden dan wel heeft het hof het betoog van ABC Hekwerk op een onbegrijpelijke wijze uitgelegd. ABC Hekwerk heeft het namelijk consequent over de ‘brutowinstmarge’ in de feitelijke instanties.20. ABC Hekwerk heeft niet betoogd dat de winst in het jaar na de overname, tot de periode waarin de merknaam is gedeponeerd, goed was. Er is een verschil tussen ‘bruto winstmarge’ en ‘winst’. Rookie heeft dat ook uitgewerkt in de antwoordmemorie na enquête; Rookie heeft opgemerkt dat ABC Hekwerk in haar memorie na enquête het onderwerp van de winstgevendheid van PSS mijdt.21. Rookie heeft vervolgens het verschil uitgelegd tussen het begrip ‘brutomarge’ en ‘winst’. Rookie heeft vervolgens gesteld:
‘De reden om voornoemde begrippen uiteen te zetten, is dat de omzet van PSS in het eerste half jaar van 2013 weliswaar per saldo in de buurt lag van de omzet over geheel 2012, maar dat desalniettemin sprake was van een verlieslatende onderneming. Wanneer de som van de kostprijs van de omzet en de overheadkosten structureel hoger is dan de omzet heeft een onderneming, grofweg, twee mogelijkheden om deze onwenselijke situatie te doorbreken. Ofwel de onderneming verhoogt zijn verkoopprijs ofwel de onderneming snijdt in de kosten. Slaagt de onderneming niet in het doorbreken van de onwenselijke situatie dan is een faillissement onafwendbaar.’22.
Zie ook verderop,
‘Hoewel ABC ten onrechte deed voorkomen in het overnametraject dat PSS als gevolg van een aantal ingrepen door haar toenmalige bestuurder (ABC zelf) over het boekjaar 2012 winst zou behalen en die positieve lijn zich in 2013 zou voortzetten, kan inmiddels eenvoudig worden vastgesteld dat PSS ook in de boekjaren 2012 en 2013 verlies leed.’23.
38.
Voor zover het hof in rov. 7.5 onder (c) onder (vi) heeft gedoeld op de ‘bruto winstmarge’, is onbegrijpelijk dat het hof vervolgens constateert dat de waarheid in het midden ligt omdat de ‘cijfers’ min of meer langs de lijnen van de voorgaande periodes lagen maar de ‘cijfers’ beduidend minder goed waren dan de verwachtingen van Rookie in aanloop naar de transactie. Het hof maakt ten onrechte geen onderscheid tussen ‘bruto winstmarge’ en de ‘winst’, althans had het hof de hiervoor genoemde stellingen van Rookie bij zijn overweging moeten betrekken, althans is 's hofs overweging zonder nadere toelichting onbegrijpelijk.
Onderdeel 2C — kwalificatie van de keuze van Rookie
39.
In rov. 7.5 onder (d) heeft het hof overwogen dat Rookie de merknaam van de ABC-bedrijven heeft gedeponeerd in de wetenschap dat die merknaam haar niet toekwam en wel toebehoorde aan de ABC-bedrijven. Rookie was niet bereid de merknaam op eerste verzoek over te dragen aan de ABC-bedrijven. Deze keuzes waren niet verantwoord, aldus het hof. Rookie heeft met de weigering om op eerste verzoek gehoor te geven aan het verzoek om de merknaam over te dragen welbewust het veel te grote risico genomen dat dit de vertrouwensband en de samenwerking met de ABC-bedrijven onherstelbaar zou schaden. Dat risico heeft zich verwezenlijkt. De ABC-bedrijven wilden niet meer samenwerken met PSS. Zij hebben geen orders meer ingelegd bij PSS. Deze gang van zaken was een belangrijke oorzaak van het faillissement van PSS, aldus het hof. Het hof kwalificeert het handelen van Rookie als ‘zeer onverstandig en riskant’, maar overweegt tegelijkertijd dat de handelwijze niet los kan worden gezien van de ‘hiervoor vermelde problematische situatie’.
40.
Het hof heeft verzuimd de volgende essentiële stellingen bij rov. 7.5 onder (d) en bij de constatering in rov. 7.6 onder (c) dat Rookie een ‘onjuiste keuze’ heeft gemaakt, te betrekken. Daardoor zijn deze overwegingen onbegrijpelijk. Het gaat om de volgende stellingen:
- a)
Rookie heeft het woord- en beeldmerk geregistreerd op advies van haar advocaat;24.
- b)
Rookie heeft aangevoerd dat ABC Hekwerk op een laagdrempelige wijze, te weten via oppositie, zekerheid had kunnen verkrijgen over de merkregistratie. ABC Hekwerk heeft disproportioneel gehandeld door in plaats van de uitkomst van die oppositieprocedure af te wachten, de samenwerking met PSS te verbreken25.;
- c)
Er waren ABC-bedrijven die genuanceerder dachten over de handelwijze van Rookie26.;
- d)
ABC Hekwerk had in moeten gaan op de verzoeken van Rookie om in gesprek te gaan27.;
- e)
ABC Hekwerk was erop uit om PSS failliet te laten verklaren en greep de merknaamkwestie aan om de samenwerking te verbreken. Dat blijkt niet alleen uit de timing van de brief die op 29 augustus 2013 is verzonden maar ook uit het feit dat ABC-bedrijven ook de leveranciers van PSS benaderden met het verzoek om PSS niet meer van leveringen te voorzien;28.
- f)
ABC Hekwerk had ten tijde van de deponering door Rookie niet geregistreerd het woorden beeldmerk ‘ABC’ en ‘ABC Hekwerk’ terwijl zij zich daartoe wel uitdrukkelijk jegens PSS had verbonden in de licentieovereenkomst met PSS. ABC pleegde aldus ten minste zes maanden wanprestatie jegens PSS op dit punt, terwijl PSS in diezelfde periode € 10.000,- betaalde voor het gebruik van merken die niet door ABC waren geregistreerd.29. Feitelijk had PSS helemaal geen licentie, althans ze had wel een licentie doch op merken die in het geheel niet waren ingeschreven in het merkenregister en daarmee een dode letter. In die context moet worden bezien dat Rookie in juli 2013 aanleiding zag om alsnog voor registratie zorg te dragen om de woord- en beeldmerken ‘ABC Hekwerk’ en ‘ABC Security Systems’ ogenschijnlijk veilig te stellen voor gebruik door ABC, de ABC-bedrijven en PSS.30.
- g)
De hiervoor genoemde aanvragen door Rookie voor de registratie van de merken ‘ABC Hekwerk’ en ‘ABC Security Systems’ moeten overigens worden bezien in de context van destijds. Rookie stond op dat moment al met haar rug tegen de muur.31.
- h)
PSS was niet betrokken bij de hiervoor genoemde registratie van Rookie. PSS had ook geen zeggenschap over deze gedraging van Rookie. Gesteld noch gebleken is dat het handelen van Rookie aan PSS moet worden toegerekend, zodat het handelen van Rookie geen tekortkoming van PSS oplevert in haar samenwerkings- en licentieovereenkomst met ABC (waarbij Rookie overigens zelfstandig geen partij is). Rookie heeft ook niet gehandeld in hoedanigheid van bestuurder van PSS. In dat licht bezien is de merkregistratie door Rookie ook niet relevant in het kader van het probandum of zij onjuiste keuzes heeft gemaakt binnen de onderneming van PSS. Gelet op het voorgaande ontbreekt ook een juridische grond voor ABC om de licentieovereenkomst met PSS met onmiddellijke ingang op te zeggen met een beroep op artikel 2.4 van die overeenkomst. Op grond van dat artikel is ABC immers slechts gerechtigd indien PSS (zij is immers licentienemer) op onevenredige wijze de belangen van een andere licentiehouder van ABC dan wel ABC schaadt. Desalniettemin heeft ABC de licentieovereenkomst met PSS op 29 augustus 2013 toch met onmiddellijke ingang opgezegd. ABC pleegde daarmee feitelijk wanprestatie jegens PSS. De consequenties van die onmiddellijke opzegging van de licentie- en samenwerkingsovereenkomst komen om die reden voor rekening en risico van ABC.32.
41.
De slotsom van rov. 7.5 onder (d) is ook eveneens onbegrijpelijk in het licht van de constatering van het hof in rov. 7.6 onder (c) dat de keuze van Rookie de slotfase van de samenwerking heeft ingeleid, maar dat dit slechts de druppel was; één van de vele oorzaken van het faillissement van PSS. De stroeve samenwerking, de handelwijze van de ABC-bedrijven daarbij en de onjuiste voorlichting in de aanloop naar de transactie zijn evenzeer aan te merken als oorzaken van het faillissement, aldus het hof in rov. 7.6 onder (c).
Onderdeel 2D — vooropgezet plan en profiteren van faillissement
42.
In rov. 7.5 onder (e) overweegt het hof dat ‘hier het standpunt [beoordeelt] van Rookie dat ABC heeft geprofiteerd van het faillissement van PSS en een vooropgezet plan had om PSS als verlieslijdende onderneming kwijt te raken en om zelf de waardevolle functies te gaan uitoefenen’. Het hof verwerpt dit standpunt met de overweging dat ‘Niets is bewezen waaruit volgt dat ABC een dergelijk plan had. Duidelijk is geworden dat ABC met de nieuwe onderneming, reageerde op het faillissement van PSS en naar bevind van zaken regelingen heeft getroffen voor haar onderneming en de daaraan gelieerde licentienemers.’ Zie ook rov. 7.6 onder (e).
43.
Het hof heeft onbesproken gelaten de essentiële stellingen die Rookie in dat kader heeft aangevoerd. Het gaat om de volgende stellingen:
- a)
ABC Hekwerk profiteert van het faillissement van PSS, want ABC Hekwerk heeft feitelijk de onderneming van PSS voortgezet, met alle omzet van de ABC-bedrijven van dien en zonder de financiële ballast uit het verleden.33.
- b)
De aandelen in het nieuwe bedrijf zijn inmiddels verkocht voor ruim € 1.000.000,-. Het faillissement is dus voor ABC Hekwerk zeer lucratief gebleken.34.
- c)
ABC Hekwerk heeft nog geprofiteerd van het faillissement van PSS doordat zij goederen aan de faillissementsboedel van PSS heeft onttrokken om zelfstandig, zonder PSS een servicecontract voor defensie te kunnen voortzetten.35.
- d)
ABC Hekwerk ging in de eerste helft van 2013 meerdere producten rechtstreeks inkomen bij toeleveranciers van PSS.36. Niet alleen was sprake van rechtstreekse inkoop door ABC Hekwerk en de ABC-bedrijven, ook werd PSS welbewust buitenspel gezet door ABC Hekwerk en de ABC-bedrijven bij nota bene de grootste rechtstreekse klant van PSS, zijnde Bosch. Voornoemd handelen van ABC Hekwerk betekende een flagrante schending van het bepaalde in artikel 9.1 aanhef en onder d van de akte van levering van de aandelen.37.
44.
Het hof overweegt weliswaar dat ABC na de faillietverklaring van PSS een nieuwe onderneming opgericht heeft die min of meer de functie had in de ABC-organisatie, die PSS voorheen had, maar het hof bespreekt niet de stellingen die Rookie heeft ingenomen met betrekking tot het profiteren door ABC van het faillissement. Dat maakt niet alleen rov. 7.5 onder (e), maar ook rov. 7.6 onder (a) onbegrijpelijk. Ook de hiervoor onder 39 onder (e) opgenomen stelling had het hof moeten betrekken bij de overweging in rov. 7.5 onder (e) en 7.6 onder (a).
Onderdeel 3 — schadevergoeding
Inleiding
45.
Onderdeel van het petitum van Rookie is ‘een verklaring voor recht over hoofdelijke aansprakelijkheid van ABC Hekwerk en [verweerder 2] voor schade als gevolg van de misleidende voorstelling van zaken, een tekortkoming of een onrechtmatige daad, en hoofdelijke veroordeling van ABC Hekwerk en [verweerder 2] tot vergoeding van (overige) schade, op te maken bij staat, en tot betaling van een voorschot van € 190.000,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag;’, aldus het hof in het tussenarrest in rov. 3.4.
46.
Volgens het hof heeft Rookie aan haar vordering tot vergoeding van schade ten grondslag gelegd dat ABC haar onvoldoende en onjuist heeft geïnformeerd in aanloop naar de koopovereenkomst over (1) de cijfers (Overnamebalans), (2) lopende (operationele) problemen in de organisatie (betalingstermijnen, discussie over prijslijst, aangekondigde prijsverhoging van de leverancier) en (3) het merk. Verder vindt Rookie dat ABC de samenwerking welbewust heeft gefrustreerd. Er is sprake geweest van een vooropgezet plan van ABC Hekwerk om PSS als verlieslijdend onderdeel van de ABC Hekwerk- groep af te stoten, zonder daarvan zelf de consequenties te hoeven dragen, aldus Rookie volgens het hof in rov. 3.23 van het tussenarrest.
47.
In rov. 3.27 van het tussenarrest overweegt het hof dat Rookie voldoende heeft aangevoerd om naast vernietiging van de koopovereenkomst en terugbetaling van de koopprijs tevens schadevergoeding te vorderen (vgl. HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3765) (zie 3.23 hiervoor). Rookie heeft haar stellingen voldoende gemotiveerd. ABC heeft deze stellingen voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal Rookie, indien nodig, in een later stadium toelaten tot bewijslevering, aldus het hof in rov. 3.27. Het hof ziet aanleiding, in het belang van een goede procesorde, eerst ABC tot bewijslevering toe te laten, zoals hiervoor is overwogen.
48.
In rov. 3.29 van het tussenarrest wijst het hof ‘voor de goede orde op de beslissing van de rechtbank dat [verweerder 2] hoofdelijk aansprakelijk is, als indirect bestuurder van PSS op grond van artikel 2:249 BW en artikel 2:11 BW, voor de schade die Rookie lijdt als gevolg van de — inmiddels vaststaande — misleidende voorstelling van zaken in de Overnamebalans. [verweerder 2] heeft in hoger beroep geen grief gericht tegen deze beslissing. Rookie heeft in hoger beroep wel een grief gericht tegen het bedrag tot betaling waarvan [verweerder 2] is veroordeeld. Daarom staat de aansprakelijkheid van [verweerder 2] op deze grondslag vast in hoger beroep en is het hoger beroep op dit punt niet beperkt tot zijn veroordeling om € 107.313,00 aan Rookie te betalen.’ Die overweging heeft het hof in het eindarrest herhaald (zie rov. 5.5, derde gedachtestreepje).
49.
In het eindarrest heeft het hof overwogen (in rov. 7.6 onder (d)):
‘Rookie heeft bewezen dat ABC onjuiste mededelingen heeft gedaan in aanloop naar de transactie, dat de samenwerking stroef verliep en dat ABC na de faillietverklaring van PSS een nieuwe onderneming heeft opgericht die min of meer hetzelfde werk deed als PSS.
Het hof beoordeelt hier het standpunt van Rookie dat zij bij een juiste voorstelling van zaken de onderneming niet zou hebben gekocht en dat haar vordering tot schadevergoeding daarom moet worden toegewezen. Het hof verwerpt dit betoog. De onjuiste mededelingen zijn in voldoende mate verdisconteerd in het oordeel van het hof over de dwaling.
De gestelde schade betreft kosten en verliezen uit onderneming, en kosten en verliezen vanwege het faillissement van Eurobarrier (…)
Deze gestelde schade hangt nauw samen met talrijke keuzes die in de onderneming (en bij Eurobarrier) zijn gemaakt en met het ondernemingsrisico dat zich heeft verwezenlijkt. De gestelde schade staat daarom in een te ver verwijderd verband tot de onjuiste inlichtingen in de aanloop naar de transactie en kan in redelijkheid aan die onjuiste inlichtingen niet worden toegerekend. Bovendien leidt het oordeel dat sprake is van dwaling — anders dan Rookie lijkt te veronderstellen — niet automatisch tot een schadevergoedingsplicht uit onrechtmatige daad (of wanprestatie). Dat zou anders liggen bij bedrog door ABC, maar dat is — voor zover het onder 7.5 besproken ‘vooropgezet plan’ als zodanig moet worden begrepen — niet komen vast te staan.
Het hof hoeft bij deze stand van zaken een ander standpunt van ABC niet te beoordelen. Dat standpunt houdt in dat Rookie de schade aan zichzelf te wijten heeft omdat zij, als vermogende aandeelhouder, heeft nagelaten aanvullende middelen ter beschikking van PSS te stellen.’
50.
Het hof komt in het eindarrest dus op verschillende gronden tot de slotsom dat de vordering tot schadevergoeding van Rookie moet worden afgewezen:
- (1)
de onjuiste mededelingen zijn voldoende verdisconteerd in het oordeel van het hof over dwaling,
- (2)
van causaal verband in de zin van een redelijke toerekening (art. 6:98 BW) is geen sprake en
- (3)
het oordeel dat sprake is van dwaling leidt niet automatisch tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad (of wanprestatie). Rov. 7.6 onder (d) is om verschillende redenen onjuist en/of onbegrijpelijk. Rookie licht dat hierna toe aan de hand van verschillende subonderdelen.
Onderdeel 3A — toerekening
51.
Onderdeel 3A is gericht tegen de overweging dat de schade in een te ver verwijderd verband staat. Of schade naar redelijkheid kan worden toegerekend, is geen vraag van bewijs, maar een rechtsvraag: indien het condicio sine qua non-verband vaststaat, dient de laedens aan te voeren dat de schade in een zodanig ver verwijderd verband tot de schadeoorzaak staat dat het causale verband daardoor is verbroken. Een dergelijk verweer hebben ABC Hekwerk en [verweerder 2] niet gevoerd, laat staan dat ABC Hekwerk en [verweerder 2] in dat kader de omstandigheden hebben genoemd die het hof aan zijn overweging ten grondslag heeft gelegd. Het hof is dus ofwel uitgegaan van een onjuiste regel over stelplicht in het kader van art. 6:98 BW, dan wel is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, dan wel heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van ABC Hekwerk en [verweerder 2].
Onderdeel 3B — onjuiste mededelingen verdisconteerd in oordeel van dwaling
52.
Voor de andere dragende overwegingen van rov. 7.6 onder (d) moet een onderscheid worden gemaakt tussen ABC Hekwerk en [verweerder 2]. Jegens [verweerder 2] is de overweging van het hof dat de onjuiste mededelingen in voldoende mate zijn verdisconteerd in het oordeel van het hof over de dwaling onjuist dan wel onbegrijpelijk in het licht van de bindende eindbeslissing in rov. 3.29 van het tussenarrest (herhaald in rov. 5.5, derde gedachtestreepje, van het eindarrest). Als het hof van die bindende eindbeslissing had willen terugkomen, had het hof [verweerder 2] in de gelegenheid moeten stellen om zich uit te laten over dat voornemen. En voor zover het hof van die beslissing niet heeft willen terugkomen, is rov. 7.6 onder (d), mede in het licht van die overwegingen, in elk geval onjuist (miskenning leer van de bindende eindbeslissing) dan wel onbegrijpelijk.
53.
Jegens ABC Hekwerk is 's hofs overweging bovendien onjuist dan wel onbegrijpelijk in verband met het volgende. De wederpartij van diegene die zich op een vernietigingsgrond beroept, is behalve tot teruggave van het ontvangene, verplicht tot vergoeding van eventuele schade, indien zij door of bij het aangaan van de overeenkomst in strijd heeft gehandeld met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het feit dat de schadevergoedingsvordering gebaseerd is op onrechtmatige daad, betekent als regel dat de vernietigingsgrond aan schuld te wijten moet zijn. Wat bijvoorbeeld dwaling betreft, is daarvoor niet voldoende dat deze aan een onjuiste mededeling van de wederpartij van de dwalende is ‘te wijten’ (art. 6:228 lid 1 onder a BW), omdat dit immers niet inhoudt dat het doen van de onjuiste mededeling aan de schuld van die wederpartij te wijten is, aldus Asser/Sieburgh 6-III 2018/640. Hetzelfde geldt voor het in art. 6:228 lid 1 onder b BW genoemde geval, met dien verstande dat het aannemelijk is dat in die situatie (het achterwege laten van relevante informatie) in de regel van verwijtbaarheid sprake zal zijn, aldus eveneens Asser/Sieburgh 6-III 2018/640.
54.
Het hof heeft in rov. 3.23 van het tussenarrest terecht aangenomen dat Rookie aan haar vordering tot schadevergoeding ten grondslag heeft gelegd dat ABC Hekwerk haar onvoldoende en onjuist heeft geïnformeerd over de cijfers en de operationele problemen met de ABC-bedrijven. In rov. 7.5 onder (a) van het eindarrest heeft het hof overwogen dat het hof bewezen acht dat ABC Rookie niet naar behoren heeft ingelicht over de onderneming. Dat gaat niet alleen om de cijfers, maar ook om de samenwerking en in het bijzonder het betalingsbedrag van de ABC-bedrijven, aldus het hof in rov. 7.5 onder (a). Het hof heeft dus niet slechts bewezen geacht dat ABC Hekwerk Rookie onjuist heeft voorgelicht, maar ook onvoldoende. Bij het achterhouden van relevante informatie is de verwijtbaarheid aannemelijk; het hof had dan ook in rov. 7.6 onder (d) niet mogen volstaan met de overweging dat de onjuiste mededelingen in voldoende mate zijn verdisconteerd in het oordeel van het hof over dwaling, althans is die overweging zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Dat geldt ook voor de overweging aan het slot van rov. 7.6 onder (d) waarin het hof overweegt dat Rookie er ten onrechte van uit lijkt te gaan dat dwaling automatisch tot wanprestatie dan wel onrechtmatige daad leidt. Ook die overweging is, in het licht van wat het hof bewezen heeft geacht over het achterhouden van informatie, onjuist dan wel onbegrijpelijk.
55.
Rov. 7.6 onder (d) is bovendien onbegrijpelijk in het licht van de stelling van Rookie dat [verweerder 2] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Rookie heeft aangevoerd:
‘[verweerder 2] was bestuurder van ABC Hekwerk ten tijde van de onjuiste mededelingen en hij heeft, als vertegenwoordiger van ABC Hekwerk, de gesprekken met rookie gevoerd waarin de onjuiste mededelingen zijn gedaan respectievelijk waarin evident relevante informatie voor Rookie is verzwegen. Dit alles terwijl [verweerder 2] van de daadwerkelijke feiten op de hoogte was, althans daarvan op de hoogte had moeten zijn.’38.
In de toelichting op grief 5 heeft Rookie naar deze toelichting verwezen ter onderbouwing van de stelling dat ook ABC Hekwerk aansprakelijk is jegens Rookie voor de schade.39. Het hof had beide stellingen moeten betrekken bij rov. 7.6 onder (d). Dan had het hof niet, althans niet zonder nadere motivering, tot de slotsom kunnen komen dat de onjuiste mededelingen voldoende zijn verdisconteerd in het oordeel over dwaling en dat Rookie lijkt te veronderstellen dat dwaling automatisch leidt tot een schadevergoedingsplicht uit onrechtmatige daad of wanprestatie.
Onderdeel 4
56.
Als de klachten uit onderdeel 1 t/m 3 slagen, kunnen rov. 7.7 en rov. 8 evenmin in stand blijven.
Conclusie
Rookie concludeert op grond van het hiervoor geformuleerde middel van cassatie dat de arresten van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 28 april 2020 en van 19 juli 2022, zaaknummer 200.236.723/01, moeten worden vernietigd, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, en met veroordeling van ABC Hekwerk en [verweerder 2] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als ABC Hekwerk en [verweerder 2] deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest hebben betaald.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑11‑2022
Rov. 3.1 onder g. van het arrest van 28 april 2020 (hierna: het tussenarrest).
Rov. 3.1 onder i. van het tussenarrest.
Rov. 3.2 van het tussenarrest.
Conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie, sub 6.14.
Conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in (voorwaardelijke) reconventie, sub 8.9.
Conclusie van antwoord in voorwaardelijk reconventie, sub 144 en 145.
Zie ook proces-verbaal van de comparitie van 19 oktober 2015, p. 9.
Zie hiervoor, sub 7.
Zie daarover Dankers-Hagenaars, GS Verbintenissenrecht, art. 6:230 BW, aant. 7.8 onder verwijzing naar de dissertatie van Hijma, p. 207. Volgens Hijma brengt het gegeven dat kennelijk alleen vernietiging het nadeel van de dwalende werkelijk kan opheffen, mee dat art. 3:53 lid 2 BW, terughoudend wordt toegepast; het belang van de wederpartij zal groot moeten zijn om de rechter in die situatie te doen besluiten aan de vernietiging geheel of ten dele haar werking te ontzeggen. De gevallen waaraan te denken valt, grenzen aan misbruik van bevoegdheid (art. 3:13), aldus J. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen (diss.), Deventer: Kluwer 1988.
Parl. Gesch. Boek 3, art. 3.2.17b, p. 239.
‘Hij kan daarbij aan de hierdoor bevoordeelde partij een schadevergoedingsverplichting opleggen, bijvoorbeeld in het eerste voorbeeld [de koper heeft de gekochte zaak in een andere verwerkt waardoor veel kosten moeten worden gemaakt om terug te leveren] de verplichting tot terugbetaling van de waarde van de zaak aan de koper (die dan eventueel met de verplichting van de verkoper tot terugbetaling van de koopprijs kan worden verrekend).’
Conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, sub 6.14.
Conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, sub 8.9.
Zie hiervoor, sub 15.
Conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, sub 6.14. Zie ook antwoordmemorie na enquête, sub 13 en 14.
Zie hiervoor, sub 7.
Antwoordmemorie na enquête, sub 51 t/m 54. Haar stellingen heeft zij nader uitgewerkt in de randnummers 55 t/m 152.
Antwoordmemorie na enquête, sub 59 t/m 63; sub 107. Zie ook memorie van grieven, sub 73, 338, 372.
Antwoordmemorie na enquête, sub 59 t/m 63, 66 t/m 69 en 137 t/m 145. Zie ook memorie van grieven, sub 73, 338 en 372.
Memorie van antwoord, sub 95; 106, 108 en 115 e.v.
Antwoordmemorie na enquête, sub 44.
Antwoordmemorie na enquête, sub 50 en 51.
Antwoordmemorie na enquête, sub 60.
Antwoordmemorie na enquête, sub 148.
Antwoordmemorie na enquête, sub 153 t/m155.
Antwoordmemorie na enquête, sub 158 en 159.
Antwoordmemorie na enquête, sub 157 t/m 159.
Antwoordmemorie na enquête, sub 160 en 161.
Antwoordmemorie na enquête, sub 146.
Antwoordmemorie na enquête, sub 165. Zie ook memorie van grieven, sub 72, 121 t/m 124.
Antwoordmemorie na enquête, sub 150 t/m 152.
Antwoordmemorie na enquête, sub 167 t/m 172.
Antwoordmemorie na enquête, sub 194 t/m 194.
Antwoordmemorie na enquête, sub 195.
Antwoordmemorie na enquête, sub 197.
Antwoordmemorie na enquête, sub 67, sub 85 t/m 103.
Antwoordmemorie na enquête, sub 96 t/m 103.
Memorie van grieven, sub 320.
Memorie van grieven, sub 329.