Procestaal: Slowaaks.
HvJ EU, 24-06-2025, nr. C-351/23
ECLI:EU:C:2025:474
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
24-06-2025
- Magistraten
K. Lenaerts, T. von Danwitz, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, A. Kumin, N. Jääskinen, E. Regan, N. Piçarra, I. Ziemele, O. Spineanu-Matei, B. Smulders, M. Condinanzi, F. Schalin, S. Gervasoni
- Zaaknummer
C-351/23
- Conclusie
L. Medina
- Roepnaam
GR REAL
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:474, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 24‑06‑2025
ECLI:EU:C:2024:950, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 14‑11‑2024
Uitspraak 24‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Richtlijn 93/13/EEG — Artikel 6, lid 1 — Artikel 7, lid 1 — Consumentenkredietovereenkomst — Overeenkomst gewaarborgd door een zakelijk zekerheidsrecht op een onroerend goed dat de consument als gezinswoning gebruikt — Vervroegde opeisbaarheid — Buitengerechtelijke openbare verkoop van het onroerend goed — Nationale regeling die deze verkoop toestaat zonder voorafgaande rechterlijke toetsing van de betrokken schuldvordering — Nietigheidsgronden van de betrokken verkoop die oneerlijke bedingen uitsluiten — Doeltreffendheid van de aan de consumenten verleende bescherming — Artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
K. Lenaerts, T. von Danwitz, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, A. Kumin, N. Jääskinen, E. Regan, N. Piçarra, I. Ziemele, O. Spineanu-Matei, B. Smulders, M. Condinanzi, F. Schalin, S. Gervasoni
Partij(en)
In zaak C-351/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije) bij beslissing van 11 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 6 juni 2023, in de procedure
GR REAL s. r. o.
tegen
PO,
RT,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, M. L. Arastey Sahún, A. Kumin en N. Jääskinen, kamerpresidenten, E. Regan, N. Piçarra, I. Ziemele, O. Spineanu-Matei (rapporteur), B. Smulders, M. Condinanzi, F. Schalin en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
GR REAL s. r. o., vertegenwoordigd door M. Krutek, advokát,
- —
PO en RT, vertegenwoordigd door Z. Pitoňáková, advokátka,
- —
de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door E. V. Larišová en A. Lukáčik als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lindenthal, P. Ondrůšek en N. Ruiz García als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), alsmede de artikelen 5, 8 en 9 van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘Richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen GR REAL s. r. o., enerzijds, en PO en RT, anderzijds, over de uitzetting van deze laatsten uit hun woning als gevolg van de verwerving van dat onroerend goed door GR REAL bij een buitengerechtelijke openbare verkoop, alsook over een reconventionele vordering waarbij PO en RT de rechtmatigheid van de eigendomsoverdracht van dat onroerend goed betwisten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 93/13
3
De vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 luidt als volgt:
‘Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten’.
4
Artikel 6, lid 1, van die richtlijn bepaalt het volgende:
‘De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.’
5
Artikel 7, lid 1, van die richtlijn luidt als volgt:
‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
Richtlijn 2005/29
6
Artikel 5 van richtlijn 2005/29 bepaalt:
- ‘1.
Oneerlijke handelspraktijken zijn verboden.
- 2.
Een handelspraktijk is oneerlijk wanneer zij:
- a)
in strijd is met de vereisten van professionele toewijding,
en
- b)
het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is of, indien zij op een bepaalde groep consumenten gericht is, het economisch gedrag van het gemiddelde lid van deze groep, met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren.
[…]
- 4.
Meer in het bijzonder zijn handelspraktijken oneerlijk die:
[…]
- b)
agressief zijn in de zin van de artikelen 8 en 9.
[…]’
7
Artikel 8 van deze richtlijn is verwoord als volgt:
‘Als agressief wordt beschouwd een handelspraktijk die, in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de gemiddelde consument met betrekking tot het product aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor hij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen.’
8
Artikel 9 van deze richtlijn luidt:
‘Om te bepalen of er bij een handelspraktijk gebruik wordt gemaakt van intimidatie, dwang, inclusief lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, wordt rekening gehouden met:
- a)
het tijdstip, de plaats, de aard en de persistentie van de handelspraktijk;
- b)
het gebruik van dreigende of grove taal of gedragingen;
- c)
het uitbuiten door de handelaar van bepaalde tegenslagen of omstandigheden die zo ernstig zijn dat zij het beoordelingsvermogen van de consument kunnen beperken, hetgeen de handelaar bekend is, met het oogmerk het besluit van de consument met betrekking tot het product te beïnvloeden;
- d)
door de handelaar opgelegde, kosten met zich meebrengende of bovenmatige niet-contractuele belemmeringen ten aanzien van rechten die de consument uit hoofde van het contract wil uitoefenen, waaronder het recht om het contract te beëindigen of een ander product of een andere handelaar te kiezen;
- e)
het dreigen met maatregelen die wettelijk niet kunnen worden genomen.’
Slowaaks recht
Burgerlijk wetboek
9
§ 53 van zákon č. 40/1964 Zb. Občiansky zákonník (wet nr. 40/1964 houdende het burgerlijk wetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘burgerlijk wetboek’), bepaalde in lid 9:
‘Ingeval een met een consument gesloten overeenkomst wordt uitgevoerd door middel van betaling in termijnen, kan de ondernemer ten vroegste drie maanden na de te late betaling van één termijn en nadat hij de consument ten minste 15 dagen vóór de uitoefening van dat recht in kennis heeft gesteld, het krachtens § 565 van het burgerlijk wetboek toegekende recht uitoefenen.’
10
§ 151j, lid 1, van het burgerlijk wetboek bepaalt:
‘Indien een door een zekerheidsrecht gewaarborgde schuldvordering niet naar behoren en tijdig wordt afgelost, kan de zekerheidnemer de tenuitvoerlegging van het zekerheidsrecht inleiden. In het kader van de tenuitvoerlegging van het zekerheidsrecht kan de zekerheidnemer ofwel voldoening verkrijgen op de contractueel overeengekomen wijze dan wel door openbare verkoop van het onderpand krachtens een bijzondere wet […], ofwel voldoening eisen door middel van verkoop van het onderpand krachtens de bijzondere wetten […], tenzij bij dit wetboek of een bijzondere wet anders is bepaald.’
11
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in deze bepaling na de woorden ‘krachtens een bijzondere wet’ een eerste voetnoot is opgenomen, die verwijst naar zákon č. 527/2002 Z. z. o dobrovoļných dražbách a o doplnení zákona Slovenskej národnej rady č. 323/1992 Zb. o notároch a notárskej činnosti (Notársky poriadok) v znení neskorších predpisov [wet nr. 527/2002 inzake vrijwillige openbare verkoop, waarbij wet nr. 323/1992 van de Slowaakse nationale raad op het notarisambt en de notariële werkzaamheden (wetboek notariaat), zoals gewijzigd, is aangevuld; hierna: ‘wet inzake vrijwillige openbare verkoop’], en dat na de woorden ‘bijzondere wetten’ een tweede voetnoot is ingevoegd, die verwees naar zákon č. 99/1963 Zb. Občiansky súdny poriadok (wet nr. 99/1963 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering), die vanaf 1 juli 2016 werd vervangen door zákon č. 160/2015 Z. z. Civilný sporový poriadok (wet nr. 160/2015 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) (hierna: ‘wetboek van burgerlijke rechtsvordering’), en naar zákon č. 233/1995 Z. z., o súdnych exekútoroch a exekučnej činnosti (Exekučný poriadok) a o zmene a doplnení ďalších zákonov [wet nr. 233/1995 inzake gerechtsdeurwaarders en executoriale procedures (wetboek van executoriale procedures), tot wijziging en aanvulling van andere wetten].
12
§ 565 van het burgerlijk wetboek luidt als volgt:
‘Ingeval een schuldvordering in termijnen wordt ingevorderd kan de schuldeiser niet verlangen dat wegens niet-betaling van een van de maandelijkse termijnen de gehele schuldvordering wordt afgelost, tenzij dit tussen partijen is overeengekomen of in een beslissing is bepaald. De schuldeiser kan dit recht evenwel tot uiterlijk de vervaldatum van de eerstvolgende termijn uitoefenen.’
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
13
§ 325, leden 1 en 2, onder d), van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering luidt:
- ‘1.
De rechter kan voorlopige maatregelen gelasten indien de verhoudingen tussen de partijen onmiddellijk dienen te worden geregeld of indien er een risico bestaat dat de uitvoering van de rechterlijke beslissing in gevaar komt.
- 2.
De rechter kan bij wege van met name voorlopige maatregelen een partij gelasten om
[…]
- d)
een bepaalde handeling te verrichten, van een bepaalde handeling af te zien of een bepaalde handeling te dulden’.
Wet inzake vrijwillige openbare verkoop
14
§ 6, lid 1, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop bepaalt:
‘De veilingmeester is de persoon die de openbare verkoop houdt. Hij voldoet aan de voorwaarden die bij deze wet en de bijzondere wet zijn gesteld, en is bevoegd om het betrokken beroep uit te oefenen. […]’
15
§ 19, lid 1, onder a) en b), van deze wet bepaalt het volgende:
‘De veilingmeester moet uiterlijk bij aanvang van de openbare verkoop van de veiling afzien:
- a)
indien de aanvrager van de openbare verkoop daar schriftelijk om verzoekt,
- b)
indien aan de veilingmeester met behulp van een uitvoerbaar vonnis wordt aangetoond dat de aanvrager van de openbare verkoop niet gerechtigd is om een dergelijke verkoop aan te vragen; indien de rechter een voorlopige maatregel treft, volstaat het om aan de veilingmeester aan te tonen dat de rechter een dergelijke maatregel heeft toegepast’.
16
§ 21, lid 2, van diezelfde wet luidt als volgt:
‘Bij betwisting van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst tot zekerheidstelling of schending van de bepalingen van deze wet kan eenieder die stelt dat hij door die schending in zijn rechten is gekort, de rechter verzoeken de verkoop nietig te verklaren. Dit recht vervalt echter drie maanden na de openbare verkoop, tenzij de grondslag van het verzoek om nietigverklaring bestaat in een strafbaar feit en de verkoop een woning of appartement betreft waarin de oude eigenaar op het ogenblik van de openbare verkoop volgens een bijzondere regeling officieel verblijf hield; […] in dat geval kan zelfs na het verstrijken van deze termijn om nietigverklaring van de verkoop worden verzocht. […]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17
Op 7 april 2011 heeft Slovenská sporiteļňa, a.s. (hierna: ‘bank’) met verweerders in het hoofdgeding een kredietovereenkomst gesloten voor een bedrag van 63 000 EUR. Zij hebben zich ertoe verbonden dat bedrag vanaf 20 juni 2011 in maandelijkse termijnen van 424,41 EUR terug te betalen, met 20 januari 2030 als de uiterste aflossingsdatum. In geval van betalingsachterstand voorzag een beding in de algemene voorwaarden van de bank in de vervroegde opeisbaarheid van de lening. Het genoemde bedrag werd gewaarborgd door een hypotheek op een onroerend goed, namelijk de gezinswoning van verweerders.
18
Vanwege de achterstand van verweerders in het hoofdgeding in de betaling van de maandelijkse termijnen heeft de bank bij brief van 3 november 2016 de lening vervroegd opeisbaar verklaard en hen verzocht het uit hoofde van die overeenkomst verschuldigde bedrag, namelijk 56 888,08 EUR, te betalen. Daarnaast heeft zij bij wege van een ‘vrijwillige’ openbare verkoop — dat wil zeggen een buitengerechtelijke openbare verkoop — van dat onroerend goed een verzoek tot gedwongen executie op het desbetreffende hypothecaire onderpand ingediend.
19
Op 21 april 2017 hebben verweerders in het hoofdgeding bij de Okresný súd Prešov (rechter in eerste aanleg Prešov, Slowakije) een vordering ingesteld waarbij zij die rechter verzochten om de bank te gelasten af te zien van executie op dat onderpand bij wege van een buitengerechtelijke openbare verkoop, alsmede, bij wege van voorlopige maatregel, de executie op dat onderpand te staken tot de definitieve beëindiging van de procedure ten gronde. Ter ondersteuning van hun vordering hebben verweerders in het hoofdgeding aangevoerd dat de bank niet het recht had om het volledige krediet vervroegd opeisbaar te verklaren omdat partijen bij sluiting van de overeenkomst daarover geen afspraken hadden gemaakt, en omdat de bank, ondanks hun verzoek om herstructurering van de lening, tot deze executie was overgegaan krachtens de wet inzake vrijwillige openbare verkoop.
20
Op 25 april 2017 vond de eerste ronde van de openbare verkoop plaats zonder dat iemand een bod uitbracht. Tijdens deze eerste zitdag heeft PO bezwaar gemaakt tegen die verkoop, omdat er een gerechtelijke procedure tot staking van de executie aanhangig was.
21
Bij beschikking van 26 mei 2017 heeft de Okresný súd het verzoek van verweerders in het hoofdgeding tot toepassing van een voorlopige maatregel afgewezen, zonder in te gaan op hun argument dat de bank hun rechten had geschonden door het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid toe te passen. Verweerders in het hoofdgeding zijn tegen deze beschikking opgekomen bij de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije).
22
De tweede zitdag van de openbare verkoop vond plaats op 18 juli 2017, voordat de Krajský súd v Prešove zich over dat beroep had uitgesproken. Bij die gelegenheid heeft PO er opnieuw op gewezen dat er een gerechtelijke procedure tot staking van de executie op het desbetreffende hypothecaire onderpand aanhangig was. Het betrokken onroerend goed werd echter verworven door verzoekster in het hoofdgeding — een vennootschap die onder meer actief is op het gebied van kredietverlening en het beheer en onderhoud van onroerende goederen —, die vervolgens als eigenaar van dit goed in het kadaster is ingeschreven.
23
Bij beslissing van 9 augustus 2017 heeft de Krajský súd v Prešove de beschikking van 26 mei 2017 van de Okresný súd Prešov, waarbij het verzoek om een voorlopige maatregel van verweerders in het hoofdgeding was afgewezen, vernietigd en een nieuw onderzoek van dat verzoek gelast, met name op grond dat die rechter de bezwaren van verweerders in het hoofdgeding dat er geen overeenstemming was over het beding inzake vervroegde opeisbaarheid — die volgens de Krajský súd v Prešove gegrond waren — had moeten onderzoeken. De Krajský súd v Prešove heeft tevens vastgesteld dat de Okresný súd Prešov, in het kader van het verzoek tot executie op het hypothecaire onderpand, niet had onderzocht of het evenredigheidsbeginsel in acht was genomen, in die zin dat hij geen rekening had gehouden met het bedrag van de schuldvordering in verhouding tot de waarde van het betrokken onroerend goed, te weten de gezinswoning van de verweerders in het hoofdgeding, noch met hun persoonlijkheid of met de mogelijkheid voor laatstgenoemden om die schuldvordering op een andere wijze te vereffenen.
24
Op 19 december 2017 hebben verweerders in het hoofdgeding de in punt 19 van het onderhavige arrest vermelde vordering — waarmee zij verzochten dat de bank werd gelast af te zien van executie op het hypothecaire onderpand bij wege van een buitengerechtelijke openbare verkoop — ingetrokken, aangezien deze verkoop reeds had plaatsgevonden en die vordering dus zonder voorwerp was geraakt.
25
Bij beschikking van 11 januari 2018 heeft de Okresný súd Prešov de behandeling van de procedure derhalve afgesloten en verweerders in het hoofdgeding verwezen in de kosten van die procedure.
26
Verweerders in het hoofdgeding hebben geweigerd het betrokken onroerend goed te ontruimen. Dit onroerend goed is de enige woning waarover zij beschikken en zij wonen er samen met hun kinderen. Twee daarvan zijn minderjarig en lijden naar verluidt aan een ernstige psychische stoornis. Daarop heeft verzoekster in het hoofdgeding bij de Okresný súd Prešov de ontruiming van het onroerend goed gevorderd.
27
Die rechter heeft deze vordering in een eerste procedurele fase afgewezen bij een vonnis dat in hoger beroep door de Krajský súd v Prešove is bevestigd. De Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek; hierna: ‘Najvyšší súd’) heeft bij beschikking van 8 april 2021 de uitspraken van deze twee rechterlijke instanties vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Okresný súd Prešov, opdat deze een onderzoek naar het eigendomsrecht van verzoekster in het hoofdgeding verricht.
28
In een tweede procedurele fase heeft de Okresný súd Prešov die vordering toegewezen en verweerders in het hoofdgeding gelast het betrokken onroerend goed te ontruimen. Die rechter heeft hun reconventionele vordering tot betwisting van de rechtmatigheid van de eigendomsoverdracht van dat onroerend goed afgewezen op grond dat dit onroerend goed was verworven bij een buitengerechtelijke openbare verkoop en hij niet bevoegd was om zich over de geldigheid van die verkoop uit te spreken.
29
Zowel verzoekster in het hoofdgeding als verweerders in het hoofdgeding hebben tegen die beslissing hoger beroep ingesteld bij de Krajský súd v Prešove. Verzoekster in het hoofdgeding kwam op tegen het feit dat verweerders in het hoofdgeding niet waren veroordeeld. Laatstgenoemden kwamen op tegen de afwijzing van hun reconventionele vordering.
30
Verweerders in het hoofdgeding voeren voor de Krajský súd v Prešove, de verwijzende rechter, aan dat hun rechten als consument en hun recht op huisvesting zijn geschonden.
31
Die rechter erkent dat de niet-betaling van de maandelijkse termijnen van een kredietovereenkomst een ernstige schending vormt van de contractuele verplichting die krachtens een dergelijke overeenkomst op de consumenten rust. Hij is echter van oordeel dat de door het Unierecht aan consumenten toegekende bescherming wordt geschonden wanneer er een extreme onevenredigheid bestaat tussen de niet-nakoming van deze verplichting en de gevolgen van de vervroegde opeisbaarheid.
32
De verwijzende rechter is van oordeel dat de bijzondere omstandigheden van de bij hem aanhangige zaak zich onderscheiden van andere zaken die tot arresten van het Hof inzake consumentenbescherming hebben geleid.
33
In de eerste plaats betwijfelt de verwijzende rechter of het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid dat tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde buitengerechtelijke openbare verkoop heeft geleid, in overeenstemming is met het transparantievereiste, zoals door het Hof met name in het arrest van 21 maart 2013, RWE Vertrieb (C-92/11, EU:C:2013:180), is verduidelijkt. Hij wijst er in dit verband op dat dit beding in de algemene voorwaarden van de bank was opgenomen, maar dat de bank het beding niet ter kennis heeft gebracht van verweerders in het hoofdgeding, terwijl de vervroegde opeisbaarheid slechts van toepassing is indien de partijen daarover uitdrukkelijk overeenstemming hebben bereikt.
34
In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat verweerders in het hoofdgeding zich tegen de buitengerechtelijke openbare verkoop van hun gezinswoning hebben verzet door middel van een vordering die ertoe strekte de bank te gelasten af te zien van executie op het betrokken hypothecaire onderpand. In het kader van die procedure hebben zij tevens, bij wijze van voorlopige maatregel, verzocht om staking van de executie op dat onderpand, hetgeen volgens de verwijzende rechter de enige procedurele manier was om die executie te staken. Hij wijst er ook op dat de beslissing van de rechter in eerste aanleg waarbij de gevraagde voorlopige maatregel is afgewezen, door de rechter in beroep is vernietigd, met name omdat de grief inzake de nietigheid van het beding inzake vroegtijdige opeisbaarheid niet in het licht van richtlijn 93/13 is onderzocht. De verkoop heeft echter plaatsgevonden vóór die vernietiging en dus voordat de rechter in eerste aanleg dat verzoek om een voorlopige maatregel opnieuw heeft kunnen onderzoeken.
35
In de derde plaats wijst de verwijzende rechter op het belang dat in de Slowaakse rechtspraak wordt gehecht aan de bescherming van de derde verkrijger die te goeder trouw handelt. Volgens die rechter kan er van goede trouw evenwel geen sprake zijn wanneer ‘verontrustende omstandigheden’ de situatie van de derde kenmerken. Een ‘zeer verontrustende’ omstandigheid is dat de vennootschap waaraan het onroerend goed bij een buitengerechtelijke openbare verkoop is toegewezen, op het moment van die verwerving op de hoogte wordt gesteld dat er een gerechtelijke procedure aanhangig is over de geldigheid van het beding dat aan die verkoop ten grondslag ligt.
36
Aldus rijst er een vraag over de uitlegging van richtlijn 93/13, namelijk of de vennootschap die de eigendom van het onroerend goed heeft verkregen, absolute bescherming geniet dan wel of deze bescherming kan worden beperkt, met name gelet op het actieve gedrag van de betrokken consumenten en de twijfels over de goede trouw van deze vennootschap. Deze vraag is des te belangrijker wanneer de gedwongen executie op een onderpand betrekking heeft op de woning van de consument, aangezien het recht op huisvesting een grondrecht vormt dat door artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) wordt gewaarborgd.
37
In de vierde plaats stelt de verwijzende rechter dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de situatie die aan de orde is in het hoofdgeding en die welke aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 7 december 2017, Banco Santander (C-598/15, EU:C:2017:945). Ten eerste was het betrokken onroerend goed in voornoemde zaak openbaar verkocht en waren de daarop betrekking hebbende zakelijke rechten overgedragen zonder dat de consument de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen had aangewend. In het onderhavige arrest zijn verweerders in het hoofdgeding daarentegen niet passief gebleven en hebben zij het enige rechtsmiddel aangewend dat ex ante beschikbaar was om de executie op de buitengerechtelijke openbare verkoop van hun gezinswoning te doen staken. Hoewel zij achteraf afstand van instantie hebben gedaan, deden zij dit pas nadat die executie in het kader van een buitengerechtelijke openbare verkoop had geleid tot de eigendomsoverdracht van deze woning aan verzoekster in het hoofdgeding. Ten tweede hebben verweerders in het hoofdgeding, anders dan in de procedurele context van de zaak die tot voornoemd arrest heeft geleid, in casu tegen de ontruiming een reconventionele vordering ingesteld om de rechtmatigheid van die eigendomsoverdracht te betwisten, waarbij verzoekster in het hoofdgeding naar Slowaaks recht bevoegd was om zich in het kader van die reconventionele vordering te verdedigen.
38
In de vijfde en laatste plaats benadrukt de verwijzende rechter dat consumenten zoals verweerders in het hoofdgeding hun rechten slechts zeer moeilijk zouden kunnen doen gelden wanneer zij achteraf de nietigverklaring van een openbare verkoop vorderen, aangezien § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop bepaalt dat er slechts drie nietigheidsgronden bestaan, te weten schending van die wet, ongeldigheid van de overeenkomst tot vestiging van het zakelijke zekerheidsrecht, en het plegen van een strafbaar feit, met uitsluiting van de bescherming van consumenten tegen onrechtmatige bedingen van een kredietovereenkomst.
39
In die omstandigheden heeft de Krajský súd v Prešove de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Zijn artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] van toepassing op een procedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die is ingeleid door een persoon (winnende bieder) aan wie de eigendom van een onroerend goed is toegekend in het kader van een openbare verkoop en die tegelijkertijd betrekking heeft op een door een consument ingestelde reconventionele vordering tot herstel van de toestand voorafgaand aan die toekenning, wanneer de consument in de periode voorafgaand aan de buitengerechtelijke openbare verkoop rechtsmiddelen heeft aangewend die ertoe strekken de tenuitvoerlegging van een zakelijk zekerheidsrecht te staken doordat hij de rechter om toepassing van een voorlopige maatregel heeft verzocht, en deze consument de personen die aan de openbare verkoop hebben deelgenomen er voorafgaand aan die verkoop tevens van in kennis heeft gesteld dat er een gerechtelijke procedure tot staking van de tenuitvoerlegging van dat zekerheidsrecht door middel van vrijwillige openbare verkoop aanhangig is, maar de openbare verkoop ondanks die gerechtelijke procedure toch heeft plaatsgevonden?
- 2)
Moet [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die in het kader van de tenuitvoerlegging van een zakelijk zekerheidsrecht door een ondernemer die zich bezighoudt met het houden van particuliere openbare verkopen (hierna: ‘veilingmeester’) ten aanzien van een onroerend goed van een consument en ter voldoening van de schuldvordering van een bank uit hoofde van een consumentenkredietovereenkomst,
- a)
de consument niet in staat stelt om met het oog op de verdaging van de betreffende openbare verkoop op doeltreffende wijze jegens de veilingmeester aan te voeren dat de contractuele bedingen waarop de schuldvordering van de bank berust, oneerlijk zijn, ook al berust die schuldvordering wel degelijk op oneerlijke contractuele bedingen, namelijk op een contractueel beding inzake vervroegde opeisbaarheid,
- b)
de consument niet in staat stelt om de openbare verkoop van het door hem bewoonde onroerend goed te voorkomen, ook al heeft hij de veilingmeester en de bij de openbare verkoop aanwezige personen ervan in kennis gesteld dat er een gerechtelijke procedure in kort geding tot oplegging van de verplichting tot het staken van die verkoop aanhangig is, hoewel de rechter nog niet definitief op het daartoe ingediende verzoek heeft beslist, in een situatie waarin de toepassing van een voorlopige maatregel voor de consument de enige mogelijkheid vormt om voorlopige rechterlijke bescherming tegen de openbare verkoop van een onroerend goed uit hoofde van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te verkrijgen,
- c)
de consument in de omstandigheden als bedoeld in de vorige punten niet in staat stelt om de uit de omzetting van [richtlijn 93/13] voortvloeiende rechten ten volle uit te oefenen en de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken, aangezien de onderzochte nationale wettelijke regeling de mogelijkheid tot het inroepen van de nietigheid van een openbare verkoop beperkt tot slechts drie gronden, namelijk:
- —
de nietigheid van de overeenkomst tot vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht,
- —
de niet-nakoming van de [wet inzake vrijwillige openbare verkoop],
- —
[het plegen van] een strafbaar feit?
- 3)
Moet [richtlijn 2005/29] aldus worden uitgelegd dat de tenuitvoerlegging van een zakelijk zekerheidsrecht krachtens een oneerlijk contractueel beding inzake de vervroegde opeisbaarheid van een schuldvordering uit hoofde van een consumentenkredietovereenkomst en bijgevolg krachtens de onjuiste vaststelling van het bedrag van de uitstaande schuld een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van deze richtlijn en met name een agressieve handelspraktijk in de zin van de artikelen 8 en 9 van deze richtlijn kan vormen en dat de aansprakelijkheid van de bank en de doelstellingen van [richtlijn 2005/29] niet alleen betrekking hebben op de banken maar ook gelden voor een onderneming die zich bezighoudt met het houden van openbare verkopen en die een aan een bank toegekend zakelijk zekerheidsrecht ten uitvoer legt?’
40
Gelet op de informatie die de Slowaakse regering onder de aandacht van het Hof heeft gebracht over de rechtspraak van de Najvyšší súd, volgens welke de bescherming tegen oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten valt onder de nietigheidsgronden van een buitengerechtelijke openbare verkoop die zijn opgenomen in § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop, heeft het Hof de verwijzende rechter op 9 april 2024 om verduidelijking verzocht overeenkomstig artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
41
Bij brief, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 mei 2024, heeft de verwijzende rechter verduidelijkt dat er op de datum van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop geen vaste rechtspraak van de Slowaakse rechters bestond op grond waarvan een vrijwillige openbare verkoop nietig kan worden verklaard wegens schending van richtlijn 93/13 en dat er tot op heden nog geen rechterlijke beslissing bestaat waarbij een openbare verkoop om die reden nietig is verklaard.
42
Volgens die rechter blijft de rechtspraak die door de Slowaakse regering is aangehaald en die bestaat uit twee beschikkingen die in de loop van 2022 zijn gegeven — dat wil zeggen vijf jaar na de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop — op zichzelf staan, zelfs in de rechtspraak van de Najvyšší súd, zodat verweerders in het hoofdgeding niet kan worden verweten dat zij geen vordering tot nietigverklaring van de openbare verkoop hebben ingesteld om hun rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden en ervoor hebben gekozen om het eigendomsrecht van verzoekster in het hoofdgeding te betwisten in het kader van een reconventionele vordering.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
Ontvankelijkheid
43
Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de eerste en de tweede prejudiciële vraag op te werpen, betoogt verzoekster in het hoofdgeding in wezen dat richtlijn 93/13, waarvan in het kader van deze vragen om uitlegging wordt verzocht, in casu geen betrekking heeft op haar, aangezien zij geen partij was in de door verweerders in het hoofdgeding tegen de bank ingeleide gerechtelijke procedure, en is zij van mening dat het Hof deze vragen niet moet beantwoorden.
44
Voorts heeft de Slowaakse regering twijfels over de ontvankelijkheid van de tweede vraag voor zover deze betrekking heeft op de vraag of richtlijn 93/13 zich verzet tegen een nationale regeling die uitsluit dat oneerlijke bedingen in de overeenkomst die aan de gedwongen executie op een hypothecair onderpand ten grondslag ligt, kunnen leiden tot de nietigheid van een buitengerechtelijke openbare verkoop van dat onderpand. Die regering benadrukt dat verweerders in het hoofdgeding geen vordering tot nietigverklaring van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop hebben ingesteld, waardoor het niet duidelijk is waarom een antwoord van het Hof noodzakelijk is om die rechter in staat te stellen uitspraak te doen in het hoofdgeding.
45
In dit verband zij eraan herinnerd dat het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht om daarop te antwoorden. Bijgevolg geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter dan ook enkel afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 29 juli 2024, LivaNova, C-713/22, EU:C:2024:642, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Allereerst moet worden opgemerkt dat het hoofdgeding betrekking heeft op een door verzoekster tegen verweerders ingestelde vordering tot ontruiming en op een reconventionele vordering waarin verweerders de rechtmatigheid betwisten van de eigendomsoverdracht van hun gezinswoning aan verzoekster. Deze overdracht heeft plaatsgevonden bij wege van een buitengerechtelijke openbare verkoop die is georganiseerd ter uitvoering van een hypothecair onderpand in de leningsovereenkomst tussen die verweerders en de bank en op grond van een nationale regeling waarvan de verwijzende rechter betwijfelt of zij voldoet aan het uit richtlijn 93/13 voortvloeiende vereiste van een doeltreffende bescherming van de consument tegen oneerlijke bedingen. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, is verzoekster in het hoofdgeding naar Slowaaks recht bevoegd om zich te verdedigen in het kader van een dergelijke reconventionele vordering. Bijgevolg sluit het feit dat verzoekster geen partij was in de gerechtelijke procedure die door verweerders in het hoofdgeding tegen de bank was ingeleid, geenszins uit dat de door die rechter gevraagde uitlegging van deze richtlijn noodzakelijk is om hem in staat te stellen in het hoofdgeding uitspraak te doen in de zin van de in het vorige punt van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
47
Voorts heeft de verwijzende rechter — zoals is opgemerkt in punt 42 van het onderhavige arrest — in zijn antwoord op het verzoek van het Hof om verduidelijking aangegeven dat verweerders in het hoofdgeding bij de huidige stand van het Slowaakse recht niet kan worden verweten dat zij geen vordering tot nietigverklaring van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop hebben ingesteld waarmee zij aanvoeren dat de leningsovereenkomst die met de bank is gesloten een oneerlijk beding bevat. Het derde onderdeel van de tweede vraag, dat de verwijzende rechter in dit antwoord uitdrukkelijk heeft gehandhaafd, beoogt immers juist na te gaan of de onmogelijkheid voor deze verweerders om een dergelijk verzoek in te dienen in strijd is met de bepalingen van richtlijn 93/13. Deze vraag hangt dus nauw samen met het voorwerp van het hoofdgeding, dat met name betrekking heeft op de geldigheid van deze verkoop.
48
Uit het voorgaande volgt dat de eerste en de tweede vraag ontvankelijk zijn.
Ten gronde
— Opmerkingen vooraf
49
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het beschermingsstelsel van richtlijn 93/13 berust op de gedachte dat de consument zich tegenover de kredietverstrekker in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt (arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C-600/19, EU:C:2022:394, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
In dit verband en om het in artikel 38 van het Handvest neergelegde hoge niveau van consumentenbescherming te waarborgen, moet de nationale rechter, zelfs ambtshalve, toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt (arresten van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980, punt 58, en 9 november 2023, Všeobecná úverová banka, C-598/21, EU:C:2023:845, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51
Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van deze richtlijn, dat bepaalt dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, zijn nationale rechterlijke instanties tevens verplicht om de toepassing van die bedingen buiten toepassing te laten opdat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet [zie in die zin arresten van 26 maart 2019, Abanca Corporación Bancaria en Bankia, C-70/17 en C-179/17, EU:C:2019:250, punt 52, en 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst), C-287/22, EU:C:2023:491, punt 37].
52
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan, verplicht de lidstaten om te voorzien in doeltreffende en geschikte middelen om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers (zie in die zin arresten van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito, C-618/10, EU:C:2012:349, punt 68, en 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C-600/19, EU:C:2022:394, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
De verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen — met name voor de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13 —, impliceert dat moet worden gezorgd voor een effectieve rechterlijke bescherming, welk vereiste is bevestigd in artikel 7, lid 1, van die richtlijn en tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest. Dat vereiste geldt onder meer voor de vaststelling van de procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd (arresten van 17 mei 2022, SPV Project 1503 e.a., C-693/19 en C-831/19, EU:C:2022:395, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak, 17 mei 2022, Impuls Leasing România, C-725/19, EU:C:2022:396, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 17 mei 2022, Unicaja Banco, C-869/19, EU:C:2022:397, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54
Eveneens zij eraan herinnerd dat, gelet op de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de door richtlijn 93/13 aan de consument verzekerde bescherming berust, artikel 6, lid 1, ervan moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden (arresten van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C-40/08, EU:C:2009:615, punt 52, en 17 mei 2022, Unicaja Banco, C-869/19, EU:C:2022:397, punt 24). Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn houdt eveneens rechtstreeks verband met dit openbare belang (zie in die zin arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980, punt 56).
55
Wat met name de procedures van gedwongen executie betreft, heeft het Hof zich herhaaldelijk en rekening houdend met de vereisten van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 uitgesproken over de manier waarop de nationale rechter de door consumenten aan deze richtlijn ontleende rechten binnen dergelijke procedures moet verzekeren.
56
Bij gebreke van harmonisatie van die procedures zijn de desbetreffende regels krachtens het beginsel van hun procesrechtelijke autonomie daarom een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten. Deze regels moeten evenwel aan twee voorwaarden voldoen, namelijk niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht aan de consument verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin met name arrest van 26 juni 2019, Addiko Bank, C-407/18, EU:C:2019:537, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, dat als enige is genoemd door de verwijzende rechter, moet erop worden gewezen dat ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procedureregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die regel in de gehele procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken ervan, tezamen met, zo nodig, de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure. Evenwel kunnen de specifieke kenmerken van procedures geen factor vormen die de rechtsbescherming die consumenten op grond van richtlijn 93/13 dient toe te komen, mag doorkruisen (arrest van 17 mei 2022, Impuls Leasing România, C-725/19, EU:C:2022:396, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel evenwel niet zodanig ver kan worden doorgetrokken dat de totale passiviteit van de betrokken consument wordt verholpen (arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco, C-869/19, EU:C:2022:397, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
Eveneens heeft het Hof benadrukt dat het van belang is om in het nationale recht in de mogelijkheid te voorzien om een rechter te verzoeken het oneerlijke karakter van een contractueel beding te beoordelen vóór de afronding van een procedure van gedwongen executie die is gebaseerd op de overeenkomst waarin een dergelijk beding is opgenomen. Het Hof heeft aldus geoordeeld dat wanneer een dergelijke procedure eindigt vóór de uitspraak van de rechter ten gronde waarbij het oneerlijke karakter van het aan de gedwongen executie ten grondslag liggende contractueel beding wordt vastgesteld en die procedure dus nietig wordt verklaard, een dergelijke uitspraak de consument — in strijd met het bepaalde in artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 — slechts bescherming achteraf biedt in de vorm van schadeloosstelling, die in de regel onvolledig en ontoereikend is en geen passend of doeltreffend middel vormt om een einde te maken aan het gebruik van dat beding (zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Aziz, C-415/11, EU:C:2013:164, punt 60, en 17 mei 2022, Impuls Leasing România, C-725/19, EU:C:2022:396, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Ter verzekering van de doeltreffendheid van de door richtlijn 93/13 beoogde bescherming heeft het Hof het belang benadrukt van de bevoegdheid van de aangezochte nationale rechter om voorlopige maatregelen te treffen waarmee een onrechtmatige procedure van gedwongen executie kan worden geschorst of verhinderd. Dat is in het bijzonder het geval wanneer het gaat om een gedwongen executie op een hypothecair onderpand die kan leiden tot de uitzetting van de consument en zijn gezin uit de gezinswoning, aangezien het recht op eerbiediging van de woning een door artikel 7 van het Handvest gewaarborgd grondrecht is waarmee die rechter bij de uitvoering van deze richtlijn rekening moet houden (zie in die zin arrest van 9 november 2023, Všeobecná úverová banka, C-598/21, EU:C:2023:845, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61
In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. De omstandigheid dat een nationale rechter bij de formulering van een prejudiciële vraag formeel heeft gerefereerd aan bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er niet aan in de weg dat het Hof die rechter alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de zaak die bij hem aanhangig is, ongeacht of daar in de vragen naar wordt verwezen. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de verwijzende verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven. Teneinde de rechterlijke instantie die een prejudiciële vraag heeft voorgelegd, een bruikbaar antwoord te geven, kan het Hof ook bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arresten van 20 maart 1986, Tissier, 35/85, EU:C:1986:143, punt 9, en 6 maart 2025, ONB e.a., C-575/23, EU:C:2025:141, punt 57).
— Eerste vraag
62
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een gerechtelijke procedure waarbij, ten eerste, tegen een consument een vordering tot ontruiming is ingesteld door een vennootschap die in het kader van een buitengerechtelijke executie op een hypothecair onderpand dat de consument tot zekerheid in handen heeft gesteld van een professionele kredietgever, de eigendom heeft verkregen van een onroerend goed dat die consument gebruikt als gezinswoning en, ten tweede, de consument bij een reconventionele vordering de rechtmatigheid betwist van de eigendomsoverdracht van dat goed aan de begunstigde vennootschap, die heeft plaatsgevonden ondanks het feit dat er op het moment van de overdracht nog een gerechtelijke procedure tot staking van de gedwongen executie aanhangig was op grond dat de overeenkomst die aan de executie ten grondslag ligt oneerlijke bedingen bevat, en de begunstigde vennootschap vooraf door die consument van het bestaan van die procedure op de hoogte is gesteld.
63
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat, om te bepalen of richtlijn 93/13 met succes kan worden ingeroepen in een procedure die bij een nationale rechter aanhangig is, het voorwerp van die procedure en het specifieke karakter van het geding waarvan zij deel uitmaakt, moeten worden onderzocht (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander, C-598/15, EU:C:2017:945, punten 39, 42 en 49).
64
Uit die rechtspraak volgt ook dat de bepalingen van richtlijn 93/13 niet met succes kunnen worden ingeroepen indien er geen onderling overeenstemmende aanwijzingen zijn dat de hypothecaire leningsovereenkomst die het voorwerp van een procedure van buitengerechtelijke executie heeft gevormd, mogelijk een oneerlijk beding bevat (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander, C-598/15, EU:C:2017:945, punt 48).
65
Wat in de eerste plaats het voorwerp van de procedure betreft, heeft het Hof geoordeeld dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 in beginsel niet met succes kunnen worden ingeroepen in een geding dat niet betrekking heeft op de procedure van gedwongen executie op het hypothecaire onderpand uit de leningsovereenkomst tussen een consument en een verkoper, maar op de bescherming van de zakelijke rechten verbonden aan de eigendom die de verkoper in het kader van een openbare verkoop rechtmatig heeft verkregen (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander, C-598/15, EU:C:2017:945, punten 44 en 47).
66
In dergelijke omstandigheden dreigt immers de rechtszekerheid van gevestigde eigendomsbetrekkingen te worden aangetast indien wordt toegestaan dat de schuldenaar die een hypotheek heeft afgesloten voor een onroerende zaak, aan de verkrijger van die zaak excepties tegenwerpt die zijn ontleend aan de hypothecaire leningsovereenkomst ten aanzien waarvan die verkrijger mogelijkerwijze een derde is (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander, C-598/15, EU:C:2017:945, punt 45).
67
Het Hof oordeelde ook dat in de situatie waarin de hypothecaire executoriale procedure is beëindigd en de eigendomsrechten van een onroerende zaak zijn overgedragen aan een derde, de rechter niet meer ambtshalve of op verzoek van de consument kan overgaan tot een toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen die zou leiden tot nietigverklaring van de handelingen waarbij de eigendom is overgedragen, en dus de rechtszekerheid van die eigendomsoverdracht, waarvan de rechtmatigheid niet werd betwist, ter discussie zou stellen (zie in die zin arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C-600/19, EU:C:2022:394, punt 57).
68
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het hoofdgeding niettemin betrekking heeft op twee vorderingen die een ander juridisch voorwerp hebben dan de vorderingen die aan de orde waren in de zaken die hebben geleid tot de in de punten 65 tot en met 67 van het onderhavige arrest genoemde arresten. Ten eerste is bij de verwijzende rechter een vordering aanhangig gemaakt die ertoe strekt verweerders in het hoofdgeding uit hun gezinswoning te zetten. Die vordering is ingesteld door verzoekster in het hoofdgeding, in het kader van de uitoefening van de prerogatieven die haar zijn verleend door het eigendomsrecht dat zij na de buitengerechtelijke openbare verkoop van die woning heeft verworven.
69
Ten tweede heeft dat geschil betrekking op een reconventionele vordering waarmee verweerders in het hoofdgeding de rechtmatigheid van de eigendomsoverdracht van die woning aan verzoekster in het hoofdgeding betwisten op grond dat de wet inzake vrijwillige openbare verkoop niet voldoet aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming, dat opnieuw is bevestigd in artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest. Verweerders betogen dat deze wet het mogelijk heeft gemaakt dat de gedwongen executie van het betrokken hypothecaire onderpand wordt voortgezet, terwijl een verzoek om voorlopige maatregelen bij een rechter aanhangig is met het oog op de opschorting van die gedwongen executie. Zoals in de punten 37 en 46 van het onderhavige arrest is vermeld, is de verwijzende rechter van oordeel dat verzoekster in het hoofdgeding naar Slowaaks recht bevoegd is om zich in het kader van een dergelijke reconventionele vordering te verdedigen.
70
Anders dan in het geding dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 7 december 2017, Banco Santander (C-598/15, EU:C:2017:945), heeft het hoofdgeding dus niet alleen betrekking op de bescherming van het zakelijke eigendomsrecht dat na de openbare verkoop van een onroerend goed is verkregen, maar ook op de voorwaarden waaronder de procedure van gedwongen executie op het hypothecaire onderpand, heeft kunnen leiden tot de overdracht van die rechten aan de begunstigde vennootschap.
71
In het kader van hun reconventionele vordering voeren verweerders in het hoofdgeding immers geen gronden tot nietigheid van die overeenkomst of bepaalde daarin opgenomen bedingen aan tegen de koper van het onroerend goed — die geen partij is bij de hypothecaire leningsovereenkomst betreffende dat goed —, maar betwisten zij de rechtmatigheid zelf van de eigendomsoverdracht van dat goed aan die koper.
72
Wat in de tweede plaats de specifieke kenmerken betreft van het geding in het kader waarvan de procedure is ingeleid, blijkt uit de rechtspraak dat het Hof reeds rekening heeft gehouden met het feit dat de betrokken consument tijdens de procedure van gedwongen executie op een hypothecair onderpand de mogelijkheid had om zich tegen die procedure te verzetten of de opschorting ervan te vragen op grond dat een oneerlijk beding afbreuk had gedaan aan de leningsovereenkomst waarop die zekerheid betrekking had, en met de vraag of die consument van dergelijke rechtswegen gebruik had gemaakt (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander, C-598/15, EU:C:2017:945, punt 49).
73
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 niet van toepassing zijn op een geschil dat betrekking heeft op de bescherming van de zakelijke rechten die de verkrijger van een onroerend goed rechtmatig heeft verworven, wanneer deze rechten zijn overgedragen zonder dat de consument gebruik heeft gemaakt van de rechtswegen die in die context voor hem openstonden (zie in die zin arrest van 7 december 2017, Banco Santander, C-598/15, EU:C:2017:945, punt 50).
74
In een situatie als die in het hoofdgeding kan de houding van de consument wat de buitengerechtelijke procedure van gedwongen executie betreft daarentegen niet als volledig passief worden aangemerkt. Integendeel, ten eerste hebben verweerders in het hoofdgeding een vordering ingesteld om de voortzetting van die procedure te staken, en hebben zij daarbij tevens een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend met het oog op opschorting van die procedure. Volgens de verwijzende rechter was deze voorziening in rechte de enige manier om zich tegen de uitvoering van een buitengerechtelijke openbare verkoop te verzetten.
75
Onder voorbehoud van de door die rechter te verrichten beoordeling kan het feit dat verweerders in het hoofdgeding na de betrokken openbare verkoop afstand van instantie hebben gedaan, niet afdoen aan de vaststelling dat deze verweerders niet passief zijn gebleven. Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, strekte die vordering er namelijk toe de bank te gelasten af te zien van executie op het betrokken hypothecaire onderpand bij wege van een buitengerechtelijke openbare verkoop, en omvatte deze tevens een verzoek tot opschorting van die executoriale procedure. Verweerders in het hoofdgeding konden dus redelijkerwijs aannemen dat de vordering zonder voorwerp was geraakt nadat de openbare verkoop had plaatsgevonden, aangezien een rechter op dat moment geen uitspraak meer kon doen om de executie op dat onderpand te staken of te schorsen.
76
Bovendien is het juist dat verweerders in het hoofdgeding, zoals verzoekster in het hoofdgeding en de Slowaakse regering betogen, geen vordering tot nietigverklaring van die verkoop hebben ingesteld op grond van § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop. Om te beginnen zij opgemerkt dat, volgens de toelichting van de verwijzende rechter, de nietigverklaring van een vrijwillige openbare verkoop op grond van deze bepaling slechts op drie gronden kan worden gevorderd, en dat de onrechtmatigheid van bedingen in een door een consument gesloten kredietovereenkomst daar niet onder valt. Daarnaast heeft de Slowaakse regering verwezen naar twee beslissingen van de Najvyšší súd van 2022 volgens welke de bescherming tegen oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten onder de in die bepaling genoemde nietigheidsgronden van een buitengerechtelijke openbare verkoop valt. Gelet op het antwoord van de verwijzende rechter op het hem ter zake gerichte verzoek om verduidelijking, dat in de punten 41 en 42 van het onderhavige arrest is uiteengezet, kon van een gemiddelde consument, die wordt gedefinieerd als normaal geïnformeerd en redelijk omzichtig en oplettend [arrest van 4 juli 2024, Caixabank e.a. (Transparantietoetsing in een collectieve vordering), C-450/22, EU:C:2024:577, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak], evenwel niet worden verwacht dat hij vooruitliep op de uitlegging die de Najvyšší súd vijf jaar na de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verkoop heeft gegeven aan § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om ter zake de nodige verificaties te verrichten.
77
Ten tweede wijst de verwijzende rechter erop dat verweerders in het hoofdgeding op de tweede zitdag van de openbare verkoop van het betrokken onroerend goed verzoekster in het hoofdgeding en de veilingmeester in kennis hebben gesteld van het lopende verzoek om voorlopige maatregelen tot opschorting van de gedwongen executie op het betrokken hypothecaire onderpand. Hoewel verzoekster in haar schriftelijke opmerkingen betwist dat zij van het bestaan van dit verzoek in kennis is gesteld, dient eraan te worden herinnerd dat in het kader van de procedure die is neergelegd in artikel 267 VWEU, die is gebaseerd op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en het Hof, elke beoordeling van de feiten van de zaak tot de bevoegdheid van de nationale rechter behoort (arrest van 19 december 2024, Rustrans, C-392/23, EU:C:2024:1052, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zodat het Hof door die beoordeling is gebonden.
78
Evenzo staat het uitsluitend aan de verwijzende rechter om bij de beslechting ten gronde van het hoofdgeding vast te stellen of uit de omstandigheden waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop heeft plaatsgevonden en die volgens hem verontrustend zijn — met name gelet op het feit dat de begunstigde vennootschap die actief is op het gebied van kredietverlening en het beheer en onderhoud van onroerende goederen, was ingelicht dat er bij een rechter een procedure aanhangig was tot vaststelling van het oneerlijke karakter van het beding betreffende vervroegde opeisbaarheid dat aan die verkoop ten grondslag lag —, kan worden afgeleid dat die vennootschap bij die verkoop te kwader trouw heeft gehandeld. Indien dat het geval is, moet hij daaruit de gevolgen trekken die het nationale recht verbindt aan de kwade trouw met betrekking tot de rechtmatigheid van die verkoop.
79
In de derde en de laatste plaats moet in overeenstemming met de in punt 64 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak worden opgemerkt dat er volgens de verwijzende rechter op de datum van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop onderling overeenstemmende aanwijzingen bestonden dat de overeenkomst, die ten grondslag ligt aan de gedwongen executie op het betrokken hypothecaire onderpand mogelijk een oneerlijk beding bevatte. Zoals blijkt uit punt 33 van het onderhavige arrest, betwijfelt deze rechter immers of het beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat tot die gedwongen executie heeft geleid, in overeenstemming is met het transparantievereiste.
80
Uit het voorgaande volgt dat verweerders in het hoofdgeding, anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 7 december 2017, Banco Santander (C-598/15, EU:C:2017:945), niet passief zijn gebleven in het kader van de buitengerechtelijke procedure van gedwongen executie, maar dat zij integendeel gebruik hebben gemaakt van de rechtswegen waarin het Slowaakse recht voorziet om zich tegen die executie te verzetten, en de personen op wie die executie betrekking had van hun gerechtelijke stappen in kennis hebben gesteld. Deze procedure is echter voortgezet en heeft tot de openbare verkoop van hun gezinswoning geleid, zonder enige rechterlijke toetsing van de grondslag van de schuldvordering waarvan de bank betaling vorderde, en dit ondanks het feit dat er onderling overeenstemmende aanwijzingen bestonden dat het beding inzake vervroegde opeisbaarheid dat aan die executie ten grondslag lag, mogelijk oneerlijk was.
81
In het kader van een geding dat wordt gekenmerkt door al deze omstandigheden, vereist de volle werking van de bescherming die door richtlijn 93/13 aan de consument is verleend en het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat de betrokken consumenten zich in het kader van een reconventionele vordering zoals die in het hoofdgeding, kunnen beroepen op artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van deze richtlijn om de rechtmatigheid van de eigendomsoverdracht van het betrokken onroerend goed op de begunstigde vennootschap te betwisten.
82
Uit het voorgaande volgt namelijk dat in die omstandigheden de bescherming van de rechtszekerheid van de reeds aan een derde verrichte eigendomsoverdracht, waarnaar het Hof heeft verwezen in de context van de zaken die hebben geleid tot de arresten van 7 december 2017, Banco Santander (C-598/15, EU:C:2017:945), en 17 mei 2022, Ibercaja Banco (C-600/19, EU:C:2022:394), niet als absoluut kan worden beschouwd.
83
Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een gerechtelijke procedure waarbij, ten eerste, tegen een consument een vordering tot ontruiming is ingesteld door een vennootschap die in het kader van een buitengerechtelijke executie op een hypothecair onderpand dat de consument tot zekerheid in handen heeft gesteld van een professionele kredietgever, de eigendom heeft verkregen van een onroerend goed dat die consument gebruikt als gezinswoningen, ten tweede, de consument bij een reconventionele vordering de rechtmatigheid betwist van de eigendomsoverdracht van dat goed aan de begunstigde vennootschap, die heeft plaatsgevonden ondanks het feit dat er op het moment van de overdracht nog een gerechtelijke procedure tot staking van de gedwongen executie aanhangig was op grond dat de overeenkomst die aan de executie ten grondslag ligt oneerlijke bedingen bevat, en de begunstigde vennootschap vooraf door die consument van het bestaan van die procedure op de hoogte is gesteld. Dit is het geval mits er op het moment van de betrokken verkoop onderling overeenstemmende aanwijzingen bestonden dat die bedingen mogelijk oneerlijk waren, en dat de consument gebruik heeft gemaakt van de rechtswegen waarvan kon worden verwacht dat een gemiddelde consument ze zou instellen, teneinde die bedingen door een rechter te laten toetsen.
— Tweede vraag
84
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een buitengerechtelijke procedure van gedwongen executie op een hypothecair onderpand dat een consument tot zekerheid in handen heeft gesteld van een professionele kredietgever en dat hij als gezinswoning gebruikt, wordt voortgezet ondanks het feit dat er een verzoek om voorlopige maatregelen tot opschorting van die executie aanhangig is, en die regeling bovendien niet in de mogelijkheid voorziet om de nietigheid van die executie te vorderen wegens de oneerlijkheid van bedingen in de overeenkomst die aan die executie ten grondslag ligt.
85
In dit verband moet — zoals in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht — ieder geval waarin de vraag rijst of een nationale procesregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, worden onderzocht, met name rekening houdend met de plaats van die regel in de gehele procedure, het verloop en de bijzondere kenmerken ervan.
86
Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, biedt de wet inzake vrijwillige openbare verkoop — waarvan de verwijzende rechter de verenigbaarheid met richtlijn 93/13 in twijfel trekt — een professionele kredietgever de mogelijkheid om een zakelijk zekerheidsrecht ten uitvoer te leggen op basis van een kredietovereenkomst zonder voorafgaande tussenkomst van een rechter om de grondslag van de betrokken vordering na te gaan, ook wanneer het gaat om een hypotheek op de gezinswoning van een consument.
87
Hoewel richtlijn 93/13 op zichzelf niet in de weg staat aan buitengerechtelijke procedures van gedwongen executie die worden gevoerd door andere instanties dan rechterlijke instanties en waarbij consumenten niet kunnen aanvoeren dat de overeenkomst die aan de betrokken executoriale procedure ten grondslag ligt, oneerlijke bedingen bevat (zie naar analogie met betrekking tot de rol die kan worden toebedeeld aan de notaris op het gebied van toetsing van oneerlijke contractbedingen, arrest van 1 oktober 2015, ERSTE Bank Hungary, C-32/14, EU:C:2015:637, punten 47, 48 en 65), moeten de lidstaten de consumenten niettemin passende en doeltreffende rechtswegen ter beschikking stellen om te waarborgen dat zij niet door dergelijke bedingen worden gebonden.
88
Er zij echter ook aan herinnerd dat het Hof met betrekking tot de wet inzake vrijwillige openbare verkoop heeft geoordeeld dat richtlijn 93/13 zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een verkoper, bij de toepassing van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid in een consumentenkredietovereenkomst, de uit hoofde van dat beding verschuldigde bedragen kan invorderen door de verkoop van de gezinswoning van de consument buiten elke gerechtelijke procedure om (zie in die zin arrest van 9 november 2023, Všeobecná úverová banka, C-598/21, EU:C:2023:845, punten 84 en 90).
89
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat een consument, om zich te verzetten tegen een buitengerechtelijke openbare verkoop en om zich te beroepen op een mogelijk oneerlijk beding in de overeenkomst die aan die verkoop ten grondslag ligt, een gerechtelijke procedure moet instellen in het kader waarvan hij bij wijze van voorlopige maatregel ook om opschorting van de verkoop kan verzoeken tot de uitspraak op het beroep ten gronde. Uit § 19, lid 1, onder b), tweede volzin, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop volgt echter dat de veilingmeester alleen van de verkoop moet afzien indien een rechter een voorlopige maatregel in die zin heeft toegepast.
90
Zoals blijkt uit de situatie in het hoofdgeding, maakt die bepaling het mogelijk om de gedwongen executie voort te zetten, ondanks het feit dat een verzoek om voorlopige maatregelen, dat met het oog op de opschorting van die executie is ingediend, aanhangig is bij een rechter, wat aldus kan leiden tot de overdracht van het eigendomsrecht op een onroerend goed — zelfs wanneer het gaat om de gezinswoning van de consument — voordat die rechter uitspraak heeft gedaan op dat verzoek en hoewel er onderling overeenstemmende aanwijzingen zijn dat de overeenkomst die aan de gedwongen executie ten grondslag ligt, mogelijk een oneerlijk beding bevat.
91
Hoewel de rechter op grond van § 325 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering voorlopige maatregelen — zoals de opschorting van een buitengerechtelijke openbare verkoop — kan gelasten, moet bijgevolg worden vastgesteld dat dit rechtsmiddel de consument geen daadwerkelijke mogelijkheid lijkt te bieden om vóór die verkoop de potentieel oneerlijke bedingen van de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de betrokken executie te laten toetsen, of deze ten minste prima facie te laten toetsen in het kader van een verzoek om voorlopige maatregelen, ook al is de toekenning van een dergelijke maatregel noodzakelijk om de doeltreffendheid van de beslissing op het beroep ten gronde te waarborgen.
92
Zoals blijkt uit de in punt 59 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, vereist artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 in dit verband dat de consument niet verstoken blijft van een daadwerkelijke mogelijkheid om opschorting te verkrijgen van een executoriale procedure die is ingeleid op grond van een executoriale titel die is gebaseerd op een contractueel beding waarvan de geldigheid in rechte wordt betwist wegens het oneerlijke karakter ervan, aangezien de beslissing op het beroep ten gronde waarbij het oneerlijke karakter van dat beding wordt vastgesteld, zonder een dergelijke opschorting, de consument slechts bescherming achteraf biedt die uitsluitend in schadevergoeding bestaat en die onvolledig en ontoereikend is en derhalve geen geschikt en doeltreffend middel vormt om een einde te maken aan het gebruik van dat beding.
93
Dit vereiste is des te meer gerechtvaardigd, zoals blijkt uit de in punt 60 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, wanneer, zoals in het hoofdgeding, de procedure van gedwongen executie betrekking heeft op de woning van de consument en zijn gezin, waarvan de bescherming valt onder het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde grondrecht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven.
94
Wat betreft de aan consumenten geboden mogelijkheid om de gevolgen van een buitengerechtelijke openbare verkoop achteraf ongedaan te maken, voorziet § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop in het recht om binnen drie maanden na de openbare verkoop de nietigheid ervan te vorderen in geval van betwisting van de rechtsgeldigheid van de betrokken overeenkomst tot zakelijke zekerheidstelling of schending van de bepalingen van deze wet.
95
De verwijzende rechter heeft dienaangaande verduidelijkt dat die bepaling consumenten niet de mogelijkheid biedt om de nietigheid van een buitengerechtelijke openbare verkoop te vorderen op grond dat de overeenkomst die aan de betrokken executie ten grondslag ligt oneerlijke bedingen bevat, en dat in casu op het moment waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop heeft plaatsgevonden, in Slowakije nog geen arrest was gewezen waarbij die verkoop op die grond nietig was verklaard. Zoals in punt 41 van het onderhavige arrest is vermeld, heeft deze rechter erop gewezen dat er thans nog steeds geen voldoende vaste rechtspraak in die zin bestaat.
96
In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Slowaakse regering daarentegen aangevoerd dat de door de verwijzende rechter gegeven uitlegging van § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop onjuist is. In dit verband heeft deze regering verwezen naar rechtspraak van de Najvyšší súd, die wordt geïllustreerd door twee beslissingen van die hoogste rechterlijke instantie die in de loop van 2022 zijn genomen en waarin die rechter die bepaling aldus heeft uitgelegd dat oneerlijke bedingen in de overeenkomst die aan een buitengerechtelijke gedwongen executie ten grondslag ligt, een grond vormen voor nietigverklaring van de verkoop die in het kader van die executie heeft plaatsgevonden. Een uitlegging in die zin dringt zich op, aangezien een openbare verkoop niet noodzakelijkerwijs wordt voorafgegaan door een rechterlijke toetsing van de schuldvordering.
97
De Slowaakse regering heeft in het antwoord op de vragen die haar overeenkomstig artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering zijn gesteld, daaraan toegevoegd dat die rechtspraak door de Najvyšší súd is bevestigd in een nieuw arrest van 27 november 2023, waarin die hoogste rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat rechters in procedures tot nietigverklaring van een buitengerechtelijke openbare verkoop ambtshalve moeten onderzoeken of de met een consument gesloten overeenkomst tot zakelijke zekerheidstelling geen oneerlijke bedingen bevat, teneinde een passende rechtsbescherming van de consument te waarborgen.
98
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat het in het kader van een krachtens artikel 267 VWEU ingeleide procedure niet aan het Hof staat om zich uit te spreken over de uitlegging van nationale bepalingen, aangezien dit de exclusieve bevoegdheid van de nationale gerechten is (arrest van 28 februari 2019, Gradbeništvo Korana, C-579/17, EU:C:2019:162, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
99
Indien § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop voortaan door de Najvyšší súd wordt uitgelegd op de wijze zoals uiteengezet in de punten 96 en 97 van het onderhavige arrest — hetgeen door de verwijzende rechter dient te worden vastgesteld —, dan zou deze omstandigheid, zoals de advocaat-generaal in punt 79 van haar conclusie heeft opgemerkt, niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of verweerders in het hoofdgeding, gelet op de datum van de openbare verkoop in het hoofdgeding, redelijkerwijs hadden kunnen verwachten dat deze verkoop nietig zou worden verklaard in het kader van een beroep dat krachtens deze bepaling was ingesteld binnen drie maanden na de openbare verkoop van het betreffende onroerend goed. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties lijkt de door de Najvyšší súd aan die bepaling gegeven uitlegging juist te zijn ingegeven door de noodzaak om te verhelpen dat die bepaling niet voorziet in de mogelijkheid om de nietigheid te vorderen van een openbare verkoop wegens de oneerlijkheid van bedingen in de overeenkomst die aan die verkoop ten grondslag ligt.
100
Uit het voorgaande volgt dat de rechtswegen waarover verweerders in het hoofdgeding ten tijde van de in dat geding aan de orde zijnde openbare verkoop beschikten — onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties — niet voldeden aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Zij boden namelijk geen daadwerkelijke mogelijkheid om deze verkoop in het kader van de gedwongen executie op te schorten teneinde door een rechter te laten toetsen of de overeenkomst die aan die executie ten grondslag ligt mogelijk een oneerlijk beding bevat, ook al was er reeds een verzoek tot opschorting aanhangig bij een rechter. Die rechtswegen boden evenmin de mogelijkheid om wegens dat beding de nietigheid van die verkoop te vorderen, en dit ondanks het feit dat er onderling overeenstemmende aanwijzingen bestonden dat dit beding mogelijk oneerlijk was.
101
De aspecten waarop de verwijzende rechter in het kader van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft gewezen, en die met name in punt 95 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, tonen derhalve aan dat de bepalingen van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop minstens op het tijdstip waarop de openbare verkoop in het hoofdgeding heeft plaatsgevonden, het in de praktijk uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk maakten om die rechten te beschermen.
102
Teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven met betrekking tot de mogelijkheid om § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop uit te leggen in overeenstemming met de bepalingen van richtlijn 93/13, moet worden opgemerkt dat een dergelijke uitlegging, gelet op de door de Slowaakse regering aangehaalde recente rechtspraak van de Najvyšší súd waarnaar in de punten 96 en 97 van het onderhavige arrest wordt verwezen, niet lijkt te zijn uitgesloten.
103
Indien de verwijzende rechter tot de slotsom komt dat hij § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop, wat de daarin genoemde gronden voor nietigverklaring betreft, mag uitleggen in overeenstemming met richtlijn 93/13, moet worden opgemerkt dat dit § 21, lid 2, eveneens bepaalt dat een vordering tot nietigverklaring binnen drie maanden na de openbare verkoop moet worden ingesteld. In dit verband kon, zoals blijkt uit de punten 76 en 99 van het onderhavige arrest, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, niet redelijkerwijs van verweerders in het hoofdgeding worden verwacht dat zij op grond van die bepaling een vordering tot nietigverklaring van de betrokken openbare verkoop zouden instellen. Het gewicht van het openbaar belang dat ten grondslag ligt aan de bescherming die deze richtlijn aan de consument verleent, en de noodzaak om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen daaraan ontlenen — hetgeen met name een vereiste van effectieve rechterlijke bescherming impliceert —, rechtvaardigen dat verweerders in het hoofdgeding, bij gebreke van doeltreffende rechtswegen waarmee zij vóór de openbare verkoop de rechten konden doen gelden die zij aan die richtlijn ontleenden, niet worden uitgesloten van de mogelijkheid om in het hoofdgeding op te komen tegen de gedwongen executie die tot die openbare verkoop heeft geleid (zie naar analogie arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C-600/19, EU:C:2022:394, punten 45, 49 en 50).
104
Aangezien uit het voorgaande volgt dat de verwijzende rechter genoopt zou kunnen zijn om de nietigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbare verkoop vast te stellen en bijgevolg de rechtsverhouding tussen verweerders in het hoofdgeding en de bank te herstellen in de toestand zoals die bestond vóór die verkoop, moet die rechter bovendien onderzoeken of het in het licht van het toepasselijke nationale recht mogelijk is om de bank krachtens een passende procedureregel aan de procedure te laten deelnemen, met name door middel van een vrijwillige interventie of, in voorkomend geval, door middel van een gedwongen interventie.
105
Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een buitengerechtelijke procedure van gedwongen executie op een hypothecair onderpand dat een consument tot zekerheid in handen heeft gesteld van een professionele kredietgever en dat hij als gezinswoning gebruikt, wordt voortgezet ondanks het feit dat er bij een rechterlijke instantie een verzoek om voorlopige maatregelen tot opschorting van die executie aanhangig is en er onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan over een mogelijk oneerlijk beding in de overeenkomst die aan die executie ten grondslag ligt, en welke regeling bovendien niet voorziet in de mogelijkheid om de nietigheid van die executie langs gerechtelijke weg te vorderen wegens de oneerlijkheid van bedingen in die overeenkomst.
Derde vraag
106
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat de executie van een zakelijk zekerheidsrecht krachtens een oneerlijk contractueel beding inzake de vervroegde opeisbaarheid van een schuldvordering uit hoofde van een consumentenkredietovereenkomst een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van deze richtlijn vormt, te weten in het bijzonder een agressieve handelspraktijk in de zin van de artikelen 8 en 9 van die richtlijn, waardoor de professionele kredietgever en de onderneming die zich bezighoudt met het houden van openbare verkopen en die dat zakelijk zekerheidsrecht ten uitvoer legt, aansprakelijk kunnen worden gesteld.
107
Verzoekster in het hoofdgeding, de Slowaakse regering en de Europese Commissie betogen dat deze vraag niet-ontvankelijk is.
108
In dit verband moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter niet uiteenzet waarom een antwoord op die vraag noodzakelijk is om hem in staat te stellen uitspraak te doen in het hem voorgelegde geschil, in de zin van de in punt 45 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
109
Bovendien heeft een handelspraktijk, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen stelt, naar zijn aard tot doel de consument ertoe te brengen over een transactie een besluit te nemen waartoe hij anders niet had besloten. De verwijzingsbeslissing zet echter niet duidelijk uiteen welk soort commerciële beslissing verweerders in het hoofdgeding zouden hebben genomen waarop de bank of de veilingmeester invloed zou hebben uitgeoefend.
110
Een antwoord op de derde vraag gaat dus verder dan de rechterlijke taak die krachtens artikel 267 VWEU op het Hof rust, zodat deze vraag derhalve niet-ontvankelijk is.
Kosten
111
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij van toepassing zijn op een gerechtelijke procedure waarbij, ten eerste, tegen een consument een vordering tot ontruiming is ingesteld door een vennootschap die in het kader van een buitengerechtelijke executie op een hypothecair onderpand dat de consument tot zekerheid in handen heeft gesteld van een professionele kredietgever, de eigendom heeft verkregen van een onroerend goed dat die consument gebruikt als gezinswoning en, ten tweede, de consument bij een reconventionele vordering de rechtmatigheid betwist van de eigendomsoverdracht van dat goed aan de begunstigde vennootschap, die heeft plaatsgevonden ondanks het feit dat er op het moment van de overdracht nog een gerechtelijke procedure tot staking van de gedwongen executie aanhangig was op grond dat de overeenkomst die aan de executie ten grondslag ligt oneerlijke bedingen bevat, en de begunstigde vennootschap vooraf door die consument van het bestaan van die procedure op de hoogte is gesteld. Dit is het geval mits er op het moment van de betrokken verkoop onderling overeenstemmende aanwijzingen bestonden dat die bedingen mogelijk oneerlijk waren, en dat de consument gebruik heeft gemaakt van de rechtswegen waarvan kon worden verwacht dat een gemiddelde consument ze zou instellen, teneinde die bedingen door een rechter te laten toetsen.
- 2)
Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een buitengerechtelijke procedure van gedwongen executie op een hypothecair onderpand dat een consument tot zekerheid in handen heeft gesteld van een professionele kredietgever en dat hij als gezinswoning gebruikt, wordt voortgezet ondanks het feit dat er bij een rechterlijke instantie een verzoek om voorlopige maatregelen tot opschorting van die executie aanhangig is en er onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan over een mogelijk oneerlijk beding in de overeenkomst die aan die executie ten grondslag ligt, en welke regeling bovendien niet voorziet in de mogelijkheid om de nietigheid van die executie langs gerechtelijke weg te vorderen wegens de oneerlijkheid van bedingen in die overeenkomst.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑06‑2025
Conclusie 14‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Richtlijn 93/13/EEG — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Consumentenkredietovereenkomst — Zakelijk zekerheidsrecht op onroerend goed — Onroerend goed dat de gezinswoning van de consument is — Vervroegd opeisbaarheidsbeding voor terugbetaling van krediet — Buitengerechtelijke verkoop van de woning van de consument
L. Medina
Partij(en)
Zaak C-351/231.
GR REAL s. r. o.
tegen
PO,
RT
[Verzoek van de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het baanbrekende arrest Aziz2.toont aan hoe consumentenrecht, hypotheekrecht en mensenrechten met elkaar verweven zijn.3. Sinds dat arrest heeft de rechtspraak van het Hof over richtlijn 93/13/EEG4. in verband met de hypothecaire executieprocedure ten aanzien van woningen geleid tot de ontwikkeling van sterke procedurele waarborgen voor consumenten. De uitlegging door het Hof van richtlijn 93/13 in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) heeft gezorgd voor de opkomst van een ‘sterk rechtsbeschermingsstelsel’5. tegen hypothecaire executies.
2.
De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid om de procedurele waarborgen tegen oneerlijke bedingen in de context van buitengerechtelijke hypothecaire executieprocedures te ontwikkelen en dieper in te gaan op de gevolgen van beweerde procedurele gebreken op de mogelijkheden voor consumenten om zich na de openbare verkoop van het met een hypotheek verzekerde onroerend goed te verzetten tegen ontruiming.
II. Relevante bepalingen
A. Unierecht
1. Richtlijn 93/13
3.
Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:
‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
B. Slowaaks recht
1. Burgerlijk wetboek
4.
§ 151j, lid 1, van de zákon č. 40/1964 Zb. Občiansky zákonník (wet nr. 40/1964 betreffende het burgerlijk wetboek), zoals van toepassing op het geschil in het hoofdgeding (hierna: ‘burgerlijk wetboek’), bepaalt:
‘Indien een door een zekerheidsrecht gewaarborgde schuldvordering niet naar behoren en tijdig wordt voldaan, kan de zekerheidsnemer de tenuitvoerlegging van het zekerheidsrecht inleiden. In het kader van de tenuitvoerlegging van het zekerheidsrecht kan de zekerheidsnemer ofwel voldoening verkrijgen op de contractueel overeengekomen wijze dan wel door openbare verkoop van het onderpand krachtens een bijzondere wet, ofwel voldoening eisen door middel van verkoop van het onderpand krachtens de bijzondere wetten, tenzij bij dit wetboek of een bijzondere wet anders is bepaald.’
5.
§ 565 van het burgerlijk wetboek luidt als volgt:
‘Ingeval een schuldvordering in termijnen wordt voldaan, kan de schuldeiser niet verlangen dat wegens niet-betaling van een van de maandelijkse termijnen de gehele schuldvordering wordt afgelost, tenzij dit tussen partijen is overeengekomen of in een rechterlijke beslissing is bepaald. De schuldeiser kan dit recht evenwel uiterlijk op de vervaldatum van de eerstvolgende termijn uitoefenen.’
2. Wet inzake vrijwillige openbare verkoop
6.
Volgens § 16, lid 1, van de zákon č. 527/2002 Z. z. o dobrovol'ných dražbách (wet nr. 527/2002 inzake vrijwillige openbare verkoop, zoals gewijzigd; hierna: ‘wet inzake vrijwillige openbare verkoop’) kan een goed slechts in het openbaar worden verkocht op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de aanvrager van de openbare verkoop en de organisator van de openbare verkoop.
7.
§ 19, lid 1, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop luidt als volgt:
‘De organisator van de openbare verkoop is gehouden om uiterlijk voorafgaand aan de aanvang van de openbare verkoop van het houden ervan af te zien:
- a)
indien de aanvrager van de openbare verkoop daar schriftelijk om verzoekt,
- b)
indien aan de organisator van de openbare verkoop met behulp van een uitvoerbaar vonnis wordt aangetoond dat de aanvrager van de openbare verkoop niet gerechtigd is om een dergelijke verkoop aan te vragen; indien de rechter een voorlopige maatregel treft, volstaat het om aan de organisator van de openbare verkoop aan te tonen dat de rechter een dergelijke maatregel heeft toegepast,
[…]’
8.
§ 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop bepaalt:
‘Indien de geldigheid van de overeenkomst tot vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht wordt betwist of de bepalingen van de onderhavige wet niet zijn nagekomen, kan eenieder die stelt door die schending in zijn rechten te zijn geschaad, de rechter verzoeken de openbare verkoop nietig te verklaren. Dit recht vervalt echter drie maanden na de openbare verkoop, tenzij de grondslag van het verzoek om nietigverklaring bestaat in een strafbaar feit en de verkoop een woning of appartement betreft waarin de vorige eigenaar officieel verblijf hield op het ogenblik van de openbare verkoop overeenkomstig de bijzondere bepalingen; in dat geval kan ook na het verstrijken van die termijn om de nietigverklaring van de openbare verkoop worden verzocht.’
3. Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
9.
§ 325, lid 1, van de zákon 160/2015 Z. z. Civilný sporový poriadok (wet nr. 160/2015 inzake het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) bepaalt:
‘De rechter kan voorlopige maatregelen gelasten indien de verhoudingen tussen de partijen onmiddellijk dienen te worden geregeld of indien er een risico bestaat dat de uitvoering van de rechterlijke beslissing in gevaar komt.’
III. Het geschil in het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
10.
Op 7 april 2011 hebben PO en RT, verweerders in het hoofdgeding, bij Slovenská Sporiteľňa, a.s. (hierna: ‘bank’) een consumentenkrediet ten bedrage van 63 000 EUR genomen. Dat krediet moest met ingang van 20 juni 2011 worden terugbetaald in maandelijkse termijnen van 424,41 EUR, met 20 januari 2030 als de uiterste aflossingsdatum. Op dezelfde dag hebben verweerders als zekerheid voor de lening tevens een overeenkomst tot vestiging van een hypoheek gesloten. Die overeenkomst had betrekking op de gezinswoning van PO en RT en hun drie kinderen.
11.
Bij brief van 3 november 2016 deelde de bank PO en RT mee dat het krediet met onmiddellijke ingang opeisbaar zou worden gesteld en werden zij verzocht de uitstaande schuld ten bedrage van 56 888,08 EUR te voldoen.6. Naar Slowaaks recht heeft een persoon die een hypotheekovereenkomst ten uitvoer legt het recht om de vrijwillige openbare verkoop van het door die hypotheek gedekte goed aan te vragen indien dit tussen partijen is overeengekomen.
12.
Op 21 april 2017 hebben PO en RT bij de Okresný súd Prešov (rechter in eerste aanleg, Prešov, Slowakije; hierna: ‘Okresný súd’) een vordering ingesteld, waarbij zij die rechter verzochten om de bank te gelasten af te zien van executie van de hypotheek door middel van een vrijwillige openbare verkoop. PO en RT voerden aan dat de bank het volledige krediet niet vervroegd opeisbaar mocht verklaren, omdat partijen bij sluiting van de overeenkomst daarover geen afspraken hadden gemaakt. Zij verzochten tevens om de bank bij voorlopige maatregel te gelasten de executie op te schorten zolang de procedure ten gronde niet was afgesloten.
13.
Op 25 april 2017 vond de eerste ronde van de openbare verkoop plaats, waarbij PO onder verwijzing naar de aanhangige gerechtelijke procedure bezwaar tegen de verkoop heeft gemaakt. De eerste ronde van de vrijwillige openbare verkoop mislukte omdat niemand een bod uitbracht.
14.
Bij beschikking van 26 mei 2017 heeft de Okresný súd het verzoek tot toepassing van een voorlopige maatregel afgewezen, zonder in te gaan op het argument van verweerders dat de bank hun rechten had geschonden door het volledige krediet opeisbaar te verklaren. PO en RT zijn tegen deze beschikking opgekomen bij de Krajský súd v Prešove (rechter in tweede aanleg Prešov, Slowakije).
15.
Terwijl deze beroepsprocedure aanhangig was, vond op 18 juli 2017 de tweede biedronde plaats. Bij die gelegenheid heeft PO de organisator van de openbare verkoop en de notaris erop gewezen dat er een gerechtelijke procedure tot staking van de tenuitvoerlegging van de hypotheek aanhangig was. Noch de notaris, noch de organisator van de openbare verkoop hebben echter nota genomen van de verklaring van PO.
16.
De succesvolle bieder op de openbare verkoop was GR REAL, een vennootschap die zich onder meer bezighoudt met het verstrekken van kredieten of leningen, alsook met het onderhouden van residentiële en niet-residentiële activa. Volgens het Slowaakse recht wordt de eigendom van het onroerend goed na de openbare verkoop toegekend aan de succesvolle bieder.
17.
Bij beslissing van 9 augustus 2017 heeft de Krajský súd v Prešove uitspraak gedaan op het beroep van PO en RT, de uitspraak van de Okresný súd vernietigd en de zaak naar die rechter terugverwezen. Volgens de Krajský súd v Prešove had de rechter in eerste aanleg met name moeten ingaan op de stelling van PO en RT dat zij geen overeenkomst met de bank hadden gesloten op basis waarvan het volledige krediet vervroegd opeisbaar kon worden verklaard.7. De rechter in eerste aanleg had bovendien het evenredigheidsbeginsel moeten toepassen en moeten nagaan of de vrijwillige verkoop een geschikte maatregel was. Daarbij had hij onder meer in aanmerking moeten nemen dat het openbaar te koop aangeboden goed de gezinswoning van PO en RT was en dat er alternatieve mogelijkheden bestonden om de schuld te voldoen.
18.
Op 19 december 2017 hebben PO en RT hun vordering tot staking van de hypothecaire executie bij vrijwillige openbare verkoop ingetrokken omdat deze verkoop reeds had plaatsgevonden en hun vordering daardoor zonder voorwerp was geraakt. Bij beslissing van 11 januari 2018 heeft de Okresný súd de behandeling van de procedure geschorst en PO en RT veroordeeld tot betaling van alle door de bank gemaakte proceskosten.
19.
GR REAL werd ten gevolge van de openbare verkoop in het kadaster geregistreerd als eigenaar van het huis, en heeft PO en RT gemaand de gezinswoning te ontruimen.
20.
PO en RT weigerden de woning te verlaten. Zij verblijven daar met hun drie kinderen, waarvan er twee minderjarig zijn en aan een ernstige psychische stoornis lijden. PO heeft bovendien een beroerte gehad en heeft dagelijkse zorg nodig.
21.
GR REAL heeft de nutsvoorzieningen, zoals water en elektriciteit, laten afsluiten en bij de rechter ontruiming van het onroerend goed gevorderd. Deze vordering werd door de Okresný súd in eerste aanleg en opnieuw in beroep door de Krajský súd v Prešove, afgewezen. Beide rechters overwogen dat het de gezinswoning van PO en RT en hun drie kinderen betrof en dat ontruiming immoreel zou zijn. De Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek; hierna: ‘Najvyšší súd’) heeft bij beslissing van 8 april 2021 beide vonnissen vernietigd en verklaard dat de lagere rechters rekening moesten houden met de eigendomsrechten van GR REAL.
22.
In zijn tweede arrest heeft de Okresný súd PO en RT gelast het pand te ontruimen, en hun reconventionele vordering tot erkenning van hun eigendomsrecht op het huis afgewezen. Volgens die rechter was het onroerend goed reeds verkocht bij de vrijwillige openbare verkoop, was deze verkoop niet ongeldig verklaard en was de rechter tot wie zij zich in die zaak hadden gewend, niet bevoegd om over de nietigheid van die verkoop te beslissen.
23.
GR REAL is bij de verwijzende rechter opgekomen tegen het gedeelte van het vonnis van de rechter in eerste aanleg waarin verweerders niet werden verwezen in de proceskosten. Ook PO en RT hebben dit vonnis aangevochten voor zover zij daarbij werden gelast om hun woning te ontruimen en hun reconventionele vordering werd afgewezen.
24.
Volgens de verwijzende rechter draait het hoofdgeding om de vraag of de Unierechtelijke bepalingen inzake de bescherming van consumenten van toepassing zijn op de situatie waarin de openbare verkoop heeft plaatsgevonden ondanks het feit dat de consumenten de rechter om bescherming hebben verzocht en de aandacht van de organisator van de verkoop hebben gevestigd op de aanhangige gerechtelijke procedure.
25.
De verwijzende rechter benadrukt het belang dat de Slowaakse rechtsorde toekent aan het beginsel van de rechtszekerheid en de bescherming van de goede trouw van de succesvolle bieder die het onroerend goed verwerft. De goede trouw wordt echter niet beschermd wanneer de omstandigheden rondom de verwerving van het onroerend goed ‘verontrustend’ zijn. Het feit dat in de zaak in het hoofdgeding de verkrijger van het onroerend goed op de hoogte was gesteld van de aanhangige gerechtelijke procedure, acht de verwijzende rechter ‘verontrustend’.
26.
Wat de mogelijkheid van de consument betreft om achteraf om rechterlijke bescherming te verzoeken, wijst de verwijzende rechter erop dat § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop slechts voorziet in drie gronden voor nietigverklaring van een openbare verkoop, waarvan geen enkele de consument toestaat zich op de oneerlijkheid van een beding te beroepen. Meer in het bijzonder valt het oneerlijke karakter van het litigieuze beding inzake de vervroegde aflossing van de schuld niet onder de tweede grond, te weten ongeldigheid van de overeenkomst tot vestiging van het zakelijke zekerheidsrecht. De vervroegde opeisbaarheidsclausule heeft namelijk betrekking op de hoogte van het krediet en de uiterste datum van aflossing, en niet op de gevestigde zekerheid en de executie ervan.
27.
Volgens de verwijzende rechter is het van belang om vast te stellen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 van toepassing zijn op een procedure als die in het hoofdgeding, waar de consument gebruik heeft gemaakt van de rechtsmiddelen om de executie te staken, maar deze toch heeft plaatsgevonden. Ook wordt gevraagd of richtlijn 93/13 zich verzet tegen de Slowaakse wettelijke regeling inzake buitengerechtelijke openbare verkopen, voor zover deze de consument geen doeltreffende manieren biedt om de executie te staken.
28.
Ten slotte vraagt de verwijzende rechter wat voor de zaak in het hoofdgeding de relevantie is van richtlijn 2005/29/EG8. ten aanzien van het handelen van de organisator van de openbare verkoop.
29.
In deze omstandigheden heeft de Krajský súd v Prešove de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Zijn artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van [richtlijn 93/13] van toepassing op een procedure als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die is ingeleid door een persoon (winnende bieder) aan wie de eigendom van een onroerend goed is toegekend in het kader van een openbare verkoop en die tegelijkertijd betrekking heeft op een door een consument ingestelde reconventionele vordering tot herstel van de toestand voorafgaand aan die toekenning, wanneer de consument in de periode voorafgaand aan de buitengerechtelijke openbare verkoop rechtsmiddelen heeft aangewend die ertoe strekken de tenuitvoerlegging van een zakelijk zekerheidsrecht te staken doordat hij de rechter om toepassing van een voorlopige maatregel heeft verzocht, en deze consument de personen die aan de openbare verkoop hebben deelgenomen er voorafgaand aan die verkoop tevens van in kennis heeft gesteld dat er een gerechtelijke procedure tot staking van de tenuitvoerlegging van dat zekerheidsrecht door middel van vrijwillige openbare verkoop aanhangig is, maar de openbare verkoop ondanks die gerechtelijke procedure toch heeft plaatsgevonden?
- 2)
Moet [richtlijn 93/13] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die in het kader van de tenuitvoerlegging van een zakelijk zekerheidsrecht door een ondernemer die zich bezighoudt met het houden van particuliere openbare verkopen (hierna: ‘organisator van de openbare verkoop’) ten aanzien van een onroerend goed van een consument en ter voldoening van de schuldvordering van een bank uit hoofde van een consumentenkredietovereenkomst,
- a)
de consument niet in staat stelt om met het oog op de verdaging van de betreffende openbare verkoop op doeltreffende wijze jegens de organisator van de openbare verkoop aan te voeren dat de contractuele bedingen krachtens welke de schuldvordering van de bank geldend moet worden gemaakt oneerlijk zijn, ook al berust die schuldvordering wel degelijk op oneerlijke contractuele bedingen, namelijk op een contractueel beding inzake vervroegde opeisbaarheid,
- b)
de consument niet in staat stelt om de openbare verkoop van het door hem bewoonde onroerend goed te voorkomen, ook al heeft hij de organisator van de openbare verkoop en de bij de openbare verkoop aanwezige personen ervan in kennis gesteld dat er een gerechtelijke procedure in kort geding tot oplegging van de verplichting tot het staken van die verkoop aanhangig is, hoewel de rechter nog niet definitief op het daartoe ingediende verzoek heeft beslist, in een situatie waarin de toepassing van een voorlopige maatregel voor de consument de enige mogelijkheid vormt om voorlopige rechterlijke bescherming tegen de openbare verkoop van een onroerend goed uit hoofde van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te verkrijgen,
- c)
de consument in de omstandigheden als bedoeld in de vorige punten niet in staat stelt om de uit de omzetting van [richtlijn 93/13] voortvloeiende rechten ten volle uit te oefenen en de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken, aangezien de onderzochte wettelijke regeling de mogelijkheid tot het inroepen van de nietigheid van een openbare verkoop beperkt tot slechts drie gronden, namelijk:
- i)
de nietigheid van de overeenkomst tot vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht,
- ii)
de niet-nakoming van de [wet inzake vrijwillige openbare verkoop],
- iii)
de vaststelling dat er een strafbaar feit is gepleegd?
- 3)
Moet [richtlijn 2005/29] aldus worden uitgelegd dat de tenuitvoerlegging van een zakelijk zekerheidsrecht krachtens een oneerlijk contractueel beding inzake de vervroegde opeisbaarheid van een schuldvordering uit hoofde van een consumentenkredietovereenkomst en bijgevolg krachtens de onjuiste vaststelling van het bedrag van de uitstaande schuld een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 5 van deze richtlijn en met name een agressieve handelspraktijk in de zin van de artikelen 8 en 9 van deze richtlijn kan vormen en dat de aansprakelijkheid van de bank en de doelstellingen van [richtlijn 2005/29] niet alleen betrekking hebben op de banken maar ook gelden voor een onderneming die zich bezighoudt met het houden van openbare verkopen en die een aan een bank toegekend zakelijk zekerheidsrecht ten uitvoer legt?’
30.
GR REAL, de Slowaakse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Het Hof heeft de verwijzende rechter zowel om informatie als om verduidelijking verzocht. De verwijzende rechter heeft op die verzoeken respectievelijk op 20 juli 2023 en op 13 mei 2024 geantwoord. Ik heb overeenkomstig artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof vragen ter schriftelijke beantwoording gesteld aan partijen in het hoofdgeding en aan de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden. Partijen in het hoofdgeding, de Slowaakse regering en de Commissie hebben deze vragen beantwoord. De verwijzende rechter heeft eveneens zijn mening over die vragen gegeven.
IV. Beoordeling
A. De tweede vraag
31.
Preliminair dient te worden opgemerkt dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren.9.
32.
In de onderhavige zaak behoeft de omstandigheid dat de verwijzende rechter zijn tweede vraag formeel heeft beperkt tot de uitlegging van richtlijn 93/13, het Hof er niet van te weerhouden deze rechter alle uitleggingsgegevens te verschaffen die nuttig kunnen zijn voor de beslissing in het hoofdgeding, door uit alle door deze rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven.10.
33.
Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat de verwijzende rechter met name verzoekt om uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13. De tweede vraag heeft in wezen ook betrekking op de artikelen 7 en 47 van het Handvest, die deze onder andere noemt als relevante elementen van het Unierecht. Die vraag trekt in feite de procedurele waarborgen in twijfel die het nationale procesrecht bij buitengerechtelijke tenuitvoerlegging aan consumenten toekent wanneer die tenuitvoerlegging de woning van een consument betreft. Die bepalingen dienen derhalve, naast de Unierechtelijke instrumenten waarvan de verwijzende rechter om uitlegging vraagt, in de beantwoording te worden betrokken.
34.
Hoewel de verwijzende rechter in zijn vraag formeel opmerkt dat de consument niet in staat wordt gesteld om bij de organisator van een openbare verkoop daartegen bezwaar te maken, volgt bovendien uit de verwijzingsbeslissing dat de twijfels van die rechter meer in het algemeen betrekking hebben op het ontbreken van procedurele waarborgen die ertoe kunnen leiden dat een rechterlijke instantie de hypothecaire executieprocedure laat staken.
35.
Met de tweede vraag, die als eerste dient te worden besproken, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van artikel 7 en artikel 47 van het Handvest, aldus dienen te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als aan de orde in het hoofdgeding die, in het kader van de buitengerechtelijke executie van een hypotheek op een onroerend goed die de woning van het gezin van de consument is, enerzijds het mogelijk maken dat de openbare verkoop van dat onroerend goed plaatsvindt voordat de rechter ten gronde het contractuele beding waarop die executie berust, oneerlijk heeft verklaard, hoewel de consument had verzocht om opschorting van de openbare verkoop, en anderzijds niet voorziet in de mogelijkheid om de openbare verkoop nietig te verklaren wegens de oneerlijkheid van bedingen in de overeenkomst waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd.
36.
Opgemerkt zij dat de onderhavige vraag is gerezen in de context van een specifieke procedure voor buitengerechtelijke tenuitvoerlegging die wordt beheerst door de wet inzake vrijwillige openbare verkoop.11. Volgens die procedure kan een schuldeiser een zakelijk zekerheidsrecht ten uitvoer leggen en het onroerend goed van een debiteur (met inbegrip van een consument) in het openbaar verkopen op basis van de kredietovereenkomst, zonder voorafgaande rechterlijke toetsing van de schuldvordering.12.
37.
Bovendien kan die procedure, zoals in de onderhavige zaak, worden gebruikt ter executie van een hypotheekovereenkomst met betrekking tot een woning waarvan de nakoming is verzekerd door een vermogensbestanddeel dat voorziet in een essentiële behoefte van de consument, namelijk huisvesting.13.
38.
Er zij aan herinnerd dat het Hof in het arrest Kušionová14. heeft geoordeeld dat richtlijn 93/13 zich niet verzet tegen het Slowaakse stelsel inzake buitengerechtelijke openbare verkopen. Zoals ik in mijn conclusie in Všeobecná úverová banka15. heb opgemerkt, was daaraan echter de voorwaarde verbonden dat de debiteur over doeltreffende middelen beschikt om zich te verzetten tegen de tenuitvoerlegging van mogelijk oneerlijke bedingen.
39.
De onderhavige prejudiciële verwijzing brengt gegevens aan het licht die ernstige twijfels doen rijzen over de doeltreffendheid van de beschikbare rechtsmiddelen. De consumenten hebben met name de tenuitvoerlegging actief bestreden, maar ondanks hun optreden heeft de openbare verkoop toch plaatsgevonden.
40.
In die omstandigheden moet worden vastgesteld of richtlijn 93/13 zich verzet tegen een stelsel van buitengerechtelijke tenuitvoerlegging dat i) de consument niet voorziet van doeltreffende middelen om de openbare verkoop te verhinderen terwijl hun procedure tegen de executie aanhangig is, en ii) geen mogelijkheden biedt om de openbare verkoop op grond van oneerlijke bedingen nietig te laten verklaren.
1. Doeltreffende middelen om buitengerechtelijke executie te voorkomen
41.
Het eerste aspect van de tweede vraag van de verwijzende rechter betreft in wezen het ontbreken van doeltreffende middelen voor consumenten om de openbare verkoop van het onroerend goed te verhinderen terwijl bij de bevoegde rechter een vordering van de consument tegen de executie aanhangig is op grond dat de overeenkomst waarop de executie betrekking heeft, oneerlijke bedingen bevat.
a) Het vereiste van een doeltreffende toetsing van oneerlijke bedingen
42.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof berust het beschermingsstelsel van richtlijn 93/13 op de gedachte dat de consument zich tegenover de kredietverstrekker in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt.16.
43.
Gelet op deze zwakke positie bepaalt artikel 6, lid 1, van de richtlijn dat oneerlijke bedingen de consument niet binden. Het is een dwingende bepaling die beoogt het in de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt.17.
44.
In dit verband heeft het Hof reeds herhaaldelijk geoordeeld dat de nationale rechter ambtshalve moet toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper moet compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt.18.
45.
Gelet op de aard en het gewicht van het openbaar belang waarop de aan de consument verschafte bescherming berust, verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten bovendien, zoals blijkt uit artikel 7, lid 1, in samenhang met de vierentwintigste overweging ervan, in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien ‘om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers’.19.
46.
Het Hof heeft verklaard dat de verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen — met name de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13 —, impliceert dat moet worden gezorgd voor een doeltreffende voorziening in rechte, welk vereiste is bevestigd in artikel 7, lid 1, van die richtlijn en tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest. Dat vereiste is onder meer van toepassing op de vaststelling van gedetailleerde procedureregels betreffende rechtsvorderingen die op dergelijke rechten zijn gebaseerd.20.
47.
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat bij gebreke van een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van de bedingen van de betrokken overeenkomst, de eerbiediging van de bij richtlijn 93/13 verleende rechten niet kan worden gewaarborgd.21.
48.
Opgemerkt zij dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de eerbiediging van de door die richtlijn gewaarborgde rechten in voorkomend geval ook moet kunnen worden gewaarborgd in het kader van een tenuitvoerleggingsprocedure22., en met name in het kader van hypothecaire executieprocedures.23.
b) Doeltreffende bescherming van consumenten in de context van een hypothecaire executieprocedure
49.
Met betrekking tot hypothecaire executieprocedures heeft het Hof uitvoerige vereisten geformuleerd voor een doeltreffende voorziening in rechte tegen oneerlijke bedingen in een overeenkomst waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd.
50.
Met name volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de toetsing door de nationale rechter of een contractueel beding oneerlijk is, voorafgaand aan een openbare verkoop die de ontruiming van een consument uit zijn woning tot gevolg heeft, moet plaatsvinden. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat in een situatie waarin de procedure van gedwongen tenuitvoerlegging eindigt vóór de uitspraak van de rechter ten gronde waarbij het oneerlijke karakter van het aan de gedwongen tenuitvoerlegging ten grondslag liggende contractueel beding wordt vastgesteld en die procedure dus nietig wordt verklaard, een dergelijke uitspraak de consument — in strijd met het bepaalde in artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 — slechts bescherming achteraf biedt in de vorm van schadeloosstelling, die onvolledig en ontoereikend is en geen passend of doeltreffend middel vormt om een einde te maken aan het gebruik van dat beding.24.
51.
Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de nationale procesrechtelijke regels de rechter in staat moeten stellen voorlopige maatregelen vast te stellen om onrechtmatige hypothecaire executieprocedures, die berusten op oneerlijke contractuele bedingen, op te schorten of te beëindigen wanneer dergelijke maatregelen noodzakelijk blijken om de volle werking van zijn definitieve beslissing te verzekeren.25.
52.
Daarom vereist de door richtlijn 93/13 beoogde volle werking van de consumentenbescherming ook dat de executieprocedure kan worden geschorst, zo nodig op een wijze die de consument niet zal ontmoedigen een procedure in te leiden en voort te zetten, totdat de bevoegde rechter heeft getoetst of de betrokken overeenkomst mogelijkerwijs oneerlijke bedingen bevat.26.
53.
Die rechtspraak geldt des te meer wanneer, zoals in de onderhavige zaak, de buitengerechtelijke tenuitvoerleggingsprocedure en de overeenkomst waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, niet zijn voorafgegaan door rechterlijke toetsing en betrekking hebben op de woning van de consument en zijn gezin, dat minderjarige kinderen telt.
c) Doeltreffende bescherming van de gezinswoning van de consument
54.
De rechtspraak van het Hof kent bijzonder gewicht toe aan de omstandigheid dat het bezwaarde onroerend goed de woning van de consument is, omdat het recht op eerbiediging van de woning een door artikel 7 van het Handvest gewaarborgd grondrecht is waarmee de nationale rechter bij de uitvoering van richtlijn 93/13 rekening moet houden.27. Zoals in de academische literatuur is opgemerkt, evolueert de uitlegging van richtlijn 93/13 door het Hof ‘in de richting van de erkenning van het recht op wonen als een inherent bestanddeel van de bescherming van consumenten’.28.
55.
Gezien de gevolgen voor de fundamentele rechten van consumenten moeten hypothecaire executieprocedures tegen de woning van de consument voldoen aan ‘de strengste procedurele eisen’.29.
56.
De ‘procedurele implicaties’30. van artikel 7 van het Handvest komen soms ook tot uitdrukking in de intensiteit van de rechterlijke toetsing van bedingen die de mogelijkheid regelen om een tenuitvoerleggingprocedure in te leiden, zoals het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beding, op grond waarvan de schuldeiser de lening vervroegd opeisbaar kan verklaren en een hypothecaire executieprocedure op de woning van de consument kan inleiden.
57.
In het bijzonder heeft het Hof in het arrest Všeobecná úverová banka31. geoordeeld dat de nationale rechter, gelet op de mogelijke gevolgen van een beding betreffende een vervroegde opeisbaarheidsclausule32. in een consumentenkredietovereenkomst met de gezinswoning als zekerheid, bij zijn beoordeling of het beding eventueel oneerlijk is, met name de evenredigheid moet onderzoeken van de aan de schuldeiser geboden mogelijkheid om krachtens dit beding alle verschuldigde bedragen te vorderen.
58.
In dit verband moet die rechter, bij de beoordeling van de middelen die consumenten de mogelijkheid bieden om de gevolgen van de volledige opeisbaarheid van de op grond van de kredietovereenkomst verschuldigde bedragen ongedaan te maken, in het licht van artikel 7 van het Handvest rekening houden met de gevolgen van de ontruiming van de consument en zijn gezin uit de woning waarin zij hun hoofdverblijf hebben.33.
59.
Opgemerkt moet worden dat artikel 7 van het Handvest, dat aan eenieder het recht toekent op eerbiediging van zijn privéleven, familie- en gezinsleven, woning en communicatie, overeenkomt met artikel 8, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en dat artikel 47 van het Handvest dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht waarborgt, overeenkomt met artikel 6, lid 1, EVRM.34.
60.
Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest — dat beoogt te zorgen voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte rechten en de daarmee corresponderende rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, zonder dat dit de autonomie van het Unierecht aantast — moet het Hof bij zijn uitlegging van de door de artikelen 7 en 47 van het Handvest gewaarborgde rechten dan ook rekening houden met de daarmee corresponderende rechten die worden gewaarborgd door artikel 8, lid 1, en artikel 6, lid 1, EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), als minimumbeschermingsniveau.35.
61.
Met betrekking tot de procedure van hypothecaire executie heeft het EHRM steeds geoordeeld dat het verlies van de woning de meest extreme vorm van inmenging in het recht op eerbiediging van de woning vormt.36.
62.
In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest Rousk tegen Zweden37., had de tenuitvoerlegging plaatsgevonden vóór de definitieve beslissing in de beroepsprocedure. Uit dat arrest volgt dat een besluitvormingsproces waarvan de uitkomst zo ingrijpend kan zijn als het verlies van de woning, eerlijk moet zijn.38. Het EHRM oordeelde dat, om te verzekeren dat de in het nationale recht vastgelegde rechtsmiddelen en procedurele waarborgen ‘niet slechts in theorie maar ook in de praktijk, werkelijk beschikbaar en toereikend zijn, de ontruiming had moeten worden opgeschort tot de onderliggende geschillen waren opgelost’.39.
63.
Gelet op de rechtspraak van het Hof en het EHRM dienen consumenten voorafgaand aan de openbare verkoop van hun woning te beschikken over een doeltreffende en daadwerkelijke mogelijkheid om de oneerlijke bedingen in de overeenkomst waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, door een rechter te laten toetsen. De openbare verkoop mag niet worden afgerond voordat de bevoegde rechter heeft getoetst of de voorwaarden van de betrokken overeenkomst oneerlijk zijn. De rechterlijke toetsing van oneerlijke bedingen kan dus niet als doeltreffend worden beschouwd wanneer de openbare verkoop plaatsvindt in weerwil van een aanhangige procedure waarin de consument opkomt tegen de tenuitvoerlegging door de opschorting of de beëindiging daarvan te vorderen.
d) Toepassing op de zaak in het hoofdgeding
64.
In de onderhavige zaak zijn de consumenten opgekomen tegen de beschikking van de rechter in eerste aanleg40., waarbij hun verzoek om voorlopige maatregelen is afgewezen zonder dat is ingegaan op hun stelling dat de bank niet het recht had om de volledige lening vervroegd op te eisen. De openbare verkoop vond plaats ondanks dat de consumenten de organisator van de openbare verkoop op de hoogte hadden gesteld van het feit dat het beroep aanhangig was.
65.
Hoewel het nationaal recht bepaalde mogelijkheden biedt om de tenuitvoerlegging langs gerechtelijke weg te laten opschorten41., wijzen de omstandigheden van de zaak in het hoofdgeding erop dat de beschikbare rechtsmiddelen in de praktijk onvoldoende gecoördineerd zijn om te verzekeren dat de openbare verkoop geen voorrang krijgt op de gerechtelijke procedure. De verwijzende rechter heeft opgemerkt dat consumenten geen invloed kunnen uitoefenen op de tijd die de rechter nodig heeft om een definitieve of voorlopige beslissing te nemen. Uiteindelijk is het mogelijk dat een consument die actief voor zijn rechten opkomt, toch niet bij machte blijkt om de tenuitvoerlegging te laten opschorten.
66.
Gelet op deze omstandigheden lijken de bestaande rechtsmiddelen waarover consumenten in een buitengerechtelijke tenuitvoerleggingsprocedure kunnen beschikken, hun geen doeltreffende en daadwerkelijke gelegenheid te geven om oneerlijke bedingen door de rechter te laten toetsen en de openbare verkoop te verhinderen voordat deze plaatsvindt.
67.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest, zich verzetten tegen het aan de orde zijnde nationale rechtskader inzake buitengerechtelijke tenuitvoerlegging, voor zover dit consumenten geen doeltreffende procedurele waarborgen tegen de executoriale openbare verkoop van hun woning lijkt te bieden.
2. Nietigverklaring van de openbare verkoop op grond van het bestaan van oneerlijke bedingen
68.
Het tweede aspect van de tweede vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op het ontbreken van een mogelijkheid voor consumenten om de gevolgen van de ‘vrijwillige’ openbare verkoop achteraf ongedaan te maken. De verwijzende rechter merkt op dat geen van de drie in § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop genoemde gronden consumenten in staat stelt om zich te beroepen op de oneerlijkheid van bedingen in de overeenkomst op grond waarvan de executie wordt aangevraagd.
69.
De Slowaakse regering betoogt in haar schriftelijke opmerkingen dat de uitlegging van de bestreden nationale wettelijke regeling door de verwijzende rechter niet correct is. Zij verwijst naar recente rechtspraak van de Najvyšší súd42. waarin de relevante wetgevingsbepaling ruim wordt uitgelegd, in de zin dat het feit dat een kredietovereenkomst oneerlijke bedingen bevat, een grond vormt voor nietigverklaring van de openbare verkoop. Volgens die rechtspraak, als aangehaald door de Slowaakse regering, dient die mogelijkheid te bestaan wanneer de openbare verkoop niet is voorafgegaan door enige rechterlijke toetsing, noch door een onderzoek van de vordering of een controle dat de voorwaarden voor die verkoop in acht zijn genomen. Uit die rechtspraak volgt bovendien dat de debiteur zich moet kunnen beroepen op schending van enig procedureel of materieel vereiste, inzake de executie van de gestelde zekerheid of de verkoop, dat de geldigheid van de kredietovereenkomst of de zekerheid kan aantasten of van invloed is op de hoogte en aard van de schuldvordering.
70.
De rechtspraak van de Najvyšší súd staaft de gevolgtrekking dat een consument nietigverklaring van de openbare verkoop moet kunnen vorderen op grond van de oneerlijkheid van bedingen in de kredietovereenkomst die de basis voor tenuitvoerlegging vormden, wanneer die tenuitvoerlegging was ingeleid zonder rechterlijke toetsing van de schuldvordering.
71.
Het Hof heeft, gezien die opmerkingen van de Slowaakse regering, de verwijzende rechter verzocht om te verduidelijken of een antwoord op het onderdeel van zijn vraag betreffende de gronden voor nietigverklaring van een openbare verkoop, nog steeds gewenst was.
72.
De verwijzende rechter heeft in zijn antwoord op het verzoek om verduidelijking zijn vraag gehandhaafd. Hij merkte op dat er, toen de openbare verkoop in 2017 plaatsvond, nog geen rechtspraak bestond waarin oneerlijke bedingen werden erkend als grond voor nietigverklaring van een openbare verkoop. Hij merkte ook op dat de recente beschikkingen van de Najvyšší súd niet de vaste rechtspraak op dit punt weergeven.
73.
Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat, volgens vaste rechtspraak, in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen en het nationale recht uit te leggen en toe te passen.43.
74.
In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat het beginsel van conforme uitlegging van het nationale recht inherent is aan het systeem van de Verdragen, aangezien het de nationale rechters in staat stelt om binnen het kader van hun bevoegdheden de volle werking van het recht van de Unie te verzekeren bij de beslechting van de bij hen aanhangige gedingen.44.
75.
Volgens dit beginsel staat het aan de nationale rechterlijke instanties om, rekening houdend met alle regels van nationaal recht en overeenkomstig de daarin erkende uitleggingsmethoden, te beslissen of en in hoeverre een nationale bepaling kan worden uitgelegd in overeenstemming met de relevante bepalingen van het Unierecht.45.
76.
Dit beginsel kent een aantal beperkingen. Zo wordt de verplichting van de nationale rechters om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van het nationale recht uit te gaan van hetgeen is vastgesteld in het Unierecht, begrensd door de algemene rechtsbeginselen en kan deze verplichting niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht.46.
77.
Gelet op het feit dat de nationale rechter als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, overeenkomstig de in punt 73 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak, staat het aan de verwijzende rechter om uit te maken of § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop aldus kan worden uitgelegd dat het bestaan van oneerlijke bedingen in de overeenkomst een grond vormt om een openbare verkoop nietig te verklaren.
78.
De rechtspraak van de Najvyšší súd lijkt erop te wijzen dat een uitlegging overeenkomstig het Unierecht mogelijk is. De door de verwijzende rechter genoemde omstandigheid dat die rechtspraak nog geen vaste rechtspraak is, belet de nationale rechter niet om bepalingen conform het Unierecht uit te leggen. Volgens vaste rechtspraak kan een nationale rechter niet op goede gronden oordelen dat hij de betrokken nationale bepaling niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen op de enkele grond dat deze bepaling tot dan toe steeds is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met het Unierecht.47.
79.
Er zij niettemin op gewezen dat een uitlegging volgens welke het nationale recht consumenten in staat stelt een openbare verkoop nietig te laten verklaren op grond van de oneerlijkheid van bedingen, de vraag onverlet laat of PO en RT van die mogelijkheid gebruik hadden kunnen maken toen de openbare verkoop plaatsvond. Zoals hierboven reeds is uiteengezet, heeft de verwijzende rechter toegelicht dat de ontwikkelingen in de rechtspraak waarbij het bestaan van oneerlijke bedingen wordt erkend als grond voor nietigverklaring van een openbare verkoop, van recente datum zijn. Hij heeft tevens toegelicht dat er ten tijde van de bestreden openbare verkoop nog geen arrest was gewezen waarbij op die grond een nietigverklaring werd uitgesproken.
80.
Gezien de door de verwijzende rechter beschreven onzekerheid omtrent de uitlegging van § 21, lid 2, van de wet inzake vrijwillige openbare verkoop, kon van een gemiddelde consument, gedefinieerd als normaal geïnformeerd en redelijk omzichtig en oplettend48., niet de kennis worden verwacht dat een zodanige bepaling de nietigverklaring van een openbare verkoop op grond van de oneerlijkheid van bepaalde bedingen mogelijk maakt. Zoals een commentator het treffend formuleerde: ‘de gemiddelde consument is geen jurist’.49.Van de gemiddelde consument kan ook geen activistische instelling worden verwacht als het aankomt op het forceren van doorbraken in de rechtspraak.
81.
Gelet op het bovenstaande moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling en een nationale praktijk als aan de orde in het hoofdgeding, die in het kader van de buitengerechtelijke executie van een hypotheek op een onroerend goed die de woning van het gezin van de consument is, enerzijds het mogelijk maken dat de openbare verkoop van dat onroerend goed plaatsvindt voordat de rechter ten gronde het contractuele beding waarop die executie berust, oneerlijk heeft verklaard, hoewel de consument had verzocht om opschorting van de openbare verkoop, en anderzijds niet voorzien in de mogelijkheid om die openbare verkoop nietig te laten verklaren wegens de oneerlijkheid van bedingen in de overeenkomst op grond waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd.
B. De eerste vraag
82.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 van toepassing zijn op een procedure waarin de succesvolle bieder die een onroerend goed heeft verworven in het kader van een buitengerechtelijke executieprocedure, zijn eigendomsrechten geldend tracht te maken, terwijl de openbare verkoop heeft plaatsgevonden ondanks de gerechtelijke procedure die de consument had ingesteld om de openbare verkoop te verhinderen, en de bieder daarvan op de hoogte is gesteld.
83.
Om te beginnen zal ik de door GR REAL opgeworpen exceptie betreffende de ontvankelijkheid van de vraag onderzoeken. GR REAL betoogt in wezen dat die vraag haar niet betreft, aangezien zij de succesvolle bieder is en niet de verkoper in de zin van artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13. Zij stelt dat de vraag of de hypotheekovereenkomst oneerlijke voorwaarden bevatte, haar niet betreft.
84.
Dienaangaande zij eraan herinnerd50. dat het geschil in het hoofdgeding is gerezen in de context van een door de winnende bieder ingestelde vordering tot ontruiming en een reconventionele vordering waarbij de consumenten jegens de succesvolle bieder hun eigendomsrecht geldend willen maken. De verwijzende rechter verklaart dat GR REAL, die als eigenaar van het onroerend goed staat ingeschreven in het kadaster, in dit verband procesbevoegdheid heeft. Zoals de verwijzende rechter uiteenzet, stellen de consumenten dat zij het eigendomsrecht hebben op het huis omdat de bank niet gerechtigd was om de executieprocedure en de daaruit volgende openbare verkoop in te leiden. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, draait het in die situatie niet om de beoordeling of de hypotheekovereenkomst oneerlijke bedingen bevatte, maar om het niveau van de procedurele bescherming van consumenten tijdens de buitengerechtelijke hypothecaire executie en de gevolgen van eventuele gebreken in die procedure voor de openbare verkoop.
85.
Inhoudelijk betreft deze vraag van de verwijzende rechter de beperkingen van de toepasbaarheid van richtlijn 93/13 op een ontruimingsprocedure.51. De hoofdvraag is met name of de overdracht van het onroerend goed aan de succesvolle bieder de consument verhindert om zich op grond van richtlijn 93/13 tegen de ontruiming te verzetten wanneer de openbare verkoop van de woning plaatsvond voordat de rechterlijke procedure voor de toetsing van oneerlijke bedingen was afgerond.
86.
Zoals in deel 1 hieronder zal worden uitgelegd, vereist de doeltreffendheid van richtlijn 93/13 in beginsel niet dat het oneerlijke karakter van contractuele bedingen wordt onderzocht in situaties waarin de procedure voor gedwongen executie van de hypotheek is beëindigd en de eigendomsrechten van het onroerend goed zijn overgedragen aan een derde, wanneer een dergelijk onderzoek de rechtszekerheid van de eigendomsoverdracht aan een derde zou ondermijnen.
87.
De omstandigheden van de onderhavige zaak kunnen mijns inziens evenwel een andere afweging van de verschillende betrokken belangen rechtvaardigen.
1. De beperkingen van de toepassing van richtlijn 93/13 na eigendomsoverdracht
88.
Het arrest Banco Santander52. omschreef voor de eerste maal de beperkingen van de toepassing van richtlijn 93/13 in het geval dat een onroerend goed rechtmatig door een succesvolle bieder werd verworven. In wezen heeft het Hof in dat arrest de toepassing van richtlijn 93/13 uitgesloten in een procedure die een succesvolle bieder heeft ingesteld ter bescherming van de zakelijke rechten die hij rechtmatig heeft verworven na de openbare verkoop van een onroerend goed waarop een consument een hypotheek had genomen. Het overwoog dat de rechtszekerheid van gevestigde eigendomsbetrekkingen dreigt te worden aangetast indien wordt toegestaan dat de schuldenaar die een hypotheek heeft verleend op een onroerende zaak, aan de verkrijger van die zaak excepties tegenwerpt die zijn ontleend aan de hypothecaire leningsovereenkomst ten aanzien waarvan die verkrijger mogelijkerwijze een derde is.53.
89.
Een van de voorwaarden waaraan de beperkingen van de toepasbaarheid van richtlijn 93/13 evenwel waren onderworpen, was de beschikbaarheid van rechtsmiddelen, daaronder begrepen de mogelijkheid voor de consument om zich tegen die procedure te verzetten of de schorsing ervan te vragen op grond van het feit dat de hypothecaire leningsovereenkomst een oneerlijk beding bevat, en tevens om te verzoeken om vaststelling van voorlopige maatregelen.54. In de zaak die de aanleiding vormde voor het arrest Banco Santander nam het Hof de omstandigheid in aanmerking dat de consument geen gebruik had gemaakt van de rechtswegen die in die context voor hem openstonden.55.
90.
In latere rechtspraak, in het arrest Ibercaja Banco56., heeft de Grote kamer van het Hof het belang bevestigd van het beginsel van de rechtszekerheid en de bescherming van de zakelijke rechten van de eigenaar van het onroerend goed na een openbare verkoop. Die zaak had betrekking op een hypothecaire executieprocedure met rechterlijke toestemming en deed twee belangrijke vragen rijzen. De eerste vraag was of de voor de executie verantwoordelijke rechter in staat moest zijn te oordelen over de mogelijke oneerlijkheid van contractuele bedingen in weerwil van nationale procesrechtelijke regels inzake het beginsel van gezag van gewijsde van een rechterlijke beslissing waaruit niet blijkt van enige toetsing op dat punt. De tweede vraag betrof de vaststelling van het moment waarop in verband met het onderzoek naar de oneerlijkheid van de contractuele bedingen de hypothecaire executieprocedure als afgerond moest worden beschouwd.
91.
Met betrekking tot de eerste vraag heeft het Hof geoordeeld dat een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van contractuele bedingen niet kan worden gewaarborgd indien het gezag van gewijsde ook geldt voor rechterlijke beslissingen waarin van een dergelijke toetsing geen gewag wordt gemaakt.57. De consument moet zich derhalve ook in een latere fase van de procedure of in een latere declaratoire procedure kunnen beroepen op richtlijn 93/13.58.
92.
Met betrekking tot de tweede vraag heeft het Hof geoordeeld dat in de situatie waarin de hypothecaire executieprocedure is beëindigd en de eigendomsrechten van de onroerende zaak zijn overgedragen aan een derde, de rechter niet meer ambtshalve of op verzoek van de consument kan overgaan tot een toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen die zou leiden tot nietigverklaring van de handelingen waarbij de eigendom is overgedragen, en de rechtszekerheid van de reeds aan een derde verrichte eigendomsoverdracht ter discussie zou stellen.59.
93.
Het Hof heeft echter geoordeeld dat in een dergelijke situatie de consument zich niettemin overeenkomstig artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, in een latere, afzonderlijke procedure moet kunnen beroepen op het oneerlijke karakter van de bedingen van de hypothecaire leningsovereenkomst om een vergoeding te verkrijgen voor de financiële schade die door de toepassing van die bedingen is veroorzaakt.60.
2. De omstandigheden waaronder afwijking van de beperkingen van de toepassing van richtlijn 93/13 na openbare verkoop gerechtvaardigd kan zijn
94.
De verwijzende rechter benadrukt dat in de Slowaakse rechtsorde derde partijen worden beschermd die bij een openbare verkoop onroerend goed verwerven, en wordt erkend dat het rechtszekerheidsbeginsel dient te worden nageleefd. Hij is echter van oordeel dat de zaak in het hoofdgeding een andere afweging van de betrokken belangen en een afwijking van de regel van bescherming van de succesvolle bieder rechtvaardigt. Volgens de verwijzende rechter liggen de redenen voor deze afwijking in wezen in de omstandigheid dat de openbare verkoop was voltooid voordat de bevoegde rechter zijn onderzoek naar de mogelijke oneerlijkheid van de bedingen in de hypothecaire leningsovereenkomst had afgerond, en het feit dat de succesvolle bieder van de procedure op de hoogte was.61.
95.
Derhalve moet worden vastgesteld of die factoren kunnen rechtvaardigen dat richtlijn 93/13 wordt toegepast nadat de openbare verkoop heeft plaatsgevonden en het onroerend goed aan de succesvolle bieder is overgedragen.
96.
Zoals is gebleken uit bovenstaande bespreking62., kent de rechtspraak van het Hof, geïnspireerd door de rechtspraak van het EHRM, met het oog op de ernstige aantasting van het recht op eerbiediging van de woning bijzonder gewicht toe aan de beschikbaarheid van procedurele waarborgen in de executoriale procedure.
97.
De tenuitvoerleggingsmaatregelen moeten derhalve verzekeren dat het recht van de consument op de eerbiediging van zijn woning naar behoren in aanmerking wordt genomen en beschermd, en dat de consument beschikt over doeltreffende procedurele middelen om zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden en om de oneerlijkheid van contractuele bedingen te laten toetsen door de rechter voordat de openbare verkoop plaatsvindt.63. Consumenten moeten tevens over daadwerkelijke middelen beschikken om de tenuitvoerlegging te laten opschorten totdat is beoordeeld of de bedingen in de overeenkomst eerlijk zijn.64.
98.
Het ontbreken van een doeltreffende en daadwerkelijke gelegenheid om rechterlijke toetsing van oneerlijke bedingen te verkrijgen voordat de openbare verkoop plaatsvindt, vormt een ernstige schending van het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte van de consument en van het recht op eerbiediging van de woning krachtens artikel 7 van het Handvest. Wanneer een consument tijdens de hypothecaire tenuitvoerleggingsprocedure een dergelijke gelegenheid wordt onthouden, moet hij bij uitzondering in staat worden gesteld om zich na het plaatsvinden van de openbare verkoop op richtlijn 93/13 te beroepen.
99.
Noch de bescherming van de verkrijger te goeder trouw, noch het algemeen belang van de rechtszekerheid kunnen opwegen tegen de omstandigheid dat iemand zijn woning verliest zonder dat zijn zaak door een rechter is getoetst.65. Die overweging geldt a fortiori wanneer het een gezin met minderjarige kinderen betreft.
100.
In de onderhavige zaak was de woning van de consument in het openbaar verkocht zonder dat de overeenkomst op basis waarvan de executie plaatsvond was onderworpen aan een rechterlijk onderzoek naar de oneerlijkheid van bepaalde bedingen, en wel tijdens de duur van de procedure om die contractuele bedingen oneerlijk te verklaren. Het openbaar verkochte onroerend goed is een woning waar de consumenten wonen met hun kinderen, waarvan er twee minderjarig zijn en aan een psychische stoornis lijden. De openbare verkoop vond plaats ondanks het ontbreken van een rechterlijk onderzoek van de schuldvordering en van een toetsing van de evenredigheid van de keuze van de schuldeiser om de lening vervroegd opeisbaar te verklaren.
101.
Er is nog een factor die een andere afweging van de in de zaak in het hoofdgeding betrokken belangen kan rechtvaardigen dan in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest Ibercaja Banco, namelijk dat de bieder wist dat er een procedure aanhangig was met betrekking tot het oneerlijke karakter van het beding op basis waarvan de schuldeiser de executie had ingeleid. De verwijzende rechter heeft deze wetenschap van de bieder omschreven als de ‘verontrustende omstandigheid’ waarin de overdracht van het onroerend goed had plaatsgevonden.
102.
Zoals de Commissie in wezen heeft opgemerkt, is het aan de verwijzende rechter om, in overeenstemming met zijn nationale recht, uit te maken of die omstandigheid moet worden aangemerkt als een gebrek bij de verwerving van een onroerend goed en wat de gevolgen daarvan kunnen zijn voor de rechtmatigheid van de overdracht van het onroerend goed.66. Bij die beoordeling kan de wetenschap van de succesvolle bieder dat er een procedure aanhangig is in aanmerking worden genomen als een factor die afbreuk doet aan de noodzaak om deze bieder te beschermen.
103.
GR REAL merkt terecht op, dat het aanvechten van bedingen in een overeenkomst die de basis vormt voor executie op zichzelf niets zegt over de uitkomst van de procedure. Evenwel dient een bieder die een onroerend goed verwerft, terwijl een procedure aanhangig is tegen de overeenkomst die de basis voor de executie vormt, in weerwil van het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke toetsing, zich bewust te zijn van een verhoogd risico dat de openbare verkoop nietig wordt verklaard, en dat de rechtsstatus van het onroerend goed onzeker is.67.
104.
Onder voorbehoud van toetsing door de verwijzende rechter, lijkt de onzekere status van de eigendomsrechten die een bieder heeft verworven in de context van een buitengerechtelijke tenuitvoerleggingsprocedure te worden ondersteund door de rechtspraak van de Najvyšší súd. Zoals hierboven is uiteengezet68., volgt uit die rechtspraak dat de consument in staat moet zijn om de geldigheid van de openbare verkoop aan te vechten wanneer de vrijwillige openbare verkoop niet wordt voorafgegaan door een rechterlijke toetsing of een controle door een rechter van de schuldvordering en de voorwaarden van de verkoop.
105.
Een andere complicerende factor in de onderhavige zaak is dat de consumenten geen actie tot nietigverklaring van de openbare verkoop hebben ingesteld. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel niet zodanig ver kan worden doorgetrokken dat de totale passiviteit van de betrokken consument wordt verholpen.69. Zoals de verwijzende rechter in zijn antwoord op het verzoek om verduidelijking heeft uiteengezet, bestond de rechtspraak van de Najvyšší súd nog niet toen het hoofdgeding werd ingeleid.70. Van PO en RT kon niet worden verwacht dat zij op de hoogte waren van de ruime wetsuitlegging volgens welke nietigverklaring kon worden gevorderd. In dergelijke omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de consumenten zich volledig passief hebben gedragen.71.
106.
De omstandigheden van de zaak wijzen op ernstige gebreken in de procedurele waarborgen die consumenten genieten in het kader van het nationale stelsel van buitengerechtelijke tenuitvoerlegging, ten minste zoals dit functioneert in de praktijk. Zoals de Commissie in wezen heeft opgemerkt, valt te betwijfelen hoe doeltreffend de procedurele waarborgen voor consumenten in het kader van een vrijwillige openbare verkoop in hun geheel zijn. Wanneer een bieder op de hoogte is van de risico's die zijn verbonden aan een openbare verkoop waarin de onderliggende geschilpunten niet zijn opgelost, maakt dit die gebreken des te erger.
107.
Het cumulatieve effect van het gebrek aan procedurele waarborgen in het stelsel van buitengerechtelijke tenuitvoerlegging en van de omstandigheden van het specifieke geval waarin consumenten het recht op een doeltreffende voorziening in rechte ontlenen aan richtlijn 93/13, moet een afwijking van de algemene regel van het arrest Ibercaja Banco kunnen rechtvaardigen. Daarom moeten consumenten zich in het kader van een ontruimingsprocedure dan ook kunnen beroepen op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte krachtens richtlijn 93/13. Het is een zaak van nationaal procesrecht om de precieze regelingen te treffen die de consument in staat stellen een doeltreffende toetsing te verkrijgen van de bedingen in de overeenkomst op grond waarvan de tenuitvoerlegging is gevraagd, en om alle gevolgen van die toetsing te trekken.
108.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij van toepassing zijn op een procedure waarin de succesvolle bieder die een onroerend goed heeft verworven in het kader van een buitengerechtelijke executieprocedure zijn eigendomsrechten geldend tracht te maken, in een situatie waarin de openbare verkoop heeft plaatsgevonden ondanks het feit dat er een gerechtelijke procedure aanhangig is waarbij staking van de openbare verkoop wordt gevorderd en de bieder van die procedure op de hoogte is gesteld, wanneer de bestaande procedurele middelen de consument geen doeltreffende en daadwerkelijke gelegenheid boden om de oneerlijke bedingen door een rechter te laten toetsen en opschorting van de executieprocedure te vorderen voordat de openbare verkoop plaatsvond of om nietigverklaring te vorderen van de openbare verkoop.
C. De derde vraag
109.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5 van richtlijn 2005/29 aldus moet worden uitgelegd dat de tenuitvoerlegging van een zakelijk recht op basis van een oneerlijk contractueel beding inzake de vervroegde opeisbaarheid van een schuldvordering een oneerlijke handelspraktijk kan vormen waarvoor de organisator van de openbare verkoop aansprakelijk kan worden gehouden.
110.
De partijen die opmerkingen hebben ingediend betogen dat de vraag niet-ontvankelijk is.
111.
Volgens vaste rechtspraak geldt voor prejudiciële vragen van de nationale rechter over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.72.
112.
In de onderhavige zaak wordt uit de prejudiciële verwijzing niet duidelijk wat het verband ervan is met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. Met name is, zoals de Slowaakse regering opmerkt, de bank noch de organisator van de openbare verkoop een partij in het hoofdgeding. Het is dan ook niet gebleken dat de uitlegging van richtlijn 2005/29 van invloed kan zijn op de beslechting van het hoofdgeding.
113.
Bovendien is, zoals de Commissie heeft opgemerkt, een handelspraktijk volgens artikel 5, lid 2, onder b), van richtlijn 2005/29 oneerlijk wanneer zij ‘het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is […] wezenlijk verstoort of kan verstoren’. De verwijzende rechter zet echter niet verder uiteen wat voor soort commerciële beslissing de consument zou kunnen nemen die de bank of de organisator van de openbare verkoop zou willen verstoren.
114.
Ik acht de derde vraag derhalve niet-ontvankelijk.
V. Conclusie
115.
Gelet op het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Krajský súd v Prešove te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling en een nationale praktijk als aan de orde in het hoofdgeding, die in het kader van de buitengerechtelijke executie van een hypotheek op een onroerend goed die de woning van het gezin van de consument is, enerzijds het mogelijk maken dat de openbare verkoop van dat onroerend goed plaatsvindt voordat de rechter ten gronde het contractuele beding waarop die executie berust, oneerlijk heeft verklaard, hoewel de consument had verzocht om opschorting van de openbare verkoop, en anderzijds niet voorzien in de mogelijkheid om die openbare verkoop nietig te laten verklaren wegens de oneerlijkheid van bedingen in de overeenkomst op grond waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd.
- 2)
Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 47 van het Handvest,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij van toepassing zijn op een procedure waarin de succesvolle bieder die een onroerend goed heeft verworven in het kader van een buitengerechtelijke executieprocedure zijn eigendomsrechten geldend tracht te maken, in een situatie waarin de openbare verkoop heeft plaatsgevonden ondanks het feit dat er een gerechtelijke procedure aanhangig is waarbij staking van de openbare verkoop wordt gevorderd en de bieder van die procedure op de hoogte is gesteld, wanneer de bestaande procedurele middelen de consument geen doeltreffende en daadwerkelijke gelegenheid boden om de oneerlijke bedingen door een rechter te laten toetsen en opschorting van de executieprocedure te vorderen voordat de openbare verkoop plaatsvond of om nietigverklaring te vorderen van de openbare verkoop.
- 3)
De derde vraag is niet-ontvankelijk.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑11‑2024
Oorspronkelijke taal: Engels.
Arrest van 14 maart 2013 (C-415/11, EU:C:2013:164).
Kenna, P., ‘Introduction’, in Kenna, P. e.a., Loss of Homes and Evictions Across Europe — A Comparative Legal and Policy Examination, Edward Elgar, Cheltenham, Verenigd Koninkrijk en Northampton, Massachusetts, Verenigde Staten, 2018, blz. 1–65, op blz. 41.
Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
Collins, H., ‘Building European law on charter rights’, in Collins, H. (ed.), European Contract Law and the Charter of Fundamental Rights, Intersentia, Cambridge, 2017, blz. 1–32, op blz. 17.
Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de aanleiding voor vervroegde aflossing was dat de consumenten een aantal termijnen van de lening niet hadden betaald.
Volgens de verwijzende rechter kan het bestreden contractuele beding betreffende vervroegde aflossing van het krediet als niet bestaand worden aangemerkt wegens gebrek aan transparantie. Het beding maakte namelijk deel uit van de algemene voorwaarden van de bank, maar was niet onder de aandacht van de consumenten gebracht.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PB 2005, L 149, blz. 22).
Arrest van 22 april 2021, Profi Cedit Slovakia(C-485/19, EU:C:2021:313, punt 49).
Ibid., punt 50.
Zie punten 6 e.v. van deze conclusie.
De titel van die wet spreekt van een ‘vrijwillige’ verkoop. De kenmerken van die procedure wijzen echter op een gedwongen openbare verkoop.
Zie in die zin arrest van 17 juli 2014, Sánchez Morcillo en Abril García (C-169/14, EU:C:2014:2099, punt 38).
Arrest van 10 september 2014 (C-34/13, EU:C:2014:2189, punt 68).
Conclusie van advocaat-generaal Medina in Všeobecná úverová banka (C-598/21, EU:C:2023:22, punt 83).
Arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco (C-600/19, EU:C:2022:394, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ibid., punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Ibid., punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C-582/21, EU:C:2024:282, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 17 mei 2022, Impuls Leasing România (C-725/19, EU:C:2022:396, punt 46).
Arrest van 17 mei 2022, Impuls Leasing România (C-725/19, EU:C:2022:396, punt 47).
Zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C-582/21, EU:C:2024:282, punt 79).
Arrest van 17 juli 2014, Sánchez Morcillo en Abril García(C-169/14, EU:C:2014:2099, punt 25).
Arrest van 17 mei 2022, Impuls Leasing România (C-725/19, EU:C:2022:396, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Aziz (C-415/11, EU:C:2013:164, punt 59); 17 mei 2022, Impuls Leasing România (C-725/19, EU:C:2022:396, punt 56), en 9 november 2023, Všeobecná úverová banka (C-598/21, EU:C:2023:845, punt 85).
Zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C-582/21, EU:C:2024:282, punt 82).
Zie in die zin arrest van 9 november 2023, Všeobecná úverová banka (C-598/21, EU:C:2023:845, punt 85).
Kenna, P., en Simón-Moreno, H., ‘Towards a common standard of protection of the right to housing in Europe through the Charter of Fundamental Rights’, European Law Journal, deel 25, 2019, blz. 608–622, op blz. 608.
Whitehouse, L., ‘The home-owner: citizen or consumer?’, inBright, S., en Dewar, J., Land Law Themes and Perspectives, Oxford University Press, Oxford, 1998, blz. 183–205, op blz. 183 (cursivering van mij).
Kenna, P., en Simón-Moreno, H., voetnoot 28, op. cit., blz. 614.
Zie in die zin arrest van 9 november 2023 (C-598/21, EU:C:2023:845, punten 82 en 84).
Op grond waarvan de schuldeiser de lening vervroegd opeisbaar kan verklaren.
Arrest van 9 november 2023, Všeobecná úverová banka (C-598/21, EU:C:2023:845, punt 85).
Zie in die zin arrest van 8 december 2022, Orde van Vlaamse Balies e.a. (C-694/20, EU:C:2022:963, punt 25).
Ibid., punt 26.
EHRM, 25 oktober 2013, Rousk tegen Zweden, CE:EVRM:2013:0725JUD002718304, § 137 en aldaar aangehaalde rechtspraak (cursivering van mij).
Ibid., §§ 120 en 139.
Ibid., § 137.
Ibid., § 139 (cursivering van mij).
Zie punt 14 hierboven.
De nationale rechter kan op grond van § 325 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering voorlopige maatregelen gelasten. Bovendien is de organisator van de openbare verkoop op grond van § 19, lid 1, van de wet inzake vrijwillige verkoop gehouden om van de openbare verkoop af te zien wanneer de rechter een voorlopige maatregel heeft getroffen.
De Slowaakse regering verwijst met name naar de beschikkingen van de Najvyšší súd van 7 december 2022 (6Cdo/159/2020) en 23 februari 2022, (4Cdo/149/2020).
Arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C-582/21, EU:C:2024:282, punt 31).
Ibid., punt 61.
Ibid., punt 62.
Ibid., punt 63.
Zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C-582/21, EU:C:2024:282, punt 65).
Met betrekking tot het concept ‘gemiddelde consument’, zie arrest van 4 juli 2024, Caixabank e.a. (Transparantietoetsing in een collectieve vordering) (C-450/22, EU:C:2024:577, punt 48).
Rott, P., ‘The average consumer is not a lawyer! Case C-66/19 JC v Kreissparkasse Saarlouis’, Maastricht Journal of European and Comparative Law, deel 27(3), blz. 379–386, over het arrest van het Hof van 26 maart 2020, Kreissparkasse Saarlouis (C-66/19, EU:C:2020:242).
Zie punten 21 en 22 van deze conclusie.
Zie Faber, W., en Martinson, C., ‘Can ownership limit the effectiveness of EU consumer contract law directives? — A suggestion to employ a ‘functional approach’’, Austrian Law Journal (ALJ), 2019, blz. 85–123.
Arrest van 7 december 2017 (C-598/15, EU:C:2017:945, punt 50; hierna: ‘arrest Banco Santander’).
Ibid., punt 45.
Ibid., punt 49.
Ibid., punt 50.
Arrest van 17 mei 2022(C-600/19, EU:C:2022:394; hierna: ‘arrest Ibercaja Banco’).
Arrest Ibercaja Banco, punt 50.
Ibid., punt 56.
Ibid., punt 57.
Arrest Ibercaja Banco (punt 58), en arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C-582/21, EU:C:2024:282, punt 83).
In haar schriftelijke opmerkingen ontkent GR REAL zich ervan bewust te zijn geweest dat de consumenten tegen de executie waren opgekomen. Volgens vaste rechtspraak dient het Hof evenwel, in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke instanties van de Europese Unie en die van de lidstaten, uit te gaan van de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen worden gesteld. Aangezien de verwijzende rechter het feitelijke en wettelijke kader heeft afgebakend waarin de door hem gestelde vragen moeten worden geplaatst, staat het dus niet aan het Hof om de juistheid daarvan te onderzoeken zie in die zin arrest van 29 juni 2023, International Protection Appeals Tribunal e.a. (Bomaanslag in Pakistan) (C-756/21, EU:C:2023:523, punten 37 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punten 54 e.v. van deze conclusie.
Zie punt 63 van deze conclusie hierboven.
Zie Rutgers, J. W., ‘The right to housing (Article 7 of the Charter) and unfair terms in general conditions’ inCollins, H. (ed.), voetnoot 5, op. cit., blz. 125–137, op blz. 134.
Zie in die zin arrest van het EHRM van 16 juli 2009, Zehentner tegen Oostenrijk, CE:ECHR:2009:0716JUD002008202, §§ 62 en 65.
Voor een overzicht, zie Martínez Valencoso, L. M. e.a. (eds.), Transfer of Immovables in European Private Law, Cambridge University Press, 2017.
Zie in die zin arrest van het EHRM van 1 juli 2014, Buceaş and Buciaş tegen Roemenië, CE:ECHR:2014:0701JUD003218504, § 43.
Zie punt 69 van deze conclusie.
Arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco (C-869/19, EU:C:2022:397, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punt 79 van de onderhavige conclusie.
Zie in die zin arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco(C-869/19, EU:C:2022:397, punt 38).
Arrest van 13 juli 2023, Banco Santander (Verwijzing naar een officiële index) (C-265/22, EU:C:2023:578, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).