Procestaal: Portugees.
HvJ EU, 21-12-2023, nr. C-340/22
ECLI:EU:C:2023:1019
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
21-12-2023
- Magistraten
A. Arabadjiev, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, A. Kumin, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-340/22
- Conclusie
P. Pikamäe
- Roepnaam
Cofidis
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2023:1019, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 21‑12‑2023
ECLI:EU:C:2023:584, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑07‑2023
Uitspraak 21‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Directe belastingen — Artikel 49 VWEU — Vrijheid van vestiging — Invoering van een belasting op de passiva van kredietinstellingen ter financiering van het nationale socialezekerheidsstelsel — Vermeende discriminatie ten aanzien van de filialen van buitenlandse kredietinstellingen — Richtlijn 2014/59/EU — Kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen — Werkingssfeer
A. Arabadjiev, T. von Danwitz, P. G. Xuereb, A. Kumin, I. Ziemele
Partij(en)
In zaak C-340/22,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD) [scheidsgerecht voor belastingzaken (centrum voor bestuursrechtelijke arbitrage), Portugal] bij beslissing van 24 mei 2022, ingekomen bij het Hof op 24 mei 2022, in de procedure
Cofidis
tegen
Autoridade Tributária e Aduaneira,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), P. G. Xuereb, A. Kumin en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 april 2023,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Cofidis, vertegenwoordigd door P. Melcher, Rechtsanwalt, P. Núncio, D. Oda, F. Osório de Castro, A. Queiroz Martins en M. Teles, advogados,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, J. P. Cardoso da Costa, A. Pimenta en A. Rodrigues als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Ballesteros Panizo als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Armenia, P. Caro de Sousa, A. Nijenhuis en D. Triantafyllou als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2023,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 49 VWEU en richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Cofidis, het Portugese filiaal van Cofidis SA, een kredietinstelling waarvan de hoofdzetel in Frankrijk is gevestigd, en de Autoridade Tributária e Aduaneira (belasting- en douanedienst, Portugal) betreffende een verzoek om terugbetaling van de bedragen die door dit filiaal zijn betaald uit hoofde van de adicional de solidariedade sobre o sector bancário (aanvullende solidariteitsheffing voor de bankensector; hierna: ‘ASSB’).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 1, 5 en 103 van richtlijn 2014/59 luiden:
- ‘(1)
De financiële crisis heeft aangetoond dat er op het niveau van de [Europese] Unie een groot tekort aan adequate instrumenten bestaat om doeltreffend te kunnen omgaan met zwakke of falende kredietinstellingen en beleggingsondernemingen […]. Dergelijke instrumenten zijn in het bijzonder nodig om insolventie te voorkomen of, indien insolventie zich voordoet, de negatieve gevolgen ervan tot een minimum te beperken door de systeemkritische functies van de betrokken instelling te vrijwaren. Tijdens de crisis waren deze uitdagingen een belangrijke factor die de lidstaten ertoe noopte instellingen met het geld van de belastingbetaler te redden. Het doel van een geloofwaardig herstel- en afwikkelingskader bestaat erin dergelijke maatregelen zoveel mogelijk overbodig te maken.
[…]
- (5)
Er is […] behoefte aan een regeling die de autoriteiten toerust met een pakket geloofwaardige instrumenten om tijdig en snel genoeg in een zwakke of falende instelling te kunnen ingrijpen om de continuïteit van de kritieke financiële en economische functies van de instelling te waarborgen en tegelijkertijd het effect van het falen van de instelling op de economie en het financiële systeem tot een minimum te beperken. Die regeling moet tevens garanderen dat verliezen eerst door aandeelhouders worden gedragen, en daarna door schuldeisers, […].
[…]
- (103)
Er zijn omstandigheden waarin de doeltreffendheid van de toegepaste afwikkelingsinstrumenten afhankelijk kan zijn van de beschikbaarheid van kortetermijnfinanciering voor een instelling of een overbruggingsinstelling, de verlening van garanties aan potentiële verkrijgers of de verstrekking van kapitaal aan de overbruggingsinstelling. Onverminderd de rol van de centrale banken om het financiële stelsel ook in tijden van stress van liquiditeiten te voorzien, is het belangrijk dat lidstaten financieringsregelingen opzetten om te vermijden dat de daartoe benodigde middelen uit de nationale begrotingen moeten komen. Het moet de financiële sector als geheel zijn die de stabilisatie van het financiële stelsel financiert.’
4
In deze richtlijn worden volgens artikel 1, lid 1, ervan de regels en procedures vastgelegd voor het herstel en de afwikkeling van de in deze bepaling vermelde entiteiten.
Portugees recht
5
Bij artikel 18 van en bijlage VI bij Lei n.° 27-A/2020, que aprova o Orçamento Suplementar para 2020 (wet nr. 27-A/2020 houdende goedkeuring van de aanvullende begroting 2020) van 24 juli 2020 (hierna: ‘aanvullende begrotingswet 2020’) is de ASSB ingevoerd.
6
Uit artikel 1, lid 2, en artikel 9 van bijlage VI bij de aanvullende begrotingswet 2020 volgt dat de ASSB is ingevoerd om de mechanismen ter financiering van het nationale socialezekerheidsstelsel te versterken door de opbrengsten van deze heffing volledig toe te wijzen aan het Fundo de Estabilização Financeira da Segurança Social (fonds voor financiële stabiliteit van de sociale zekerheid; hierna: ‘FEFSS’). Volgens die bepalingen wordt met de invoering van de ASSB beoogd de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) die in de bankensector voor de meeste financiële diensten geldt, te compenseren teneinde de belastingdruk voor deze sector meer in lijn te brengen met die voor andere economische sectoren.
7
Volgens artikel 2, lid 1, van bijlage VI is de ASSB verschuldigd door, ten eerste, de kredietinstellingen met hoofdzetel in Portugal (hierna: ‘ingezeten kredietinstellingen’), ten tweede, de Portugese dochterondernemingen van kredietinstellingen met hoofdzetel in een andere staat (hierna: ‘niet-ingezeten kredietinstellingen’), en ten derde, de Portugese filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen.
8
Artikel 3 van bijlage VI omschrijft de materiële werkingssfeer van de ASSB als volgt:
‘De ASSB is verschuldigd over:
- a)
de door de belastingplichtigen vastgestelde en goedgekeurde verplichtingen na aftrek, in voorkomend geval, van de passiva die bestaan uit eigen vermogen, deposito's die worden gedekt door het depositogarantiefonds, het gemeenschappelijk landbouwkredietgarantiefonds of een depositogarantiestelsel dat officieel is erkend overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2014/49/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB 2014, L 173, blz. 149)] of dat daaraan gelijkgesteld is krachtens artikel 156, lid 1, onder b), van de [Regime Geral das Instituições de Crédito e Sociedades Financeiras (algemene regeling voor kredietinstellingen en financieringsmaatschappijen)], binnen de grenzen van de toepasselijke wetgeving, en deposito's die in het centrale fonds zijn gestort door de landbouwkredietcoöperaties die deel uitmaken van het geïntegreerde landbouwkredietstelsel, overeenkomstig artikel 72 van de Regime Jurídico do Crédito Agrícola Mútuo e das Cooperativas de Crédito Agrícola [(wettelijke regeling voor landbouwkrediet en landbouwkredietcoöperaties)], goedgekeurd als bijlage bij Decreto-lei n.° 24/91 (wetsbesluit nr. 24/91) van 11 januari 1991;
- b)
de notionele waarde van buiten de balans vallende afgeleide financiële instrumenten, bepaald door de belastingplichtigen.’
9
Artikel 4 van bijlage VI, dat betrekking heeft op de vaststelling van de belastinggrondslag voor de ASSB, bepaalt:
- ‘1.
Voor de toepassing van punt a) van het voorgaande artikel wordt onder passiva verstaan alle in de balans opgenomen posten die, ongeacht de vorm of het type, een schuld jegens derden vertegenwoordigen, met uitzondering van:
- a)
bestanddelen die overeenkomstig de toepasselijke boekhoudregels als eigen vermogen worden beschouwd;
- b)
passiva in verband met de erkenning van verplichtingen uit hoofde van toegezegd-pensioenregelingen;
- c)
deposito's die gedekt zijn door het depositogarantiefonds en door het gemeenschappelijk landbouwkredietgarantiefonds, maar alleen tot het bedrag dat daadwerkelijk door deze fondsen wordt gedekt;
- d)
passiva die voortvloeien uit de herwaardering van afgeleide financiële instrumenten;
- e)
uitgestelde inkomsten, zonder rekening te houden met die welke overeenstemmen met passieve verrichtingen, en
- f)
passiva die corresponderen met activa die niet van de balans zijn verwijderd bij securitisatietransacties.
- 2.
Voor de toepassing van punt a) van het voorgaande artikel gelden de volgende regels:
- a)
de waarde van het eigen vermogen, met inbegrip van het tier 1-kapitaal en het tier 2-kapitaal, omvat de positieve bestanddelen die overeenkomstig deel twee van verordening (EU) nr. 575/2013 [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1)], daarbij rekening houdend met de in deel tien van die verordening vastgestelde overgangsbepalingen, in aanmerking worden genomen voor de berekening van het eigen vermogen en die tegelijkertijd overeenstemmen met het begrip passiva zoals gedefinieerd in het vorige lid;
- b)
deposito's die worden gedekt door het depositogarantiefonds, het gemeenschappelijk landbouwkredietgarantiefonds of een depositogarantiestelsel dat officieel is erkend overeenkomstig artikel 4 van [richtlijn 2014/49] of dat daaraan gelijkgesteld is krachtens artikel 156, lid 1, onder b), van de algemene regeling voor kredietinstellingen en financieringsmaatschappijen, worden binnen de grenzen van de toepasselijke wetgeving slechts in aanmerking genomen tot het bedrag dat daadwerkelijk door die fondsen wordt gedekt.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10
Verzoekster in het hoofdgeding (hierna: ‘verzoekster’) is een Portugees filiaal van een kredietinstelling waarvan de hoofdzetel in Frankrijk is gevestigd. Als filiaal is zij onderworpen aan de ASSB, te weten een op de bankensector toepasselijke belasting die door de Portugese Republiek is ingevoerd om bij te dragen aan de financiering van het nationale socialezekerheidsstelsel en om de belastingdruk voor deze sector, die voor de meeste financiële diensten btw-vrijstelling geniet, meer in evenwicht te brengen met die voor andere sectoren van de Portugese economie.
11
Op 11 december 2020 heeft verzoekster aangifte voor de ASSB gedaan over het eerste halfjaar van 2020. Op basis daarvan heeft zij een bedrag van 364 229,67 EUR betaald. Op 5 januari 2021 heeft zij bezwaar gemaakt bij de belastingdienst en verzocht om terugbetaling van dat bedrag. De belastingdienst heeft dat bezwaar afgewezen bij besluit van 21 mei 2021.
12
Op 23 augustus 2021 heeft verzoekster tegen die afwijzing beroep ingesteld bij de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD) [scheidsgerecht voor belastingzaken (centrum voor bestuursrechtelijke arbitrage), Portugal], de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van dit beroep heeft zij met name aangevoerd dat de ASSB in strijd is met het Unierecht.
13
Verzoekster stelt in het bijzonder dat de invoering van de ASSB in strijd is met richtlijn 2014/59 en met de fiscale harmonisatie waartoe deze richtlijn volgens haar heeft geleid met betrekking tot de bijdragen inzake afwikkeling die door kredietinstellingen moeten worden betaald. Verzoekster wordt op grond van deze richtlijn immers reeds belast in de lidstaat waar zij haar hoofdzetel heeft, te weten de Franse Republiek, zodat de Portugese Republiek haar niet aan een soortgelijke belasting kan onderwerpen.
14
Verzoekster is voorts van mening dat de ASSB in strijd is met artikel 49 VWEU omdat Portugese filialen van buitenlandse kredietinstellingen erdoor worden gediscrimineerd. Aangezien die filialen geen rechtspersoonlijkheid bezitten, hebben zij niet de mogelijkheid om eigen vermogen in mindering te brengen op hun belastinggrondslag voor de ASSB.
15
Tegen deze achtergrond heeft de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verzet [richtlijn 2014/59] zich ertegen dat in een lidstaat de Europese Unie filialen van in andere lidstaten gevestigde financiële instellingen worden belast op grond van een wettelijke regeling zoals de Portugese regeling inzake de [ASSB], wanneer die heffing wordt geheven over de aangepaste passiva en de notionele waarde van buiten de balans vallende afgeleide financiële instrumenten, en de opbrengsten ervan niet worden toegewezen aan de nationale mechanismen voor de financiering van afwikkelingsmaatregelen of worden gebruikt om het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te financieren?
- 2)
Verzet de in artikel 49 VWEU neergelegde vrijheid van vestiging zich tegen een nationale regeling zoals de Portugese regeling inzake de [ASSB], op grond waarvan bepaalde passiva die overeenkomstig de bepalingen van deel twee van [verordening nr. 575/2013], daarbij rekening houdend met de overgangsbepalingen in deel tien van die verordening, meetellen bij de berekening van het tier 1-kapitaal en het tier 2-kapitaal en die alleen kunnen worden uitgegeven door entiteiten met rechtspersoonlijkheid, en dus niet door filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen, in mindering mogen worden gebracht op de financiële verplichtingen zoals die zijn vastgesteld en goedgekeurd?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
16
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2014/59 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling waarbij een belasting op de passiva van kredietinstellingen wordt ingevoerd waarvan de berekeningswijze vergelijkbaar zou zijn met die van de bijdragen die dergelijke instellingen krachtens deze richtlijn betalen, maar waarvan de opbrengsten niet worden toegewezen aan de nationale mechanismen voor de financiering van afwikkelingsmaatregelen.
Ontvankelijkheid
17
De Portugese regering betoogt dat deze vraag niet-ontvankelijk is, omdat zij irrelevant is voor de beslechting van het hoofdgeding. De ASSB houdt immers geen enkel verband met de afwikkeling en het herstel van kredietinstellingen en valt bijgevolg buiten de werkingssfeer van richtlijn 2014/59.
18
Volgens vaste rechtspraak is het uitsluitend de taak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, rekening houdend met de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke regel, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Bijgevolg geldt voor vragen die door nationale rechters worden gesteld een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer blijkt dat de gevraagde uitlegging geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems, C-311/18, EU:C:2020:559, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19
Aangezien verzoekster in casu heeft aangevoerd dat de ASSB in het kader van het hoofdgeding onverenigbaar is met richtlijn 2014/59, kan het vermoeden van relevantie van de gestelde vraag niet ter discussie worden gesteld. Bovendien heeft het argument van de Portugese regering betreffende de werkingssfeer van richtlijn 2014/59 in werkelijkheid betrekking op de inhoud van de gestelde vraag.
20
Bijgevolg is de eerste vraag ontvankelijk.
Ten gronde
21
Ter beantwoording van de gestelde vraag dient vooraf in herinnering te worden gebracht dat bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 21 september 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Diplomatieke kaart), C-568/21, EU:C:2023:683, punt 32].
22
Ten eerste bepaalt artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/59 dat deze richtlijn regels en procedures vastlegt voor het herstel en de afwikkeling van de in deze bepaling vermelde entiteiten.
23
Ten tweede is deze richtlijn, zoals blijkt uit de overwegingen 1 en 5 ervan, vastgesteld naar aanleiding van de financiële crisis, die de noodzaak heeft blootgelegd om te voorzien in instrumenten om in te grijpen bij insolventie van met name kredietinstellingen, waarbij niet de belastingplichtigen, maar de aandeelhouders en schuldeisers de daaraan verbonden risico's dragen. Overeenkomstig overweging 103 van die richtlijn is het immers de taak van de financiële sector in zijn geheel om de stabilisatie van het financiële stelsel te financieren.
24
In deze context vormen, ten derde, de bijdragen die deze instellingen krachtens richtlijn 2014/59 betalen geen belastingen, maar passen zij integendeel in een op de verzekeringsgedachte gebaseerde logica (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C-584/20 P en C-621/20 P, EU:C:2021:601, punt 113).
25
Richtlijn 2014/59 heeft dus geenszins tot doel de fiscale behandeling van kredietinstellingen die binnen de Unie actief zijn, te harmoniseren.
26
Bijgevolg kan richtlijn 2014/59 niet in de weg staan aan de invoering van een nationale belasting, zoals de ASSB, die op de passiva van deze instellingen wordt geheven en waarvan de opbrengsten bestemd zijn om het nationale socialezekerheidsstelsel te financieren, zonder dat zij enig verband houdt met de afwikkeling en het herstel van deze instellingen. Dat de wijze van berekening van een dergelijke belasting gelijkenissen vertoont met die van de krachtens richtlijn 2014/59 betaalde bijdragen, is in dit verband volstrekt irrelevant.
27
Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat richtlijn 2014/59 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling waarbij een belasting op de passiva van de kredietinstellingen wordt ingevoerd waarvan de berekeningswijze vergelijkbaar zou zijn met die van de bijdragen die dergelijke instellingen krachtens deze richtlijn betalen, maar waarvan de opbrengsten niet worden toegewezen aan de nationale mechanismen voor de financiering van afwikkelingsmaatregelen.
Tweede vraag
28
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de door de artikelen 49 en 54 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een regeling van een lidstaat tot invoering van een belasting met als grondslag de passiva van ingezeten kredietinstellingen en van dochterondernemingen en filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen als grondslag, voor zover deze regeling de mogelijkheid biedt om eigen vermogen en als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten, die niet kunnen worden uitgegeven door entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid, zoals die filialen, in mindering te brengen.
Ontvankelijkheid
29
De Portugese regering is van mening dat de tweede vraag niet-ontvankelijk is, aangezien zij is gebaseerd op de stelling van verzoekster dat filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen geen eigen vermogen in mindering kunnen brengen op hun belastinggrondslag voor de ASSB. Deze stelling wordt in het hoofdgeding door de belastingdienst betwist en is nog niet door de verwijzende rechter geverifieerd, zodat de gestelde vraag in deze fase puur hypothetisch is.
30
Voor zover de Portugese regering aanvoert dat de tweede vraag voortijdig is gesteld, volstaat het eraan te herinneren dat de nationale rechterlijke instanties de meest uitgebreide bevoegdheid hebben om zich tot het Hof te wenden indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het Unierecht oproept waarover moet worden beslist met het oog op de beslechting van het hun voorgelegde geschil. De nationale rechterlijke instanties mogen die bevoegdheid overigens uitoefenen op elk tijdstip in de procedure dat zij daarvoor geschikt achten (arrest van 16 maart 2023, Beobank, C-351/21, EU:C:2023:215, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Voor zover deze regering opmerkt dat die stelling van verzoekster omstreden is in het hoofdgeding, moet eraan worden herinnerd dat het Hof, in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke instanties van de Unie en die van de lidstaten, dient uit te gaan van de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen worden gesteld. Aangezien de verwijzende rechter het feitelijke en wettelijke kader heeft afgebakend waarin de door hem gestelde vragen moeten worden geplaatst, staat het niet aan het Hof om de juistheid daarvan te onderzoeken (arrest van 8 juni 2023, Prestige en Limousine, C-50/21, EU:C:2023:448, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat filialen van niet-ingezeten instellingen volgens de verwijzende rechter niet in staat zijn om eigen vermogen of passiva die met eigen vermogen kunnen worden gelijkgesteld, op hun belastinggrondslag voor de ASSB in mindering te brengen, aangezien het gaat om instrumenten die alleen kunnen worden uitgegeven door entiteiten met rechtspersoonlijkheid.
33
De verwijzende rechter geeft weliswaar zelf aan dat deze vaststelling in het hoofdgeding door de belastingdienst wordt betwist, zoals de Portugese regering aanvoert, maar uit de in punt 31 van dit arrest aangehaalde rechtspraak volgt dat het Hof niet zelf het feitelijk en juridisch kader kan schetsen waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst.
34
Gelet op het in de verwijzingsbeslissing geschetste feitelijk en juridisch kader kan deze vraag dus niet worden geacht hypothetisch te zijn.
35
Bijgevolg is de tweede vraag ontvankelijk.
Ten gronde
36
Allereerst moet eraan worden herinnerd dat de zetel van een vennootschap — net als de nationaliteit van een natuurlijk persoon — dient om haar binding aan de rechtsorde van een staat te bepalen. Hieruit volgt dat het bij de toepassing van een nationale belastingregeling als die van het hoofdgeding op enerzijds een ingezeten vennootschap, daaronder begrepen een ingezeten dochteronderneming van een niet-ingezeten vennootschap, en anderzijds een filiaal van een niet-ingezeten vennootschap, gaat om de fiscale behandeling van een ingezeten respectievelijk niet-ingezeten vennootschap (zie in die zin arrest van 17 mei 2017, X, C-68/15, EU:C:2017:379, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Er moet ook aan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de door de artikelen 49 en 54 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging zich voor vennootschappen die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Unie hebben, uitstrekt tot het recht om hun activiteiten te verrichten in andere lidstaten via een dochteronderneming, een filiaal of een agentschap [arresten van 22 september 2022, W (Aftrekbaarheid van de definitieve verliezen van een niet-ingezeten vaste inrichting), C-538/20, EU:C:2022:717, punt 14 en 16 februari 2023, Gallaher, C-707/20, EU:C:2023:101, punt 70].
38
Artikel 49, eerste alinea, tweede volzin, van het VWEU biedt de economische subjecten uitdrukkelijk de mogelijkheid om vrijelijk de rechtsvorm te kiezen die bij de uitoefening van hun werkzaamheden in een andere lidstaat past, zodat deze vrije keuze niet mag worden beperkt door discriminerende fiscale bepalingen (arresten van 23 februari 2006, CLT-UFA, C-253/03, EU:C:2006:129, punt 14; 6 september 2012, Philips Electronics UK, C-18/11, EU:C:2012:532, punt 13, en 17 mei 2017, X, C-68/15, EU:C:2017:379, punt 40).
39
De vrijheid om de rechtsvorm te kiezen die bij de uitoefening van werkzaamheden in een andere lidstaat past, heeft aldus met name tot doel, vennootschappen waarvan de zetel zich in een andere lidstaat bevindt, de mogelijkheid te bieden, een filiaal te openen in een andere lidstaat om er hun werkzaamheden uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor dochterondernemingen (arresten van 23 februari 2006, CLT-UFA, C-253/03, EU:C:2006:129, punt 15, en 6 september 2012, Philips Electronics UK, C-18/11, EU:C:2012:532, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
In dit verband moeten volgens vaste rechtspraak alle maatregelen die de uitoefening van de in artikel 49 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken als beperkingen van die vrijheid worden beschouwd (arrest van 11 mei 2023, Manitou BF en Bricolage Investissement France, C-407/22 en C-408/22, EU:C:2023:392, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Niet alleen zichtbare discriminatie op grond van de plaats van de zetel van vennootschappen is verboden, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden (arrest van 6 oktober 2022, Contship Italia, C-433/21 en C-434/21, EU:C:2022:760, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
In het bijzonder is er bij een verplichte heffing sprake van indirecte discriminatie op grond van de plaats van de zetel van vennootschappen — wat krachtens de artikelen 49 en 54 VWEU verboden is — wanneer die heffing in een ogenschijnlijk objectief onderscheidingscriterium voorziet maar gelet op de kenmerken ervan in de meeste gevallen vennootschappen benadeelt die hun zetel in een andere lidstaat hebben en zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van vennootschappen met zetel in de lidstaat van heffing (arresten van 3 maart 2020, Vodafone Magyarország, C-75/18, EU:C:2020:139, punt 43, en 3 maart 2020, Tesco-Global Áruházak, C-323/18, EU:C:2020:140, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
In casu is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling zonder onderscheid van toepassing op ingezeten kredietinstellingen en op Portugese dochterondernemingen en filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen. De belastinggrondslag van de ASSB bestaat uit de passiva van deze entiteiten, dat wil zeggen, overeenkomstig artikel 4 van bijlage VI bij de aanvullende begrotingswet 2020, alle in de balans opgenomen posten die, ongeacht de vorm of het type, een schuld jegens derden vertegenwoordigen, met uitzondering van met name de posten die volgens de toepasselijke boekhoudregels als eigen vermogen zijn opgenomen.
44
Volgens de informatie die door de verwijzende rechter is verstrekt, kunnen filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen, in tegenstelling tot ingezeten kredietinstellingen en dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen, geen eigen vermogen in mindering brengen op hun belastinggrondslag voor de ASSB aangezien zij geen rechtspersoonlijkheid hebben en juridisch gezien dus niet over eigen vermogen beschikken. Bovendien zijn deze filialen niet bevoegd om als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten uit te geven, zoals converteerbare obligaties, winstdelende obligaties, aflosbare preferente aandelen en voorwaardelijk converteerbare obligaties, zodat zij dergelijke instrumenten evenmin in mindering kunnen brengen op hun belastinggrondslag.
45
Aldus blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen niet toestaat hun werkzaamheden uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen in de zin van de in punt 39 van dit arrest aangehaalde rechtspraak. Deze regeling treft de passiva van dochterondernemingen en filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen immers weliswaar zonder onderscheid, maar biedt de dochterondernemingen de mogelijkheid om de belastinggrondslag te verlagen door eigen vermogen en als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten in mindering te brengen, terwijl dat juridisch gezien niet mogelijk lijkt te zijn voor die filialen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
46
In die omstandigheden kan een dergelijke nationale regeling het voor in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen minder aantrekkelijk maken om hun werkzaamheden in Portugal uit te oefenen via een filiaal.
47
Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, kan een verschil in behandeling dat de vrije keuze van de rechtsvorm beperkt die geschikt is voor de uitoefening van een activiteit in een andere lidstaat in de zin van de in punt 38 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, een beperking vormen van de door de artikelen 49 en 54 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging.
48
Een dergelijk verschil in behandeling is slechts verenigbaar met de bepalingen van het VWEU inzake de vrijheid van vestiging op voorwaarde dat het betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang (arrest van 11 mei 2023, Manitou BF en Bricolage Investissement France, C-407/22 en C-408/22, EU:C:2023:392, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Ten eerste staat het vast dat bij het onderzoek van de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie van de betrokken lidstaat rekening moet worden gehouden met het doel dat door de betrokken nationale bepalingen wordt nagestreefd, alsook met het voorwerp en de inhoud daarvan (zie in die zin arrest van 17 maart 2022, AllianzGI-Fonds AEVN, C-545/19, EU:C:2022:193, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Zoals blijkt uit de informatie die door de verwijzende rechter is verstrekt, bestaat de doelstelling van de ASSB, die zonder onderscheid de volledige bankensector in Portugal treft met inbegrip van ingezeten kredietinstellingen alsook Portugese dochterondernemingen en filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen, erin het nationale socialezekerheidsstelsel financieel te ondersteunen en het evenwicht te herstellen tussen de belastingdruk voor deze sector, die voor het merendeel van de financiële diensten is vrijgesteld van btw, en de belastingdruk die op alle andere sectoren van de Portugese economie rust.
51
In het licht van deze doelstelling maken de door de verwijzende rechter uiteengezette nationale bepalingen geen enkel onderscheid tussen ingezeten kredietinstellingen en dochterondernemingen en filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen.
52
Overigens blijkt uit de verwijzingsbeslissing evenmin dat de betrokken nationale bepalingen een dergelijk onderscheid zouden maken naar hun voorwerp en hun inhoud.
53
Bijgevolg lijkt niets erop te wijzen dat de situatie van een niet-ingezeten kredietinstelling die haar activiteiten via een filiaal uitoefent, niet objectief vergelijkbaar is met die van een ingezeten kredietinstelling of een dochteronderneming van een niet-ingezeten kredietinstelling.
54
Wat ten tweede de rechtvaardiging van het verschil in behandeling door een dwingende reden van algemeen belang betreft, heeft de Portugese regering in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerd dat het belastingvoordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling toekent aan ingezeten kredietinstellingen en dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen, wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van het nationale belastingstelsel te verzekeren.
55
Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijke rechtvaardiging slechts worden aanvaard indien wordt aangetoond dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het betrokken belastingvoordeel en de compensatie van dat voordeel door een bepaalde belastingheffing (zie in die zin arresten van 12 juni 2018, Bevola en Jens W. Trock, C-650/16, EU:C:2018:424, punt 45, en 27 april 2023, L Fund, C-537/20, EU:C:2023:339, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56
In casu wijst niets in het aan het Hof overgelegde dossier erop dat de aftrekbaarheid van het eigen vermogen van de belastinggrondslag voor de ASSB zou worden gecompenseerd door een specifieke belastingheffing ten laste van ingezeten kredietinstellingen en dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen.
57
Hieruit volgt dat de beperking van de vrijheid van vestiging door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van het Portugese belastingstelsel te verzekeren.
58
Ten slotte heeft de Europese Commissie ter terechtzitting betoogd dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, wat de aftrekbaarheid van als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten van de belastinggrondslag voor de ASSB betreft, zou kunnen worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen. De Commissie heeft met name aangevoerd dat door de uitsluiting van de filialen van deze aftrekbaarheid kon worden voorkomen dat deze filialen vrijelijk de omvang van hun belastbare grondslag voor de ASSB konden kiezen door daarin op kunstmatige wijze schuldinstrumenten op te nemen die vergelijkbaar zijn met het eigen vermogen van hun moedermaatschappijen, zonder dat deze instrumenten noodzakelijkerwijs verband houden met hun werkzaamheden in Portugal.
59
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat een dergelijke rechtvaardiging kan worden aanvaard wanneer de betrokken regeling ertoe strekt gedragingen te voorkomen die afbreuk kunnen doen aan het recht van een lidstaat om zijn belastingbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die op zijn grondgebied plaatsvinden (arrest van 27 april 2023, L Fund, C-537/20, EU:C:2023:339, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Zo heeft het Hof geoordeeld dat deze doelstelling met name ertoe strekt de symmetrie te handhaven tussen het recht de winst te belasten en de mogelijkheid het verlies van een vaste inrichting af te trekken, aangezien wanneer zou worden aanvaard dat het verlies van een niet-ingezeten vaste inrichting aftrekbaar is van de inkomsten van de hoofdvennootschap, dit ertoe zou leiden dat de hoofdvennootschap vrij kan kiezen in welke lidstaat zij dat verlies in mindering brengt (arrest van 4 juli 2013, Argenta Spaarbank, C-350/11, EU:C:2013:447, punt 54).
61
Wanneer een lidstaat er evenwel voor heeft gekozen om geen belasting te heffen van entiteiten die op zijn grondgebied zijn gevestigd, kan hij zich ter rechtvaardiging van de belasting die wordt geheven van entiteiten die in een andere lidstaat zijn gevestigd, niet beroepen op de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen (zie naar analogie arresten van 18 juni 2009, Aberdeen Property Fininvest Alpha, C-303/07, EU:C:2009:377, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 april 2023, L Fund, C-537/20, EU:C:2023:339, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62
In casu heeft de Portugese Republiek ervoor gekozen om ingezeten kredietinstellingen en dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen niet te belasten over de als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten.
63
Bijgevolg kan deze lidstaat zich niet beroepen op de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen ter rechtvaardiging van de belasting die hij van filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen heft over deze als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten.
64
Hieruit volgt dat de beperking van de vrijheid van vestiging door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen.
65
Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de door de artikelen 49 en 54 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een regeling van een lidstaat tot invoering van een belasting met als grondslag de passiva van ingezeten kredietinstellingen en van dochterondernemingen en filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen, voor zover deze regeling de mogelijkheid biedt om eigen vermogen en als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten, die niet kunnen worden uitgegeven door entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid, zoals die filialen, in mindering te brengen.
Kosten
66
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad.
moet aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzet tegen een nationale regeling waarbij een belasting op de passiva van de kredietinstellingen wordt ingevoerd waarvan de berekeningswijze vergelijkbaar zou zijn met die van de bijdragen die dergelijke instellingen krachtens deze richtlijn betalen, maar waarvan de opbrengsten niet worden toegewezen aan de nationale mechanismen voor de financiering van afwikkelingsmaatregelen.
- 2)
De door de artikelen 49 en 54 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging
moet aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzet tegen een regeling van een lidstaat tot invoering van een belasting met als grondslag de passiva van kredietinstellingen waarvan de hoofdzetel op het grondgebied van die lidstaat is gevestigd en van dochterondernemingen en filialen van kredietinstellingen waarvan de hoofdzetel op het grondgebied van een andere lidstaat is gevestigd, voor zover deze regeling de mogelijkheid biedt om eigen vermogen en als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten, die niet kunnen worden uitgegeven door entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid, zoals die filialen, in mindering te brengen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑12‑2023
Conclusie 13‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Directe belastingen — Artikel 49 VWEU — Aan kredietinstellingen opgelegde heffing ter financiering van de sociale zekerheid — Mogelijkheid voor entiteiten met rechtspersoonlijkheid om bepaalde bedragen in mindering te brengen op de belastinggrondslag — Rechtvaardiging — Evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten
P. Pikamäe
Partij(en)
Zaak C-340/221.
Cofidis
tegen
Autoridade Tributária e Aduaneira
[verzoek van de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD) (scheidsgerecht voor belastingzaken [centrum voor bestuursrechtelijke arbitrage], Portugal) om een prejudiciële beslissing]
1.
In de onderhavige zaak verzoekt de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD) [scheidsgerecht voor belastingzaken (centrum voor bestuursrechtelijke arbitrage), Portugal] het Hof om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 49 VWEU en richtlijn 2014/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad2..
2.
Op verzoek van het Hof heeft deze conclusie enkel betrekking op de tweede prejudiciële vraag. Deze vraag biedt het Hof de gelegenheid om meer duidelijkheid te scheppen ten aanzien van de reikwijdte van de in artikel 49 VWEU neergelegde vrijheid van vestiging op het terrein van de directe belastingen, en ten aanzien van de omstandigheden waarin de dwingende redenen van algemeen belang kunnen worden ingeroepen die een belemmering van deze vrijheid kunnen rechtvaardigen, zoals de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te behouden.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3.
De in de onderhavige zaak relevante bepaling is artikel 49 VWEU.
Portugees recht
4.
Bij artikel 18 en bijlage VI van Lei no 27-A/2020 da Assembleia da República, que aprova o Orçamento Suplementar para 2020 (wet nr. 27-A/2020 van het Parlement van de Portugese Republiek houdende goedkeuring van de aanvullende begroting 2020) van 24 juli 2020 is de Adicional de Solidariedade sobre o Sector Bancário (aanvullende solidariteitsheffing voor de bankensector; hierna: ‘ASSB’) ingevoerd.
5.
Uit artikel 1, lid 2, en artikel 9 van bijlage VI bij die wet volgt dat de ASSB is ingevoerd om de mechanismen ter financiering van het socialezekerheidsstelsel te versterken door de opbrengsten van deze heffing volledig toe te wijzen aan het Fundo de Establização Financeira da Segurança Social (fonds voor financiële stabiliteit van de sociale zekerheid; hierna: ‘FEFSS’). Volgens die bepalingen wordt met de invoering van de ASSB beoogd de voor de meeste financiële diensten en verrichtingen geldende vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) te compenseren teneinde de belastingdruk voor de bankensector meer in lijn te brengen met die voor andere economische sectoren.
6.
Volgens artikel 2, lid 1, van genoemde bijlage zijn de volgende entiteiten onderworpen aan de ASSB: a) in Portugal gevestigde kredietinstellingen; b) in Portugal gevestigde dochterondernemingen van in andere staten gevestigde kredietinstellingen, en c) in Portugal gevestigde filialen van in andere staten gevestigde kredietinstellingen.
7.
De materiële werkingssfeer van de ASSB wordt omschreven in artikel 3 van genoemde bijlage, dat luidt als volgt:
‘De ASSB is verschuldigd over:
- a)
de door de belastingplichtigen vastgestelde en goedgekeurde verplichtingen na aftrek, in voorkomend geval, van de passiva die bestaan uit eigen vermogen, deposito's die worden gedekt door het depositogarantiefonds, het gemeenschappelijk landbouwkredietgarantiefonds of een depositogarantiestelsel dat officieel is erkend overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2014/49/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB 2014, L 173, blz. 149)] of dat daaraan gelijkgesteld is krachtens artikel 156, lid 1, onder b), van de algemene regeling voor kredietinstellingen en financieringsmaatschappijen, binnen de grenzen van de toepasselijke wetgeving, en deposito's die in het centrale fonds zijn gestort door de landbouwkredietcoöperaties die deel uitmaken van het geïntegreerde landbouwkredietstelsel, overeenkomstig artikel 72 van de Regime Jurídico do Crédito Agrícola Mútuo e das Cooperativas de Crédito Agrícola [wettelijke regeling voor landbouwkrediet en landbouwkredietcoöperaties], goedgekeurd als bijlage bij Decreto-lei no 24/91 (wetsbesluit nr. 24/91) van 11 januari 1991;
- b)
de notionele waarde van buiten de balans vallende afgeleide financiële instrumenten, bepaald door de belastingplichtigen.’
8.
Artikel 4 van dezelfde bijlage, dat betrekking heeft op de vaststelling van de belastinggrondslag voor de ASSB, bepaalt:
- ‘1.
Voor de toepassing van punt a) van het voorgaande artikel wordt onder passiva verstaan alle in de balans opgenomen posten die, ongeacht de vorm of het type, een schuld jegens derden vertegenwoordigen, met uitzondering van:
- a)
bestanddelen die overeenkomstig de toepasselijke boekhoudregels als eigen vermogen worden beschouwd;
- b)
passiva in verband met de erkenning van verplichtingen uit hoofde van toegezegd-pensioenregelingen;
- c)
deposito's die gedekt zijn door het depositogarantiefonds en door het gemeenschappelijk landbouwkredietgarantiefonds, maar alleen tot het bedrag dat daadwerkelijk door deze fondsen wordt gedekt;
- d)
passiva die voortvloeien uit de herwaardering van afgeleide financiële instrumenten;
- e)
uitgestelde inkomsten, zonder rekening te houden met die welke overeenstemmen met passieve verrichtingen, en
- f)
passiva die corresponderen met activa die niet van de balans zijn verwijderd bij securitisatietransacties.
- 2.
Voor de toepassing van punt a) van het voorgaande artikel gelden de volgende regels:
- a)
de waarde van het eigen vermogen, met inbegrip van het tier 1-kapitaal en het tier 2-kapitaal, omvat de positieve bestanddelen die overeenkomstig deel twee van verordening (EU) nr. 575/2013 [van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1)], daarbij rekening houdend met de in deel tien van die verordening vastgestelde overgangsbepalingen, in aanmerking worden genomen voor de berekening van het eigen vermogen en die tegelijkertijd overeenstemmen met het begrip passiva zoals gedefinieerd in het vorige lid;
- b)
deposito's die worden gedekt door het depositogarantiefonds, het gemeenschappelijk landbouwkredietgarantiefonds of een depositogarantiestelsel dat officieel is erkend overeenkomstig artikel 4 van [richtlijn 2014/49] of dat daaraan gelijkgesteld is krachtens artikel 156, lid 1, onder b), van de algemene regeling voor kredietinstellingen en financieringsmaatschappijen, worden binnen de grenzen van de toepasselijke wetgeving slechts in aanmerking genomen tot het bedrag dat daadwerkelijk door die fondsen wordt gedekt.’
Feiten, hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
9.
Verzoekster in het hoofdgeding (hierna: ‘verzoekster’) is een Portugees filiaal van een kredietinstelling met maatschappelijke zetel in Frankrijk. Als zodanig is zij onderworpen aan de ASSB, te weten een op de bankensector toepasselijke heffing die door de Portugese Republiek is ingevoerd om bij te dragen aan de financiering van de sociale zekerheid en om de belastingdruk voor deze sector, die voor de meeste financiële diensten en verrichtingen btw-vrijstelling geniet, meer in lijn te brengen met die voor andere sectoren van de Portugese economie.
10.
Op 11 december 2020 heeft verzoekster aangifte voor de ASSB gedaan over het eerste halfjaar van 2020. Op basis daarvan heeft zij een bedrag van 364 229,67 EUR betaald. Op 5 januari 2021 heeft zij bezwaar gemaakt bij de belastingdienst en verzocht om terugbetaling van dat bedrag. Bij besluit van 21 mei 2021 heeft de belastingdienst dat verzoek afgewezen.
11.
Op 23 augustus 2021 heeft verzoekster tegen die afwijzing beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van haar beroep heeft zij met name aangevoerd dat de ASSB in strijd is met het Unierecht.
12.
Verzoekster stelt in het bijzonder dat de invoering van de ASSB in strijd is met richtlijn 2014/59 en met de fiscale harmonisatie die deze richtlijn volgens haar heeft teweeggebracht met betrekking tot de door kredietinstellingen te betalen bijdragen inzake afwikkeling. Zij wordt op grond van deze richtlijn immers reeds belast in de lidstaat waar zij haar maatschappelijke zetel heeft, dat wil zeggen in Frankrijk, zodat de Portugese Republiek haar niet kan onderwerpen aan een vergelijkbare heffing met dezelfde grondslag.
13.
Verzoekster is voorts van mening dat de ASSB in strijd is met artikel 49 VWEU doordat filialen van buitenlandse kredietinstellingen erdoor worden gediscrimineerd: aangezien die filialen geen rechtspersoonlijkheid bezitten, hebben zij niet de mogelijkheid om bepaalde eigenvermogensbestanddelen in mindering te brengen op hun belastinggrondslag voor de ASSB.
14.
Tegen deze achtergrond heeft de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verzet [richtlijn 2014/59] zich ertegen dat in een lidstaat van de Europese Unie filialen van in andere lidstaten gevestigde financiële instellingen worden belast op grond van een wettelijke regeling zoals de Portugese regeling inzake de [ASSB], wanneer die heffing wordt geheven over de aangepaste passiva en de notionele waarde van buiten de balans vallende afgeleide financiële instrumenten, en de opbrengsten ervan niet worden toegewezen aan de nationale mechanismen voor de financiering van afwikkelingsmaatregelen of worden gebruikt om het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds te financieren?
- 2)
Verzet de in artikel 49 VWEU neergelegde vrijheid van vestiging zich tegen een nationale regeling zoals de Portugese regeling inzake de [ASSB], op grond waarvan bepaalde passiva die overeenkomstig de bepalingen van deel twee van [verordening nr. 575/2013], daarbij rekening houdend met de overgangsbepalingen in deel [tien] van die verordening, meetellen bij de berekening van het tier 1-kapitaal en het tier 2-kapitaal en die alleen kunnen worden uitgegeven door entiteiten met rechtspersoonlijkheid, en dus niet door filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen, in mindering mogen worden gebracht op de financiële verplichtingen zoals die zijn vastgesteld en goedgekeurd?’
15.
Cofidis, de Portugese regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
16.
Ter terechtzitting van 20 april 2023 hebben dezelfde partijen pleidooi gehouden.
Analyse
17.
Zoals ik in de inleiding heb opgemerkt, zal ik mij in deze conclusie beperken tot de behandeling van de tweede prejudiciële vraag.
Tweede vraag
18.
Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de in artikel 49 VWEU neergelegde vrijheid van vestiging zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan alleen ingezeten kredietinstellingen en dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen, die rechtspersoonlijkheid bezitten, en dus niet filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen, die geen rechtspersoon zijn, de mogelijkheid hebben om hun eigen vermogen en als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten in mindering te brengen op de grondslag voor een belasting die wordt geheven over de passiva van die entiteiten.
Ontvankelijkheid
19.
De Portugese regering heeft in haar schriftelijke opmerkingen aangevoerd dat de onderhavige vraag niet-ontvankelijk is aangezien zij gebaseerd is op verzoeksters bewering dat het voor filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen niet mogelijk is om eigen vermogen in mindering te brengen op hun belastinggrondslag voor de ASSB. Volgens de Portugese regering wordt deze bewering, die betrekking heeft op het Portugese recht, in het hoofdgeding door de belastingdienst betwist en is zij nog niet door de verwijzende rechter geverifieerd, zodat de gestelde vraag in dit stadium puur hypothetisch en abstract is.
20.
Ik breng in herinnering dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend een zaak is van de nationale rechter om, gelet op de bijzonderheden van de bij hem aanhangige zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, worden zij relevant geacht en is het Hof in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Een dergelijk vermoeden van relevantie kan slechts worden weerlegd wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord op de gestelde vragen te geven.
21.
Dienaangaande staat vast dat aan het vereiste dat de nationale rechter een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht wordt verschaft, slechts kan worden voldaan indien deze rechter onder zijn eigen verantwoordelijkheid het feitelijke en juridische kader schetst waarin de door hem gestelde vragen moeten worden geplaatst, en ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken.3.
22.
Welnu, uit punt 9 van het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechter betwijfelt of de aan de orde zijnde Portugese regeling strookt met de vrijheid van vestiging, omdat op grond van deze regeling filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen niet de mogelijkheid hebben om bepaalde eigenvermogensbestanddelen in aftrek te brengen, aangezien het daarbij gaat om schuldinstrumenten die alleen door entiteiten met rechtspersoonlijkheid kunnen worden uitgegeven. Hieruit volgt dat de verwijzende rechter, anders dan de Portugese regering stelt, verzoeksters bewering betreffende de uitlegging van het Portugese recht reeds heeft onderschreven.
23.
Gelet hierop moet het Hof worden geacht te beschikken over de juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de onderhavige vraag. Er is dus geen sprake van een hypothetische of abstracte vraag, zodat niet kan worden afgedaan aan het vermoeden van relevantie, Ik geef het Hof dan ook in overweging om de tweede vraag ontvankelijk te verklaren.
Ten gronde
— Bestaan van discriminatie
24.
Met de door de artikelen 49 en 54 VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging is voor vennootschappen die overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Unie hebben, het recht verbonden om in een andere lidstaat hun bedrijfsactiviteit uit te oefenen door middel van een dochteronderneming, een filiaal of een agentschap.4.
25.
Volgens de rechtspraak van het Hof verbiedt artikel 49 VWEU alle maatregelen die de uitoefening van de vrijheid van vestiging verbieden, belemmeren of minder aantrekkelijk maken.5.
26.
Deze bepaling verbiedt met andere woorden niet alleen zichtbare discriminatie op grond van de plaats van de zetel van vennootschappen, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden.6. Zo heeft het Hof geoordeeld dat er bij een verplichte heffing sprake is van indirecte discriminatie op grond van de plaats van de zetel van vennootschappen — wat krachtens de artikelen 49 en 54 VWEU verboden is — wanneer die heffing in een ogenschijnlijk objectief onderscheidingscriterium voorziet maar, gelet op de kenmerken ervan, in de meeste gevallen vennootschappen benadeelt die hun zetel hebben in een andere lidstaat en die zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met de situatie van vennootschappen met zetel in de lidstaat van heffing.7.
27.
In het onderhavige geval staat vast dat de betrokken Portugese regeling zonder onderscheid van toepassing is op ingezeten kredietinstellingen, Portugese dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen en Portugese filialen van deze laatste. Wat de regels ter bepaling van de belastinggrondslag betreft, moet worden opgemerkt dat de ASSB wordt geheven over de passiva van die entiteiten, dat wil zeggen over ‘alle in de balans opgenomen posten die, ongeacht in welke vorm en op welke wijze, een schuld jegens derden vertegenwoordigen’, met uitzondering van, in voorkomend geval, als eigen vermogen in aanmerking komende passiefposten.
28.
Volgens verzoekster staat de mogelijkheid om eigen vermogen in mindering te brengen op de belastinggrondslag voor de ASSB, niet open voor entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid, zoals filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen, aangezien deze entiteiten juridisch gezien geen eigen vermogen kunnen hebben. Dit betekent dat niet-ingezeten kredietinstellingen die hebben besloten zich in Portugal te vestigen door middel van een filiaal, wegens de betrokken regeling in een minder gunstige situatie verkeren dan ingezeten kredietinstellingen en dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen.
29.
De Commissie heeft zich in haar schriftelijke opmerkingen op het standpunt gesteld dat eventuele indirecte discriminatie dus niet zou voortvloeien uit de Portugese regeling zelf, maar uit de juridische status van filialen, die juridisch gezien geen eigen vermogen kunnen hebben omdat zij geen rechtspersoon zijn. De Commissie stelt echter onder verwijzing naar het arrest van 10 juni 2015, X AB (C-686/13, EU:C:2015:375; hierna: ‘arrest X AB’) dat een dergelijk verschil in behandeling tussen dochterondernemingen en filialen onder de fiscale soevereiniteit van de lidstaten valt.
30.
Dit argument is naar mijn mening om twee redenen niet overtuigend.
31.
Ten eerste strookt het niet met de relevante rechtspraak. In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof sinds het arrest Commissie/Frankrijk8. meermaals heeft geoordeeld dat artikel 49, eerste alinea, tweede volzin, VWEU de marktdeelnemers uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om vrijelijk de rechtsvorm te kiezen die bij de uitoefening van hun werkzaamheden in een andere lidstaat past, zodat deze vrije keuze niet mag worden beperkt door discriminerende fiscale bepalingen.9.
32.
In het arrest CLT-UFA heeft het Hof vervolgens gepreciseerd dat de vrijheid om de passende rechtsvorm te kiezen met name tot doel heeft, in een lidstaat gevestigde vennootschappen de mogelijkheid te bieden een filiaal te openen in een andere lidstaat om er hun werkzaamheden uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor dochterondernemingen.10.
33.
Uit de rechtspraak volgt dus dat die vrijheid eraan in de weg staat dat niet-ingezeten vennootschappen verschillend worden behandeld naargelang zij in de lidstaat van ontvangst opereren via een dochteronderneming dan wel via een filiaal, aangezien dat verschil in behandeling discriminatie op grond van nationaliteit oplevert.11.
34.
De aan die uitlegging ten grondslag liggende logica is dat een filiaal, dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, slechts een verlengstuk van de moedermaatschappij in het buitenland is, terwijl een dochteronderneming van een niet-ingezeten vennootschap in haar staat van vestiging een zelfstandig rechtssubject voor fiscale doeleinden en dus een binnenlandse vennootschap is. Een nationale wettelijke regeling die dochterondernemingen gunstiger behandelt dan filialen, komt er dus per saldo op neer dat ingezeten vennootschappen gunstiger worden behandeld dan niet-ingezeten vennootschappen.
35.
Die gelijkwaardigheid wordt door het Hof explicieter tot uitdrukking gebracht in punt 44 van het arrest Saint-Gobain ZN12., waarin het heeft geoordeeld dat ‘[d]e verschillende behandeling van de filialen van buitenlandse vennootschappen ten opzichte van de binnenlandse vennootschappen en de daaruit voortvloeiende beperking van de vrije keuze van de vorm van de nevenvestiging […] als eenzelfde schending van de artikelen [49 en 54 VWEU] [moeten] worden aangemerkt’13., en — recenter — in punt 36 van het arrest van 17 mei 2017, X (C-68/15, EU:C:2017:379), waarin het heeft verklaard dat ‘het bij de toepassing van een nationale belastingregeling als die van het hoofdgeding op enerzijds een ingezeten dochteronderneming van een niet-ingezeten vennootschap en anderzijds een ingezeten vaste inrichting van een dergelijke vennootschap[14.], gaat om de fiscale behandeling van een ingezeten respectievelijk niet-ingezeten vennootschap’.
36.
Ten tweede kan naar mijn mening de door het Hof in punt 33 van het arrest X AB gedane vaststelling, anders dan de Commissie suggereert, niet worden toegepast op de onderhavige zaak. Bij dat arrest moet kort worden stilgestaan.
37.
Volgens de in die zaak aan de orde zijnde Zweedse wettelijke regeling werden kapitaalwinsten op de overdracht van aandelen in bepaalde soorten vennootschappen niet opgenomen in de heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, met als logische keerzijde daarvan dat waardeverliezen op dergelijke verrichtingen niet aftrekbaar waren, ook wanneer die waardeverliezen het gevolg waren van een wisselkoersverlies. Het was voor de toepassing van die regeling irrelevant of de vennootschappen waarvan de aandelen werden overgedragen, in Zweden dan wel in een andere lidstaat waren gevestigd.
38.
Het Hof, dat de vraag kreeg voorgelegd of in een andere lidstaat dan het Koninkrijk Zweden gedane investeringen in aandelen, gelet op de uit de Zweedse wettelijke regeling voortvloeiende niet-aftrekbaarheid van wisselkoersverliezen, niet ongunstiger werden behandeld dan soortgelijke investeringen in Zweden, heeft in het genoemde punt 33 toepassing gegeven aan het beginsel dat de vrijheid van vestiging niet aldus kan worden opgevat dat een lidstaat verplicht is om zijn belastingregeling af te stemmen op die van andere lidstaten teneinde te waarborgen dat in alle situaties de belasting aldus wordt geheven dat alle verschillen als gevolg van de nationale belastingregelingen verdwijnen, aangezien de beslissingen van een vennootschap betreffende de oprichting van een commerciële structuur in het buitenland naargelang van het geval meer of minder voordelig of nadelig voor deze vennootschap kunnen uitvallen.15.
39.
De onderhavige zaak verschilt naar mijn mening in zoverre van die eerdere zaak, dat de indirecte discriminatie niet zou voortvloeien uit het gecombineerde effect van de belastingheffing in de staat waar zich de zetel bevindt van de vennootschap waartoe het filiaal behoort en de belastingheffing in de staat waar het filiaal gevestigd is, maar uitsluitend uit die laatste belastingheffing.
40.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het feit dat entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid niet de mogelijkheid hebben om eigen vermogen in hun balans op te nemen en als zodanig in mindering te brengen op hun belastinggrondslag voor de ASSB, ertoe leidt dat filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen worden benadeeld ten opzichte van zowel ingezeten kredietinstellingen als dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen.
41.
Het is echter van belang erop te wijzen dat de Portugese regering zowel in haar schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting met klem heeft ontkend dat filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen hun dotatiekapitaal niet als eigen vermogen zouden mogen boeken. Meer bepaald heeft deze regering betoogd dat het een dergelijk filiaal volgens de Portugese wetgeving vrijstaat om de middelen die het toegewezen heeft gekregen als passiefpost of als eigen vermogen te boeken, al naargelang die middelen rentedragend dan wel permanent van aard zijn.
42.
In dit verband breng ik slechts in herinnering dat wanneer het Hof uitspraak moet doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, het zich dient te houden aan de door deze rechter gegeven uitlegging van het nationale recht.16. Zoals eerder in deze conclusie is opgemerkt, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter het Portugese recht op dezelfde wijze uitlegt als verzoekster.
43.
Bovendien worden filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen volgens verzoekster gediscrimineerd ten opzichte van ingezeten entiteiten omdat er tal van als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten bestaan die alleen door entiteiten met rechtspersoonlijkheid kunnen worden uitgegeven. Het zou daarbij met name gaan om converteerbare obligaties, winstdelende obligaties, aflosbare preferente aandelen en voorwaardelijk converteerbare obligaties (contingent convertible bonds). De Portugese regering heeft deze uitlegging noch in haar schriftelijke opmerkingen, noch ter terechtzitting betwist.
44.
Het lijdt volgens mij geen twijfel dat de aftrek van de waarde van die als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten van de belastinggrondslag voor de ASSB, evenals de aftrek van het eigen vermogen impliceert dat filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen minder gunstig worden behandeld dan ingezeten kredietinstellingen en dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen.
45.
Hieruit volgt dat de wettelijke regeling tot invoering van de ASSB ertoe leidt dat niet-ingezeten kredietinstellingen die zich in Portugal willen vestigen door middel van een filiaal, indirect worden gediscrimineerd, zodat deze regeling onder de door artikel 49 VWEU verboden maatregelen valt.17.
46.
Volgens vaste rechtspraak kan een belemmering van de vrijheid van vestiging enkel worden aanvaard indien zij betrekking heeft op situaties die niet objectief vergelijkbaar zijn, of wordt gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang.18. Bijgevolg moet worden nagegaan of de wettelijke regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, die — zoals is erkend — de vrijheid van vestiging kan belemmeren, onder een van deze twee hypotheses valt.
— Objectieve vergelijkbaarheid van de situaties
47.
Wat de objectieve vergelijkbaarheid van situaties betreft, is het vaste rechtspraak dat de vergelijkbaarheid van een grensoverschrijdende situatie met een interne situatie moet worden onderzocht op basis van het met de betrokken nationale belastingregeling nagestreefde doel.19.
48.
In dit verband merk ik op dat de ASSB is ingevoerd om de mechanismen ter financiering van het socialezekerheidsstelsel te versterken door de opbrengsten van deze heffing volledig toe te wijzen aan het FEFSS. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt met name dat de invoering van de ASSB en het feit dat deze heffing uitsluitend van toepassing is op de bankensector, een vorm van compensatie zijn voor de btw-vrijstelling die geldt voor de meeste financiële diensten en verrichtingen, met als doel om de belastingdruk voor de financiële sector meer in lijn te brengen met die voor andere sectoren.
49.
Gelet op het door die belastingregeling nagestreefde doel, lijdt het geen twijfel dat de situatie van een niet-ingezeten kredietinstelling die in Portugal opereert via een filiaal, vergelijkbaar is met die van een ingezeten kredietinstelling of een dochteronderneming van een niet-ingezeten kredietinstelling. Er bestaat tussen die entiteiten dus geen objectief verschil in situatie dat een verschil in behandeling met betrekking tot de regels voor de vaststelling van de belastinggrondslag voor de ASSB kan rechtvaardigen.20.
— Bestaan van een rechtvaardiging
50.
Wat betreft de dwingende redenen van algemeen belang die de aldus vastgestelde belemmering van de vrijheid van vestiging kunnen rechtvaardigen, moet allereerst in herinnering worden gebracht dat het Hof als zodanig heeft erkend: de noodzaak om de samenhang van het belastingstelsel te verzekeren, de noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen, de noodzaak om belastingontduiking te voorkomen en de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te behouden.
51.
De noodzaak om de samenhang van het belastingstelsel te waarborgen impliceert dat een rechtstreeks verband wordt aangetoond tussen het door de betrokken regeling toegekende belastingvoordeel en de compensatie van dat voordeel door een bepaalde belastingheffing.21. In het onderhavige geval blijkt nergens uit dat de aan ingezeten kredietinstellingen en aan dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen geboden mogelijkheid om eigenvermogensbestanddelen in mindering te brengen op de belastinggrondslag voor de ASSB, wordt gecompenseerd door een belasting die van die entiteiten wordt geheven.
52.
De noodzaak om de doeltreffendheid van de fiscale controles te waarborgen, betekent in wezen dat de lidstaten maatregelen mogen toepassen waarmee het belastbare bedrag duidelijk en nauwkeurig kan worden vastgesteld.22. Het lijkt mij duidelijk dat de betrokken Portugese wettelijke regeling, die voorziet in een methode voor de berekening van de belastinggrondslag die onvermijdelijk leidt tot een hoger resultaat voor filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen, op geen enkele wijze verband houdt met dat doel.
53.
De noodzaak van voorkoming van misbruik en belastingfraude kan in het onderhavige geval evenmin als rechtvaardiging worden aangevoerd. De Portugese wettelijke regeling waarbij de ASSB is ingevoerd heeft namelijk niet, zoals volgens de rechtspraak vereist is, specifiek tot doel om gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en die bedoeld zijn om ten onrechte een belastingvoordeel te verkrijgen.23.
54.
Rest nog de vraag hoe het zit met de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te behouden.
55.
Dienaangaande heeft de Commissie ter terechtzitting betoogd dat de indirecte discriminatie die filialen ondervinden omdat zij geen als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten kunnen uitgeven, zou kunnen worden gerechtvaardigd door de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen.
56.
De Commissie heeft in dit verband in herinnering gebracht dat volgens de betrokken Portugese regeling dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen enkel de waarde van de als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten die zij zelf hebben uitgegeven, in mindering kunnen brengen op de belastinggrondslag voor de ASSB, en niet de waarde van de door hun moedermaatschappij uitgegeven instrumenten. Zo ook mogen filialen de waarde van de door hun moedermaatschappij uitgegeven schuldinstrumenten niet in aftrek brengen wanneer die instrumenten geen verband houden met hun activiteit.
57.
Met deze keuze heeft de wetgever volgens de Commissie willen vermijden dat niet-ingezeten kredietinstellingen die in Portugal opereren via een filiaal, vrijelijk kunnen kiezen wat de omvang is van hun belastinggrondslag voor de ASSB, door op kunstmatige wijze als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten in verband te brengen met de door dat filiaal in Portugal uitgeoefende activiteit.
58.
Om dit argument van de Commissie te kunnen beantwoorden, is het volgens mij noodzakelijk enkele inleidende opmerkingen te maken over het behoud van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten.
59.
Na voor het eerst in het arrest Marks & Spencer24. te zijn aanvaard in samenhang met de noodzaak om dubbele verliesverrekening te vermijden en belastingontwijking te bestrijden, is het behoud van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten nadien door het Hof als een opzichzelfstaande rechtvaardigingsgrond erkend.
60.
Daartoe heeft het Hof er rekening mee gehouden dat de heffing van directe belastingen in wezen tot de fiscale bevoegdheid van de lidstaten behoort. Bij gebreke van harmonisatie op Unieniveau staat het aan de lidstaten om criteria voor de verdeling van hun heffingsbevoegdheid vast te stellen door overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belastingheffing te sluiten of door eenzijdige maatregelen te nemen.25.
61.
Die rechtvaardiging vormt dus de uitdrukking van het internationaal erkende beginsel van de territorialiteit van de fiscale bevoegdheid van staten. Meer bepaald wordt de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen door het Hof met name als rechtvaardiging aanvaard wanneer de betrokken regeling ertoe strekt gedragingen te voorkomen die afbreuk kunnen doen aan het recht van een lidstaat om zijn fiscale bevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die plaatsvinden op zijn grondgebied.26.Zo kunnen vennootschappen niet volledig vrij worden gelaten om hun winsten over te hevelen van een lidstaat naar een andere lidstaat, of om te opteren voor verrekening van hun verliezen in hun lidstaat van vestiging dan wel in een andere lidstaat, omdat dergelijke praktijken ertoe zouden leiden dat de belastinggrondslag naar keuze van de betrokken vennootschap in de ene lidstaat wordt vermeerderd en in de andere lidstaat wordt verminderd met het bedrag van de overgedragen winsten of verliezen.27.
62.
De Commissie stelt zich in wezen op het standpunt dat de in casu aan de orde zijnde wettelijke regeling de fiscale bevoegdheid van de Portugese Staat met betrekking tot de op zijn grondgebied verrichte activiteiten beoogt te beschermen, voor zover deze regeling het voor niet-ingezeten kredietinstellingen die in Portugal opereren via een filiaal, onmogelijk maakt om in de balans van dat filiaal als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten op te nemen die geen verband houden met de door dat filiaal in Portugal uitgeoefende activiteit, en aldus het bedrag van de belastinggrondslag voor de ASSB van dat filiaal te verlagen.
63.
Mijns inziens kan de noodzaak van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten niet met succes als rechtvaardigingsgrond worden ingeroepen op de door de Commissie voorgestane wijze.
64.
Opgemerkt moet immers worden dat een lidstaat die wil betogen dat zijn nationale wetgeving moet voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van fiscale territorialiteit, volgens vaste rechtspraak moet voldoen aan een eis van samenhang.
65.
Meer in het bijzonder volgt uit die rechtspraak dat wanneer een lidstaat ervoor heeft gekozen om een belastingvoordeel toe te kennen aan op zijn grondgebied gevestigde vennootschappen en daarmee ervan heeft afgezien zijn fiscale bevoegdheid uit te oefenen ten aanzien van die vennootschappen, hij zich niet kan beroepen op de noodzaak van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten teneinde de belasting die wordt geheven van in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen te rechtvaardigen.28.
66.
In het onderhavige geval heeft de Portugese Staat afgezien van de uitoefening van zijn fiscale bevoegdheid door aan ingezeten kredietinstellingen en aan dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen — die zoals gezegd zelfstandige rechtssubjecten voor fiscale doeleinden en dus in die staat gevestigde vennootschappen zijn — een belastingvoordeel toe te kennen in de vorm van de mogelijkheid om de waarde van de als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten in mindering te brengen op hun belastinggrondslag voor de ASSB.
67.
Gelet hierop kan de Portugese Staat zich niet met succes beroepen op het territoriale karakter van zijn fiscale bevoegdheid ter rechtvaardiging van de nadelige behandeling van filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen, die om de eerder uiteengezette redenen niet de mogelijkheid hebben om de waarde van de genoemde instrumenten in mindering te brengen op hun belastinggrondslag voor de betrokken belasting.
Conclusie
68.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de tweede prejudiciële vraag van de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa — CAAD) te beantwoorden als volgt:
‘De in artikel 49 VWEU neergelegde vrijheid van vestiging moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan alleen ingezeten kredietinstellingen en dochterondernemingen van niet-ingezeten kredietinstellingen, die rechtspersoonlijkheid bezitten, en dus niet filialen van niet-ingezeten kredietinstellingen, die geen rechtspersoon zijn, de mogelijkheid hebben om hun eigen vermogen en als eigen vermogen in aanmerking komende schuldinstrumenten in mindering te brengen op de grondslag voor een belasting die wordt geheven over de passiva van die entiteiten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑07‑2023
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2014, L 173, blz. 190.
Arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar (C-349/17, EU:C:2019:172, punten 47–50).
Arrest van 16 februari 2023, Gallaher (C-707/20, EU:C:2023:101, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 11 mei 2023, Manitou BF en Bricolage Investissement France (C-407/22 en C-408/22, EU:C:2023:392, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 6 oktober 2022, Contship Italia (C-433/21 en C-434/21, EU:C:2022:760, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 3 maart 2020, Vodafone Magyarország (C-75/18, EU:C:2020:139, punt 43).
Arrest van 28 januari 1986 (270/83, EU:C:1986:37).
Punt 22 van dat arrest.
Arrest van 23 februari 2006 (C-253/03, EU:C:2006:129, punt 15). Zie ook arrest van 6 september 2012, Philips Electronics UK (C-18/11, EU:C:2012:532, punt 14).
Zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak X (C-68/15, EU:C:2016:886, punten 24 en 25). Zie voor een kritisch standpunt met betrekking tot de vergelijkbaarheid van dochterondernemingen en filialen met name Wattel, P. J., ‘Corporate tax jurisdiction in the EU with respect to branches and subsidiaries; dislocation distinguished from discrimination and disparity; a plea for territoriality’, EC Tax Review nr. 4, 2003, blz. 196.
Arrest van 21 september 1999 (C-307/97, EU:C:1999:438).
Cursivering van mij.
Opgemerkt moet worden dat de term ‘ingezeten’ vaste inrichting in dat punt van het arrest wordt gebruikt als synoniem voor ‘actief in die lidstaat’.
Het Hof heeft verder verklaard dat deze conclusie niet in tegenspraak was met de conclusie waartoe het was gekomen in het arrest van 28 februari 2008, Deutsche Shell (C-293/06, EU:C:2008:129), waarin het in wezen had geoordeeld dat een Duitse wettelijke regeling de vrijheid van vestiging belemmerde door te bepalen dat de wisselkoersverliezen die een vennootschap met statutaire zetel op Duits grondgebied leed bij de repatriëring van het dotatiekapitaal dat zij had verschaft aan haar in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting, niet aftrekbaar waren. Volgens het Hof was de juridische context van de zaak Deutsche Shell namelijk anders, aangezien de in die zaak aan de orde zijnde wettelijke regeling in zoverre verschilde van de Zweedse regeling, dat wisselkoerswinsten in de regel belast en wisselkoersverliezen als logische keerzijde daarvan aftrekbaar waren. Zie met name punt 38 van het arrest X AB.
Arrest van 27 oktober 2022, Instituto do Cinema e do Audiovisual (C-411/21, EU:C:2022:836, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Dit zou anders kunnen zijn indien de verwijzende rechter na een algehele beoordeling van de verschillende bestanddelen van de belastinggrondslag voor de ASSB zou vaststellen dat de wijze waarop die grondslag wordt vastgesteld, de facto met zich meebrengt dat een kredietinstelling die zich in Portugal wil vestigen door middel van een filiaal, niet ongunstiger wordt behandeld dan ingezeten entiteiten. Zie in dit verband arrest van 17 mei 2017, X (C-68/15, EU:C:2017:379, punt 44). Ik merk echter op dat niets in het dossier erop wijst dat dit het geval is.
Arrest van 20 december 2017, Deister Holding en Juhler Holding (C-504/16 en C-613/16, EU:C:2017:1009, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 2 juni 2016, Pensioenfonds Metaal en Techniek (C-252/14, EU:C:2016:402, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 25 februari 2021, Novo Banco (C-712/19, EU:C:2021:137, punt 26).
Arrest van 12 juni 2018, Bevola en Jens W. Trock (C-650/16, EU:C:2018:424, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 19 juli 2012, A (C-48/11, EU:C:2012:485, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 20 december 2017, Deister Holding en Juhler Holding (C-504/16 en C-613/16, EU:C:2017:1009, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 13 december 2005 (C-446/03, EU:C:2005:763).
Arrest van 18 juli 2007, Oy AA (C-231/05, EU:C:2007:439, punt 52; hierna: ‘arrest Oy AA’).
Arrest van 13 oktober 2022, Finanzamt Bremen (C-431/21, EU:C:2022:792, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest Oy AA, punt 56, en arrest van 15 mei 2008, Lidl Belgium (C-414/06, EU:C:2008:278, punt 34).
Zie met name arresten van 8 november 2007, Amurta (C-379/05, EU:C:2007:655, punten 58 en 59), en 18 juni 2009, Aberdeen Property Fininvest Alpha (C-303/07, EU:C:2009:377, punt 67).