In de toelichting is door de steller van het middel onder andere betoogd dat het verweer over de verontschuldigbare termijnoverschrijding een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreft en dat het hof hier derhalve op had moeten reageren. Op grond van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv moeten de redenen die hebben geleid tot afwijking van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt weergegeven worden. Blijkens HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130 betreft dit een nadere motiveringsplicht. Overeenkomstig artikel 359 Sv en artikel 359a Sv moet dus al een motiveringsplicht bestaan. Op grond van deze artikelen bestaat echter geen algemene motiveringsplicht voor de niet-ontvankelijkheid van de verdachte. Dit brengt met zich dat in onderhavig geval het leerstuk van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet van toepassing is.
HR, 18-03-2025, nr. 22/04044
ECLI:NL:HR:2025:390
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-03-2025
- Zaaknummer
22/04044
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:390, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑03‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3952
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:172
ECLI:NL:PHR:2025:172, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:390
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0103
Uitspraak 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Verlaten plaats van ongeval, art. 7 WVW 1994. Hof heeft verdachte n-o verklaard in haar hoger beroep, omdat het te laat is ingesteld, art. 408.1.a Sv. Beroep op verontschuldigbare termijnoverschrijding. Had hof gemotiveerd moeten beslissen op ttz. in h.b. gevoerd verweer van raadsman dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding gelet op psychische gesteldheid van verdachte, waarbij is verwezen naar brief van neuroloog (die niet in dossier is opgenomen)? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Verweer over verontschuldigbare termijnoverschrijding is door hof verworpen maar hof heeft daarbij nagelaten hierover uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing te nemen. Hoewel van inhoud van brief van neuroloog geen kennis kan worden genomen, blijkt uit stukken dat deze brief is overgelegd en derhalve dat verweer van verdediging met objectieve informatie is onderbouwd. Daarbij merk ik op dat door verdediging gevoerde verweer niet van dien aard is dat hof uitsluitend tot verwerping van verweer had kunnen besluiten. Gelet op toepasselijk juridisch kader had hof zijn oordeel dat geen sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding, moeten motiveren. ‘s Hofs oordeel dat verdachte n-o is in haar h.b., is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04044
Datum 18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 oktober 2022, nummer 23-000941-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Pothast, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.9.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.
Conclusie 11‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Het hof heeft ten onrechte geen uitdrukkelijke en onderbouwde beslissing gegeven op een gemotiveerd beroep op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep. Conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en tot terugwijzing naar het hof.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04044
Zitting 11 februari 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2022 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Namens de verdachte is door R. Pothast, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.1
Het middel klaagt dat het hof het verweer over de verontschuldigbare termijnoverschrijding zonder nadere motivering heeft verworpen, waardoor het oordeel van het hof onbegrijpelijk is en met onvoldoende redenen omkleed.1.
Het bestreden arrest en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep
2.2
Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft het hof in het arrest het volgende overwogen:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 15 maart 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is de verdachte op 8 februari 2022 in persoon betekend.
De verdachte is op 15 maart 2022 bij verstek veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 5 april 2022.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.”
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 18 oktober 2022 heeft het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen:
“De voorzitter deelt mede dat de verdachte in eerste aanleg is gedagvaard om op 15 maart 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Amsterdam. De dagvaarding is de verdachte op 8 februari 2022 in persoon betekend. De verdachte is op 15 maart 2022 bij verstek veroordeeld. Het hoger beroep dat op 5 april 2022 is ingesteld zou derhalve niet ontvankelijk zijn.”
2.4
Blijkens datzelfde proces-verbaal van die terechtzitting heeft de verdediging het volgende aangevoerd:
“De raadsman legt een brief van de neuroloog over en voert aan:
U heeft gelijk qua data. Ook de betekening is in persoon uitgereikt. Ik ben echter van mening dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding gezien de psychische gesteldheid van cliënt. Er zijn bijzondere omstandigheden. Ik doe een beroep op de uitzondering psychische gesteldheid en ik verwijs hierbij naar de conclusie van de uitspraak van de Hoge Raad ECLI:NL:PHR:2020:485. Cliënt heeft een aandoening genaamd dunnevezel-neuropathie (DVN). Ze heeft last van haar gevoelszenuwen. Haar conditie is erg verslechterd en ze is constant duizelig. In de relevante periode zat ze aan huis gekluisterd. Het ging toen dusdanig slecht dat ze niet heeft gedacht aan het instellen van hoger beroep. Ze had ook geen advocaat. Cliënt heeft zeker belang om het hoger beroep ontvankelijk te laten verklaren. Ze heeft immers haar verhaal niet kunnen doen bij een rechter. (…)
De voorzitter merkt op dat we het niet inhoudelijk over de zaak gaan hebben.
De verdachte verklaart als volgt:
Ik kan niet tegen vitamine B6, daardoor speelt het bij mij op. Artsen omschrijven het als de ergste pijn die je kan hebben.
De jongste raadsheer merkt op:
Hoe bent u op de hoogte gekomen van het vonnis.
De verdachte antwoord:
Ik heb thuis een brief gekregen.
De advocaat-generaal leest de vordering voor. Hij verzoekt het hof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het ingestelde hoger beroep. Deze wordt aan het gerechtshof overgelegd en in het dossier gevoegd. Voorts voert de advocaat-generaal aan:
U heeft de brief gekregen op 8 februari 2022. Toen was de situatie nog niet zo ernstig. Het lijkt mij onaannemelijk dat u helemaal niet kunt doen. Ik heb daar moeite mee.
De raadsman voert aan:
De advocaat-generaal begeeft zich op glad ijs. Ze denkt dat ze de ziekte beter kent dan een neuroloog. In de brief staat dat het onmogelijk is om normaal te functioneren. Ik hou mij aan de brief.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Zij verklaart:
Ik sluit mij aan bij mijn raadsman. De medicatie is echt troep en heeft veel bijwerkingen zoals hartkloppingen en duizeligheid.”
Het juridische kader
2.5
Art. 408 Sv luidt voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
“1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;”
2.6
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de termijnen waarbinnen een rechtsmiddel kan worden ingesteld van openbare orde zijn. In de regel betekent overschrijding van de termijn voor hoger beroep dat dit hoger beroep niet ontvankelijk is. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarvan kan sprake zijn als, op het moment dat het rechtsmiddel had moeten worden ingesteld, sprake was van een zodanig ernstige beperking in het geestelijk en/of lichamelijk functioneren dat als gevolg daarvan het rechtsmiddel niet tijdig is ingesteld.2.Als duidelijk en gemotiveerd verweer is gevoerd dat een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel verontschuldigbaar is overschreden, moet de rechter bij verwerping daarvan uitdrukkelijk de redenen van die beslissing geven.3.
2.7
In het geval van een verweer over verontschuldigbare termijnoverschrijding wegens de psychische gesteldheid van de verdachte, wijs ik in het bijzonder nog op de volgende uitspraken van de Hoge Raad. In HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2065 had de verdediging aangevoerd en met een verklaring van de psycholoog onderbouwd dat de verdachte wegens psychische stoornissen niet in staat was zijn post te openen en om hoger beroep in te stellen. Temeer, omdat de verdachte opgenomen is geweest. Het hof heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding in hoger beroep niet verontschuldigbaar was, nu niet was gebleken van een psychische stoornis ten gevolge waarvan de verdachte na het vonnis niet in staat was te beoordelen of een rechtsmiddel moest worden ingesteld. De opname van de verdachte kon volgens het hof evenmin leiden tot verontschuldigbare termijnoverschrijding, nu deze enige tijd had plaatsgevonden voordat het bestreden vonnis was gewezen en de dagvaarding was uitgereikt. De Hoge Raad heeft het oordeel van het hof vernietigd, omdat het hof in het midden had gelaten of de verdachte wegens een hem niet toe te rekenen psychische problematiek niet in staat was zijn post te openen. In HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:189 liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand. Het hof had geoordeeld dat de overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep niet verontschuldigbaar was. Het hof had daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte zich blijkens een brief van de ambulant begeleider weliswaar “in een moeilijke periode” bevond, maar dat wegens het ontbreken van objectieve informatie van bijvoorbeeld een psycholoog of een psychiater niet was komen vast te staan dat sprake was van een bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Dit oordeel was volgens de Hoge Raad begrijpelijk, omdat in de kern niet meer was aangevoerd dan dat de verdachte niet de innerlijke rust had om de inhoud van het verstekvonnis tot zich door te laten dringen.
De bespreking van het middel
2.8
Het door en namens de verdachte gevoerde verweer in hoger beroep kan gelet op de omstandigheden van het geval bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een verweer dat de termijn in hoger beroep verontschuldigbaar is overschreden. In de schriftuur wordt door de verdediging aangevoerd dat ter onderbouwing van het verweer kennelijk een brief van de neuroloog is overgelegd waar volgens de verdediging uit zou blijken dat in de periode van het instellen van hoger beroep de verdachte onmogelijk normaal kon functioneren. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 oktober 2022 is een brief van de neuroloog overhandigd. Deze brief is echter niet in het dossier opgenomen, waardoor van de inhoud hiervan geen kennis kan worden genomen.
2.9
Het verweer over de verontschuldigbare termijnoverschrijding is door het hof verworpen, maar het heeft daarbij nagelaten hierover een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing te nemen. Hoewel van de inhoud van de brief van de neuroloog geen kennis kan worden genomen, blijkt uit de stukken van het geding dat deze brief is overgelegd en derhalve het verweer van de verdediging met objectieve informatie is onderbouwd. Daarbij merk ik op dat het door de verdediging gevoerde verweer niet van dien aard is dat het hof uitsluitend tot een verwerping van het verweer had kunnen besluiten. Gelet op het onder randnummer 2.6 en 2.7 omschreven juridisch kader, had het hof zijn oordeel dat geen sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding moeten motiveren. Het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in hoger beroep, is zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
2.10
Het middel slaagt.
Afronding
3.1
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2025
HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:189, waarin wordt verwezen naar HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587.
HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:341, waarin wordt verwezen naar HR 22 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR3700