Hof 's-Hertogenbosch, 23-04-2025, nr. 20-000131-22
ECLI:NL:GHSHE:2025:1623
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
23-04-2025
- Zaaknummer
20-000131-22
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2025:1623, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 23‑04‑2025; (Hoger beroep, Op tegenspraak)
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2021:1884
- Vindplaatsen
Uitspraak 23‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Oplichting, begaan door een rechtspersoon terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.
Parketnummer : 20-000131-22
Uitspraak : 23 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden in verband met de gegrondverklaring van de aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 30 september 2014 met parketnummer 21-006632-13, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 30 juli 2013 met parketnummer
08-700259-10 in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres 1] .
Procesverloop
De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, d.d. 30 juli 2013, parketnummer 08-700259-10, ter zake van het tenlastegelegde onder 1 primair en subsidiair, onder 2 primair en onder 3 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair en ten aanzien van het onder 2 subsidiair (impliciet cumulatief) tenlastegelegde voor zover dit ziet op de door de firma [benadeelde 1] verleende diensten vrijgesproken en ter zake van ‘oplichting, begaan door een rechtspersoon terwijl hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd’ (het overige onder 2 subsidiair tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 59.300,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010 en tevens is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast is de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van het vonnis begroot op € 447,00. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Tot slot heeft de rechtbank de onttrekking aan het verkeer opgelegd van een onder de verdachte inbeslaggenomen stempel.
Namens de verdachte is bij akte van 1 augustus 2013 tegen voormeld vonnis onbeperkt hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft in hoger beroep bij arrest van 30 september 2014, parketnummer 21-006632-13, de verdachte ter zake van het onder 1 primair en subsidiair, het onder 3 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair en ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde voor zover dit ziet op de door de firma [benadeelde 1] verleende diensten niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Daarnaast heeft het hof voormeld vonnis, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, vernietigd en opnieuw recht gedaan en hierbij de verdachte ter zake van het onder 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van ‘feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd’ (het onder 2 subsidiair tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen stempel de onttrekking aan het verkeer opgelegd. Voorts heeft het hof de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van € 59.300,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening en tevens is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De verdachte is veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van de uitspraak begroot op € 447,00. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Namens de verdachte is bij akte van 1 oktober 2014 tegen voormeld arrest beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 8 september 2015, nr. S 14/04939, het beroep in cassatie, gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, niet-ontvankelijk verklaard.
Namens de verdachte is op 29 december 2015 een klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ingediend.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft bij uitspraak van 19 januari 2021, nr. 2205/16, vastgesteld dat artikel 6, eerste en derde lid, onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid.
Namens de verdachte is op 23 juni 2021 een aanvraag tot herziening bij de Hoge Raad ingediend.
Bij arrest van 14 december 2021, nr. 2/02619 H, heeft de Hoge Raad der Nederlanden de aanvraag tot herziening van genoemd arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 september 2014, parketnummer 21-006632-13, gegrond verklaard, met bevel voor zover nodig tot opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest en met verwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op grond van artikel 472, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is – na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft tevens acht geslagen op de stukken die in het kader van het herzieningsverzoek zijn overgelegd en behandeld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 30 september 2014 zal handhaven, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en dat het hof, opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen, voor zover nog niet reeds betaald, en de gevorderde proceskosten eveneens zal toewijzen en dat het hof in aanvulling op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een beslissing zal nemen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij ‘ [benadeelde 3] ’ en deze benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is volgens de advocaat-generaal niet ontvankelijk omdat verdachte in eerste aanleg voor het betreffende feit is vrijgesproken en dit feit in hoger beroep dus niet meer aan de orde is.
De verdediging heeft ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de verdediging primair verzocht dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair bepleit dat er geen verhoging van de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd vanwege de aanvullend gevorderde proceskosten, dat de liquidatietarieven die in 2014 golden dienen te worden gehanteerd en dat de reeds betaalde schadevergoeding aan het CJIB in mindering dient te worden gebracht op het toe te wijzen bedrag. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en ‘ [benadeelde 3] ’ heeft de verdediging verzocht dat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen.
Arrest waarvan herziening
Het hof zal met inachtneming van het bepaalde in artikel 472, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 september 2014 handhaven, met verbetering en aanvulling van gronden waarop dit berust, met dien verstande dat op na te melden wijze de bewijsmiddelen worden verbeterd en aangevuld en de bewijsoverwegingen worden aangevuld, met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en de ten behoeve van deze benadeelde partij opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Tevens zal het hof een beslissing nemen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij “ [benadeelde 3] ’. Het hof doet in zoverre opnieuw recht.
Verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof is van oordeel dat het bewijsmiddel opgenomen onder nummer 11 (pagina 5 van de aanvulling op het arrest) niet tot het bewijs dient te worden gebezigd en schrapt dit bewijsmiddel uit de bewijsvoering.
Tevens is het hof van oordeel dat de door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gebezigde bewijsmiddelen aanvulling behoeven met de navolgende bewijsmiddelen:
Het proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris in dit hof d.d. 6 juli 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:
[bedrijf 1] heeft onderzoek gedaan om te kijken of [benadeelde 3] financieel gezond was en uit dat onderzoek is gebleken dat [benadeelde 3] volgens mij een middelgroot bedrijf was. Ze vroegen normaal gesproken of het bedrijf betrouwbaar was en via [bedrijf 3] hebben ze onderzoeken gedaan naar de betrouwbaarheid van het bedrijf.
U vraagt mij welke gegevens er normaal werden opgevraagd als er een nieuwe klant kwam. [bedrijf 1] vroeg een uittreksel van de Kamer van Koophandel. Dan deed ze onderzoek op de website van het bedrijf zelf naar de omvang van het bedrijf en andere gegevens. Het meeste onderzoek werd door [bedrijf 3] gedaan. Dat is juist het bedrijf dat dit soort onderzoeken doet.
U houdt mij voor dat ik verder aangaf dat ik van [betrokkene 4] betalingsbewijzen kreeg en dat ik daaruit afleidde dat er betaald was. U vraagt mij of naar aanleiding van zo’n betalingsbewijs ook bij de boekhouding van [bedrijf 1] werd gecontroleerd of er ook daadwerkelijk betaald was. Ja het werd gecontroleerd.
U vraagt mij of ik nog weet of de boekhouding aan de bel heeft getrokken. Ja, en dat is de reden waarom wij zelf naar Nederland zijn gegaan.
U vraagt mij of ik kan uitleggen waarom ik dacht dat er wel was betaald. Omdat [benadeelde 3] een soort betalingsbewijzen stuurde, die op pagina 318 staan.
U vraagt mij of ik me kan herinneren of [betrokkene 4] ooit tegen mij heeft gezegd dat er voor een levering was betaald en dat ik er later achter kwam dat dat niet zo was. Ja. [betrokkene 4] heeft expliciet gezegd dat hij de levering had betaald en heeft ook documenten opgestuurd die op ontvangst van betaling leken. Hij zei dit via de telefoon tegen mij en hij stuurde per fax dit soort documenten die ontvangst van betalingen waren of die op ontvangst van betalingen leken. Toen we zagen dat er niet betaald was, hebben we begrepen dat dit een oplichting was.
Het proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris in dit hof d.d. 30 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2], zakelijk weergegeven:
U vraagt mij met wie ik van het bedrijf [benadeelde 3] ik contact had. We hadden telefonisch contact. Met zekerheid hebben we ook per e-mail contact gehad.
Voordat we de tweede vrachtauto zouden laden, wilden we een bevestiging hebben van de overmaking van de betaling van de eerste vrachtauto. Toen heeft meneer [betrokkene 4] een bevestiging gestuurd maar die was vals.
Hoe de samenwerking tussen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] tot stand is gekomen? Ik ben benaderd door volgens mij meneer [betrokkene 4] . Het ging om ladingen ijsbergsla. Maar ik ben er niet zeker van of het om ijsbergsla ging. Het was in elk geval vers fruit en groente. We hebben gecheckt of ze kredietwaardig zijn. Voor zover ik mij kan herinneren was de eerste vrachtauto geladen, maar was afgesproken dat die pas wordt gelost als we de betaling binnen zouden hebben.
U vraagt mij of ik gegevens op de fax van 25 februari 2010 (p. 348 van het politiedossier, het hof begrijpt: een fax van [benadeelde 3] met gegevens van de onderneming) nog heb gecontroleerd aan de hand van openbare bronnen. Ik zelf heb het niet gedaan, maar het is zeker gedaan door de financiële afdeling/boekhouding. Dat is een standaardprocedure.
U zegt mij dat ik in mijn aangifte aangaf dat ik de gegevens van [benadeelde 3] liet controleren door het garantiebedrijf [bedrijf 2] . [bedrijf 2] is de kredietonderneming. Die checken of iemand kredietwaardig is. U zegt mij dat [bedrijf 2] daarna een garantie af gaf voor € 10.000. U vraagt mij of dat een gebruikelijke garantie was. Het bedrag is lager dan de waarde van de lading van een vrachtauto en dat zal zeker de reden zijn geweest dat wij om vooruitbetaling hebben gevraagd.
U zegt mij dat ik op 25 maart 2010 een e-mail kreeg van de heer [betrokkene 4] (p. 354 van het politiedossier, het hof begrijpt: een e-mail vanaf [e-mailadres] afkomstig van [betrokkene 4] en onder meer inhoudende: ‘Wie besprochen heute am telefon ubersenden wir Ihnen Bezahlungs Avis’): U vraagt mij wat de Duitse term “Bezalhlungs Avis” betekent. De betalingsbevestiging. Ik heb de e-mail doorgegeven aan de boekhouding en ik kreeg later de toestemming van het hoofd afdeling verkoop.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage gevoegd op pagina 95 e.v. van het proces-verbaal PL05YB 2010031394-15) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 3] :
Ik ben als customer/servicemedewerker werkzaam voor [benadeelde 1] , gelegen aan [adres 2] . In die hoedanigheid ben ik ergens halverwege december 2009 in contact gekomen met de firma [benadeelde 3] . Mijn baas is [betrokkene 1] . Hij vertelde me in december 2009 dat we zaken gingen doen met [benadeelde 3] . Mij werd verteld dat deze firma verse groente en fruit bij ons zou laten leveren. Soms werden er ook wel goederen afgehaald door jongens. Het waren Turkse jongens.
U laat me twee foto’s zien. De persoon op foto 2 (het hof: op foto 2 op pagina 99 is een afbeelding van de verdachte opgenomen) herken ik als zijnde meneer [betrokkene 4] . Eind december 2009 zat ik met mijn baas samen met deze [betrokkene 4] om tafel om af te spreken op welke wijze wij zaken gingen doen. Die [betrokkene 4] stelde zich toen aan ons voor als zijnde [betrokkene 4] . Hij gaf daarbij een visitekaartje af met daarop zijn naam, telefoonnummer en gegevens van het bedrijf. U laat mij ook nog een man zien op foto 1 (het hof: op foto 1 op pagina 98 is een afbeelding van [betrokkene 4] opgenomen). Ik weet niet hoe die man heet, ik ken hem wel.
De werkwijze was normaal gesproken als volgt. [betrokkene 4] gaf aan wanneer er een levering te verwachten was en om welke goederen het ging. Als de goederen gelost waren bij ons kwam [betrokkene 4] langs en gaf hij aan welke goederen waarheen moesten. Die andere man was vaak bij [betrokkene 4] , maar hij zei nooit iets.
Het proces-verbaal van verhoor getuige door de raadsheer-commissaris in dit hof d.d. 6 juli 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3], zakelijk weergegeven:
[benadeelde 3] is het bedrijf waarmee wij zaken deden. Het contact met [benadeelde 3] verliep via één persoon en daar was een tweede persoon bij, maar die tweede persoon heb ik eigenlijk niet zo vaak gesproken.
Ik was de uitvoerende persoon, dus kort gezegd was hij mijn klant en hij meldde bij ons welke vrachtwagens er bij ons aankwamen. Hij vertelde waar het precies heen moest. U moet het zien dat er bijvoorbeeld fruit uit Spanje en uit Italië kwam en die eerste man vertelde dan waar wat heen moest gaan. Ik regelde het administratieve en alles eromheen. Die eerste man was mijn contactpersoon van [benadeelde 3] .
Die eerste man stelde zich voor als [betrokkene 4] . Die tweede man daar heb ik geen idee van hoe die heet.
U vraagt mij hoe lang de periode was dat ik contact heb gehad met die eerste man. Van begin tot het einde. Volgens mij is het begonnen in 2009 tot aan 2010.
Die eerste man, [betrokkene 4] , was altijd mijn contactpersoon. Die eerste man was echt de hoofdpersoon met wie ik contact had.
De man op de foto op pagina 90 (het hof begrijpt: een foto van de verdachte) dat was de eerste persoon, dus de hoofdpersoon met wie ik contact had.
U vraagt mij of ik ooit op het kantoor van [benadeelde 3] ben geweest. Ik ben daar één keer geweest om een cadeautje af te geven omdat ze klant bij ons waren. Ik heb dat geschenk afgegeven aan die hoofdpersoon waarover ik het vandaag had.
Meestal was het zo dat als een vrachtwagen van een leverancier aankwam dat er dan iemand van [benadeelde 3] kwam om het papierwerk te bekijken en mee te nemen. Over het algemeen deed die eerste persoon dat, dus mijn contactpersoon waarover ik verklaarde en die zich [betrokkene 4] noemde. Hij had een bedrijfskaartje waarop alleen de naam [betrokkene 4] stond. Dat was een visitekaartje, een bedrijfskaartje waarop de naam van [benadeelde 3] staat.
U vraagt mij of ik nog weet wie er van [benadeelde 3] aanwezig was toen er werd gesproken over de prijs die [benadeelde 1] berekende aan [benadeelde 3] . Dat was die eerste man die zich [betrokkene 4] noemde. Zoals gezegd liepen bijna alle contacten via hem.
De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 9 april 2025, voor zover inhoudende:
Ik heb met de heer [betrokkene 4] een aantal kantoorpanden bekeken. Oldenzaal bij de Duitse grens was een goede locatie. Ik heb een aantal panden voorgesteld. Ik was aanwezig bij de bezichtiging. Ik was aanwezig bij het tekenen van de huurovereenkomst van het kantoorpand. Naast [betrokkene 4] en mijzelf was er nog een derde persoon betrokken bij [benadeelde 3] , te weten [betrokkene 3] (het hof: fonetisch). [betrokkene 3] leek totaal niet op mij. Als er een levering kwam ging ik naar [benadeelde 1] om de kwaliteit van die levering te controleren.
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep bij dit hof heeft de verdediging primair aangevoerd dat er geen sprake is van oplichting gepleegd door [benadeelde 3] van [bedrijf 1] en [benadeelde 2] Hiertoe heeft de verdediging – kort weergegeven, op gronden zoals verwoord in de pleitnota – ten aanzien van [bedrijf 1] aangevoerd dat [bedrijf 1] niet bewogen is tot afgifte van de goederen door de Nederlandstalige betalingsopdrachten. [bedrijf 1] had zelf, alvorens er een nieuwe partij fruit werd geleverd, moeten controleren of er was betaald en zonder een betaling had geen nieuwe partij geleverd mogen worden. [bedrijf 1] had als professioneel marktdeelnemer de onjuiste voorstelling van zaken moeten doorzien, aldus de verdediging. Met betrekking tot [benadeelde 2] heeft de verdediging naar voren gebracht dat er voorzichtigheid was geboden bij het leveren aan [benadeelde 3] , nu er signalen waren dat dit bedrijf niet kredietwaardig was, er geen digitale footprint was en er gecontroleerd had moeten worden bij de boekhoudafdeling dat er daadwerkelijk was betaald. De afdrukken van digitale overboeking vermelden als begunstigde [betrokkene 2] en niet [benadeelde 2] Deze digitale afdrukken kunnen niet als oplichtingsmiddel worden aangemerkt. De verdediging stelt zich derhalve op het standpunt dat [benadeelde 2] niet bewogen is tot afgifte van de goederen wegens een aantal oplichtingsmiddelen. Als dit de betalingsbewijzen waren die aan [benadeelde 2] waren overgelegd dan had [benadeelde 2] in een oogwenk kunnen opmerken dat het geen betaling aan [benadeelde 2] betrof. Verder betroffen de digitale afdrukken bovendien onvoltooide overboekingen. Bij [benadeelde 2] was men wellicht goed van vertrouwen maar dit was niet gebaseerd op een eerdere zakelijke relatie of betaling. [benadeelde 2] had dit alles moeten doorzien en er voor moeten zorgen dat er niet werd geleverd alvorens de boekhoudafdeling had gemeld dat er daadwerkelijk werd betaald. Niet gesteld kan worden dat de verdachte de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen heeft verricht, aldus de verdediging.
Indien het hof van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [bedrijf 1] en [benadeelde 2] zijn opgelicht door de rechtspersoon [benadeelde 3] heeft de verdediging subsidiair naar voren gebracht dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de oplichting gepleegd door [benadeelde 3] In dat kader heeft de verdediging – kort weergegeven, op gronden zoals verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat de verdachte geen formele leidinggevende rol had binnen het bedrijf en dat zijn werkzaamheden ook niet wijzen op de omstandigheid dat hij feitelijk de touwtjes in handen had, dan wel dat hij de contactpersoon was voor [benadeelde 2] en [bedrijf 1] . Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte vanuit zijn functie voor [benadeelde 3] (voorwaardelijk) opzet had op de verboden gedragingen van [benadeelde 3] Zelfs de ondergrens voor feitelijk leidinggeven kan niet gehaald worden. Aan de hand van de gedragingen van de verdachte kan niet worden geconcludeerd dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging (de oplichting van [benadeelde 2] en [bedrijf 1] ) zich zou voordoen. Weliswaar kan worden vastgesteld dat de verdachte als contactpersoon fungeerde voor de Nederlandse betrokkenen/getuigen, maar dat maakt nog niet dat hij wetenschap had van de kans dat [benadeelde 3] – op zijn minst genomen – twee buitenlandse leveranciers zou oplichten. De verdachte had ook geen weet van de correspondentie met de leveranciers en ten tijde van de tenlastegelegde oplichting (eind maart/begin april) was hij ook niet werkzaam voor [benadeelde 3] , aldus de verdediging.
In aanvulling op hetgeen het hof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 30 september 2014 hieromtrent heeft overwogen, overweegt het hof als volgt.
De oplichtingsmiddelen
Uit de verklaringen van [getuige 1] (namens [bedrijf 1] ) en [getuige 2] (namens [benadeelde 2] ) volgt onder meer dat op verzoek van beide bedrijven onderzoek is verricht naar [benadeelde 3] door garantiebedrijven voordat er goederen werden geleverd. Zo heeft [getuige 1] verklaard dat [bedrijf 1] onderzoek heeft gedaan via het garantiebedrijf [bedrijf 3] om te kijken of [benadeelde 3] financieel gezond was en er een garantie werd afgegeven. [getuige 2] heeft verklaard dat de gegevens van [benadeelde 3] door het garantiebedrijf [bedrijf 2] zijn gecontroleerd op kredietwaardigheid voor de eerste levering en dat er ook door hen een garantie is afgegeven.
Het hof stelt vast dat door [bedrijf 1] en [benadeelde 2] als professionele partijen volgens hun standaardprocedures onderzoek is verricht naar de kredietwaardigheid van [benadeelde 3] door respectievelijk de garantiebedrijven [bedrijf 3] en [bedrijf 2] in te schakelen voordat men over ging tot levering van goederen. Uit deze onderzoeken kwamen geen negatieve adviezen naar voren, nu door beide garantiebedrijven garanties werden afgegeven. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat onder meer het deponeren van valse jaarrekeningen over de jaren 2006, 2007, 2008 heeft bijgedragen aan het verkrijgen van de hiervoor bedoelde garanties, die er vervolgens aan hebben bijgedragen dat [bedrijf 1] en [benadeelde 2] in zee zijn gegaan met [benadeelde 3] . Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [bedrijf 1] en [benadeelde 2] hebben voldaan aan de op hen rustende onderzoeksplicht en dat zij in samenhang met de andere bewezenverklaarde gedragingen zijn bewogen tot afgifte van goederen. Het hof is van oordeel dat hen geen tekortkoming met betrekking tot de door hen in acht te nemen zorgvuldigheid kan worden tegengeworpen.
Zoals onder ‘Verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen’ is vermeld is het hof van oordeel dat het bewijsmiddel opgenomen onder nummer 11 (pagina 5 van de aanvulling van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 september 2014, parketnummer 21-006632-13) niet tot het bewijs dient te worden gebezigd. Op deze afdruk van een digitale overboeking wordt als begunstigde de partij [betrokkene 2] vermeld en niet, zoals in de aanvulling op pagina 5 genoemd, [benadeelde 2] Het hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat uit het dossier niet volgt dat deze afdruk naar [getuige 2] is verzonden door [benadeelde 3] De omstandigheid dat een betalingsbewijs ten aanzien van [benadeelde 2] ontbreekt in het dossier maakt naar het oordeel van het hof niet dat de verklaring van [getuige 2] , inhoudende dat op grond van de door [benadeelde 3] verstrekte informatie is overgegaan tot levering, ongeloofwaardig is. Ook kan niet worden gezegd dat [benadeelde 2] had moeten doorzien dat er niet daadwerkelijk betaald was. De gebezigde bewijsmiddelen dienen in onderling verband en samenhang bezien te worden en het hof stelt op grond daarvan vast dat sprake is van een zelfde werkwijze als ten aanzien van [bedrijf 1] door welk bedrijf wel de afdrukken van gestelde digitale overboekingen zijn overgelegd en die door het hof als bewijsmiddel 10 tot het bewijs zijn gebezigd. In beide gevallen zijn de bedrijven door een samenstel van gedragingen en valse voorstellingen van zaken bewogen tot de afgifte van goederen.
Met het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is het hof van oordeel dat [bedrijf 1] en [benadeelde 2] zijn bewogen tot de afgifte van de goederen door de oplichtingsmiddelen zoals bewezenverklaard. Hetgeen door de verdediging overigens naar voren is gebracht in dat kader, leidt niet tot een ander oordeel.
Feitelijk leidinggeven
Nadat de aanvraag tot herziening van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gegrond is verklaard zijn de eerder door de verdediging verzochte getuigen gehoord, met uitzondering van de getuige [getuige 4] in verband met zijn overlijden op 11 december 2019. De bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen leiden niet tot het oordeel dat de verdachte niet degene is geweest die zich heeft uitgegeven als [betrokkene 4] . De door de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen blijven namelijk, voor zover zij zich kunnen herinneren, bij hetgeen zij bij de politie in belastende zin ten aanzien van de verdachte hebben verklaard. De observaties van de verdediging ten aanzien van deze verklaringen – zoals verwoord in de pleitnota – maken dit oordeel niet anders. Daarnaast bezigt dit hof de verklaring van getuige [getuige 3] mede tot het bewijs, waaruit eveneens volgt dat de getuige de verdachte op de getoonde foto herkent als [betrokkene 4] en die hem aanmerkt als dé hoofdpersoon van [benadeelde 3] met wie bijna alle contacten werden onderhouden. Met het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is het hof van oordeel dat uit hetgeen hieromtrent is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte degene is geweest die zich heeft uitgegeven als [betrokkene 4] en dat het de verdachte is geweest die feitelijk leiding heeft gegeven aan de rechtspersoon [benadeelde 3] en de door deze rechtspersoon gepleegde oplichtingshandelingen.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt verworpen.
Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Zoals hiervoor vermeld heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 30 september 2014 de verdachte ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde voor zover dit ziet op de door de firma [benadeelde 1] verleende diensten niet-ontvankelijk verklaard, gelet op de vrijspraak hiervan bij vonnis van de rechtbank Overijssel d.d. 30 juli 2013. Hoewel de benadeelde partij [benadeelde 1] de vordering op 11 augustus 2014 schriftelijk heeft gehandhaafd, was deze vordering, gelet op de partiële vrijspraak in het vonnis, niet meer aan het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden onderworpen en dus ook niet aan het oordeel van het hof na verwijzing ingevolge de herziening.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 60.200,42 aan materiële schade, bestaande uit
€ 59.300,42 aan onbetaalde facturen (€ 32.305,46 + € 34.594,96 – reeds vergoede schade
€ 7.600,00) en € 900,00 aan kosten voor rechtsbijstand, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 59.300,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010 en tevens is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Daarnaast is de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van het vonnis begroot op € 447,00. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de vordering eveneens toegewezen tot een bedrag van € 59.300,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening en tevens is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De verdachte is veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van de uitspraak begroot op € 447,00. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Ter terechtzitting in hoger beroep bij dit hof d.d. 9 april 2025 heeft mr. R. Schreudering de vordering ten aanzien van de materiële schade verlaagd tot een bedrag van € 50.277,10 en daarnaast een totaalbedrag gevorderd van € 2.428,00 aan proceskosten, conform het liquidatietarief rechtbank/hoven, te weten 2 punten à € 1214,00 per punt.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 50.277,10. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof sluit ten aanzien van de proceskosten voor de behandeling in eerste aanleg aan bij de proceskosten zoals zij voor die aanleg oorspronkelijk door de benadeelde partij zijn gevorderd, te weten € 900,00. Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep sluit het hof aan bij het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven d.d. 1 februari 2024. Daarbij geldt tarief IV van € 1.214,00 per punt in zaken van een geldswaarde van € 40.000,00 tot € 98.000,00. De benadeelde partij komt in dat kader één punt toe, te weten voor de aanwezigheid van zijn advocaat ter terechtzitting in hoger beroep bij dit hof.
Op basis van het voorgaande zal het hof de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, derhalve veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, begroot op een totaalbedrag van (€ 900,00 + € 1.214,00 =) € 2.114,00.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 50.277,10. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 50.277,10, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 285 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij ‘ [benadeelde 3] ’ is, zoals hiervoor eveneens vermeld, bij vonnis van de rechtbank Overijssel d.d. 30 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Deze benadeelde partij heeft destijds niet kenbaar gemaakt de vordering te handhaven en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft derhalve bij arrest van 30 september 2014 terecht geen beslissing genomen ten aanzien van deze vordering. Na herziening heeft de benadeelde partij per e-mailbericht d.d. 19 mei 2022 te kennen gegeven de vordering te handhaven. Gelet op artikel 476, eerste lid, Sv in samenhang met artikel 421 Sv is deze vordering aan het oordeel van dit hof onderworpen en het hof zal hieromtrent dan ook een beslissing nemen.
De benadeelde partij ‘ [benadeelde 3] ’ heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van
€ 501.954,96. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich bij e-mailbericht van 19 mei 2022 opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Het gaat hier in de kern om benadeling van crediteuren als gevolg van het faillissement van [benadeelde 3] Het hof acht niet voldoende gebleken dat de gestelde schade door het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij ‘ [benadeelde 3] ’ kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.
Proceskosten
Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
BESLISSING
Het hof, rechtdoende na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden:
Vernietigt het arrest waarvan herziening van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 30 september 2014 ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] en neemt een beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 50.277,10 (vijftigduizend tweehonderdzevenenzeventig euro en tien cent) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 2.114,00 (tweeduizend honderdveertien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 50.277,10 (vijftigduizend tweehonderdzevenenzeventig euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte partij gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Handhaaft het arrest waarvan herziening voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. A.C. van der Schans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 23 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.