Gerechtshof Den Haag 10 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1067.
HR, 18-10-2024, nr. 23/02858
ECLI:NL:HR:2024:1474
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-10-2024
- Zaaknummer
23/02858
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1474, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑10‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1067
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:174
ECLI:NL:PHR:2024:174, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1474
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑07‑2023
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2024-0209
BPR-Updates.nl 2024-0084
Burgerlijk procesrecht.nl BPR-2024-0084
JPF 2024/122
Uitspraak 18‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Internationaal privaatrecht; conflictenrecht; In Iran gesloten huwelijk. Toepasselijk recht t.a.v. verzoek afgifte bruidsgave. Kon hof aan toepassing van art. 10:8 lid 1 BW toekomen?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02858
Datum 18 oktober 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de vrouw,
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken C/10/606149 / FA RK 20-8048 en C/10/613653 / FA RK 21-1388 van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2021;
b. de beschikkingen in de zaak 200.301.719/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 december 2022 en 10 mei 2023.
De vrouw heeft tegen de beschikkingen van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot verwijzing.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Partijen zijn in 2010 te [plaats] met elkaar gehuwd. Inmiddels hebben zij beiden de Nederlandse nationaliteit verkregen.
2.2
De vrouw heeft onder meer verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken en de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud. Verder heeft zij verzocht de man te veroordelen tot afgifte van de bruidsgave die partijen volgens de vrouw bij hun huwelijkssluiting zijn overeengekomen, bestaande uit 500 Iraanse gouden Bahar Azadi-munten.
2.3
De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de vrouw ten laste van de man een uitkering in het levensonderhoud toegekend. Het verzoek van de vrouw tot afgifte van de bruidsgave heeft de rechtbank afgewezen op de grond dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen een bruidsgave zijn overeengekomen.
2.4
Het hof1.heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarin het verzoek van de vrouw ter zake van de bruidsgave is afgewezen. In zijn eindbeschikking heeft het hof daartoe overwogen:
“Toepasselijk recht
2.1
De vrouw heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat Iraans recht van toepassing is op haar verzoek over de bruidsgave.
2.2
Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van het toepasselijke recht dat ziet op het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave heeft de rechtbank geoordeeld dat dit beoordeeld dient te worden naar Iraans recht, nu de aanspraak op die bruidsgave moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de aanspraak over de bruidsgave tot stand is gekomen. De bruidsgave vloeit voort uit het door partijen in Iran gesloten huwelijk. De vrouw betoogt dat de man geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Iraans recht van toepassing is op de bruidsgave. Echter, de rechtbank heeft het verzoek van de vrouw, de man te veroordelen tot afgifte van 500 Iraanse gouden Bahar Azadi munten, afgewezen. De man behoefde dan ook geen incidenteel appel in te stellen, nu de man op dit punt geen andere beslissing van het hof verlangt en hoefde dan ook niet (expliciet) een grief te richten tegen dit oordeel van de rechtbank. Het hof is verder van oordeel dat het verweer van de man niet anders valt te begrijpen dan een betoog dat niet Iraans recht van toepassing moet zijn op dit verzoek. De man voert immers aan dat het niet juist is de echtscheiding op grond van Nederlands recht uit te spreken en voor het huwelijksvermogensregime uit te gaan van Iraans recht. Ook na de tussenbeschikking van het hof heeft de man zich in die zin uitgelaten.
2.3
De overeenkomst over de bruidsgave is tot stand gekomen ten tijde van de huwelijkssluiting. (…) Meermalen is over de bruidsgave geoordeeld dat dit een rechtsfiguur is met een geheel eigen karakter waardoor deze niet gelijk is te stellen aan de rechtsfiguur partneralimentatie dan wel een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. Het hof kwalificeert het verzoek van de vrouw, om de man te veroordelen om aan zijn verplichting tot betaling van de bruidsgave te voldoen, als een verplichting tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals die is vervat in de huwelijksakte.
2.4
In artikel 10:8 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, bijuitzondering buiten toepassing blijft, indien, gelet op alle omstandigheden van het geval,kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel nauwere band bestaat, in dat geval wordt dat andere recht toegepast.
(…)
2.6
Partijen zijn op 24 januari 2010 in Iran met elkaar gehuwd en hebben na de huwelijkssluiting enige tijd in Iran gewoond. De vrouw is vervolgens als vluchteling naar Nederland gekomen en op 1 november 2015 toegelaten. De man is ook naar Nederland gekomen evenals de kinderen van de vrouw. Beide partijen hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ten tijde van het verzoek tot echtscheiding hadden beide partijen al geruime tijd hun gewone verblijfplaats in Nederland. Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding is bij de Nederlandse rechter ingediend. De vrouw heeft bij haar verzoek aangegeven uitdrukkelijk voor de toepassing van het Nederlands recht te kiezen. De rechtbank heeft op het verzoek tot echtscheiding en de daarbij verzochte nevenvoorzieningen Nederlands recht van toepassing verklaard. De vrouw heeft er voor gekozen de bruidsgave pas bij het einde van het huwelijk in Nederland op te eisen. Gelet op al deze omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe betrokkenheid van de Nederlandse rechtsorde. Het hof ziet daarin aanleiding om in dit specifieke geval Iraans recht buiten toepassing te laten en Nederlands recht op het verzoek van de vrouw tot nakoming van de verbintenis uit overeenkomst zoals vervat in de Iraanse huwelijksakte toe te passen.”
Tot slot heeft het hof overwogen dat partijen het erover eens zijn dat de bruidsgave is bedoeld om bescherming te bieden aan de financiële belangen van de vrouw zodat zij na de huwelijkssluiting niet onverzorgd achter zal blijven. Het hof acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als de vrouw, naast de uitkering waarop zij in Nederland aanspraak maakt en de bijdrage in het levensonderhoud die de Nederlandse rechter haar heeft toegekend, ook nog haar aanspraak op de bruidsgave geldend kan maken. (rov. 2.10)
3. Beoordeling van het middel in het principale cassatieberoep
3.1.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 2.2 van de eindbeschikking van het hof. Het betoogt dat het hof gebonden was aan het oordeel van de rechtbank dat het verzoek van de vrouw tot afgifte van de bruidsgave naar Iraans recht moet worden beoordeeld. Het hof heeft in rov. 5.2 van zijn tussenbeschikking immers vastgesteld dat geen van partijen een grief tegen dat oordeel heeft gericht. De devolutieve werking van het hoger beroep mist toepassing, omdat de man in eerste aanleg niet heeft aangevoerd dat Nederlands recht van toepassing is, aldus het onderdeel.
3.1.2
Het onderdeel faalt omdat het berust op een onjuiste rechtsopvatting. Zoals het hof in rov. 2.2 van zijn eindbeschikking heeft overwogen, bestond er voor de man geen noodzaak om incidenteel te appelleren, nu het verzoek van de vrouw tot afgifte van de bruidsgave door de rechtbank was afgewezen. Voorts stond het de man vrij om in hoger beroep een nieuw verweer aan te voeren.
3.2.1
Onderdeel 2 acht onder meer onbegrijpelijk dat het hof in het verweerschrift van de man in hoger beroep een voldoende kenbaar beroep op de toepasselijkheid van Nederlands recht heeft gelezen.
3.2.2
De uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Dat het hof in het betoog van de man een beroep op de toepasselijkheid van Nederlands recht heeft gelezen is niet onbegrijpelijk. Dat betoog komt er immers op neer dat echtscheiding en bruidsgave niet los van elkaar kunnen worden gezien voor wat betreft het toepasselijke recht, en dat, nu de echtscheiding naar Nederlands recht is uitgesproken (en niet naar Iraans recht), ook de bruidsgave naar Nederlands recht moet worden beoordeeld. Het onderdeel faalt dan ook.
3.3
Uit hetgeen hiervoor in 3.1.2 en 3.2.2 is overwogen volgt dat het hof heeft kunnen oordelen dat de rechtsstrijd in hoger beroep mede betrekking heeft op de vraag naar welk recht het verzoek van de vrouw tot afgifte van de bruidsgave dient te worden beoordeeld.
3.4.1
Onderdeel 4 klaagt dat het hof heeft miskend dat art. 10:8 BW gelet op het bepaalde in art. 10:1 BW niet kan worden toegepast als een verdrag of verordening van toepassing is op de vraag naar welk rechtsstelsel de voorliggende rechtsverhouding moet worden beoordeeld. Nu het hof de aanspraak van de vrouw op de bruidsgave heeft gekwalificeerd als een verbintenis uit overeenkomst, is daarop het EVO2.of Verordening Rome I3.van toepassing, zodat art. 10:8 BW niet voor toepassing in aanmerking komt, aldus het onderdeel.
3.4.2
Art. 10:8 lid 1 BW bepaalt dat het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, bij uitzondering buiten toepassing blijft, indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. In dat geval wordt dat andere recht toegepast.
De in Boek 10 BW vervatte regels van internationaal privaatrecht laten de werking van voor Nederland bindende internationale en communautaire regelingen onverlet, zoals art. 10:1 BW in herinnering brengt. Dit betekent dat de rechter eerst moet onderzoeken of een dergelijke internationale of communautaire regeling van toepassing is. Als dat zo is, kan de rechter art. 10:8 BW slechts toepassen voor zover dat in het concrete geval verenigbaar is met de toepasselijke internationale of communautaire regeling.4.
Het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat de toewijsbaarheid van het verzoek van de vrouw in beginsel naar Iraans recht moet worden beoordeeld (zie rov. 5.13 van zijn tussenbeschikking en rov. 2.6 van zijn eindbeschikking). Het heeft echter niet onderzocht uit welke conflictregel dat voortvloeit en dus ook niet of op de vraag naar welk recht de aanspraak tot betaling van een bruidsgave moet worden beoordeeld een internationale of communautaire regeling van toepassing is. Onderdeel 4 klaagt daarover terecht en slaagt dus.
3.4.3
Gelet op het voorgaande zal na cassatie en verwijzing alsnog moeten worden beoordeeld op grond van welke conflictenrechtelijke regeling moet worden bepaald welk recht van toepassing is op het verzoek van de vrouw betreffende de bruidsgave, en welk recht volgens deze regeling dan van toepassing is. Daarbij moet in deze zaak worden uitgegaan van het in cassatie niet bestreden oordeel van het hof dat de aanspraak op de bruidsgave moet worden gekwalificeerd als een verbintenis uit overeenkomst (rov. 2.3 van de eindbeschikking).
3.5
Onderdeel 8, dat een klacht richt tegen de op de toepassing van art. 10:8 BW voortbouwende oordelen van het hof, slaagt eveneens. De overige klachten behoeven geen behandeling.
4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep
Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 1 van het middel in het principale beroep slaagt. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan (zie hiervoor 3.1.2) behoeft het middel geen behandeling.
5. Beslissing in het principale beroep
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof Den Haag van 21 december 2022 en 10 mei 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 18 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 18‑10‑2024
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Rome, 19 juni 1980, Trb. 1980, 156.
Vgl. in het kader van art. 10:9 BW HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:70, rov. 3.2.
Conclusie 16‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Internationaal privaatrecht. Personen- en familierecht. Procesrecht. Verzoek afgifte bruidsgave; Iraans recht; miskenning devolutieve werking appel?; in hoger beroep verweer gevoerd tegen toepassing Iraans recht?; Nederlands recht o.g.v. art. 10:8 BW (exceptie nauwe betrokkenheid); motiveringsklachten.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02858
Zitting 16 februari 2024
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
tegen
[de man]
(hierna: de man)
Deze zaak heeft betrekking op het verzoek tot betaling van een bruidsgave, waarop volgens de rechtbank het Iraanse recht van toepassing is. Het hof heeft geoordeeld dat het verzoek op grond van art. 10:8 BW (de exceptie van de nauwe betrokkenheid) beheerst wordt door Nederlands recht. De vrouw klaagt in cassatie dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend en dat onbegrijpelijk is dat het hof in het verweerschrift van de man een voldoende kenbaar beroep op het Nederlandse recht heeft gelezen. Tevens klaagt de vrouw over de toepassing van art. 10:8 BW.
1. Feiten en procesverloop
1.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd te [plaats] (Iran) op 24 januari 2010. Zij hebben de Iraanse nationaliteit.
1.2
Bij verzoekschrift van 16 oktober 2020 heeft de vrouw de rechtbank Rotterdam verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw heeft de rechtbank tevens – voor zover in cassatie relevant – verzocht om de vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 500,- per maand en de man te veroordelen tot afgifte van de bruidsgave, zijnde 500 Iraanse gouden Bahar Azadi munten.
1.3
Bij beschikking van 5 juli 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft tevens ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 438,- per maand. Met betrekking tot het verzoek van de vrouw dat ziet op de bruidsgave heeft de rechtbank geoordeeld dat dit moet worden beoordeeld naar Iraans recht, nu de aanspraak op de bruidsgave moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de aanspraak tot stand is gekomen. Nu het gaat om een naar Iraans recht gesloten huwelijk, dient het verzoek ten aanzien van de bruidsgave te worden beoordeeld naar Iraans recht (rov. 2.6.6). Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw haar stelling dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting de afspraak omtrent de bruidsgave hebben gemaakt, onvoldoende onderbouwd met verificatoire bescheiden. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw afgewezen (rov. 2.6.7-2.6.8).
1.4
Op 14 oktober 2021 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
1.5
De vrouw is van de beschikking in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag. De vrouw heeft het hof – kort gezegd – verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en zodanig te wijzigen dat de man wordt veroordeeld om de geldelijke waarde van de bruidsgave te betalen.
1.6
Bij tussenbeschikking van 21 december 2022 heeft het hof overwogen dat de Nederlandse rechter op grond van art. 4 lid 3, onder a, Rv rechtsmacht toekomt met betrekking tot het verzoek over de bruidsgave (rov. 5.1) en dat de rechtbank ten aanzien van het toepasselijke recht op dit verzoek heeft geoordeeld dat dit beoordeeld dient te worden naar Iraans recht, waartegen de vrouw noch de man een grief heeft gericht (rov. 5.2). Volgens het hof is, gelet op de stellingen van partijen, voldoende komen vast te staan dat partijen bij de huwelijkssluiting zijn overeengekomen dat de man aan de vrouw 500 gouden Bahar Azadi munten als bruidsgave dient te voldoen, zoals in de huwelijksakte is overeengekomen (rov. 5.10). Gelet op wat partijen hebben aangevoerd en de specifieke omstandigheden van dit geval, zijn er gronden om Nederlands recht op het verzoek van de vrouw van toepassing te achten. Het hof heeft daartoe overwogen dat ingevolge art. 10:8 lid 1 BW het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, bij uitzondering buiten toepassing blijft, indien, gelet op alle bijzondere omstandigheden van het geval, kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. Het hof heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de volgende vragen: (1) bestaat, gelet op alle omstandigheden van dit geval, de veronderstelde nauwe band van de bruidsgave met Iraans recht slechts in geringe mate en bestaat er een veel nauwere band met Nederlands recht, en (2) welke gevolgen heeft de toepassing van Nederlands recht voor de beoordeling van het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave door de man? (rov. 5.13-5.14).
1.7
De man heeft op deze vragen van het hof gereageerd op 17 januari 2023 en de vrouw op 6 februari 2023.
1.8
Bij eindbeschikking van 10 mei 20232.heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarin het verzoek van de vrouw ter zake van de bruidsgave is afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
‘2.2 (…) Ten aanzien van het toepasselijke recht dat ziet op het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave heeft de rechtbank geoordeeld dat dit beoordeeld dient te worden naar Iraans recht, nu de aanspraak op die bruidsgave moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de aanspraak over de bruidsgave tot stand is gekomen. De bruidsgave vloeit voort uit het door partijen in Iran gesloten huwelijk. De vrouw betoogt dat de man geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Iraans recht van toepassing is op de bruidsgave. Echter, de rechtbank heeft het verzoek van de vrouw, de man te veroordelen tot afgifte van 500 Iraanse gouden Bahar Azadi munten, afgewezen. De man behoefde dan ook geen incidenteel appel in te stellen, nu de man op dit punt geen andere beslissing van het hof verlangt en hoefde dan ook niet (expliciet) een grief te richten tegen dit oordeel van de rechtbank. Het hof is verder van oordeel dat het verweer van de man niet anders valt te begrijpen dan een betoog dat niet Iraans recht van toepassing moet zijn op dit verzoek. De man voert immers aan dat het niet juist is de echtscheiding op grond van Nederlands recht uit te spreken en voor het huwelijksvermogensregime uit te gaan van Iraans recht. Ook na de tussenbeschikking van het hof heeft de man zich in die zin uitgelaten.
2.3
De overeenkomst over de bruidsgave is tot stand gekomen ten tijde van de huwelijkssluiting. De vrouw vordert nu de betaling door de man van de bruidsgave. Voordat de echtscheidingsprocedure door de vrouw aanhangig is gemaakt heeft zij die bruidsgave niet opgeëist. Meermalen is over de bruidsgave geoordeeld dat dit een rechtsfiguur is met een geheel eigen karakter waardoor deze niet gelijk is te stellen aan de rechtsfiguur partneralimentatie dan wel een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. Het hof kwalificeert het verzoek van de vrouw, om de man te veroordelen om aan zijn verplichting tot betaling van de bruidsgave te voldoen, als een verplichting tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals die is vervat in de huwelijksakte.
2.4
In artikel 10:8 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, bij uitzondering buiten toepassing blijft, indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. In dat geval wordt dat andere recht toegepast.
2.5
Boek 10 (Internationaal privaatrecht) van het Burgerlijk Wetboek is met ingang van 1 januari 2012 (dus na de huwelijkssluiting van partijen) in werking getreden. De te dezen relevante bepalingen uit dat boek wijken echter inhoudelijk niet af van de voordien geldende wettelijke en jurisprudentiële regels. Vragen van overgangsrecht doen zich in dit geval dan ook niet voor.
2.6
Partijen zijn op 24 januari 2010 in Iran met elkaar gehuwd en hebben na de huwelijkssluiting enige tijd in Iran gewoond. De vrouw is vervolgens als vluchteling naar Nederland gekomen en op 1 november 2015 toegelaten. De man is ook naar Nederland gekomen – evenals de kinderen van de vrouw. Beide partijen hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ten tijde van het verzoek tot echtscheiding hadden beide partijen al geruime tijd hun gewone verblijfplaats in Nederland. Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding is bij de Nederlandse rechter ingediend. De vrouw heeft bij haar verzoek aangegeven uitdrukkelijk voor de toepassing van het Nederlands recht te kiezen. De rechtbank heeft op het verzoek tot echtscheiding en de daarbij verzochte nevenvoorzieningen Nederlands recht van toepassing verklaard. De vrouw heeft er voor gekozen de bruidsgave pas bij het einde van het huwelijk in Nederland op te eisen. Gelet op al deze omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is van een nauwe betrokkenheid van de Nederlandse rechtsorde. Het hof ziet daarin aanleiding om in dit specifieke geval Iraans recht buiten toepassing te laten en Nederlands recht op het verzoek van de vrouw tot nakoming van de verbintenis uit overeenkomst zoals vervat in de Iraanse huwelijksakte toe te passen.
Inhoudelijk
2.7
De man vindt het niet redelijk als hij wordt gehouden aan de nakoming van de overeenkomst, nu de vrouw partneralimentatie ontvangt en er geen financiële noodzaak voor de vrouw is om een beroep te doen op de destijds overeengekomen bruidsgave.
2.8
De vrouw is van mening dat haar aanspraak op de bruidsgave los gezien moet worden van haar aanspraak op partneralimentatie.
2.9
Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6:248 lid 1 BW heeft een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de redelijkheid en billijkheid voortvloeien. De redelijkheid en billijkheid kunnen voor partijen bij een overeenkomst bijkomende rechten en verplichtingen meebrengen, waarin de overeenkomst zelf niet direct voorziet (aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid). Dit is een kwestie van uitleg door de rechter van de tussen partijen bestaande overeenkomst.
2.10
Tussen partijen is niet in geschil dat de overeengekomen bruidsgave naar haar aard is bedoeld om bescherming te bieden aan de financiële belangen van de vrouw zodat zij niet onverzorgd achter zal blijven na de huwelijkssluiting. Naar het oordeel van het hof voorziet de overeenkomst niet in de thans opgetreden omstandigheden, waarbij de vrouw in Nederland woont en hier bij het einde van het huwelijk aanspraak maakt op een uitkering én waarbij de Nederlandse rechter aan de vrouw, ten laste van de man, een uitkering tot levensonderhoud heeft toegekend. Deze beide aanspraken vormen een bron van inkomsten voor de vrouw en hebben het karakter van een financieel vangnet. Onder deze omstandigheden acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als de vrouw bovenop deze voorzieningen ook nog haar aanspraak jegens de man ter zake van de bruidsgave geldend kan maken.
2.11
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen. Dat betekent dat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal bekrachtigen, zij het met verbetering van gronden. Het hof komt derhalve aan de overige verweren niet meer toe.
2.12
Ten overvloede overweegt het hof dat het huwelijk van partijen naar Iraans recht in stand blijft en dat als de vrouw naar Iran zou terugkeren er mogelijk een andere situatie ter zake van de afwikkeling van de bruidsgave zal ontstaan.’
1.9
De vrouw heeft tegen de tussenbeschikking en de eindbeschikking van het hof cassatieberoep ingesteld. De man heeft verweer gevoerd en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft verweer gevoerd in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.
2. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel valt uiteen in acht onderdelen.
2.2
Onderdeel 1 klaagt in de kern genomen dat het hof in rov. 2.2 van de eindbeschikking en in rov. 5.2 van de tussenbeschikking de devolutieve werking van het appel onjuist heeft toegepast en heeft miskend dat de regel dat de man geen incidenteel beroep hoefde in te stellen alleen geldt voor zijn in eerste instantie aangevoerde en niet prijsgegeven stellingen. Subsidiair klaagt het onderdeel dat voor zover het hof in het verweer van de man bij de rechtbank een expliciet beroep heeft gelezen op de toepasselijkheid van Nederlands recht op de bruidsgave, dat onbegrijpelijk is in het licht van de processtukken in eerste aanleg.
2.3
Onderdeel 2 klaagt eveneens dat rov. 2.2 van de eindbeschikking onbegrijpelijk is, omdat in het verweerschrift van de man in redelijkheid geen voldoende kenbaar beroep op de toepasselijkheid van Nederlands recht valt te lezen, laat staan een voldoende gemotiveerd beroep op de aanvullende/beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals door het hof toegepast in rov. 2.9 van de eindbeschikking.
2.4
De beide onderdelen vertonen een zodanige samenhang dat zij gezamenlijk kunnen worden besproken. Hierna volgt een overzicht van hetgeen partijen in hun processtukken in feitelijke instanties hebben betoogd over het toepasselijke recht op het verzoek van de vrouw ter zake van de bruidsgave.
2.5
In het inleidende verzoekschrift heeft de vrouw afgifte van de bruidsgave verzocht en niets vermeld over het op de bruidsgave toepasselijke recht. In zijn verweerschrift heeft de man primair betwist dat partijen een bruidsgave zijn overeengekomen en heeft hij geen standpunt ingenomen over het op de bruidsgave toepasselijke recht. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft de advocaat van de vrouw opgemerkt dat de bruidsgave een eigen karakter heeft en dat het een nevenvoorziening is die samenhangt met de echtscheiding. De advocaat van de man heeft daarop het volgende aangevoerd:
‘Het hangt er echt van af hoe de rechter de bruidsgave kwalificeert. Ik ben van mening dat het überhaupt niet aan de orde is. Maar er zijn heel veel uitspraken over. In de ene uitspraak wordt het gezien als verkapte partneralimentatie, maar in de andere als losse overeenkomst tussen partijen. Het moet niet als partneralimentatie worden gezien. Die wordt apart verzocht. Want dan had de vrouw het wel in dezelfde lijn meegenomen. Als het gaat om een overeenkomst is de vraag of het in deze zitting kan worden behandeld. Als het een afspraak is, dan moet er worden afgewikkeld volgens Iraans recht. De vrouw kan niet aantonen dat partijen dit hebben afgesproken. Als de vrouw een geldige huwelijksakte kan overleggen, kun je daar eens over nadenken, maar dit is een kopie waarvan we dan maar moeten aannemen dat het de huwelijksakte is. (…).’3.(mijn onderstreping, A-G).
2.6
In haar beschikking van 5 juli 2021 heeft de rechtbank in rov. 2.6.6 overwogen dat het verzoek van de vrouw tot teruggave van de bruidsgave moet worden beoordeeld naar Iraans recht. De vrouw heeft vervolgens in haar hoger beroepschrift één grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw haar stelling over de bruidsgave onvoldoende heeft onderbouwd met verificatoire bescheiden (rov. 2.6.8). De vrouw heeft in haar beroepschrift onder meer ter toelichting op de grief het volgende opgemerkt:
‘3. Van belang is dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zonder het afspreken van een bruidsgave het huwelijk tussen partijen niet eens tot stand kan komen daar het afspreken van een bruidsgave een verplicht onderdeel en vereiste is voor het tot stand komen van een geldig Iraans huwelijk.’
2.7
In zijn verweerschrift in appel stelt de man zich niet te kunnen verenigen met de inhoud van het beroepschrift van de vrouw. De man gaat in zijn verweerschrift uit van toepassing van Iraans recht op de bruidsgave, waar hij stelt:
‘9. Volgens de Iraanse wet kan de vrouw geen bruidsschat van de man aannemen omdat partijen beiden Christenen waren ten tijde van het sluiten van het huwelijk. Iran is een moslimland en het is voor Christenen niet mogelijk om in Iran te trouwen op een andere wijze dan op basis van de daar geldende ‘moslim’ wet.
(…)
11. Vastgesteld moet worden dat partijen Christen zijn en een bruidsschat geldt alleen voor moslims. Artikel 6 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek bepaalt: “De wetten met betrekking tot persoonlijke status zoals huwelijk, echtscheiding, geschiktheid en erfenis zijn van toepassing op alle Iraanse burgers, zelfs als ze in het buitenland zijn.” Dat betekent dat als de vrouw een beroep wenst te doen op de huwelijksakte dit moet worden beoordeeld rekening houdend met de persoonlijke status van partijen, in dit geval het Christendom.
(…)
Echtscheiding
(…)
15. De rechtbank heeft bepaald dat nu de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond ten tijde van de indiening van het verzoekschrift, aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomst om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding, waarbij op grond van art. 10:56 BW Nederlands recht van toepassing wordt verklaard op de echtscheiding.
(…)
17. De rechtbank heeft in eerste aanleg bepaald dat nu de rechter op grond van de Brussel II-bis verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, hij tevens rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels.
18. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat ten aanzien van het toepasselijke recht op het verzoek van de vrouw, dit dient te worden beoordeeld naar Iraans recht, nu de aanspraak op die bruidsgave moet worden beoordeeld naar het recht waarnaar de aanspraak over de bruidsgave – voor zover doe [lees: die, A-G] bestaat – tot stand is gekomen.
19. De man begrijpt wel dat er rechtsregels zijn op basis waarvan de echtscheiding gereguleerd dient te worden, maar hij merkt hierbij op dat het niet juist is om de echtscheiding op grond van de Nederlandse wet uit te spreken en voorts ten aanzien van het huwelijksvermogensregime uit te gaan van Iraans recht. Immers, Nederland kent de mogelijkheid voor de vrouw om de echtscheiding aan te vragen, terwijl in Iran de echtscheiding alleen het recht van de man is. Volgens de Iraanse wet moet een vrouw een man gehoorzamen. Volgens Iraans recht is een Nederlandse rechtbank niet bevoegd om kennis te nemen van de echtscheiding, maar op basis van de internationale rechtsregels geldt dat een Nederlandse rechtbank wel de echtscheiding kan uitspraken [lees: uitspreken, A-G] op grond van Nederlands recht en voorts zou de Nederlandse rechter dan de man kunnen verplichten tot betaling van een bruidsschat, omdat de rechter op het huwelijksvermogensregime Iraans recht toepast. Er wordt in dat geval rekening gehouden met een deel van de Nederlandse wet en een deel van de Iraanse wet.
20. Als de Nederlandse rechter wil handelen in overeenstemming met de Iraanse wet kan de vrouw niet van de man scheiden. Volgens de Iraanse wet heeft alleen een man het recht om te scheiden en kan een vrouw alleen echtscheiding aanvragen als de man – zoals overigens ook in de door de vrouw ingediende akte is opgenomen – een van de navolgende situaties zich voordoet:
(…)
Vastgesteld moet worden dat de man geen van deze wetten heeft overtreden en dat de vrouw desondanks toch de echtscheiding heeft aangevraagd. De vrouw kan op basis van Iraans recht niet de echtscheiding aanvragen en haar vermeende bruidsgave opeisen.
(…)
24. De man is van mening dat de bruidsgave geen onderdeel is van het huwelijksvermogen en om die reden niet voor verdeling of toedeling in aanmerking komt. (…).’4.(mijn onderstrepingen, A-G).
2.8
Met het oog op de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van de vrouw op 15 augustus 2022 vier USB-sticks overgelegd met daarop een video van de huwelijksvoltrekking. De advocaat van de man heeft op 23 augustus 2022 aan het hof een toelichting ter zake van het Iraanse recht toegestuurd met de mededeling dat daarop tijdens de mondelinge behandeling een beroep zal worden gedaan.
2.9
Deze mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2022. In dit proces-verbaal5.valt onder meer te lezen:
(de vrouw): ‘Belangrijk is het volgende. De voldoening van de bruidsgave moet worden beoordeeld naar Iraans recht.’ (p. 2)
(…)
‘De advocaat van de man: de vrouw haalt wat gunstig is er voor haar zelf uit. Zij heeft de rechtbank in Nederland om de echtscheiding verzocht. De man wilde niet scheiden, maar heeft uiteindelijk daarmee ingestemd. De man was in de veronderstelling dat alles naar Nederlands recht werd geregeld. Hij dacht dat er geen andere mogelijkheid was.
In Nederland gelden nu eenmaal andere rechten. De man staat er niet achter dat de vrouw de scheiding heeft aangevraagd en zich vervolgens beroept op de Islam. De vrouw maakt aanspraak op de bruidsgave na de echtscheiding. Ik verwijs naar de eerste akte. Als er geen echtscheiding komt, kan de vrouw geen aanspraak maken op de bruidsgave. Het is of/of en niet en/en.’ (p. 3)
(…)
‘De man: ons huwelijk was een formaliteit en is formaliteit. De vrouw wil hier de scheiding regelen omdat zij zeker weet dat zij daar in Iran geen recht op heeft. Volgens de Iraanse wet is de man verantwoordelijk voor het aanvragen van de echtscheiding. Dan betaal je bruidsgave. Als de vrouw de scheiding aanvraagt, heeft zij nergens recht op.’ (p. 5)
2.10
Het hof heeft vervolgens in zijn tussenbeschikking overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat partijen bij de huwelijkssluiting de bruidsgave zijn overeengekomen (rov. 5.10). Het hof heeft in rov. 5.11 het standpunt van de man weergegeven, die heeft gesteld dat op basis van Iraans recht de vrouw niet de echtscheiding kan verzoeken en de bruidsgave kan opeisen. Na weergave van het standpunt van de vrouw in rov. 5.12 heeft het hof in rov. 5.13 overwogen dat, gelet op wat partijen hebben aangevoerd, er gronden kunnen zijn om Nederlands recht (op basis van art. 10:8 BW) op het verzoek van de vrouw tot betaling van de bruidsgave van toepassing te achten. Het hof heeft vervolgens partijen in de gelegenheid gesteld zich – kort gezegd – uit te laten over de vraag of in dit geval een veel nauwere band bestaat met Nederlands recht dan met het Iraanse recht, en welke gevolgen dit heeft voor de beoordeling van het verzoek tot betaling van de bruidsgave.
2.11
De man heeft zich op 17 januari 2023 over de vragen van het hof uitgelaten en onder meer het volgende aangevoerd:
‘Bruidsgave
Vastgesteld moet worden dat het ondertekenen van de Iraanse huwelijksakte, waarin de bruidsgave is opgenomen, voorwaarde is voor het aangaan van het huwelijk in Iran.(…). Kortgezegd: partijen waren Christen en de man heeft om het huwelijk te kunnen sluiten ingestemd met de bruidsgave ervan uitgaande dat zulks in de situatie van partijen niet aan de orde was.
Dan dient te worden beoordeeld of het voor de vrouw mogelijk is om in Nederland aanspraak te doen gelden op een bruidsgave waar zij naar Iraans recht geen recht op heeft. De man is van mening dat dit niet mogelijk is. In het Iraanse systeem is een (lees: het een, A-G] onlosmakelijk verbonden met het ander. Immers, indien de vrouw de bruidsgave opeist als gevolg van de scheiding en de man zou deze niet kunnen betalen, dan weigert hij in te stemmen met de scheiding. De vrouw kan in dat geval geen rechten doen gelden met betrekking tot de bruidsgave. De man is van mening dat de Nederlandse rechter deze beslissing dient over te laten aan de rechtbank in Iran.
Los van het feit dat de vrouw op basis van de islamitische wetgeving haar bruidsgave niet kan opeisen, geldt dat de bruidsschat van een vrouw haar recht is, zolang ze de religie van de islam volgt en onderworpen is aan de speciale wetten ervan. (…)
De man stelt zich primair op het standpunt dat de bruidsgave naar Nederlands recht niet geldig is en daarop in Nederland in rechte geen beroep kan worden gedaan. (…)’. (mijn onderstrepingen, A-G).
2.12
De vrouw heeft zich op 6 februari 2023 in haar reactie naar aanleiding van de tussenbeschikking op het standpunt gesteld dat, nu partijen geen grief hebben gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het toepasselijke recht op het verzoek tot betaling van de bruidsgave, het hof aan dit oordeel gebonden is.
2.13
Het hof heeft in rov. 2.2 van de eindbeschikking over het verzoek van de vrouw tot afgifte van de bruidsgave geoordeeld dat ‘het verweer van de man niet anders valt te begrijpen dan een betoog dat niet Iraans recht van toepassing moet zijn op dit verzoek’. In de laatste zin van rov. 2.2 heeft het hof overwogen: ‘Ook na de tussenbeschikking van het hof heeft de man zich in die zin uitgelaten’.
2.14
Uit de weergave van de processtukken in hoger beroep blijkt duidelijk dat de man niet een voldoende kenbaar beroep heeft gedaan op toepassing van Nederlands recht (althans niet Iraans recht) op het verzoek van de vrouw tot afgifte van de bruidsgave. De man heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep stellingen ingenomen die erop neerkomen dat Nederlands recht (althans niet Iraans recht) van toepassing is. Uit het verweerschrift in appel van de man en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de man met zijn opmerking ‘dat het niet juist is om de echtscheiding op grond van de Nederlandse wet uit te spreken en voorts ten aanzien van het huwelijksvermogensregime uit te gaan van Iraans recht’, heeft bedoeld dat de vrouw pas recht heeft op een bruidsgave indien de echtscheiding overeenkomstig de vereisten van Iraans recht heeft plaatsgevonden. Voor zover de man in zijn brief van 17 januari 2023 wél de bovengenoemde stelling zou hebben ingenomen, moet die stelling wegens strijdigheid met de tweeconclusieregel buiten beschouwing worden gelaten. Die stelling is immers niet te beschouwen als een nadere precisering of uitwerking van een eerder ingenomen stelling. Daarmee slaagt de motiveringsklacht van onderdeel 2.
2.15
Onderdeel 1 klaagt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft geschonden. Volgens het onderdeel was het hof gebonden aan het oordeel van de rechtbank over de toepasselijkheid van Iraans recht op de bruidsgave, nu tegen dit oordeel geen grief was gericht.
2.16
Het onderdeel stelt in de kern de kwestie aan de orde of in deze zaak de vraag naar het toepasselijke recht binnen de rechtsstrijd van partijen in hoger beroep kan worden gebracht wanneer de man in zijn verweerschrift in hoger beroep verweer voert tegen het door de rechtbank van toepassing geachte recht. Het antwoord op deze vraag kan in deze zaak buiten beschouwing blijven, omdat – zoals uit de bespreking van onderdeel 2 volgt – de man een dergelijk verweer in hoger beroep niet voldoende kenbaar heeft gevoerd. Bij deze stand van zaken behoeft onderdeel 1 geen bespreking en faalt het bij gebrek aan belang.
2.17
Gelet op het slagen van onderdeel 2, behoeven de overige onderdelen 3 t/m 7 evenmin bespreking.
2.18
Onderdeel 8 bevat een veegklacht. Gelet op het slagen van onderdeel 2, slaagt ook deze klacht.
2.19
Geheel ten overvloede veroorloof ik mij nog een korte opmerking over onderdeel 4, waarin aan de orde wordt gesteld dat het hof heeft miskend dat art. 10:8 BW niet van toepassing is in het geval dat een verdrag van toepassing is en dat het hof niet heeft gemotiveerd welke conflictregel van toepassing is.
2.20
Art. 10:8 BW bevat een algemene exceptie die geldt voor alle verwijzingsregels van Boek 10 BW die zijn gebaseerd op het beginsel van de nauwe verbondenheid. De exceptie wordt ambtshalve toegepast, maar partijen moeten gelegenheid krijgen zich daarover uit te laten.6.Dat laatste heeft het hof in zijn tussenbeschikking gedaan. Art. 10:8 BW luidt als volgt:
‘1. Het recht dat is aangewezen door een wettelijke regel die berust op een veronderstelde nauwe band met dat recht, blijft bij uitzondering buiten toepassing, indien, gelet op alle omstandigheden van het geval, kennelijk de in die regel veronderstelde nauwe band slechts in zeer geringe mate bestaat, en met een ander recht een veel nauwere band bestaat. In dat geval wordt dat andere recht toegepast.
2. Lid 1 is niet van toepassing in geval van een geldige rechtskeuze van partijen.’
2.21
Art. 10:8 BW is een exceptieclausule in strikte zin, waarbij de rechter in uitzonderlijke omstandigheden de mogelijkheid heeft om de rechtsverhouding te onderwerpen aan het recht waarmee zij het nauwst is verbonden, zulks in afwijking van het recht dat door de conflictregel wordt aangewezen en met welk recht een geringere mate van verbondenheid bestaat. Voor de toepassing van deze exceptie is uitsluitend plaats in die gevallen dat de in Boek 10 BW opgenomen conflictregel berust op de veronderstelde nauwe band met het door de conflictregel aangewezen recht. Een conflictregel die is opgenomen in een verdrag of in een verordening kan niet opzij worden gezet door de in art. 10:8 BW opgenomen algemene exceptie.7.Deze exceptieclausule kan ook niet worden toegepast wanneer partijen een geldige rechtskeuze zijn overeenkomen (lid 2).
2.22
Het hof heeft in zijn eindbeschikking het verzoek van de vrouw inzake de bruidsgave gekwalificeerd als een verplichting tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zoals die is vervat in de huwelijksakte (rov. 2.3). Vervolgens heeft het hof gewezen op art. 10:8 BW (rov. 2.4) en op basis van verschillende omstandigheden geoordeeld dat sprake is van een nauwe betrokkenheid van de Nederlandse rechtsorde. Het hof heeft daarin aanleiding gezien om Iraans recht buiten toepassing te laten en Nederlands recht op het verzoek van de vrouw tot nakoming van de verbintenis uit overeenkomst zoals vervat in de Iraanse huwelijksakte toe te passen (rov. 2.6). Het hof heeft in het midden gelaten op grond van welke conflictregel Iraans recht van toepassing is. Voor zover het hof heeft gemeend dat het voor de toepassing van de exceptieclausule van art. 10:8 lid 1 BW geen verschil maakt op basis van welke conflictregel wordt bepaald welk recht toepasselijk is op de bruidsgave, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Deze exceptieclausule mag immers uitsluitend het verwijzingsresultaat corrigeren van conflictregels die zijn opgenomen in Boek 10 BW en die berusten op de veronderstelde nauwe band met het door de conflictregel aangewezen recht. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat aan de toepassingsvereisten van art. 10:8 BW is voldaan, is dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
2.23
De slotsom is dat het principaal cassatieberoep slaagt.
3. Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
3.1
Het incidenteel cassatiemiddel is ingesteld onder de voorwaarde dat onderdeel 1 van het principaal cassatieberoep slaagt. Nu onderdeel 1 van het principaal cassatieberoep faalt bij gebrek aan belang, behoeft het incidenteel cassatiemiddel niet te worden besproken.
4. Conclusie
De conclusie strekt in het principaal cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑02‑2024
Zie rov. 3.2 van de tussenbeschikking van het hof Den Haag van 21 december 2022.
Verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling met gesloten deuren van de rechtbank Rotterdam, gehouden op 7 juni 2021, p. 2.
Verweerschrift van de man d.d. 7 februari 2022 (processtuk nr. 7 van het A-dossier, processtuk nr. 8 van het B-dossier).
Het proces-verbaal ontbreekt zowel in het procesdossier van de man als in dat van de vrouw, maar is op mijn verzoek door tussenkomst van de griffie van de Hoge Raad bij de advocaten van partijen en bij het hof opgevraagd en op 8 februari 2024 ontvangen.
Th.M. de Boer/L. Strikwerda, Algemene leerstukken, in: F. Ibili (red.), Nederlands internationaal personen- en familierecht (R&P nr. PFR3) 2022, hoofdstuk 2, par. 4.3 (p. 45).
Kamerstukken II 2009-2010, 32137, nr. 3, p. 18 (MvT). Zie ook P. Vlas, IPR en BW (Mon. BW nr. A27), 2015/33; Asser/Vonken 10-I 2023/428.
Beroepschrift 24‑07‑2023
PROCESINLEIDING IN EEN VERZOEKPROCEDURE
Geeft eerbiedig te kennen:
Mevrouw [de vrouw] wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente] (hierna te noemen: ‘de vrouw ’), te dezer zake woonplaats kiezende aan de Rijnsburgerweg nr. 141, 2334 BM Leiden (postadres: Postbus 788 2300 AT Leiden) ten kantore van Groenendijk & Kloppenburg Advocaten van wie de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. N.C. van Steijn haar ten deze vertegenwoordigt en deze procesinleiding ondertekent.
Verweerder in cassatie is:
De heer [de man] wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan het adres [adres] (hierna te noemen: ‘de man’) in feitelijke instantie woonplaats gekozen hebben bij de advocaat mr. C.E. Koopmans , kantoorhoudende aan het adres: De Vriesstraat 16, 3261 PC Oud-Beijerland VQ Advocaten)
Inleiding
1.
Deze zaak ziet toe op de tussenbeschikking van het Hof Den Haag van 21 december 2022 en de eindbeschikking van 10 mei 2023 met zaaknummer: 200.301.719/01. De vrouw kan zich niet verenigen met deze beschikkingen.
Middel van cassatie
2.
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordat het hof in zijn ten deze bestreden beschikkingen op de daarin vermelde gronden recht heeft gedaan als in die beschikking is aangegeven, zulks om de navolgende — mede in onderling verband te beschouwen — redenen.
Onderdeel 1
3.
In de tussenbeschikking van 21 december 2022 in r.o. 5.2 oordeelt het hof dat partijen in hoger beroep niet hebben geklaagd over de toepasselijkheid van Iraans recht op de aanspraak op de bruidsgave. Vervolgens overweegt het hof in r.o. 5.13 dat gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd en de omstandigheden van het geval er gronden kunnen zijn om Nederlands recht toe te passen. In haar reactie na de tussenbeschikking van 6 februari 2023 (sub I) heeft de vrouw geklaagd over dit standpunt van het hof om desondanks Nederlands recht toe te passen.1. In de eindbeschikking van 10 mei 2023 oordeelt het hof in r.o. 2.2 dat de man geen incidenteel appel hoefde in te stellen omdat de rechtbank het verzoek van de vrouw tot afgifte van de bruidsgave heeft afgewezen. Verder is het hof van oordeel dat het verweer van de man niet anders valt te begrijpen dan een betoog dat niet het Iraans recht van toepassing moet zijn op dit verzoek. Ook na de tussenbeschikking van het hof heeft de man zich volgens het hof in die zin uitgelaten.
4.
Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door de devolutieve werking onjuist toe te passen. Het hof heeft miskend dat de regel dat de man niet in incidenteel beroep hoefde te gaan alleen geldt voor zijn in eerste instantie aangevoerde en niet prijsgegeven stellingen. In dit geval had de man bij de rechtbank geen verweer gevoerd tegen de toepasselijkheid van Iraans recht op de bruidsgave, althans in dit verband geen expliciet beroep gedaan op Nederlands recht.2. Het hof heeft vastgesteld in r.o. 5.2 dat de man geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Iraans recht van toepassing is. Het hof was hierdoor gebonden aan het oordeel van de rechtbank over de toepasselijkheid van Iraans recht op de bruidsgave.3. Dat de man na de tussenbeschikking alsnog heeft gesteld dat Nederlands recht van toepassing is, is niet relevant aangezien dit in strijd is met de tweeconclusieregel. Het hof had de later door de man in dit verband ingenomen stellingen moeten passeren althans moeten motiveren waarom het hof deze stellingen desondanks heeft toegelaten.4.
5.
Voorzover het hof in het verweer van de man bij de rechtbank een expliciet beroep heeft gelezen op toepasselijkheid van Nederlands recht op de bruidsgave is dat onbegrijpelijk nu een dergelijk beroep niet (voldoende kenbaar) in de stukken van eerste aanleg valt te bespeuren.5. Ook de rechtbank heeft dit in de eindbeschikking niet zo opgevat nu een vermeend verweer van de man niet expliciet wordt behandeld. Daarbij komt dat het door het hof in r.o. 2.2 aangehaalde verweer van de man pas is gedaan in het verweerschrift in hoger beroep.6. Mocht het hof dit verweer hebben gezien als een grief van de man dan is dat onbegrijpelijk gelet op de vaststelling in r.o. 5.2 van de tussenbeschikking dat partijen geen grief hebben gericht tegen de toepassing van Iraans recht op de bruidsgave en hetgeen het hof overweegt in r.o. 2.2 van de eindbeschikking dat de man geen incidenteel appel behoefde in te stellen en niet expliciet hoefde te grieven tegen dit onderdeel van de rechtbank.
Onderdeel 2
6.
Daarnaast is het onbegrijpelijk dat het hof in het verweerschrift van de man in hoger beroep überhaupt een voldoende kenbare beroep op de toepassing van Nederlands recht heeft gelezen. De man klaagt in nr. 19 van zijn verweerschrift alleen dat de rechter voor een deel rekening zou houden met de Nederlandse wet en voor een deel met de Iraanse wet. Vervolgens stelt de man in het slot van nr. 20 van zijn verweerschrift dat de vrouw: ‘op basis van Iraans recht’ niet de echtscheiding kan aanvragen en haar vermeende bruidsgave kan opeisen. Hierin valt in redelijkheid geen voldoende kenbaar beroep op toepasselijkheid van Nederlands recht te lezen, laat staan een voldoende gemotiveerd beroep op de aanvullende/ beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals door het hof toegepast in r.o. 2.9 van de eindbeschikking.
7.
Doordat het hof desondanks art. 6:248 lid 1 BW toepast in r.o. 2.7 t/m 2.11 van de eindbeschikking is het hof bovendien buiten de rechtsstrijd getreden nu de man zowel in zijn verweerschrift in hoger beroep als in zijn reactie na tussenbeschikking van 17 januari 2023 geen voldoende kenbaar beroep heeft gedaan op aanvullende/ beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid dan wel heeft het hof de tweeconclusieregel miskend.7.
Onderdeel 3
8.
Het hof heeft in de eindbeschikking verzuimd om te reageren op de essentiële stelling van de vrouw dat de uitzondering van lid 2 van art. 10:8 BW van toepassing is, althans dat partijen hebben gekozen voor Iraans recht zodat de in lid 1 neergelegde regel van de veronderstelde nauwe band niet van toepassing is.8. De vrouw heeft immers gemotiveerd gesteld dat deze rechtskeuze volgt uit het feit dat partijen in Iran in hun huwelijksakte huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen waaruit een ondubbelzinnige rechtskeuze voor de Iraanse recht voortvloeit.9. Daarbij heeft de vrouw verwezen naar een uitspraak van het Hof Den Haag van 2 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019. Nu het gaat om een essentieel verweer bij het slagen waarvan de door het hof toegepaste regel van de veronderstelde nauwe band niet van toepassing is had het hof gemotiveerd op dit verweer moeten ingaan.
Onderdeel 4
9.
Daarnaast heeft het hof in de tussenbeschikking en in de eindbeschikking miskend dat in art. 10:8 BW neergelegde regel van de veronderstelde nauwe band niet van toepassing is indien er een verdrag van toepassing is (art. 10:1 BW).10. Nu het hof de aanspraak op de uitgaven in r.o. 2.3 van de eindbeschikking11. kwalificeert als een verplichting tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst zoals die is vervat in de huwelijksakte en het huwelijk op [trouwdatum] 2010 in Iran is gesloten12. is het EVO verdrag of het Rome I verdrag van toepassing13. danwel (ingeval art. 10:154 BW van toepassing is) van overeenkomstige toepassing.14. Het hof mocht niet oordelen op basis van de regel van art. 10:8 lid 1 BW maar op basis van de regels (of binnen de context van) van het EVO of Rome I verdrag, waaronder het uitgangspunt in artikel 4 van beide verdragen dat uitgaat van de nauwe band van de overeenkomst op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst met een land en niet een later ontstane band van de contractspartijen bij het recht van een ander land.15. In dat verband wordt erop gewezen dat artikel 4 lid 5 EVO en artikel 4 lid 3 en 4 van Rome I een eigen exceptieclausule heeft, waardoor het hof niet aan art. 10:8 lid 1 BW (of de voorganger daarvan) mocht toekomen.
10.
Voorzover echter toch zou worden geoordeeld dat de bruidsgave een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak zou zijn dan is daarop het Haags huwelijksvermogensverdrag van toepassing en niet art. 10:8 lid 1 BW.16.
11.
Daarnaast is art. 10:8 BW of de daarin gecodificeerde geldende regel niet van toepassing omdat geen sprake is van correctie op een wettelijke verwijzingsregel. Het hof motiveert ook niet welke verwijzingsregel wordt gecorrigeerd.
Onderdeel 5
12.
Verder gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting door in r.o. 2.6 te miskennen dat bij verbintenissen uit overeenkomst de nauwe band van de overeenkomst met een land moet worden onderzocht ten tijde van de sluiting van de overeenkomst en niet een later ontstane band van de partijen bij het recht van een ander land.17. Dan wel heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom er bij uitzondering sprake is van een nauwere band tussen de overeenkomst en de Nederlandse rechtsorde terwijl de overeenkomst tot stand is gekomen bij het huwelijk in Iran en is vervat in een Iraanse huwelijksakte. Dat klemt te meer gelet op de overweging van het hof in 2.12 van de eindbeschikking dat als de vrouw naar Iran zou terugkeren er mogelijk een andere situatie ter zake van de afwikkeling van de bruidsgave zal ontstaan.
Onderdeel 6
13.
Het hof is verder uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting in r.o. 2.6 van de eindbeschikking en in de daaropvolgende r.o. 2.9 t/m 2.10 door de exceptie zoals neergelegd in artikel 10:6 onvoldoende terughoudend, onvoldoende objectief en bovendien in materieelrechtelijke zin toe te passen. Het hof corrigeert immers in essentie het verwijzingsresultaat op subjectieve gronden omdat het hof dat resultaat in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet acceptabel vindt gelet op de gevolgen voor partijen in Nederland.18. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aan de exceptieclausule geen dergelijke materieelrechtelijke functie mag worden toegekend. De keuze van het aanknopingspunt mag niet afhankelijk worden van belangen en beginselen die ten dele zijn ontleend aan de rechtsorde van het forum. Toepassing van een dergelijke exceptie mag niet leiden tot een ‘better law approach’. Ook kan de rechtszekerheid dan in gevaar komen.19.
Onderdeel 7
14.
Het oordeel van het hof in r.o. 2.10 van de eindbeschikking dat tussen partijen niet in geschil is dat de overeengekomen bruidsgave naar haar aard bedoeld is om bescherming te bieden aan de financiële belangen van de vrouw zodat zij niet onverzorgd achter zal blijven na huwelijkssluiting is onbegrijpelijk. Zoals weergegeven in r.o. 5.7 heeft de vrouw gesteld dat bruidsgave een voorwaarde is om het huwelijk voor de Iraanse wet rechtsgeldig te kunnen sluiten en dient het ter bescherming van de positie van de vrouw. De vrouw heeft echter ook gesteld dat het onjuist is dat als de man alimentatie aan de vrouw betaalt hij geen bruidsgave meer hoeft te betalen. Het een heeft volgens de vrouw niets met het ander te maken. Verder heeft de vrouw erop gewezen dat de bruidsgave niet te vergelijken is met alimentatie omdat de bruidsgave wordt afgesproken voordat het huwelijk is voltrokken in tegenstelling tot een vordering tot levensonderhoud.20. Gelet op deze stellingen van de vrouw in samenhang met de overweging van het hof in r.o. 2.3 van de eindbeschikking dat de bruidsgave niet gelijk te stellen is aan de partneralimentatie is het onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat tussen partijen niet in het geschil is dat de overeengekomen bruidsgave naar haar aard bedoeld is om bescherming te bieden aan de financiële belangen van de vrouw zodat zij niet onverzorgd achter zal blijven na huwelijkssluiting.21.
Onderdeel 8
15.
Bij het slagen van één of meer van de klachten uit de voorgaande onderdelen kunnen de daarmee samenhangende of voortbouwend de overwegingen niet in stand blijven, waaronder de eindbeslissing van het hof in r.o. 2.11 en 3.
Weshalve
De vrouw zich wendt tot de Hoge Raad met het eerbiedige verzoek de bestreden beschikkingen te vernietigen met zodanige verdere beschikking als uw Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Leiden, 24 juli 2023
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑07‑2023
zie ook r.o. 2.1 ven 2.2. van de eindbeschikking
zie zijn verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van 24 december 2020, nr. 5 en nrs, 15 t/m 21
HR 11-03-2016, ECLI:NL:HR:2016:394 (zie conclusie A-G Vlas: ECLI:NL:PHR:2015:2412, par. 2.3) en Asser/ Vonken 10-I 2018/398en HR 12-06-2015, ECLI:NL:HR:2015:1525
hetgeen het hof niet heeft gedaan
zie zijn verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van 24 december 2020, nr. 5 en nr., 15 t/m 21.
zie zijn verweerschrift in hoger beroep van 7 februari 2022, nr. 19 waarin de man stelt dat het niet juist is om de echtscheiding op grond van de Nederlandse wet uit te spreken en voorts ten aanzien van het huwelijksvermogen gezien uitgegaan van Iraans recht; welke stelling pas in hoger beroep is aangevoerd
voor het geval een dergelijk verweer in de stellingen van de man na de tussenbeschikking besloten zou liggen, welk beroep echter niet valt te bespeuren in reactie van de man van 17 januari 2023
of de door het hof in r.o. 2.5 van de tussenbeschikking genoemde voordien geldende wettelijke en jurisprudentiele regels
zie haar reactie na de tussenbeschikking van 6 februari 2023 (nr. II)
zie ook art. 94 Gw. en Asser/Vonken 10-I 2018/428
en r.o. 2.6 van de eindbeschikking
r.o. 3.2 van de tussenbeschikking
zie ook Rb. Rotterdam, 14-04-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3468
echter: het hof stelt in r.o. 2.3 van de uit beschikking vast dat daarvan geen sprake is
met name het naast elkaar bestaan van een uitkering tot levensonderhoud en een aanspraak op de bruidsgave, zie rechtsoverweging 2.10 en 2.12
reactie vrouw na tussenbeschikking onder 3.3.3.6 en 7.3.2.1
vermoedelijk bedoeld het hof ontbinding van het huwelijk in plaats van huwelijkssluiting